Procestaal: Spaans.
HvJ EU, 20-12-2017, nr. C-334/16
ECLI:EU:C:2017:1007
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
20-12-2017
- Magistraten
C. G. Fernlund, A. Arabadjiev, E. Regan
- Zaaknummer
C-334/16
- Conclusie
Y. Bot
- Roepnaam
Núñez Torreiro
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2017:1007, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 20‑12‑2017
ECLI:EU:C:2017:455, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 14‑06‑2017
Uitspraak 20‑12‑2017
C. G. Fernlund, A. Arabadjiev, E. Regan
Partij(en)
In zaak C-334/16,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Audiencia Provincial de Albacete (provinciaal gerechtshof Albacete, Spanje) bij beslissing van 23 mei 2016, ingekomen bij het Hof op 15 juni 2016, in de procedure
José Luis Núñez Torreiro
tegen
AIG Europe Limited, Sucursal en España, voorheen Chartis Europe Limited, Sucursal en España,
Unión Española de Entidades Aseguradoras y Reaseguradoras (Unespa),
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. G. Fernlund, kamerpresident, A. Arabadjiev (rapporteur) en E. Regan, rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 april 2017,
gelet op de opmerkingen van:
- —
AIG Europe Limited, Sucursal en España en Unión Española de Entidades Aseguradoras y Reaseguradoras (Unespa), vertegenwoordigd door J. Marín López, abogado,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door V. Ester Casas als gemachtigde,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Mentgen als gemachtigden,
- —
Ierland, vertegenwoordigd door A. Joyce, L. Williams en G. Hodge als gemachtigden, bijgestaan door G. Gilmore, barrister,
- —
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door J. Kraehling als gemachtigde, bijgestaan door A. Bates, barrister,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Rius en K.-P. Wojcik als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 juni 2017,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3 en 5 van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB 2009, L 263, blz. 11).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen José Luis Núñez Torreiro enerzijds en AIG Europe Limited, Sucursal en España, voorheen Chartis Europe Limited, Sucursal en España (hierna: ‘AIG’) en Unión Española de Entidades Aseguradoras y Reaseguradoras (Unespa) (Spaanse unie van verzekeringsmaatschappijen en herverzekering) anderzijds, over de betaling van een schadevergoeding op grond van de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorvoertuigen aanleiding kan geven (hierna: ‘verplichte verzekering’) naar aanleiding van een verkeersongeval dat zich voorgedaan heeft op een terrein voor militaire manoeuvres.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 1, 2 en 20 van richtlijn 2009/103 luiden als volgt:
- ‘(1)
Richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid [(PB 1972, L 103, blz. 1)], tweede richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven [(PB 1984, L 8, blz. 17)], derde richtlijn 90/232/EEG van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven [(PB 1990, L 129, blz. 33)], en richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (vierde richtlijn verzekering motorrijtuigen) [(PB 2000, L 181, blz. 65)] zijn herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd […]. Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze vier richtlijnen en richtlijn 2005/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 houdende wijziging van de richtlijnen [72/166], [84/5], 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en richtlijn [2000/26] van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven [(PB 2005, L 149, blz. 14)] te worden overgegaan.
- (2)
De verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven […] is van bijzonder groot belang voor Europese burgers, of zij verzekeringnemers zijn of slachtoffers van een ongeval. Zij is tevens van grote betekenis voor verzekeringsondernemingen omdat de motorrijtuigenverzekering een aanzienlijk deel van het schadeverzekeringsbedrijf in [de Unie] vormt. Daarnaast heeft de motorrijtuigenverzekering gevolgen voor het vrije verkeer van personen en voertuigen. Een van de hoofddoelstellingen van het optreden [van de Unie] op het gebied van financiële diensten dient derhalve een versterking en consolidering van de interne markt op het gebied van motorrijtuigenverzekering te zijn.
[…]
- (20)
Er dient voor te worden gezorgd dat slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen een vergelijkbare behandeling krijgen, ongeacht de plaats in de [Unie] waar het ongeval zich heeft voorgedaan.’
4
Artikel 1 van deze richtlijn luidt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
- 1.
‘voertuigen’: alle rij- of voertuigen die bestemd zijn om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, alsmede al dan niet aan de rij- of voertuigen gekoppelde aanhangwagens en opleggers;
[…]’
5
Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt het volgende:
‘Iedere lidstaat treft, onverminderd de toepassing van artikel 5, de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.
De dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden in de in de eerste alinea bedoelde maatregelen vastgesteld.
[…]
De in de eerste alinea bedoelde verzekering dekt zowel materiële schade als lichamelijk letsel.’
6
Artikel 5 van die richtlijn luidt:
- ‘1.
Iedere lidstaat kan afwijken van de bepalingen van artikel 3 ten aanzien van publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, van wie door deze staat een lijst wordt opgemaakt, die aan de andere lidstaten en aan de Commissie wordt toegezonden.
[…]
- 2.
Iedere lidstaat kan afwijken van de bepalingen van artikel 3 ten aanzien van bepaalde typen voertuigen of bepaalde voertuigen met een speciale kentekenplaat, waarvan door deze staat een lijst wordt opgemaakt, die aan de andere lidstaten en aan de Commissie wordt toegezonden.
[…]’
7
Artikel 29 van richtlijn 2009/103 is als volgt verwoord:
‘De richtlijnen [72/166], [84/5], [90/232], [2000/26] en [2005/14] […] worden ingetrokken […].
Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.’
Spaans recht
8
Artikel 1 van de Ley sobre responsabilidad civil y del seguro en la circulación de vehículos a motor (wet inzake wettelijke aansprakelijkheid en de verzekering in het motorvoertuigverkeer), gecodificeerd bij Real Decreto Legislativo 8/2004 (koninklijk besluit van 29 oktober 2004; BOE nr. 267 van 5 november 2004, blz. 3662) (hierna: ‘wet inzake wettelijke aansprakelijkheid en de verzekering in het motorvoertuigverkeer’), bepaalt:
- ‘1.
De bestuurder van een motorvoertuig is wegens het risico dat door het besturen daarvan ontstaat, aansprakelijk voor de daarmee in het verkeer aan personen en zaken toegebrachte schade.
[…]
- 6.
Voor de toepassing van de onderhavige wet worden de begrippen ‘motorrijtuig’ en ‘deelneming aan het verkeer’ gedefinieerd in uitvoeringsregelingen. Hoe dan ook worden de gevolgen van het gebruik van een motorvoertuig als instrument om opzettelijk strafbare feiten tegen personen of zaken te plegen, niet als deelname aan het verkeer beschouwd.’
9
Artikel 7, lid 1, van de wet inzake wettelijke aansprakelijkheid en de verzekering in het motorvoertuigverkeer luidt:
‘De verzekeraar moet, in het kader van de verplichte verzekering en ingevolge de plicht om een verzekering af te sluiten, aan het slachtoffer het bedrag betalen van de schade aan diens persoon en zaken alsmede de kosten en andere verliezen waarop het slachtoffer krachtens de toepasselijke regeling recht heeft. Hij wordt alleen bevrijd van deze verplichting indien hij bewijst dat het incident niet leidt tot de vereiste wettelijke aansprakelijkheid overeenkomstig artikel 1 van deze wet.
[…]’
10
Artikel 2 van Real Decreto 1507/2008 por el que se aprueba el reglamento del seguro obligatorio de responsabilidad civil en la circulación de vehículos a motor (koninklijk besluit 1507/2008 tot goedkeuring van de regeling inzake de verplichte wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen), van 12 september 2008 (BOE nr. 222, van 13 september 2008, blz. 37487) (hierna: ‘regeling inzake verplichte verzekering’) luidt als volgt:
- ‘1.
Voor de wettelijke aansprakelijkheid in het verkeer van motorrijtuigen en de dekking door de verplichte verzekering als geregeld in deze regeling, wordt verstaan onder ‘deelname aan het verkeer’, de gevolgen van het risico van het besturen van motorrijtuigen als bedoeld in het voorgaande artikel, zowel in garages en op parkeerplaatsen als op openbare en privéterreinen die geschikt zijn voor verkeer, binnen of buiten de bebouwde kom, alsmede op wegen en terreinen die, hoewel zij niet geschikt zijn voor verkeer, wel algemeen worden gebruikt.
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11
Op 28 juni 2012 nam Núñez Torreiro, officier bij het Spaanse leger, deel aan een nachtelijke militaire oefening op een terrein voor militaire manoeuvres te Chinchilla (Spanje), toen het militaire terreinvoertuig (op wielen) van het type ‘Aníbal’ (hierna: ‘betrokken voertuig’), verzekerd door AIG in het kader van de verplichte verzekering, waarin hij als passagier reisde, omsloeg, waardoor hij verschillende verwondingen opliep. Dit voertuig verplaatste zich niet in een gebied bestemd voor voertuigen op wielen, maar voor voertuigen met een rupsband.
