Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.2.3
2.3 Gevallen van uitbreiding in de alternatieve visie op de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948139:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 5.2 van hoofdstuk 3.
Zie over de werking van boedelmenging als (her)verkrijging van goederen paragraaf 4.4 van hoofdstuk 4.
Vgl. hetgeen voor de beschikkingsbevoegdheid van ieder van de deelgenoten over zijn ‘aandeel in’ een gemeenschappelijk goed geldt. In paragraaf 6.3.1 van hoofdstuk 3 is uiteengezet dat in Titel 3.7 BW de hoofdregel geldt dat ieder van de deelgenoten vrijelijk over de gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijke vermogensrecht kan beschikken, maar daarmee het effect van de verkrijging van de andere deelgenoten niet kan aantasten. Uitgangspunt is dat ieder van de deelgenoten slechts over het effect van zijn eigen verkrijging van het goed (i.e. zijn eigen ‘aandeel’) kan beschikken. Iedere deelgenoot kan de gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijke vermogensrecht dus als zodanig ´(als geheel´) aan een derde vervreemden of met een beperkt recht belasten, maar daarbij kan hij het effect van de verkrijging van de andere eigenaren niet aantasten. Dat effect blijft ongewijzigd. Datzelfde geldt dus bij een verkrijging krachtens boedelmenging. De gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijke vermogensrecht wordt krachtens boedelmenging mede door de andere echtgenoot verkregen, maar deze verkrijging tast het absolute effect van de verkrijging bij de andere deelgenoten niet aan.
Vgl. paragraaf 2.2 hiervóór, onder verwijzing naar paragraaf 3.5.2.3 en 3.5.2.4 van hoofdstuk 6.
Zie paragraaf 6.2 van hoofdstuk 5.
Een dergelijke situaties zal alleen als opvolgende deelverkrijging kwalificeren als er meer dan twee deelgenoten zijn. Zijn er maar twee deelgenoten, dan kwalificeert een dergelijke overdracht op grond van artikel 3:182 BW ‘dwingendrechtelijk’ als een verdeling, en is van een overdracht in de zin van artikel 3:84 lid 1 BW dus geen sprake meer. Vgl. paragraaf 2.2 van hoofdstuk 5.
Vgl. randnummer 428 hiervóór.
Zie paragraaf 3.2 van hoofdstuk 7.
Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 869, nr. 3, p. 22: “Deze regel impliceert dat een goed of geheel in de gemeenschap valt of geheel daarbuiten. Mogelijk zou ook zijn geweest dat het goed voor een deel in de gemeenschap valt en voor een deel in het vermogen van de betreffende echtgenoot, naar rato de tegenprestatie ten laste van de gemeenschap respectievelijk het privévermogen komt. Daarvoor is uit het oogpunt van rechtszekerheid niet gekozen.” Vgl. paragraaf 3.4, onder randnummer 450, hierna.
438. In de vorige paragraaf is geconcludeerd dat wanneer men bij de uitbreiding van een aandeel in een gemeenschappelijk goed het geldend recht volgt, dezelfde zaak of hetzelfde vermogensrecht deels in en deels buiten de huwelijksgemeenschap kan vallen. Maar hoe zit dat wanneer men de alternatieve opvatting over de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap volgt? In dat geval staat bij de werking van boedelmenging voorop dat wanneer een van de echtgenoten ‘een aandeel’ in een gemeenschappelijke goed heeft verkregen, die echtgenoot – net zoals de andere deelgenoten – de gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijke vermogensrecht als zodanig (‘als geheel’) heeft verkregen.1 Aldus zal beoordeeld moeten worden of die zaak of dat vermogensrecht ook als zodanig(‘als geheel’) krachtens boedelmenging tot diens huwelijksgemeenschap gaat behoren. Valt de verkrijging van het gemeenschappelijke goed onder de materiële reikwijdte van boedelmenging, dan wordt de betreffende zaak of het betreffende vermogensrecht als zodanig (‘als geheel’) door de beide echtgenoten (her)verkregen, en gaat dit