HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:123, rov. 3.1.3.
HR, 07-07-2023, nr. 23/00418
ECLI:NL:HR:2023:1055
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-07-2023
- Zaaknummer
23/00418
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1055, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 07‑07‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:374, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2023:374, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 31‑03‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1055, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑02‑2023
- Vindplaatsen
NJB 2023/1973
RvdW 2023/809
GZR-Updates.nl 2023-0254
JGz 2023/42 met annotatie van mr. drs. F. Westenberg
NJ 2023/277 met annotatie van J. Legemaate
Uitspraak 07‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Wzd. Machtiging o.g.v. art. 24 Wzd (psychogeriatrische aandoening). Staat wilsbekwaam verzet in de weg aan verlening machtiging? Art. 5 lid 1, onder e, EVRM en art. 8 EVRM. Vgl. HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:123 m.b.t. art. 2:1 lid 6 Wvggz.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/00418
Datum 7 juli 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
CENTRUM INDICATIESTELLING ZORG,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: het CIZ,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/10/646524 / FA RK 22-7441 van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2022.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
Het CIZ heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In deze procedure heeft het CIZ verzocht ten aanzien van betrokkene een machtiging te verlenen tot opname en verblijf in een accommodatie als bedoeld in art. 24 Wzd. De rechtbank heeft de machtiging verleend, voor de duur van zes maanden. Zij heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:
“2.1 Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [betrokkene] lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie van het type Alzheimer.
2.2.
Het gedrag van [betrokkene] leidt als gevolg van deze psychogeriatrische aandoening tot ernstig nadeel. Het ernstig nadeel is gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstige psychische schade en maatschappelijke teloorgang. (…)
2.3.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
2.4.
Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
2.5
Gebleken is dat [betrokkene] zich verzet tegen de opname en het verblijf. (…) De advocaat heeft aangevoerd dat in de medische verklaring geen informatie is opgenomen over de wilsbekwaamheid van [betrokkene]. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad zou dit moeten (…) leiden tot aanhouding van de zaak om een aanvullende medische verklaring op te laten maken. Het ernstig nadeel heeft immers alleen betrekking op [betrokkene] zelf, en niet op anderen.
De rechtbank is van oordeel dat de medische verklaring voldoet aan de eisen die daaraan in het kader van de Wzd zijn te stellen. In artikel 24 lid 2 van de Wzd is bepaald wanneer een opname in het kader van deze wet onvrijwillig is. Dat is het geval als de betreffende persoon zich verzet tegen opname, en dat is het geval. De jurisprudentie van de Hoge Raad over wilsbekwaam verzet (HR 4-2-2022, ECLI:NL:HR:2022:123 en HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1466) is gebaseerd op de wettelijke bepaling in artikel 2:1 lid 6, aanhef en onder b, Wvggz. Deze arresten van de Hoge Raad zijn niet van toepassing op de beoordeling op grond van artikel 24 Wzd.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtspraak van de Hoge Raad over wilsbekwaam verzet in het kader van art. 2:1 lid 6 Wvggz niet van toepassing is op de beoordeling op grond van art. 24 Wzd. Het betoogt dat ook in het kader van de Wet zorg en dwang moet worden beoordeeld of sprake is van wilsbekwaam verzet, in elk geval als, zoals in dit geval, het ernstige nadeel alleen ziet op de betrokkene zelf en deze zich verzet tegen opname. Het middel beroept zich daarbij onder meer op de art. 5 lid 1, onder e, en 8 EVRM.
3.2
Art. 2:1 lid 6 Wvggz bepaalt dat de wensen en voorkeuren van de betrokkene ten aanzien van de verplichte zorg worden gehonoreerd, tenzij:
a. de betrokkene niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, of
b. acuut levensgevaar voor de betrokkene dreigt dan wel er een aanzienlijk risico voor een ander is op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, of om ernstig in zijn ontwikkeling te worden geschaad, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
Deze bepaling geldt ook voor de beoordeling of een zorgmachtiging moet worden afgegeven.1.