12
Op grond van artikel 7 van de wet inzake wettelijke aansprakelijkheid en de verzekering in het motorvoertuigverkeer, heeft Núñez Torreiro van AIG een vergoeding van 15 300,56 EUR gevorderd voor de door hem wegens het ongeval geleden schade.
13
AIG heeft op grond van artikel 1, lid 6, van de wet inzake wettelijke aansprakelijkheid en de verzekering in het motorvoertuigverkeer, gelezen in samenhang met artikel 2 van de regeling inzake de verplichte verzekering, geweigerd hem dat bedrag te betalen, omdat het ongeval geen gevolg was van een ‘deelneming aan het verkeer’, aangezien het zich had voorgedaan terwijl het betrokken voertuig op een oefenterrein voor militaire manoeuvres reed, waartoe de toegang voor alle typen niet-militaire voertuigen beperkt was. Deze verzekeringsmaatschappij was namelijk van mening dat dit terrein niet ‘geschikt voor verkeer’ is en bovendien niet ‘algemeen gebruikt’ werd in de zin van artikel 2 van deze regeling.
14
Núñez Torreiro heeft AIG gedagvaard voor de Juzgado de Primera Instancia n. 1 de Albacete (rechter in eerste aanleg Albacete, Spanje). Bij vonnis van 3 november 2015 heeft deze rechter de vordering van de betrokkene afgewezen op grond dat de verwondingen van de laatstgenoemde niet het gevolg waren van een ‘deelneming aan het verkeer’, aangezien het voertuig waarin hij reisde over een terrein reed dat niet geschikt was voor verkeer en niet algemeen werd gebruikt.
15
Núñez Torreiro heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis bij de Audiencia Provincial de Albacete (provinciaal gerechtshof Albacete, Spanje). In het kader daarvan betoogde hij dat artikel 1, lid 6, van de wet inzake wettelijke aansprakelijkheid en de verzekering in het motorvoertuigverkeer, gelezen in samenhang met artikel 2 van de regeling inzake de verplichte verzekering, restrictief moest worden uitgelegd volgens het arrest van 4 september 2014, Vnuk (C-162/13, EU:C:2014:2146), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de aansprakelijkheid van de verzekeraar niet kan worden uitgesloten als het gebruik van het voertuig overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan.
16
De verwijzende rechter betwijfelt of artikel 1, lid 6, en artikel 7, lid 1, van de wet inzake wettelijke aansprakelijkheid en de verzekering in het motorvoertuigverkeer, gelezen in samenhang met artikel 2 van de regeling inzake de verplichte verzekering, verenigbaar zijn met artikel 3 van richtlijn 2009/103, aangezien deze bepalingen van nationaal recht in een aantal situaties, zoals de situatie die in het bij hem aanhangige geding aan de orde is, tot gevolg hebben dat de verantwoordelijkheid voor het gebruik van motorvoertuigen niet verplicht hoeft te zijn gedekt door een verzekering. De verwijzende rechter is van oordeel dat de enige uitzonderingen op deze verplichting in artikel 5 van deze richtlijn zijn vermeld. Bovendien merkt deze rechter op dat het Hof in het arrest van 4 september 2014, Vnuk (C-162/13, EU:C:2014:2146), met name heeft geoordeeld dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ in de zin van artikel 3 van richtlijn 2009/103 niet aan de beoordeling van elke lidstaat kan worden overgelaten.
17
Daaruit vloeit volgens de verwijzende rechter voort dat de lidstaten enkel in het kader van artikel 5 van richtlijn 2009/103 of wanneer het gebruik van het betrokken voertuig niet overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan, kunnen voorzien in afwijkingen van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, of van het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’. De uitzonderingen op het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ ten gevolge van de beperking van dergelijke feiten, krachtens artikel 2, lid 1, van de regeling inzake de verplichte verzekering, tot feiten die plaatsgevonden hebben op een terrein dat ‘geschikt voor verkeer’ is of dat ‘hoewel het daartoe niet geschikt is algemeen wordt gebruikt’, zijn daarom onverenigbaar met het Unierecht. Hetzelfde geldt voor artikel 2, leden 2 en 3, van die regeling die voorziet in een uitzondering op de verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, wanneer het gaat om gebruik van motorrijtuigen op racecircuits, in havens en op luchthavens en als instrument voor een industriële of landbouwactiviteit of voor het opzettelijk plegen van een delict.
18
In die omstandigheden heeft de Audiencia Provincial de Albacete de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Kan het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ — of in het Spaanse recht ‘hecho de la circulación’ (verkeersincident) — als risico dat gedekt moet worden door de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering voor deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen, waarnaar wordt verwezen in de Uniewetgeving (onder meer in artikel 3 van richtlijn 2009/103), in de nationale wettelijke regeling van een lidstaat anders worden gedefinieerd dan is bepaald in de Unieregeling?
- 2)
Zo ja, kan dat begrip dan (naast bepaalde personen, kentekenplaten of typen voertuigen als voorzien in artikel 5, leden 1 en 2, van richtlijn 2009/103) verkeerssituaties uitsluiten op basis van de plaats waar zij zich voordoen, zoals op wegen of terreinen die ‘niet geschikt’ zijn voor verkeer?
- 3)
Kunnen op dezelfde wijze worden uitgesloten van ‘deelneming aan het verkeer’ bepaalde benuttingsvormen van het voertuig die samenhangen met het doel van het voertuig (zoals gebruik voor sport en industrieel of landbouwgebruik) of met de bedoeling van de bestuurder (zoals het opzettelijk begaan van een strafbaar feit met het voertuig)?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
19
Met zijn eerste en zijn tweede vraag, die samen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan schade die is ontstaan bij het besturen van motorrijtuigen op wegen en terreinen die niet ‘geschikt voor verkeer’ zijn, met uitzondering van die welke weliswaar niet geschikt zijn voor verkeer, maar wel ‘algemeen worden gebruikt’, mag worden uitgesloten van de dekking door de verplichte verzekering.
20
Deze vragen berusten in casu op het uitgangspunt dat schade ten gevolge van verkeer van motorrijtuigen op een terrein voor militaire manoeuvres, zoals aan de orde in het hoofdgeding, volgens de Spaanse regeling mag worden uitgesloten van de dekking door de verplichte verzekering, op grond dat het een terrein betreft dat niet geschikt is voor het verkeer van rijtuigen en dat bovendien niet ‘algemeen wordt gebruikt’ in de zin van artikel 2, lid 1, van de regeling inzake verplichte verzekering.
21
In dat verband bepaalt artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 dat iedere lidstaat, onverminderd de toepassing van artikel 5 van deze richtlijn, de nodige maatregelen treft opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.
22
Vooraf zij opgemerkt dat een militair terreinvoertuig (op wielen) van het type ‘Aníbal’, zoals in het hoofdgeding aan de orde is, onder het begrip ‘voertuig’ bedoeld in artikel 1, punt 1, van richtlijn 2009/103 valt, aangezien het hier gaat om een ‘rij- of voertuig [dat] bestemd [is] om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en [dat] door een mechanische kracht [kan] worden gedreven’. Bovendien staat vast dat het voertuig gewoonlijk op het grondgebied van een lidstaat is gestald en dat er geen krachtens artikel 5 van deze richtlijn vastgestelde afwijking op van toepassing is.
23
Om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen, moet worden nagegaan of de omstandigheden als in het hoofdgeding onder het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ vallen in de zin van artikel 3, eerste alinea, van de genoemde richtlijn.
24
In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat ditzelfde begrip, in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166 (hierna: ‘eerste richtlijn’), waarvan de inhoud in wezen overeenkomt met die van artikel 3, eerste en tweede alinea, van richtlijn 2009/103, niet aan de beoordeling van elke lidstaat kan worden overgelaten, maar een autonoom begrip van Unierecht vormt dat volgens vaste rechtspraak in het bijzonder dient te worden uitgelegd in het verband van de context van deze bepaling en de doelstellingen van de regeling waarvan het deel uitmaakt (zie in die zin arresten van 4 september 2014, Vnuk, C-162/13, EU:C:2014:2146, punten 41 en 42, en 28 november 2017, Rodrigues de Andrade, C-514/16, EU:C:2017:908, punt 31).