als zodanig tot de huwelijksgemeenschap behoren.2 Deze (her)verkrijging door de beide echtgenoten doet niets af aan het (absolute) effect van de verkrijging door de andere deelgenoten in het gemeenschappelijke goed. Dat effect blijft onaangeroerd. Boedelmenging tast slechts het absolute effect van de (eerdere) verkrijging bij de betreffende echtgenoot aan. Door de werking van boedelmenging zal die echtgenoot zijn bevoegdheid tot uitoefening voortaan met zijn echtgenoot moeten delen, en wel op de wijze zoals door Titel 1.7 BW is voorgeschreven.3 Dit heeft geen enkel gevolg voor het absolute effect van de gemeenschappelijke verkrijging van de andere deelgenoten. Conform de regulering zoals die tussen de oorspronkelijke deelgenoten op grond van Titel 3.7 BW reeds gold (dus inclusief de ‘eerste’ echtgenoot), kunnen zij onverminderd over het gemeenschappelijke goed blijven beschikken en de overige bevoegdheden uitoefenen die in de aard/inhoud van het betreffende goed besloten liggen. Het absolute effect van hun verkrijging van het goed wordt door de werking van boedelmenging op geen enkele wijze aangetast.4 Daarvan uitgaande moeten vervolgens de gebruikelijke regels van boedelmenging worden toegepast voor beantwoording van de vraag of de (het) door een echtgenoot verkregen (‘aandeel’ in een) gemeenschappelijke zaak of vermogensrecht daadwerkelijk onder de materiële reikwijdte van boedelmenging valt. In dat opzicht bestaat er geen verschil tussen de kwalificatie van de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap naar geldend recht en de alternatieve opvatting over die goederenrechtelijke structuur. Betreft het een verkrijging krachtens een ‘directe’ erfrechtelijke titel of schenking, dan zal aan de hand van artikel 1:94 lid 2 sub a BW/artikel 1:94 lid 2 sub a oud BW beoordeeld moeten worden of het goed (i.e. de gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijke vermogensrecht ‘als zodanig’/’als geheel’) wel of niet in de huwelijksgemeenschap valt. Gaat het om een beperkte huwelijksgemeenschap, dan is die erfrechtelijke verkrijgingstitel of de titel ‘krachtens schenking’ voldoende om het verkregen goed buiten de huwelijksgemeenschap te laten vallen, behoudens wanneer aan de verkrijging een insluitingsclausule is verbonden. Gaat het om een algehele wettelijke gemeenschap van goederen, dan zal het goed alléén buiten de huwelijksgemeenschap vallen wanneer aan de verkrijging een uitsluitingsclausule is verbonden. Is sprake van een verkrijging met een ‘indirect’ element van erfrecht of gift, aldus dat een echtgenoot onder aanwending van door erfrechtelijke titel of gift verkregen privévermogen een (‘aandeel in’ een) gemeenschappelijk goed heeft verkregen, dan zal aan de hand van artikel 1:95 lid 1 BW vastgesteld moeten worden of de gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijke vermogensrecht in de beperkte of algehele wettelijke huwelijksgemeenschap valt. Daarbij zal het betreffende goed buiten de huwelijksgemeenschap vallen wanneer de tegenprestatie voor de verkrijging van het gemeenschappelijke voor meer dan de helft ten laste van het door erfrecht of gift verkregen privévermogen is gekomen. Ook hier geldt dat daar óók de situatie onder kan worden verstaan dat een goed is verkregen onder gelijktijdige ‘directe’ of ‘indirecte’ kwijtschelding van meer dan de helft van de verschuldigde tegenprestatie, of wanneer in de verkrijging van het goed een materiële bevoordeling besloten ligt ter grootte van meer dan de helft van de werkelijke waarde van het verkregen goed.5 Wordt niet aan de vereisten van artikel 1:95 lid 1 BW voldaan, dan gaat het gemeenschappelijke goed tot de huwelijksgemeenschap behoren, waarbij op grond van artikel 1:95 lid 2 BW dan wel een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap ontstaat.