3.3
De Wet zorg en dwang kent niet een bepaling als art. 2:1 lid 6 Wvggz. Het al dan niet in staat zijn tot een redelijke waardering van de eigen belangen (‘wilsbekwaamheid’) is in die wet wel van belang, bijvoorbeeld bij de vraag wanneer een vertegenwoordiger in plaats van de betrokkene mag beslissen over de aan de betrokkene te verlenen zorg (art. 3 en 3a Wzd). Daarnaast spelen de wensen en voorkeuren van de betrokkene een rol in art. 7 lid 3 Wzd, dat bepaalt dat de zorgverantwoordelijke zich inspant om de instemming van de betrokkene of zijn vertegenwoordiger met het zorgplan te verkrijgen en daarbij zoveel als mogelijk rekening houdt met de wensen en voorkeuren van de betrokkene. Verder bepaalt art. 9 lid 1 Wzd dat de zorgaanbieder voldoende mogelijkheden biedt voor zorg op basis van vrijwilligheid, om daarmee onvrijwillige zorg zoveel mogelijk te voorkomen, en bepaalt art. 10 lid 1 Wzd dat onvrijwillige zorg in het zorgplan alleen als uiterste middel kan worden overwogen.
3.4
Onvrijwillige opname in een accommodatie is geregeld in de art. 24 e.v. Wzd. De rechter kan op grond van art. 24 lid 3 Wzd een machtiging verlenen voor opname en verblijf in een geregistreerde accommodatie indien het gedrag van de betrokkene als gevolg van een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan, leidt tot ernstig nadeel, als bedoeld in art. 1 lid 2 Wzd, de opname en het verblijf noodzakelijk en geschikt is om dat ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden, en er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden. Dat aan deze voorwaarden is voldaan moet blijken uit een actuele verklaring van een ter zake kundige arts die de betrokkene met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht en die ten minste gedurende één jaar geen zorg heeft verleend aan de betrokkene en ten opzichte van de zorgaanbieder onafhankelijk functioneert (art. 27 Wzd in verbinding met art. 26 lid 6 Wzd).
De Wet zorg en dwang laat aldus de mogelijkheid open dat de rechter een machtiging tot opname en verblijf verleent voor een betrokkene die zich wilsbekwaam verzet, ook al is geen sprake van acuut levensgevaar voor de betrokkene of een aanmerkelijke kans op schade voor derden en gaat het dus alleen om het afwenden of voorkomen van ernstig nadeel voor de betrokkene.
3.5
Met het hiervoor in 3.3 en 3.4 geschetste stelsel is voldaan aan de minimumeisen die volgens de rechtspraak van het EHRM in acht moeten worden genomen bij vrijheidsbeneming wegens een geestelijke stoornis als bedoeld in art. 5 lid 1, onder e, EVRM.2.Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt niet dat het EHRM daarnaast (op grond van de art. 5 of 8 EVRM) eisen stelt die betrekking hebben op de wilsbekwaamheid van de betrokkene. Hoewel in enkele uitspraken – waarin het ging om dwangbehandeling van personen die waren gedetineerd – is verwezen naar “patients who are entirely incapable of deciding for themselves”, valt daaruit niet af te leiden dat (in bepaalde gevallen) wilsonbekwaamheid vereist is om een persoon onvrijwillig te kunnen opnemen (vgl. de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4). Ook uit overige rechtspraak van het EHRM over gedwongen zorg valt dat niet af te leiden. Zo volstaat het EHRM in zijn uitspraak van 21 juni 2022 ermee om – nadat het de drie minimumeisen heeft herhaald – in herinnering te brengen dat een beschermende maatregel ten aanzien van een persoon die in staat is zijn wil tot uitdrukking te brengen, zoveel mogelijk de wensen van die persoon dient te reflecteren.3.Het hiervoor in 3.3 en 3.4 geschetste stelsel is daarop ook gericht. Bij de beoordeling of is voldaan aan de in art. 24 Wzd gestelde voorwaarden dat de opname en het verblijf noodzakelijk en geschikt is om het ernstige nadeel voor de betrokkene te voorkomen of af te wenden, en er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om dit ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden, dienen de wensen en voorkeuren van de betrokkene zoveel mogelijk in aanmerking te worden genomen. Bij deze stand van zaken kan niet worden geconcludeerd dat uit het EVRM volgt dat in geval van wilsbekwaam verzet van de betrokkene meer beperkingen gelden voor het verlenen van onvrijwillige zorg en opname dan besloten liggen in het hiervoor in 3.3 en 3.4 weergeven stelsel van de Wet zorg en dwang. Het beroep op de art. 5 en 8 EVRM kan dan ook niet tot cassatie leiden.