25
In dat verband, zoals overweging 1 van richtlijn 2009/103 verkondigt, heeft zij de eerste richtlijn, de tweede richtlijn 84/5, de derde richtlijn 90/232, de richtlijn 2000/26 en de richtlijn 2005/14 gecodificeerd. Deze richtlijnen hebben geleidelijk aan gespecificeerd welke verplichtingen de lidstaten hebben inzake de verplichte verzekering. Zij beoogden enerzijds het vrije verkeer te waarborgen, zowel van gewoonlijk op het grondgebied van de Unie gestalde voertuigen als van de inzittenden van die voertuigen, en anderzijds willen zij verzekeren dat de slachtoffers van door deze voertuigen veroorzaakte ongevallen een vergelijkbare behandeling krijgen, ongeacht de plaats op het grondgebied van de Unie waar het ongeval zich heeft voorgedaan (zie in die zin arresten van 23 oktober 2012, Marques Almeida, C-300/10, EU:C:2012:656, punt 26; 4 september 2014, Vnuk, C-162/13, EU:C:2014:2146, punt 50, en 28 november 2017, Rodrigues de Andrade, C-514/16, EU:C:2017:908, punt 32).
26
Uit overwegingen 2 en 20 van richtlijn 2009/103 volgt in wezen dat zij dezelfde doelstellingen nastreeft.
27
Bovendien blijkt uit de evolutie van de regelgeving van de Unie inzake de verplichte verzekering dat de Uniewetgever de doelstelling van bescherming van de slachtoffers van door die voertuigen veroorzaakte ongevallen voortdurend heeft nagestreefd en versterkt (zie in die zin arresten van 4 september 2014, Vnuk, C-162/13, EU:C:2014:2146, punten 52-55, en 28 november 2017, Rodrigues de Andrade, C-514/16, EU:C:2017:908, punt 33).
28
Uit bovenstaande overwegingen volgt dat artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat het daarin vervatte begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ niet beperkt blijft tot situaties in het wegverkeer, dat wil zeggen deelneming aan het verkeer op de openbare weg, maar dat onder dit begrip elk gebruik van een voertuig valt dat overeenstemt met de gebruikelijke functie van dit voertuig (zie in die zin arrest van 4 september 2014, Vnuk, C-162/13, EU:C:2014:2146, punt 59, en 28 november 2017, Rodrigues de Andrade, C-514/16, EU:C:2017:908, punt 34).
29
Daarbij heeft het Hof gepreciseerd dat de motorrijtuigen bedoeld in artikel 1, punt 1, van de eerste richtlijn, waarvan de bewoordingen overeenkomen met die van artikel 1, punt 1, van richtlijn 2009/103, onafhankelijk van hun kenmerken bestemd zijn om gewoonlijk als vervoermiddel te dienen, zodat dit begrip ieder gebruik van een voertuig als vervoermiddel omvat (arrest van 28 november 2017, Rodrigues de Andrade, C-514/16, EU:C:2017:908, punten 37 en 38).
30
Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat de draagwijdte van dat begrip niet afhangt van het soort terrein waarop het motorrijtuig wordt gebruikt (arrest van 28 november 2017, Rodrigues de Andrade, C-514/16, EU:C:2017:908, punt 35).
31
Geen enkele bepaling van richtlijn 2009/103 beperkt trouwens de omvang van de verzekeringsplicht en van de bescherming die deze verplichting aan de slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen beoogt te bieden, tot het gebruik van dergelijke voertuigen op bepaalde terreinen of op bepaalde wegen (zie in die zin arrest van 28 november 2017, Rodrigues de Andrade, C-514/16, EU:C:2017:908, punt 36).
32
In casu staat vast dat het betrokken voertuig op het moment waarop het omviel en Núñez Torreiro verwondde, gebruikt werd als vervoermiddel.
33
Een dergelijk gebruik valt derhalve onder het begrip van ‘verkeer van voertuigen’ in de zin van artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103.
34
Het feit dat het betrokken voertuig, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, toen het omviel, op een terrein voor militaire manoeuvres reed waartoe de toegang voor alle niet-militaire voertuigen verboden was en in een zone van dat terrein reed die niet geschikt was voor voertuigen op wielen, is niet van invloed op deze conclusie en kan bijgevolg de uit deze bepaling voortvloeiende verplichte verzekering niet beperken.
35
Een regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is heeft tot gevolg dat de omvang van de dekking door de verplichte verzekering afhankelijk wordt gesteld van de kenmerken van het terrein waarop het motorrijtuig gebruikt wordt. De regeling maakt het immers mogelijk om de omvang van de algemene verzekeringsplicht die de lidstaten op grond van artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 in hun nationaal recht moeten instellen, en bijgevolg de bescherming die deze verplichting beoogt te verlenen aan slachtoffers van door motorrijtuigen veroorzaakte ongevallen, te beperken tot gevallen van gebruik van dergelijke voertuigen op bepaalde terreinen of bepaalde wegen.
36
Gelet op het bovenstaande dient op de eerste en tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan schade die is ontstaan door het rijden met motorrijtuigen op wegen en terreinen die niet ‘geschikt voor verkeer’ zijn, met uitzondering van wegen of terreinen die weliswaar niet geschikt zijn voor verkeer, maar niettemin ‘algemeen worden gebruikt’, mag worden uitgesloten van de dekking door de verplichte verzekering.
Derde vraag
37
Met zijn derde vraag, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 in die zin moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als artikel 1, lid 6, en artikel 7, lid 1, van de wet inzake wettelijke aansprakelijkheid en de verzekering in het motorvoertuigverkeer, gelezen in samenhang met artikel 2, leden 2 en 3, van de regeling inzake de verplichte verzekering op grond waarvan schade door het gebruik van voertuigen in het kader van sportactiviteiten, industriële activiteiten en landbouwactiviteiten, in havens en op luchthavens, alsook voor het opzettelijk plegen van delicten, wordt uitgesloten van de dekking door de verplichte verzekering.
38
In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat er volgens vaste rechtspraak van het Hof een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek om een prejudiciële beslissing van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de hem gestelde vragen (arrest van 20 juli 2017, Piscarreta Ricardo, C-416/16, EU:C:2017:574, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
In casu volgt uit de verwijzingsbeslissing dat de door Núñez Torreiro geleden schade het gevolg is van een ongeval met een militair voertuig, op wielen, van het type ‘Aníbal’ dat reed in een voor voertuigen met rupsbanden bestemde zone van een terrein voor militaire manoeuvres. Het hoofdgeding heeft dus geen betrekking op het gebruik van dit voertuig in het kader van sportactiviteiten, industriële activiteiten of landbouwactiviteiten, in havens of op luchthavens of voor het opzettelijk plegen van een delict.
40
In deze omstandigheden houdt de uitlegging van artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 waar om wordt verzocht met de derde vraag, duidelijk geen verband met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding en is deze vraag bijgevolg niet-ontvankelijk.
Kosten
41
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan schade die is ontstaan door het rijden met motorrijtuigen op wegen en terreinen die niet‘geschikt voor verkeer’zijn, met uitzondering van terreinen die weliswaar niet geschikt zijn voor verkeer, maar niettemin‘algemeen worden gebruikt’, mag worden uitgesloten van de dekking door de verplichte verzekering.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑12‑2017
Conclusie 14‑06‑2017
Y. Bot
Partij(en)
Zaak C-334/161.
José Luís Núñez Torreiro
tegen
AIG Europe Limited, Sucursal en España,
Unespa, Unión Española de Entidades Aseguradoras y Reaseguradoras
[verzoek van de Audiencia Provincial de Albacete (provinciaal gerechtshof Albacete, Spanje) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Dit verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3 en 5 van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid.2.
2.
Het verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen José Luís Núñez Torreiro en een verzekeringsmaatschappij — te weten AIG Europe Limited, Sucursal en España3. (hierna: ‘verzekeraar’) — over de betaling van een schadevergoeding op grond van de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven4..
3.
De verwijzende rechter wil met zijn vragen in wezen vernemen wat de precieze inhoud van het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ is en in het bijzonder of de lidstaten de mogelijkheid hebben dat begrip anders te definiëren dan is bepaald in richtlijn 2009/103, teneinde vast te stellen of de plaats van deelneming aan het verkeer een grond kan zijn om af te wijken van de verzekeringsplicht, wat impliceert dat het in het arrest Vnuk5. van 4 september 2014 ontwikkelde begrip ‘gebruikelijke functie van het voertuig’ moet worden gepreciseerd.
4.
In deze conclusie zal ik verdedigen dat het in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/103 vermelde begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’, aangezien het als autonoom begrip van Unierecht is aangemerkt, in alle lidstaten uniform moet worden uitgelegd, rekening houdend met het gebruik van het voertuig volgens de ‘gebruikelijke functie’ ervan en dat het aan de verwijzende rechter staat om de volledige regeling — als die welke in het hoofdgeding aan de orde is — aldus uit te leggen dat zij nuttige werking verleent aan de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid van motorrijtuigen. Ik geef in overweging dat omstandigheden als die van het hoofdgeding niet rechtvaardigen dat de definitie van het begrip ‘gebruik van een voertuig volgens de ‘gebruikelijke functie’ ervan’ wordt gewijzigd door rekening te houden met het terrein waarop het voertuig reed.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
5.