439. Maar hoe zit het vervolgens als het aandeel van de echtgenoot in de betreffende gemeenschappelijke zaak of het vermogensrecht wordt uitgebreid? Daartoe kan worden verwezen naar hetgeen in hoofdstuk 3 reeds is opgemerkt over het effect van een opvolgende deelverkrijging in de alternatieve opvatting over de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap (dus de overdracht van (een gedeelte van) een aandeel in een gemeenschappelijk goed).6 Daar is uiteengezet dat in die alternatieve opvatting bij een opvolgende deelverkrijging helemaal geen (nieuw) goed verkregen wordt, maar dat ‘slechts’ met absolute werking het (absolute) effect van de eerdere(!) verkrijging van de betreffende zaak of het betreffende vermogensrecht wordt gewijzigd, met name waar het de gerechtigdheid tot de waarde van dat gemeenschappelijk goed betreft. Daarbij zijn er twee mogelijkheden geschetst. De eerste mogelijkheid is dat de ene deelgenoot ‘zijn aandeel’ volledig aan een van de andere deelgenoten overdraagt. In dat geval wordt het effect van de verkrijging van het gemeenschappelijke goed bij de ene deelgenoot volledig beëindigd en wijzigt het absolute effect van de eerdere verkrijging van het gemeenschappelijke goed bij de andere deelgenoot in die zin dat zijn gerechtigdheid tot de waarde van het gemeenschappelijke goed wordt vermeerderd met de gerechtigdheid tot de waarde die de ‘uittredende’ deelgenoot daarvóór had.7 Aan deze eerste mogelijkheid staat gelijk de situatie dat de gemeenschap eindigt zónder dat van een verdeling sprake is. Als een echtgenoot samen met een ander deelgenoot in een gemeenschap is, en hij dat aandeel van die ander krachtens erfrecht verkrijgt, dan eindigt de gemeenschap zonder dat van een handeling in de zin van artikel 3:182 BW sprake is.8 In dat geval eindigt het effect van de verkrijging van het gemeenschappelijke goed bij de overleden deelgenoot, en wordt het absolute effect van de eerdere verkrijging bij de gehuwde deelgenoot gewijzigd in die zin dat hij voortaan enig eigenaar van het betreffende goed is. De tweede mogelijkheid is dat de deelgenoten hun gerechtigdheid tot de waarde van het gemeenschappelijke goed wijzigen zónder dat het effect van de verkrijging van het goed bij een van hen volledig eindigt. In dat geval blijven alle deelgenoten eigenaar van het gemeenschappelijke goed als zodanig, maar wijzigen zij slechts het absolute effect van hun eerdere verkrijging van dat goed voor zover het de gerechtigdheid tot de waarde daarvan bij twee of meer van hen betreft.
440. Van welke van de hiervoor geschetste situaties van uitbreiding evenwel ook sprake is, in alle gevallen wordt er door de betreffende echtgenoot géén (nieuw) goed verkregen. Dat betekent dat er óók geen nieuwe toets aan de werking van boedelmenging plaats kan vinden. Als vorm van verkrijging van goederen is boedelmenging alleen maar aan de orde wanneer door een echtgenoot een goed (her)verkregen wordt. Bij de uitbreiding van een aandeel in een gemeenschappelijk goed is daar géén sprake van. Voor boedelmenging is dus geen ruimte. Datzelfde geldt voor toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW. De regeling van artikel 1:95 lid 1 BW kwalificeert als een uitzondering op de werking van boedelmenging;9 als niet aan boedelmenging wordt getoetst komt men dus ook niet aan toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW toe. Voor de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen betekent dit dat er bij de uitbreiding van een aandeel in een gemeenschappelijk goed in geen enkel geval een wijziging plaatsvindt; wanneer (‘het aandeel’ in) het gemeenschappelijke goed vóór de uitbreiding tot de huwelijksgemeenschap behoorde, blijft het (gewijzigde ‘aandeel’ in het) goed ook ná de uitbreiding tot de huwelijksgemeenschap behoren; behoorde het (‘aandeel’ in het) gemeenschappelijke goed vóór de uitbreiding tot het privévermogen van een echtgenoot, dan zal het (gewijzigde ‘aandeel’ in) het gemeenschappelijke goed na de uitbreiding ook tot dat privévermogen blijven behoren. Dit alles geldt