3.6
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. Du Perron, C.H. Sieburgh, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 7 juli 2023.
Conclusie 31‑03‑2023
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00418
Zitting 31 maart 2023
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoekster tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
Centrum Indicatiestelling Zorg,
verweerder in cassatie,
hierna: het CIZ,
niet verschenen.
In deze zaak op grond van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) heeft de rechtbank een machtiging tot onvrijwillige opname en verblijf in een accommodatie verleend. Had de rechtbank - naar analogie van de rechtspraak over art. 2:1 lid 6 Wet verplichte ggz (Wvggz) – nader moeten laten onderzoeken of betrokkene, die zich tegen deze opname verzet, wilsbekwaam is, nu het ernstig nadeel alleen betrokkene zelf betreft?
1. Feiten en procesverloop
1.1
Bij beschikking van 3 november 2022 heeft de rechtbank Rotterdam ten aanzien van betrokkene een machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie als bedoeld in art. 24 Wzd voor de duur van zes maanden verleend naar aanleiding van een door het CIZ op 20 oktober 2022 ingediend verzoek.
1.2
De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:
“2.1 Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat cliënte lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie van het type Alzheimer.
2.2.
Het gedrag van cliënte leidt als gevolg van deze psychogeriatrische aandoening tot ernstig nadeel. Het ernstig nadeel is gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstige psychische schade en maatschappelijke teloorgang. (…)
(…)
2.5
Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de opname en het verblijf. Cliënte verzet zich herhaaldelijk, mondeling tegen opname in een instelling. Cliënte woont prettig thuis en zegt niemand tot last te zijn. Cliënte reageert boos en weigert alle medewerking wanneer een verhuizing met haar besproken wordt.
De advocaat heeft aangevoerd dat in de medische verklaring geen informatie is opgenomen over de wilsbekwaamheid van cliënte. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad zou dit moeten dit leiden tot aanhouding van de zaak om een aanvullende medische verklaring op te laten maken. Het ernstig nadeel heeft immers alleen betrekking op cliënte zelf, en niet op anderen.
De rechtbank is van oordeel dat de medische verklaring voldoet aan de eisen die daaraan in het kader van de Wzd zijn te stellen. In artikel 24 lid 2 van de Wzd is bepaald wanneer een opname in het kader van deze wet onvrijwillig is. Dat is het geval als de betreffende persoon zich verzet tegen opname, en dat is het geval. De jurisprudentie van de Hoge Raad over wilsbekwaam verzet (HR 4-2-2022, ECL1:NL:HR:2022:123 en HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1466) is gebaseerd op de wettelijke bepaling in artikel 2:1 lid 6, aanhef en onder b, Wvggz. Deze arresten van de Hoge Raad zijn niet van toepassing op de beoordeling op grond van artikel 24 Wzd.”
1.3
Namens betrokkene is - tijdig1.- cassatieberoep van deze beschikking ingesteld. Het CIZ heeft geen verweerschrift ingediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het middel klaagt over onjuistheid van het oordeel van de rechtbank dat de rechtspraak van de Hoge Raad over wilsbekwaam verzet gebaseerd is op art. 2:1 lid 6 Wvggz en niet van toepassing is op de beoordeling op grond van art. 24 Wzd. Ook in het kader van de Wzd zou moeten worden beoordeeld of sprake is van wilsbekwaam verzet. Dat betekent volgens de klacht dat de rechtbank een aanvullende medische verklaring over de wilsbekwaamheid van betrokkene had moeten laten opmaken, aangezien de overlegde verklaring daarover geen informatie bevat terwijl betrokkene zich verzet tegen de verzochte opname en het ernstig nadeel alleen haarzelf betreft. Verder wordt een beroep gedaan op art. 5 lid 1 onder e EVRM, art. 15 lid 1 Grondwet en art. 8 EVRM.