In de overwegingen 1 tot en met 3, 10 en 20 van richtlijn 2009/103 wordt het volgende bepaald:
- ‘(1)
Richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid[6.], tweede richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven[7.], derde richtlijn 90/232/EEG van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven[8.] en richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering)[9.] zijn herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd […]. Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze vier richtlijnen en richtlijn 2005/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 houdende wijziging van de richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG […] en richtlijn 2000/26/EG […][10.] te worden overgegaan.
- (2)
De verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven […] is van bijzonder groot belang voor Europese burgers, of zij verzekeringnemers zijn of slachtoffers van een ongeval. Zij is tevens van grote betekenis voor verzekeringsondernemingen omdat de motorrijtuigenverzekering een aanzienlijk deel van het schadeverzekeringsbedrijf in de Gemeenschap vormt. Daarnaast heeft de motorrijtuigenverzekering gevolgen voor het vrije verkeer van personen en voertuigen. Een van de hoofddoelstellingen van het communautaire optreden op het gebied van financiële diensten dient derhalve een versterking en consolidering van de interne markt op het gebied van motorrijtuigenverzekering te zijn.
- (3)
Iedere lidstaat moet de dienstige maatregelen treffen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt. De dekking van de schade en de voorwaarden van deze verzekering worden in deze maatregelen vastgesteld.
[…]
- (10)
Lidstaten moeten kunnen afwijken van de algemene verplichting tot het afsluiten van een verzekering ten aanzien van voertuigen van publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen. In geval van ongelukken, veroorzaakt door deze voertuigen, moet de lidstaat die deze afwijking voorziet een instantie of orgaan aanwijzen die of dat de schade aan de slachtoffers van in een andere lidstaat veroorzaakte ongevallen vergoedt. Gewaarborgd moet worden dat niet alleen slachtoffers van door deze voertuigen in het buitenland veroorzaakte ongevallen schadeloos worden gesteld, maar ook de slachtoffers van ongevallen in dezelfde lidstaat als waar het voertuig gewoonlijk is gestald, ongeacht of zij wel of niet op het grondgebied van die lidstaat verblijven. Voorts dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat de lijst met van verplichte verzekering vrijgestelde personen en van de instanties of organen die verantwoordelijk zijn voor de schadevergoeding aan de slachtoffers van door deze voertuigen veroorzaakte ongevallen ter publicatie aan de Commissie wordt toegestuurd.
[…]
- (20)
Er dient voor te worden gezorgd dat slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen een vergelijkbare behandeling krijgen, ongeacht de plaats in de Gemeenschap waar het ongeval zich heeft voorgedaan.’
6.
Volgens artikel 1, punt 1, van deze richtlijn worden onder ‘voertuigen’ alle rij- of voertuigen verstaan die bestemd zijn om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, alsmede al dan niet aan de rij- of voertuigen gekoppelde aanhangwagens en opleggers.
7.
Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt het volgende:
‘Iedere lidstaat treft, onverminderd de toepassing van artikel 5, de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.
De dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden in de in de eerste alinea bedoelde maatregelen vastgesteld.
[…]
De in de eerste alinea bedoelde verzekering dekt zowel materiële schade als lichamelijk letsel.’
8.
In artikel 5 van richtlijn 2009/10311., met het opschrift ‘Afwijking van de verplichting tot het afsluiten van een verzekering voor voertuigen’, wordt bepaald:
- ‘1.
Iedere lidstaat kan afwijken van de bepalingen van artikel 3 ten aanzien van publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, van wie door deze staat een lijst wordt opgemaakt, die aan de andere lidstaten en aan de Commissie wordt toegezonden.
[…]
- 2.
Iedere lidstaat kan afwijken van de bepalingen van artikel 3 ten aanzien van bepaalde typen voertuigen of bepaalde voertuigen met een speciale kentekenplaat, waarvan door deze staat een lijst wordt opgemaakt, die aan de andere lidstaten en aan de Commissie wordt toegezonden.
[…]’
9.
Artikel 29 van deze richtlijn bepaalt het volgende:
‘De richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 90/232/EEG, 2000/26/EG en 2005/14/EG […] worden ingetrokken […].
Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.’
B. Spaans recht
10.
De ley sobre responsabilidad civil y seguro en la circulación de vehículos a motor (wet inzake wettelijke aansprakelijkheid en de verzekering in het motorrijtuigenverkeer), die is goedgekeurd bij koninklijk wetgevend besluit nr. 8/2004 van 29 oktober 200712., bepaalt in artikel 1:
- ‘1.
De bestuurder van een motorrijtuig is, wegens het risico dat door het besturen daarvan ontstaat, aansprakelijk voor de daarmee in het verkeer aan personen en zaken toegebrachte schade.
[…]
- 6.
Voor de toepassing van de onderhavige wet worden de begrippen ‘motorrijtuig’ en ‘deelneming aan het verkeer’ gedefinieerd in uitvoeringsregelingen. Hoe dan ook worden de gevolgen van het gebruik van een motorrijtuig als instrument om opzettelijk strafbare feiten tegen personen of zaken te plegen, niet als deelnemingen aan het verkeer beschouwd.’
11.
In artikel 7, lid 1, eerste en tweede alinea, van deze wet wordt het volgende bepaald:
‘De verzekeraar moet, in het kader van de verplichte verzekering en ingevolge de plicht om een verzekering af te sluiten, aan het slachtoffer het bedrag betalen van de schade aan diens persoon en zaken, alsmede de kosten en andere verliezen waarop het slachtoffer krachtens de toepasselijke regeling recht heeft. Hij wordt alleen bevrijd van deze verplichting indien hij bewijst dat het incident niet leidt tot de vereiste wettelijke aansprakelijkheid overeenkomstig artikel 1 van deze wet.
Het slachtoffer of zijn erfgenamen hebben een rechtstreekse vordering om van de verzekeraar te eisen dat hij de geleden schade vergoedt, welke vordering na één jaar verjaart.’
12.
Het reglamento del seguro obligatorio de responsabilidad civil en la circulación de vehículos de motor (regeling inzake de verplichte wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen), dat is goedgekeurd bij koninklijk besluit nr. 1507/2008 van 12 september 200813., bepaalt in artikel 2 het volgende:
- ‘1.
Voor de wettelijke aansprakelijkheid in het verkeer van motorrijtuigen en de dekking door de verplichte verzekering als geregeld in deze regeling, wordt verstaan onder deelneming aan het verkeer, de gevolgen van het risico van het besturen van motorrijtuigen als bedoeld in het voorgaande artikel, zowel in garages en op parkeerplaatsen als op openbare en privéterreinen die geschikt zijn voor verkeer, binnen of buiten de bebouwde kom, alsmede op wegen en terreinen die algemeen worden gebruikt, hoewel zij daartoe niet geschikt zijn.
- 2.
Als deelneming aan het verkeer worden niet beschouwd:
- a)
de gevolgen van sportwedstrijden met motorrijtuigen op speciaal daarvoor bestemde circuits of op circuits met een vergunning voor die wedstrijden […];
- b)
de gevolgen van het verrichten van industriële of landbouwtaken met speciaal daarvoor bestemde motorrijtuigen, onverminderd de toepassing van lid 1 in het geval van verplaatsing van die voertuigen over de in dat lid genoemde wegen of terreinen wanneer zij niet bezig zijn de industriële of landbouwtaken waarvoor zij bestemd zijn, uit te voeren.
In het kader van de logistiek van de distributie van voertuigen worden als industriële taken beschouwd, het laden, het lossen, de opslag en andere noodzakelijke handelingen in verband met de behandeling van voertuigen als handelswaar, met uitzondering van vervoer over de weg als bedoeld in lid 1;
- c)
verplaatsingen van motorvoertuigen over wegen of terreinen waarop de in artikel 1 bedoelde wettelijke regeling niet van toepassing is, zoals haven- of luchthavengebieden.
- 3.
Evenmin wordt als deelneming aan het verkeer beschouwd het gebruik van een motorrijtuig als instrument voor het opzettelijk plegen van een strafbaar feit tegen personen of zaken. Hoe dan ook vormt wel deelneming aan het verkeer: het gebruik van een motorrijtuig op enigerlei wijze die in het wetboek van strafrecht is omschreven als gedraging die een delict tegen de verkeersveiligheid vormt […].’
III. Feiten en prejudiciële vragen
13.
Op 28 juni 2012 nam Núñez Torreiro, officier bij het Spaanse leger, deel aan een nachtelijke militaire oefening op een oefenterrein voor militaire manoeuvres te Chinchilla, Albacete (Spanje), toen het militaire terreinvoertuig ‘Aníbal’14. van de landmacht, waarin hij als passagier reisde, omsloeg, waardoor hij verschillende verwondingen opliep. Dat voertuig verplaatste zich niet in een gebied voor voertuigen op wielen, maar in een gebied voor voertuigen met rupsbanden.