ongeacht krachtens welke titel, of ten laste van welk vermogen, de uitbreiding heeft plaatsgevonden. Het resultaat van deze benadering is dus dat het uitgebreide aandeel als geheel in of buiten de huwelijksgemeenschap blijft. Dat resultaat stemt overeen met hetgeen de wetgever bij toepassing van de regels van zaaksvervanging heeft beoogd. Bij ie toepassing van die regels heeft de wetgever vanuit het oogpunt van rechtszekerheid immers willen voorkomen dat een goed deels in en deels buiten de huwelijksgemeenschap zou kunnen vallen.10 Volgt men deze benadering, dan kunnen er op grond van de titel van de uitbreiding of de wijze van financiering wél vergoedingsrechten jegens de gemeenschap of het privévermogen van een echtgenoot ontstaan. Die vergoedingsrechten zullen ontstaan indien en voor zover de uitbreiding mede ten laste is gekomen van vermogen dat op grond van die titel of de herkomst van de bestede middelen tot een ander vermogen behoorde dan waar het gemeenschappelijke goed bij de eerdere verkrijging toe is gaan behoren. In het in de vorige paragraaf onder randnummer 433 beschreven voorbeeld heeft dit alles tot gevolg dat ook na de uitbreiding – i.e. de verkrijging krachtens koop en levering door echtgenoot A van het aandeel van erfgenaam B – (het ‘gewijzigde aandeel in’) de woning buiten de beperkte huwelijksgemeenschap valt, ook al is de tegenprestatie voor de verkrijging van het aandeel van erfgenaam B volledig ten laste van het vermogen van de beperkte huwelijksgemeenschap van echtgenoot A gekomen. Dat laatste heeft dan wél tot gevolg dat de huwelijksgemeenschap op grond van (analoge toepassing van) artikel 1:95 lid 1, tweede zin, BW een vergoedingsrecht jegens het privévermogen van A verkrijgt. De omvang van dat vergoedingsrecht wordt daarbij aan de hand van artikel 1:87 lid 2 en 3 BW bepaald. En zou echtgenoot A in het in randnummer 433 geschetste voorbeeld (zijn eerste ‘aandeel in’) de woning krachtens koop en levering hebben verkregen waarbij de tegenprestatie volledig ten laste van de beperkte huwelijksgemeenschap is gekomen en zou hij het aandeel van erfgenaam B daarna krachtens erfrecht hebben verkregen, dan blijft de woning tot de beperkte huwelijksgemeenschap behoren, ook al heeft echtgenoot A het aandeel van B ‘krachtens erfrecht’ verkregen. Ook hier geldt dat van de verkrijging van een (nieuw) goed geen sprake is (A was reeds eigenaar van de woning als zodanig), zodat géén nieuwe toets aan boedelmenging plaats kan vinden. Daardoor speelt de verkrijgingstitel die aan de uitbreiding (i.e. de verkrijging van het tweede ‘aandeel’) ten grondslag ligt geen rol; de woning blijft tot de beperkte huwelijksgemeenschap behoren. Op grond van de verkrijgingstitel die aan de uitbreiding ten grondslag ligt (‘krachtens erfrecht’) zal echtgenoot A wél een vergoedingsrecht jegens de beperkte huwelijksgemeenschap verkrijgen, analoog aan het bepaalde in artikel 1:95 lid 2 BW. En dezelfde uitgangspunten gelden wanneer het voorbeeld van randnummer 433 wordt aangepast op de in randnummer 437 beschreven wijze; aldaar werd er van uitgegaan dat echtgenoot A zijn eerste ‘aandeel in’ de woning voor een bedrag van € 100.000 krachtens koop en levering heeft verkregen, waarbij een bedrag van € 60.000 ten laste van zijn privévermogen is gekomen en een bedrag van € 40.000 ten laste van middelen van de huwelijksgemeenschap. In dat geval is de woning ‘als zodanig’ krachtens zaaksvervanging tot zijn privévermogen gaan behoren, welk resultaat bij de verkrijging van het tweede aandeel niet meer kan veranderen; ook hier wordt bij die tweede verkrijging geen nieuw goed verkregen, zodat geen nieuwe toets aan boedelmenging kan plaatsvinden. Aldus blijft de woning tot het privévermogen van A behoren, óók als de tegenprestatie voor de verkrijging van het tweede aandeel volledig ten laste van middelen van de huwelijksgemeenschap is gekomen. Wel zal de huwelijksgemeenschap in dat geval krachtens analoge toepassing van artikel 1:95 lid 1, tweede zin, BW een (tweede) vergoedingsrecht op het privévermogen van A verkrijgen.