2.2
Art. 2:1 lid 6 Wvggz bepaalt dat de wensen en voorkeuren van betrokkene ten aanzien van de verplichte zorg worden gehonoreerd, tenzij:
a. betrokkene niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, of
b. acuut levensgevaar voor betrokkene dreigt dan wel er een aanzienlijk risico voor een ander is op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, of om ernstig in zijn ontwikkeling te worden geschaad, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
2.3
De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 4 februari 2022, ECLI:NL:2022:1930,2.geoordeeld dat art. 2:1 lid 6 Wvggz ook van toepassing is in de fase van afgifte van een zorgmachtiging:
“3.1.3 Uit de toelichting op deze bepaling volgt dat zogeheten wilsbekwaam verzet moet worden gerespecteerd indien de psychische stoornis van de patiënt alleen een aanmerkelijke kans op schade voor de betrokkene zelf veroorzaakt. Hiermee is beoogd - overeenkomstig internationale verplichtingen - tot uitdrukking te brengen dat evenveel waarde wordt gehecht aan de eigen mening en instemming van een wilsbekwaam persoon met een psychische stoornis als aan die van een wilsbekwaam persoon zonder psychische stoornis. De honorering van wilsbekwaam verzet geldt voor zowel de voorbereiding, de afgifte, de uitvoering als de beëindiging van de crisismaatregel of de zorgmachtiging, dus gedurende de gehele procedure. Ook geldt de honorering van wilsbekwaam verzet voor alle vormen van verplichte zorg, aldus de wetsgeschiedenis.
(…)
3.1.5
Het voorgaande betekent dat indien de betrokkene tijdens de procedure tot het verlenen van een zorgmachtiging een voldoende toegelicht bezwaar maakt tegen de voorgestelde verplichte zorg en de situaties als bedoeld in art. 2:1 lid 6, aanhef en onder b, Wvggz zich niet voordoen, de rechter dient te beoordelen of de betrokkene wilsbekwaam is. Hiertoe dient, indien daarover in de medische verklaring niet is gerapporteerd, een verklaring te worden gevraagd van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog waaruit blijkt of de betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is. Zo nodig dient de procedure daartoe te worden aangehouden. In het geval dat uit de medische verklaring of uit de hiervoor bedoelde verklaring van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog blijkt dat de betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, dient diens bezwaar tegen de verplichte zorg te worden gehonoreerd.”
2.4
Vanuit het perspectief van het EVRM bezien speelt sinds de uitspraak in de zaak Herczegfalvy tegen Oostenrijk uit 1992 de vraag hoe het EHRM oordeelt over de gedwongen behandeling en opname van wilsbekwame patiënten. In deze zaak overwoog het EHRM dat bij “patients who are entirely incapable of deciding for themselves” het aan de medische autoriteiten is om te beslissen welke therapeutische methoden, zo nodig onder dwang, zullen worden toegepast om de lichamelijke en geestelijke gezondheid te bewaren.3.In de zaak Wilkinson tegen het Verenigd Koninkrijk uit 2006 oordeelde het EHRM dat klachten over een dwangbehandeling ongegrond waren en nam daarbij in aanmerking dat het ziekenhuis de klager had kunnen beschouwen als “lacking the capacity to consent to the treatment in question”.4.Deze uitspraken duiden erop dat volgens het EHRM wilsonbekwaamheid een voorwaarde is voor gedwongen interventies althans bij wilsbekwaamheid op dit punt strengere normen gelden, maar volstrekt duidelijk is dit niet.5.Dat geldt volgens mij ook voor de uitspraak in de zaak Plesó tegen Hongarije uit 2012, waarin het EHRM heeft overwogen dat “the individual’s inalienable right to self-determination (including the right to refusal of hospitalisation or medical treatment, that is, his or her ‘right to be ill’)” beperkt kan worden “to secure the best possible health care for those with diminished faculties (for example, because of lack of insight into their condition)”.6.