14.
Núñez Torreiro heeft op grond van artikel 7 van de LRCSCVM een rechtstreekse vordering ingesteld bij de Juzgado de Primera Instancia nr. 1 de Albacete (rechter in eerste aanleg nr. 1 Albacete, Spanje) tegen de verzekeraar waarbij het Spaanse ministerie van Defensie de verplichte verzekering van het voertuig had afgesloten. In het kader daarvan verzocht hij om een bedrag van 15 300,56 EUR, als vergoeding voor het door hem wegens dat ongeval geleden lichamelijk letsel.
15.
De verzekeraar verzette zich op grond van artikel 1, lid 6, van de LRCSCVM, gelezen in samenhang met artikel 2 van de regeling inzake de verplichte verzekering, tegen de betaling van dat bedrag op grond dat het ongeval geen gevolg was van een ‘deelneming aan het verkeer’, aangezien het zich had voorgedaan terwijl het voertuig dat aan de orde is in het hoofdgeding, op een oefenterrein voor militaire manoeuvres reed, waartoe de toegang voor alle typen niet-militaire voertuigen beperkt is. Deze verzekeringsmaatschappij was namelijk van mening dat dit terrein niet algemeen werd gebruikt en daar ook niet voor geschikt was, in de zin van artikel 2 van die regeling.
16.
Bij vonnis van 3 november 2015 heeft de Juzgado de Primera Instancia nr. 1 de Albacete de vordering afgewezen op grond dat de verwondingen van Núñez Torreiro niet het gevolg waren van ‘deelneming aan het verkeer’, aangezien het voertuig waarin hij reisde over een terrein reed dat niet geschikt was voor verkeer en evenmin algemeen werd gebruikt.
17.
Núñez Torreiro heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis bij de Audiencia Provincial de Albacete (provinciaal gerechtshof Albacete, Spanje). In het kader daarvan betoogde hij dat artikel 1, lid 6, van de LRCSCVM, gelezen in samenhang met artikel 2 van de regeling inzake de verplichte verzekering, restrictief moest worden uitgelegd volgens het arrest Vnuk, waarin het Hof heeft geoordeeld dat de aansprakelijkheid van de verzekeraar niet kan worden uitgesloten als het gebruik van het voertuig overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan.
18.
De Audiencia Provincial de Albacete betwijfelt of de in artikel 2, lid 1, van de regeling inzake de verplichte verzekering opgenomen definitie van het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’, die voorbehouden is aan het besturen van een motorrijtuig op terreinen die ‘geschikt zijn’ voor verkeer of ‘algemeen worden gebruikt’, verenigbaar is met artikel 3 van richtlijn 2009/103. Deze rechterlijke instantie is van oordeel dat de enige uitzonderingen die deze richtlijn toestaat op de plicht om middels een verzekering de wettelijke aansprakelijkheid te dekken waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, in artikel 5 ervan worden vermeld. Bovendien wijst het erop dat het Hof bij het arrest Vnuk met name heeft geoordeeld dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ niet aan de beoordeling van elke lidstaat kan worden overgelaten en dat het dit begrip heeft uitgelegd als het gebruik van het voertuig overeenkomstig de ‘gebruikelijke functie’ ervan. Daaruit vloeit volgens de verwijzende rechter voort dat de lidstaten alleen maar in het kader van artikel 5 van richtlijn 2009/103 of, volgens het arrest Vnuk, voor de gevallen waarin het gebruik niet overeenstemt met de gebruikelijke functie van het voertuig, in uitzonderingen op de aansprakelijkheid van verzekeraars of op het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ kunnen voorzien. De in artikel 2, lid 1, van de regeling inzake de verplichte verzekering neergelegde uitzonderingen op het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ met betrekking tot een niet-geschikt terrein of een niet algemeen gebruikt terrein, zouden dus in strijd zijn met het Unierecht en buiten toepassing moeten worden gelaten.
19.
De verwijzende rechter heeft dezelfde twijfels met betrekking tot de uitzonderingen in verband met de gevolgen van sportwedstrijden of van het verrichten van industriële of landbouwtaken, of ook gevolgen van de bedoeling van de bestuurder om strafbare feiten tegen personen of zaken te plegen, welke uitzonderingen in artikel 2, leden 2 en 3, van die regeling zijn neergelegd.
20.
In deze omstandigheden heeft de Audiencia Provincial de Albacete de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Kan het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ — of in het Spaanse recht ‘hecho de la circulación’ (verkeersincident) — als risico dat gedekt wordt door de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering voor deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen, waarnaar wordt verwezen in de Uniewetgeving (onder meer in artikel 3 van richtlijn 2009/103), in de nationale wettelijke regeling van een lidstaat anders worden gedefinieerd dan is bepaald in de Unieregeling?
- 2)
Zo ja, kan dat begrip dan (naast bepaalde personen, kentekenplaten of typen voertuigen, als bepaald in artikel 5 van genoemde richtlijn) verkeerssituaties uitsluiten op basis van de plaats waar zij zich voordoen, zoals op wegen of terreinen die ‘niet geschikt’ zijn voor verkeer?
- 3)
Kunnen op dezelfde wijze worden uitgesloten van het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ bepaalde benuttingsvormen van het voertuig die samenhangen met het doel van het voertuig (zoals gebruik voor sport en industrieel of landbouwgebruik) of met de bedoeling van de bestuurder (zoals het opzettelijk begaan van een strafbaar feit met het voertuig)?’
IV. Analyse
A. Voorafgaande opmerkingen
21.
Vooraf moet worden nagegaan of het Aníbal-voertuig kan worden aangemerkt als een ‘voertuig’ in de zin van richtlijn 2009/103, of het gewoonlijk op het grondgebied van een lidstaat is gestald en of het niet tot een van de voertuigcategorieën behoort waarvoor deze richtlijn in een afwijking van de verzekeringsplicht voorziet.
22.
Ik herinner eraan dat volgens artikel 1, punt 1, van deze richtlijn onder dit begrip alle rij- of voertuigen worden verstaan die bestemd zijn om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, alsmede al dan niet aan de rij- of voertuigen gekoppelde aanhangwagens en opleggers. Uit de technische kenmerken van het Aníbal-voertuig die zijn beschreven in het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat aan deze voorwaarden is voldaan.
23.
Voorts wordt in artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 bepaald dat iedere lidstaat, onverminderd de toepassing van artikel 5, de nodige maatregelen treft opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt. Aan deze voorwaarde is eveneens voldaan, aangezien het in het hoofdgeding aan de orde zijnde Aníbal-voertuig de kentekenplaat ET-107351 heeft, waarbij de letters ‘ET’ worden gebruikt voor voertuigen van de landmacht die toebehoren aan het Spaanse ministerie van Defensie.15.
24.
Bovendien voorziet artikel 5 van deze richtlijn in de mogelijkheid voor de lidstaten om af te wijken van deze verplichting ten aanzien van publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, of bepaalde typen voertuigen. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat de Spaanse regering geen gebruik heeft gemaakt van deze afwijkingsmogelijkheid.16.
25.
Derhalve kan worden aangenomen dat het Aníbal-voertuig aan de voorwaarden van richtlijn 2009/103 voldoet, zodat het moet worden beschouwd als een voertuig dat is onderworpen aan de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering, wat trouwens door geen enkele partij die schriftelijke opmerkingen heeft ingediend17. is betwist.
26.
Vervolgens moet erop worden gewezen dat de derde vraag van de verwijzende rechter niet-ontvankelijk is, zoals die partijen eveneens hebben aangevoerd. Met zijn derde prejudiciële vraag wenst deze rechter in wezen te vernemen of het Unierecht zich ertegen verzet dat een lidstaat van het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ gevallen uitsluit zoals die welke in artikel 2, leden 2 en 3, van de regeling inzake de verplichte verzekering worden vermeld, namelijk gevolgen van sportwedstrijden of het verrichten van industriële of landbouwtaken, of ook gevolgen van de bedoeling van de bestuurder om strafbare feiten tegen personen of zaken te plegen.
27.
In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de in artikel 267 VWEU neergelegde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt, om — gelet op de bijzonderheden van het geval — zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Het is echter eveneens vaste rechtspraak dat het Hof kan weigeren uitspraak te doen over een prejudiciële vraag wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord op de gestelde vragen te geven.18.
28.
Vastgesteld moet worden dat in het hoofdgeding geen sprake is van een gevolg van een sportwedstrijd of het verrichten van industriële of landbouwtaken, noch van een gevolg van de bedoeling een strafbaar feit te plegen tegen personen of zaken. Het antwoord op de derde prejudiciële vraag is dus niet nuttig voor de beslechting van het hoofdgeding.
29.
Gelet op de in punt 27 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak moet dus worden vastgesteld dat de derde vraag uit de verwijzingsbeslissing niet-ontvankelijk is.
30.
Wat tot slot de eerste twee vragen betreft, meen ik dat zij samen moeten worden behandeld, aangezien het antwoord op de eerste vraag rechtstreeks voortvloeit uit het arrest Vnuk en de tweede vraag vereist dat de in dat arrest ontwikkelde definitie van het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ wordt onderzocht.
31.
Derhalve zal ik eerst het autonome karakter van het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ onderzoeken en vervolgens de ermee verbonden voorwaarde dat het voertuig overeenkomstig de ‘gebruikelijke functie’ ervan wordt gebruikt.
B. Begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’
32.
Met zijn eerste prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof te oordelen of het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ in het interne recht van een lidstaat anders kan worden gedefinieerd dan in de Uniewetgeving, met name in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/103.
33.
Dadelijk moet erop worden gewezen dat deze vraag uitdrukkelijk is beantwoord in het arrest Vnuk, hoewel de uitlegging in dit arrest betrekking heeft op richtlijn 72/166. Deze richtlijn is weliswaar ingetrokken door richtlijn 2009/10319., maar uit bijlage II van deze laatste blijkt dat de artikelen 3 en 5 ervan in wezen overeenstemmen met respectievelijk de artikelen 3 en 4 van richtlijn 72/166.
34.
Het Hof heeft in punt 41 van het arrest Vnuk verklaard dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ niet aan de beoordeling van elke lidstaat kan worden overgelaten.
35.
In punt 42 van dat arrest wordt gepreciseerd dat deze analyse in de eerste plaats op de vaststelling steunt dat in geen enkele bepaling, noch van richtlijn 72/166, noch van andere richtlijnen betreffende de verplichte verzekering, naar het recht van de lidstaten wordt verwezen om de betekenis en de draagwijdte van dit begrip uitdrukkelijk vast te stellen, en in de tweede plaats op de toepassing van vaste rechtspraak volgens welke de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel in een dergelijk geval vereisen dat de bepaling van het Unierecht autonoom en uniform wordt uitgelegd. Daartoe moeten de bewoordingen van de bepaling in aanmerking worden genomen, alsook de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt.
36.
Het Hof heeft in dat arrest dus eerst de taalversies van richtlijn 72/166 geanalyseerd waarin een verschillende terminologie werd gebruikt. Uit die analyse is gebleken dat de bewoordingen ‘deelneming aan het verkeer’, die mogelijk uitsluitend het wegverkeer betreffen, het ‘gebruik’ of ook de ‘werking’, die daarentegen niet noodzakelijk naar een wegverkeerssituatie verwijzen, waren gebruikt om hetzelfde begrip te beschrijven.20.
37.
Het Hof heeft vervolgens toepassing gemaakt van zijn eveneens vaste rechtspraak volgens welke de bepalingen van het Unierecht uniform moeten worden uitgelegd en toegepast in het licht van de in alle talen van de Europese Unie opgestelde versies en volgens welke — wanneer er tussen de verschillende taalversies van een tekst van Unierecht verschillen bestaan — bij de uitlegging van de betrokken bepaling moet worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt.21.
38.
Het Hof heeft met name gewezen op de doelstelling van bescherming van de slachtoffers van door motorrijtuigen veroorzaakte ongevallen, die door de Uniewetgever in de achtereenvolgende richtlijnen betreffende de verplichte verzekering steeds is versterkt.22. Onder de verschillende aangehaalde wijzigingen kunnen de volgende worden vermeld: de uitbreiding van de waarborg inzake lichamelijk letsel, de behandeling van de gevallen waarin er geen verzekering is, het voordeel van de bescherming voor inzittenden, het toestaan van de rechtstreekse vordering voor de benadeelden, de beperking van bepaalde uitsluitingen van dekking en de aanpassing van de minimumdekkingen.23. Daar kan thans aan worden toegevoegd dat richtlijn 2009/103 een codificatie-instrument is dat bedoeld is om de uitvoering van de beschermende bepalingen die in dat arrest in het bijzonder zijn benadrukt, te vergemakkelijken.
39.
Het Hof heeft bijgevolg besloten dat ‘het […] begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ mede ziet op elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan’.24.
40.
Het arrest Vnuk roept dus op tot een ruime en uniforme uitlegging van het autonome begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ die het mogelijk maakt dat door de verplichte verzekering schade wordt gedekt die veroorzaakt is door ongevallen op publiek of privéterrein, telkens wanneer het betrokken voertuig, dat als een vervoermiddel wordt opgevat, daartoe is gebruikt.
41.
Daaruit volgt dat de nationale rechter aan het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ precies de inhoud moet geven die er in het arrest Vnuk aan is gegeven, onafhankelijk van de betekenis die het in het interne recht heeft. Hij moet bij de beslechting van het bij hem aanhangige geschil het interne recht dus zo veel mogelijk uitleggen in de zin dat het door de richtlijn beoogde resultaat wordt bereikt en de volle werking van het Unierecht wordt verzekerd.25.
42.
Gelet op de voorgaande overwegingen, moet worden besloten dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’, in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/103, een autonoom begrip van Unierecht is, dat in alle lidstaten uniform moet worden uitgelegd, rekening houdend met het gebruik van het voertuig in overeenstemming met de gebruikelijke functie ervan.
43.
Hoewel ik in deze zin voorstel de eerste prejudiciële vraag negatief te beantwoorden, is het volgens mij — gelet op de bijzondere omstandigheden van het betrokken ongeval, de bewoordingen van de tweede vraag van de verwijzende rechter en de schriftelijke en mondelinge opmerkingen van partijen — noodzakelijk de betekenis en de draagwijdte van de in het arrest Vnuk ontwikkelde definitie van het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ te verduidelijken.
44.
Volgens vaste rechtspraak heeft het Hof immers tot taak de nationale rechter een voor de oplossing van het bij hem aanhangige geding nuttig antwoord te geven, waarbij de duidelijke afbakening van de taken van het Hof en de nationale rechterlijke instanties in acht moet worden genomen en de nationale rechter bij uitsluiting bevoegd is om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen en het nationale recht uit te leggen en toe te passen.26.
45.
Bovendien moeten contextuele aspecten in aanmerking worden genomen, aangezien kort na de uitspraak van het arrest Vnuk bezorgdheden over de draagwijdte ervan zijn geuit. Bepaalde lidstaten, in het bijzonder die waarvan het interne recht bepaalde dat dit begrip beperkt was tot het wegverkeer, hebben gewezen op een grote onzekerheid met betrekking tot de mogelijke praktische gevolgen van dat arrest.27. De Commissie zelf was van mening dat het arrest Vnuk weleens een significant gevolg kon hebben, met name een verhoging van de verzekeringspremies.28. Zij heeft in haar effectbeoordeling gesteld dat het nodig was een voorstel tot richtlijn houdende wijziging van richtlijn 2009/103 in te dienen, teneinde de werkingssfeer ervan te beperken, met name wat de ongevallen betreft ten gevolge van landbouw-, industriële of sportactiviteiten, of activiteiten in verband met kermissen, en toch een hoog niveau van bescherming van slachtoffers van door motorrijtuigen veroorzaakte ongevallen te behouden.
C. Voorwaarde van gebruik van het voertuig in overeenstemming met de ‘gebruikelijke functie’ ervan
46.
Uit de verschillende schriftelijke en mondelinge opmerkingen is gebleken dat het noodzakelijk is om eerst de context te schetsen waarin het Hof deze voorwaarde in het arrest Vnuk heeft ontwikkeld.
47.
Het lijkt gepast om in de eerste plaats de volgende feitelijke gegevens in herinnering te brengen: ‘een tractor met een aanhangwagen [is] tijdens het opstapelen van hooibalen op de zolder van een hooischuur, toen die op de binnenplaats van de boerderij achteruitreed om met de aanhangwagen de hooischuur binnen te rijden, tegen een ladder gereden waarop Vnuk was geklommen, waardoor hij ten val is gekomen’.29.
48.
In rechte zijn de punten van discussie als volgt samengevat: ‘[v]oor de verwijzende rechter voert Vnuk aan dat het begrip ‘gebruik van een voertuig in het wegverkeer’ niet kan worden beperkt tot het besturen van een voertuig op de openbare weg en bovendien dat op het tijdstip van het schadeverwekkende feit in het hoofdgeding het uit de tractor en de aanhangwagen bestaande geheel wel degelijk een aan het wegverkeer deelnemend voertuig vormde en dat het eindpunt van het traject van belang is. [De verzekeringsmaatschappij] stelt daarentegen dat het hoofdgeding ziet op het gebruik van een tractor niet als voertuig in het wegverkeer, maar als werktuig voor een hooischuur’.30.
49.