2.5
Mede naar aanleiding van deze EHRM-rechtspraak is in de ‘Thematische wetsevaluatie gedwongen zorg’ uit 2014 de aanbeveling gedaan om het destijds aanhangige wetsvoorstel Wvggz zodanig te wijzigen dat daarin wordt vastgelegd dat wilsbekwaam verzet moet worden gerespecteerd indien de psychische stoornis van de patiënt alleen een aanmerkelijke kans op schade voor de betrokkene zelf veroorzaakt:
“Een patiënt die ten gevolge van zijn psychische stoornis louter gevaar voor zich zelf veroorzaakt (zoals maatschappelijke teloorgang) kan, ook al is hij tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat, onder de Wet Bopz toch gedwongen worden opgenomen en aan dwangbehandeling worden onderworpen. Hierop is in de derde evaluatie kritiek geuit. De evaluatiecommissie stelde voor wilsbekwaam verzet tegen een interventie in deze situatie te respecteren, zelfs als de patiënt op het moment dat de interventie noodzakelijk is, wilsonbekwaam is ter zake van die interventie. Het standpunt van de derde evaluatiecommissie sluit ook aan bij de rechtspraak van het EHRM en 25 internationale documenten. Ook de evaluatiecommissie van de Thematische wetsevaluatie wilsbekwaamheid en vertegenwoordiging (…) stelde voor in de Wet Bopz en de toekomstige Wvggz het respecteren van wilsbekwaam verzet te waarborgen. Maar de aanbeveling van deze evaluatiecommissies werd in de Wvggz toch niet (helemaal) overgenomen. Het voorstel bepaalt in artikel 2:1 lid 6 dat ‘[de] wensen en voorkeuren van betrokkene worden gehonoreerd, tenzij: a. betrokkene niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, of b. deze in strijd zijn met de aan hem te verlenen verplichte zorg’. De nota van toelichting vermeldt dat er ‘(…) niet voor het criterium gekozen [is] dat dit gehonoreerd moet worden indien het gedrag van betrokkene geen schade berokken[t] aan anderen, maar wel dat dit niet gehonoreerd hoeft te worden indien deze wensen en voorkeuren in strijd zijn met de aan hem te verlenen verplichte zorg zoals omschreven in de zorgmachtiging’. Door deze toch tamelijk algemeen geformuleerde uitzondering lijkt de wet nog steeds behoorlijk wat ruimte te laten voor toepassing van dwang bij een wilsbekwame patiënt wier stoornis alleen een aanzienlijk risico op ernstige schade voor hemzelf veroorzaakt. De wetgever dient de Wvggz zodanig aan te passen dat hieruit volgt dat wilsbekwaam verzet wordt gerespecteerd indien de psychische stoornis van de patiënt alleen een aanmerkelijke kans op schade voor de betrokkene zelf veroorzaakt.”7.
2.6
Het valt op dat in deze aanbeveling alleen de Wvggz wordt genoemd, en niet de Wzd. In de ‘Thematische wetsevaluatie wilsonbekwaamheid en vertegenwoordiging’ uit 2011 was nog geconcludeerd dat op het punt van de erkenning van wilsbekwaam verzet ook de toekomstige Wzd bijstelling verdiende (“want daarin moet verzet weliswaar serieus genomen worden, maar bepalend voor opname van onvrijwillige zorg in het zorgplan respectievelijk uitvoering van die zorg is de vraag of dat nodig is om ernstig nadeel voor de cliënt zelf of voor anderen te voorkomen”).8.Een verklaring hiervoor kan zijn dat in de wetsevaluatie gedwongen zorg ook de aanbeveling is gedaan om één wettelijke regeling te hanteren voor zowel de GGZ als de PG/VG (psychogeriatrie/verstandelijk gehandicaptenzorg). In dat verband werd opgemerkt dat de voorgestelde Wvggz en Wzd aanzienlijk van elkaar verschillen en dat deze verschillen maar ten dele gerechtvaardigd lijken vanuit het uiteenlopende karakter van de doelgroepen, “(z)o is niet goed te beredeneren dat dat uiteenlopende karakter een argument kan vormen om bijvoorbeeld waar het gaat om een zo ingrijpende interventie als dwangmedicatie in de Wvggz een ander (en strikter) systeem van rechtsbescherming te kiezen dan in de WZD.” Indien de wetgever ervoor zou kiezen om de Wvggz en de Wzd enige tijd naast elkaar te laten functioneren, dan was volgens de wetsevaluatie een betere afstemming tussen beide wetsvoorstellen zeer gewenst.9.