Het Hof heeft er ook aan herinnerd dat ‘[d]e verwijzende rechter […] op[merkt] dat de [Zakon o obveznih zavarovanjih v prometu (Sloveense wet betreffende de verplichte verzekering in het wegverkeer)] geen definitie bevat van het begrip ‘gebruik van voertuigen’, maar [dat] deze leemte […] door de rechtspraak [wordt] ingevuld. Hij wijst in dit verband erop dat de voornaamste doelstelling van de verzekeringsplicht op grond van de [Zakon o obveznih zavarovanjih v prometu] bestaat in het afwentelen van het risico op de samenleving en de noodzaak zorg te dragen voor benadeelden en inzittenden in het verkeer op de openbare weg. Naar de mening van de verwijzende rechter is het volgens de Sloveense rechtspraak bij de beoordeling of bepaalde schade door de verplichte verzekering wordt gedekt, evenwel niet van doorslaggevend belang of de schade op de openbare weg is ontstaan. De verplichte verzekering biedt evenwel geen verzekeringsdekking wanneer het voertuig als werktuig is gebruikt, bijvoorbeeld op een landbouwerf, want in dat geval is er geen deelneming aan het wegverkeer’.31.
50.
Aangezien de richtlijnen hierover niets vermelden, heeft de verwijzende rechter zich dus afgevraagd of ‘kan worden aangenomen dat de verplichte verzekering uitsluitend door een voertuig in het wegverkeer veroorzaakte schade dekt of alle schade die enigszins verband houdt met het gebruik of de werking van een voertuig, ongeacht of het gaat om een wegverkeerssituatie’.32.
51.
In het kader van dat geding, dat was toegespitst op de plaats van het verkeer en het doel van het gebruik van het voertuig, waren de uitgedrukte standpunten grotendeels hetzelfde als die welke in het hoofdgeding zijn ontwikkeld: ‘[d]e Duitse regering en Ierland stellen dat de verzekeringsplicht van artikel 3, lid 1, van [richtlijn 72/166] enkel ziet op wegverkeerssituaties en bijgevolg niet geldt in omstandigheden als in het hoofdgeding. De Commissie is daarentegen van mening dat deze bepaling van toepassing is op het gebruik van een voertuig, als vervoermiddel dan wel als werktuig, in elke ruimte, openbaar dan wel particulier, waar zich met het gebruik van een voertuig verbonden risico's kunnen voordoen, ongeacht of het voertuig in beweging is’.33.
52.
Het Hof heeft in zijn antwoord eerst het begrip voertuig in de zin van richtlijn 72/166 toegelicht en heeft daarbij opgemerkt dat bepaalde typen voertuigen door de lidstaten van de werkingssfeer ervan kunnen worden uitgesloten.34.
53.
Vervolgens heeft het, zoals in de punten 36 en volgende van deze conclusie is vermeld, het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ geanalyseerd, om een antwoord te geven op de vraag over de omstandigheden waarin het voertuig was gebruikt.
54.
Met dat arrest heeft het Hof gewezen op de doelstelling van de verschillende richtlijnen inzake de verplichte verzekering, die veel verder gaat dan de liberalisering van de regeling voor het verkeer van personen en motorrijtuigen.
55.
Het heeft er in het bijzonder op gewezen dat het ‘tevens meermaals de aandacht erop [had] gevestigd dat zij ook beogen te verzekeren dat de slachtoffers van de door deze voertuigen veroorzaakte ongevallen een vergelijkbare behandeling krijgen, ongeacht de plaats in de Unie waar het ongeval zich heeft voorgedaan’.35.
56.
Het heeft benadrukt, zoals in punt 38 van deze conclusie reeds in herinnering is gebracht, ‘[dat] niet [kan] worden aangenomen dat de Uniewetgever de benadeelden van een ongeval dat door het gebruik van een voertuig is veroorzaakt, heeft willen uitsluiten van de door deze richtlijnen geboden bescherming, wanneer dat gebruik overeenstemt met de gebruikelijke functie van dat voertuig’.36.
57.
Het is dus in het licht van deze algemene doelstellingen dat het Hof heeft geoordeeld dat de verzekeringsdekking moest gelden wanneer een als vervoermiddel gebruikt voertuig bij een ongeval is betrokken, en aldus de omstandigheden terzijde heeft geschoven die in het bijzonder betrekking hebben op de omvang van de beweging, in het geval van een manoeuvre, of het openbare of particuliere karakter van de plaats van het ongeval, of de kenmerken van het betrokken voertuig, namelijk een tractor, die ook als werktuig kan worden gebruikt.
58.
In dezelfde zin moest deze verzekering volgens advocaat-generaal Mengozzi ‘[alle] schade dekken die wordt veroorzaakt door het gebruik van een voertuig, voor zover dit gebruik overeenkomt met de gewone functie van een voertuig’.
59.
Deze opvatting wordt bekritiseerd gelet op de feitelijke omstandigheden van het hoofdgeding, waaruit volgens de schriftelijke of mondelinge opmerkingen van de partijen — met uitzondering van de Commissie — de noodzaak blijkt om het begrip ‘gebruikelijke functie van het voertuig’ te verduidelijken.
60.
Aldus wordt voorgesteld, teneinde dat begrip te beperken tot het gebruik van een voertuig dat op de openbare weg rijdt of is onderworpen aan een regeling, het volgende in overweging te nemen:
- —
de bijzondere bestemming van het terrein waarop het voertuig reed, op grond dat het — anders dan de plaats van het ongeval in de zaak die tot het arrest Vnuk heeft geleid — ofschoon het ook een terrein betrof dat vergelijkbaar was met een privéterrein, niet opengesteld was voor iedereen wegens het gebruik ervan voor militaire oefeningen;
- —
de bijzondere verkeersomstandigheden, aangezien dit verkeer heeft plaatsgevonden op een terrein waarop niet elk voertuig kon rijden, anders dan het geval is voor een erf of een parking, en aan militairen voorbehouden grote lichten waren gebruikt, en
- —
het feit dat het bij het ongeval betrokken voertuig niet bedoeld was om op die plaats te rijden wegens de onaangepaste kenmerken ervan (voertuig met 4×4-wielen dat op een weg voor voertuigen met rupsbanden reed).
61.
Wat het eerste van deze drie argumenten betreft, op basis waarvan een onderscheid wordt gemaakt tussen het burgerlijke of militaire karakter van de verkeersweg, meen ik dat de aspecten van het antwoord uit het arrest Vnuk opnieuw kunnen worden gebruikt aangezien de vaststellingen identiek zijn. Het volstaat immers erop te wijzen dat de werkingssfeer van richtlijn 2009/103 niet beperkt is tot bepaalde verkeerswegen, dat deze richtlijn een zeer ruime bescherming beoogt en dat zij de lidstaten de mogelijkheid biedt om bepaalde situaties uit te sluiten van de dekkingsregeling die zij organiseert, wat het Koninkrijk Spanje niet heeft gedaan.
62.
Wat het tweede argument betreft, dat ziet op de verkeersomstandigheden, kan dezelfde redenering worden gevolgd. De werkingssfeer van deze richtlijn is niet beperkt tot verkeerswegen die door elk type voertuig berijdbaar zijn. Ook moet worden vastgesteld dat een dergelijke situatie in het Spaanse nationale recht geacht wordt niet van dekking te zijn uitgesloten. In artikel 2, lid 1, van de regeling inzake de verplichte verzekering wordt immers ook gerefereerd aan gevallen waarin een weg die niet geschikt is voor verkeer, niettemin ‘algemeen wordt gebruikt’.
63.
Op basis van het onderzoek van deze twee argumenten stel ik vast dat het criterium van de plaats van het verkeer niet kan worden gekoppeld aan dat van de ‘gebruikelijke functie van het voertuig’ maar veeleer aan het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ moet worden toegevoegd. En aangezien het Hof heeft geoordeeld dat de bedoelde richtlijn van toepassing was in geval van een ongeval dat zich heeft voorgedaan buiten de openbare weg, wordt hier volgens mij een ommekeer in de rechtspraak gesuggereerd.
64.
Wat het laatste argument betreft, dat betrekking heeft op de geschiktheid van het voertuig voor het terrein waarop het rijdt, wijs ik erop dat dit een nieuwe kwestie is ten aanzien van de zaak die tot het arrest Vnuk heeft geleid. Het debat in die zaak had slechts betrekking op het doel van het gebruik van de tractor, te weten al dan niet als werktuig.
65.
Ik meen dat uit de omstandigheden van het hoofdgeding duidelijk blijkt dat het paradoxaal zou zijn om het criterium van de geschiktheid van het voertuig voor de plaats waar het rijdt, te gebruiken als argument voor een eventuele uitsluiting van dekking. Het is immers niet ondenkbaar dat een militair voertuig in omstandigheden moet rijden die niet altijd aan zijn technische kenmerken zijn aangepast, of dat dit zelfs het doel van de training van de gebruikers ervan is. Dit laatste punt is trouwens bevestigd door de mondelinge opmerkingen, waarin is uitgelegd waarom het voertuig onder het bevel van een militair met een hogere hiërarchische rang reed.