2.7
De huidige formulering van art. 2:1 lid 6 Wvggz is geïntroduceerd door een wijziging van het wetsvoorstel Wvggz bij de tweede nota van wijziging.10.Deze wijziging is als volgt toegelicht:
“Met het nieuwe zesde lid wordt uitvoering gegeven aan de aanbeveling uit de thematische wetsevaluatie «Gedwongen zorg» om de tekst van dit wetsvoorstel zodanig te wijzigen dat daarin wordt vastgelegd dat wilsbekwaam verzet moet worden gerespecteerd indien de psychische stoornis van de patiënt alleen een aanmerkelijke kans op schade voor de betrokkene zelf veroorzaakt (…). Hiermee wordt - conform internationale verplichtingen - tot uitdrukking gebracht dat er evenveel waarde gehecht wordt aan de eigen mening en instemming van een wilsbekwaam persoon met een psychische stoornis dan aan die van een wilsbekwaam persoon zonder psychische stoornis. De grens wordt gelegd bij acuut levensgevaar voor de betrokkene zelf: in overeenstemming met het suïcidepreventiebeleid wordt in dat geval het wilsbekwaam verzet niet zonder meer gerespecteerd. Datzelfde geldt indien het ernstig nadeel niet betrokkene zelf betreft, maar een ander. De honorering van wilsbekwaam verzet geldt voor zowel de voorbereiding, de afgifte, de uitvoering als de beëindiging van de crisismaatregel of de zorgmachtiging, dus gedurende de gehele procedure. Ook geldt de honorering van wilsbekwaam verzet voor alle vormen van verplichte zorg.”11.
2.8
Anders dan in de Wvggz, wordt in de Wzd geen onderscheid gemaakt tussen verzet van een cliënt die wilsbekwaam ter zake is en een cliënt die wilsonbekwaam ter zake is.12.In beide gevallen heeft het verzet tot gevolg dat de desbetreffende zorg of opname en verblijf in een accommodatie als ‘onvrijwillig’ wordt gekwalificeerd (zie art. 2 respectievelijk 24 lid 2 Wzd in verbinding met art. 3a lid 1 en 2 Wzd), en dat deze zorg of opname alleen mag worden uitgevoerd indien voldaan is aan de vereisten die de Wzd hieraan stelt.13.
2.9
Voor een onvrijwillige opname en verblijf is een rechterlijke machtiging vereist (art. 24 lid 1 Wzd). De rechter kan deze machtiging verlenen indien voldaan is aan de in art. 24 lid 3 Wzd vermelde voorwaarden: het gedrag als gevolg van de beperking of aandoening leidt tot (dreigend) ernstig nadeel, voor de cliënt of een ander,14.de opname en het verblijf is noodzakelijk en geschikt om dat ernstig nadeel af te wenden of te voorkomen, en er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden daartoe voorhanden.15.In vergelijking met art. 2:1 lid 6 Wvggz is in een geval van wilsbekwaam verzet zonder ernstig nadeel voor anderen de drempel om tot dwangtoepassing te komen onder de Wzd lager: het ernstig nadeel voor de betrokkene zelf behoeft immers niet te bestaan uit acuut levensgevaar.16.
2.10
De Wzd bevat dus niet een voorschrift dat wilsbekwaam verzet in beginsel wordt gerespecteerd zoals dat in art. 2:1 lid 6 Wvggz is neergelegd. Wel bepaalt art. 7 lid 3 Wzd dat de zorgverantwoordelijke zich inspant om de instemming van de cliënt of zijn vertegenwoordiger met het zorgplan te verkrijgen en daarbij zoveel als mogelijk rekening houdt met de wensen en voorkeuren van de cliënt. Deze bepaling is eveneens bij de tweede nota van wijziging geïntroduceerd.17.Verder bepaalt art. 9 lid 1 Wzd dat de zorgaanbieder voldoende mogelijkheden biedt voor zorg op basis van vrijwilligheid om daarmee onvrijwillige zorg zoveel mogelijk te voorkomen, en art. 10 lid 1 Wzd dat onvrijwillige zorg alleen als uiterste middel kan worden overwogen.18.