66.
Naast deze bijzondere omstandigheden kan ook nog de principiële overweging uit het arrest Vnuk in aanmerking worden genomen, namelijk het nastreven van het doel van algemene bescherming, wanneer geen bijzondere uitsluiting geldt en een voertuig als vervoermiddel betrokken is.
67.
Ik ben ook van mening dat het geheel van de omstandigheden waarin het ongeval zich heeft voorgedaan, volstaat om aan te tonen dat het Aníbal-voertuig is gebruikt in overeenstemming met de gebruikelijke functie van elk voertuig, volgens de in het arrest Vnuk gehanteerde logica.
68.
Is het a fortiori niet de gebruikelijke functie van een militair voertuig om militairen te vervoeren, door hen bestuurd te worden, op een terrein dat doorgaans wordt gebruikt voor militaire oefeningen?
69.
Wat zou anders het voorwerp zijn van de verzekering die is afgesloten om de dekking te garanderen van de schade die is veroorzaakt door deze voertuigen, die niet als hoofddoel hebben om op wegen te rijden die steeds opengesteld zijn voor het publiek?
70.
Ik dien er nog, zoals het Hof in punt 58 van het arrest Vnuk, op te wijzen dat gevolgen moeten worden verbonden aan het feit dat de Spaanse regering geen gebruik heeft gemaakt van de door artikel 5 van richtlijn 2009/103 geboden mogelijkheid om bepaalde typen voertuigen of bepaalde personen uit te sluiten van de bijzondere waarborgen.
71.
Ik meen dus dat, wanneer zich een ongeval heeft voorgedaan bij het gebruik van een voertuig voor vervoerdoeleinden, met name voor personenvervoer, niet aan het algemene waarborgbeginsel mag worden afgedaan onder voorwendsel van de discussie over het criterium van het gebruik van het voertuig volgens de ‘gebruikelijke functie’ ervan.
72.
Elke andere opvatting zou tot een casuïstiek leiden waarvan de grenzen ter terechtzitting volledig zijn toegelicht.
73.
Hetzelfde geldt wat het voorstel betreft om het criterium te hanteren van ‘gebruik dat accessoir is’ aan verkeer op een weg of op de openbare weg, teneinde het verkeer op een parkeerterrein of een particuliere weg niet uit te sluiten, wanneer het een gebruik betreft bij het einde of het begin van een verplaatsing op de openbare weg. Hetzelfde geldt voor de idee om het doel van de verplaatsing in aanmerking te nemen, zoals het doel de omstandigheden van een militaire operatie na te bootsen, of om rekening te houden met het bestaan van een vergunning.
74.
Van deze suggesties is ook gebleken dat zij een grotere rechtsonzekerheid meebrengen dan de suggestie om, gelet op de omstandigheden van het hoofdgeding, een eenvoudige definitie die strookt met het gezond verstand, zoals die van het arrest Vnuk, opnieuw te bevestigen, ook al is ze volgens sommigen tautologisch. Zij is ongetwijfeld beter aangepast aan het autonome karakter van een begrip dat uniform moet worden toegepast, rekening houdend met de doelstelling van een hoge bescherming van richtlijn 2009/103.
75.
Bijgevolg ben ik, wat het antwoord op de tweede vraag betreft, van mening dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding, de voorwaarde dat het voertuig overeenkomstig de gebruikelijke functie ervan moet worden gebruikt, niet mag worden beoordeeld in het licht van het terrein waarop het voertuig reed.
V. Conclusie
76.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Audiencia Provincial de Albacete te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Aangezien het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’, dat vermeld is in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, is aangemerkt als autonoom begrip van Unierecht, moet het in alle lidstaten uniform worden uitgelegd, rekening houdend met het gebruik van het voertuig volgens de ‘gebruikelijke functie’ ervan. Het staat aan de verwijzende rechter om de volledige regeling, als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, aldus uit te leggen dat zij nuttige werking verleent aan de verplichte verzekering van motorrijtuigen tegen de wettelijke aansprakelijkheid.
- 2)
In omstandigheden als die van het hoofdgeding mag deze gebruikelijke functie niet worden beoordeeld in het licht van het terrein waarop het voertuig reed.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑06‑2017
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2009, L 263, blz. 11.
Deze verzekeringsmaatschappij heette tot en met 10 december 2012 ‘Chartis Europe, Sucursal en España’.
Hierna: ‘verplichte verzekering’.
C-162/13, EU:C:2014:2146 (hierna: ‘arrest Vnuk’).
PB 1972, L 103, blz. 1.
PB 1984, L 8, blz. 17.
PB 1990, L 129, blz. 33.
PB 2000, L 181, blz. 65.
PB 2005, L 149, blz. 14.
Dit artikel neemt artikel 4 van richtlijn 72/166 in identieke bewoordingen over.
BOE nr. 267 van 5 november 2004, blz. 36662; hierna: ‘LRCSCVM’.
BOE nr. 222 van 13 september 2008, blz. 37487; hierna: ‘regeling inzake de verplichte verzekering’.
Zie voor de kenmerken van dat voertuig de website van het Spaanse ministerie van Defensie op het volgende internetadres: http:/www.ejercito.mde.es/materiales/vehiculos/Anibal.html.
Zie in dit verband bijlage XVIII, punt II, onder b), van het Reglamento General de Vehículos (algemene regeling inzake voertuigen), goedgekeurd bij koninklijk besluit nr. 2822/1998 van 23 december 1998 (BOE nr. 22 van 26 januari 1999, blz. 3440).
Zie voor de lijst met deze afwijkingen het volgende internetadres: http://ec.europa.eu/finance/insurance/docs/motor/list-exempt-5th-dir_en.pdf, waaruit blijkt dat 19 lidstaten aan de staat toebehorende militaire voertuigen — of meer in het bijzonder voertuigen die voor militaire doeleinden worden gebruikt — hebben uitgesloten. Het frequente gebruik van deze keuze rechtvaardigde dat in overweging 44 van deze richtlijn de militaire voertuigen werden vermeld en dat de verplichting om inlichtingen te verstrekken over de instelling die het risico moet dekken, werd herhaald.
Te weten de verzekeraar, de Spaanse en de Ierse regering en de Commissie.
Zie in dit verband arrest van 22 september 2016, Microsoft Mobile Sales International e.a. (C-110/15, EU:C:2016:717, punten 18 en 19).
Zie overweging 1 en artikel 29 van deze richtlijn.
Zie punten 43–45 van het arrest Vnuk.
Zie punt 46 van het arrest Vnuk en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie punt 52 van het arrest Vnuk.
Zie punten 53–55 van het arrest Vnuk.
Zie punt 59 van het arrest Vnuk. Dit punt moet in verband worden gebracht met punt 56 van dat arrest, dat als volgt luidt: ‘Gelet op al deze elementen, en inzonderheid de door [richtlijn 72/166 en richtlijn 90/232] nagestreefde doelstelling van bescherming, kan niet worden aangenomen dat de Uniewetgever de benadeelden van een ongeval dat door het gebruik van een voertuig is veroorzaakt, heeft willen uitsluiten van de door deze richtlijnen geboden bescherming, wanneer dat gebruik overeenstemt met de gebruikelijke functie van dat voertuig.’
Zie in deze zin arrest van 24 januari 2012, Dominguez (C-282/10, EU:C:2012:33, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 26 april 2017, Farkas (C-564/15, EU:C:2017:302, punten 38 en 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name de punten 1 tot en met 4 van het document ‘technical consultation on motor insurance: consideration of the European Court of Justice ruling in the case of Damijan Vnuk v Zavarovalnica Triglav d.d (C-162/13)’ van het ministerie van Transport van het Verenigd Koninkrijk, dat te raadplegen is op het volgende internetadres: https://www.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/581193/motor-insurance-vnuk-v-triglav.pdf.
Zie de effectbeoordeling van de Commissie van 8 juni 2016 betreffende de werkingssfeer van richtlijn 2009/103, die te raadplegen is op het volgende internetadres: http://ec.europa.eu/smart-regulation/roadmaps/docs/2016_fisma_030_motor_insurance_en.pdf (punt A, ‘context’, zesde alinea).
Zie punt 19 van het arrest Vnuk.
Zie punt 22 van het arrest Vnuk.
Zie punt 23 van het arrest Vnuk.
Zie punt 24 van het arrest Vnuk.
Zie punten 34 en 35 van het arrest Vnuk.
Zie punt 40 van het arrest Vnuk.
Zie punt 50 van het arrest Vnuk en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie punt 56 van het arrest Vnuk.