2.11
Geconcludeerd kan worden dat de wetgever blijkbaar ervoor heeft gekozen om in de Wzd niet een bepaling op te nemen met dezelfde strekking als die van art. 2 lid 6 Wvggz. Deze keuze is in de wetsgeschiedenis niet specifiek toegelicht, behalve dat bij herhaling is benadrukt dat verschillen tussen beide wetten op het punt van rechtsbescherming, procedures en de beslissingsbevoegdheid bij dwangbehandeling zijn ingegeven door verschillen tussen de doelgroepen van de GGZ en PG/VG:
“(…) De ontstaansgeschiedenis van de wetsvoorstellen, het karakter van de zorg, het verschil in doelgroepen, alsmede de uitvoerbaarheid, hebben in de verschillende wetten en wetsvoorstellen geleid tot procedures die op onderdelen van elkaar verschillen.
(…)
Vanuit het oogpunt van overzichtelijkheid, toegankelijkheid en de consistentie van wetgeving beveelt ZonMw aan om één wettelijk regime te hanteren voor zowel de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) als voor cliënten met een verstandelijke beperking of een psychogeriatrische aandoening (zgn. VG/PG-doelgroep), of de Wvggz en de Wzd beter op elkaar af te stemmen. De regering heeft gekozen voor een betere afstemming tussen beide wetsvoorstellen. (…)
Er is niet gekozen voor één wetsvoorstel, omdat de tweede evaluatie van de Wbopz pleitte voor specifieke regels voor de VG/PG-doelgroep, omdat de Wbopz voor deze doelgroep niet voldoet. De argumenten die bij deze evaluatie werden genoemd, zijn onverminderd van kracht. De noodzaak voor afzonderlijke regelingen wordt dus met name ingegeven door het verschil in doelgroep en het verschil in zorgbehoefte en type dwang.
In de Wvggz gaat het om cliënten met een psychiatrische aandoening. De psychiatrie is onderdeel van de geneeskunde. De zorg is er doorgaans op gericht de patiënt te behandelen en de stoornis die het gevaar doet veroorzaken weg te nemen. In de Wzd gaat het om zorg aan mensen met dementie of een verstandelijke beperking. Deze mensen zijn niet goed in staat om hun leven te overzien en hebben doorgaans levensbreed (dat wil zeggen: over bijna alle aspecten van hun leven) en voor de rest van hun leven zorg nodig. In de zorg voor mensen met dementie of een verstandelijke beperking is er geen uitzicht op verbetering of genezing van de stoornis; het gaat hier om het bieden van ondersteuning bij verschillende aspecten van hun leven. Deze cliënten krijgen vaak al op vrijwillige basis zorg en deze zorg kan zich van tijd tot tijd uitbreiden tot onvrijwillige zorg. In het uiterste geval kunnen deze cliënten onvrijwillig opgenomen worden in een accommodatie, zodat zij in een veiligere leefomgeving de benodigde ondersteuning kunnen krijgen.
Daarnaast is relevant dat een groot deel van de mensen met dementie of een verstandelijke beperking zijn wil niet of onvoldoende kan uiten. Daardoor is het in de VG/PG-doelgroep, anders dan bij de psychiatrische cliënt, vaak niet duidelijk of de cliënt zich verzet tegen de maatregelen als hier genoemd. Dat leidt vaak tot een andere dynamiek tussen zorgverlener en cliënt. Voor deze zogenoemde «geen verzet, geen bezwaar groep», zijn in de Wzd procedurele waarborgen ingebouwd in die zin dat er over de noodzaak van onvrijwillige en vrijwillige alternatieven systematisch binnen teamverband en stapsgewijs wordt besloten, ook als er geen verzet is (het stappenplan). (…)”19.
“De regering geeft ten aanzien van wilsbekwaam verzet aan dat zowel in de Wvggz als in de Wzd de mogelijkheid van verzet is opgenomen. In beide wetsvoorstellen kan de vertegenwoordiger zich ook verzetten. De regering heeft ten aanzien van dit punt het wetsvoorstel zorg en dwang aangescherpt. De regering geeft verder aan dat er ten aanzien van de beslissingsbevoegdheid bij dwangbehandeling voor elke doelgroep (psychiatrie, psychogeriatrie/verstandelijk gehandicaptenzorg en forensische zorg) verschillende systemen zijn, welke zijn afgestemd op de doelgroep. Waar mogelijk zijn deze systemen geharmoniseerd. (…)”20.
2.12
Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek tot verlening van een machtiging tot onvrijwillige opname op de voet van art. 24 Wzd niet behoeft te onderzoeken of sprake is van wilsbekwaam verzet van de cliënt. In de Wzd is niet een bepaling opgenomen die daartoe verplicht en een uitdrukkelijk oordeel van het EHRM waaruit een dergelijke verplichting zou volgen ontbreekt tot dusver. Het middel slaagt daarom niet.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑03‑2023
De procesinleiding is op 3 februari 2023 ingediend in het Portaal van de Hoge Raad.
HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:123, NJ 2022/237 m.nt. J. Legemaate, JGz 2022/10 m.nt. F. Westenberg.
EHRM 24 september 1992, nr. 10533/83, NJ 1993/523 (Herzcegfalvy/Oostenrijk), punt 82, zie ook punt 86 waar het beroep op art. 8 EVRM wordt verworpen op grond van onder meer de overweging: “the Court attaches decisive weight here to the lack of specific information capable of disproving the Government's opinion that the hospital authorities were entitled to regard the applicant's psychiatric illness as rendering him entirely incapable of taking decisions for himself”.
EHRM 28 februari 2006, nr. 14659/02, BJ 2006/21 m.nt. A.C. Hendriks (Wilkinson/Verenigd Koninkrijk).
Vgl. J. Legemaate, B.J.M. Hendriks en R.P. de Roode, derde evaluatiecommissie Wet Bopz, deelrapport 7 - Internationale ontwikkelingen, p. 44-46 en 58; C.P.M. Akerboom e.a., Thematische wetsevaluatie wilsonbekwaamheid en vertegenwoordiging, Den Haag: ZonMw, 2011, p. 230; Hendriks in zijn BJ-noot (onder 8) bij Wilkinson tegen Verenigd Koninkrijk; J.H. Gerards, De EHRM-rechtspraak als richtsnoer - Een reality check aan de hand van de wetsvoorstellen over gedwongen zorg, NTM||NJCM-Bull. 2015, nr. 3, p. 312-313.
EHRM 2 oktober 2012, nr. 41242, NJ 2014/245 m.nt. J. Legemaate, JVGGZ 2013/34 m.nt. S.P.K. Welie (Plesó/Hongarije), punt 66. Zie ook de conclusie van A-G Snijders (onder 3.29) voor HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:123; J. Legemaate e.a., Thematische wetsevaluatie gedwongen zorg, Den Haag: ZonMw, 2014, p. 24; Legemaate in zijn NJ-noot (onder 6) bij Plesó tegen Hongarije; Welie in zijn JVGGZ-noot (onder 9) bij deze uitspraak.
J. Legemaate e.a., Thematische wetsevaluatie gedwongen zorg, Den Haag: ZonMw, 2014, p. 344-345.
C.P.M. Akerboom e.a., Thematische wetsevaluatie wilsonbekwaamheid en vertegenwoordiging, Den Haag: ZonMw, 2011, p. 438-439, zie ook p. 239-241. De derde evaluatiecommissie Wet Bopz concludeerde eveneens dat uitgangspunt zou moeten zijn dat wilsbekwame weigering van behandeling gerespecteerd dient te worden zonder daarbij onderscheid te maken tussen psychiatrie en psychogeriatrie/verstandelijk gehandicaptenzorg, zie het evaluatierapport voortschrijdende inzichten, 2007, p. 92-95.
J. Legemaate e.a., Thematische wetsevaluatie gedwongen zorg, Den Haag: ZonMw, 2014, p. 340-341.
B.J.M. Frederiks en M. de Visser, De Wet zorg en dwang - Handleiding voor de praktijk, Sdu Den Haag, 2022, p. 32 en 43-44.
De beslissing dat de cliënt ter zake wilsonbekwaam is heeft overigens wel tot gevolg dat in zoverre een vertegenwoordiger namens hem mag optreden (art. 3 lid 2 Wzd). In dat geval kwalificeert zorg ook als ‘onvrijwillig’ indien de vertegenwoordiger zich daartegen verzet en komt geen betekenis toe aan de instemming van de cliënt zelf met deze zorg (art. 2 lid 1 in verbinding met art. 3a lid 2 Wzd).
‘Ernstig nadeel’ wordt in art. 1 lid 2 Wzd (evenals in art. 1 lid 2 Wvggz) omschreven als “het bestaan van of het aanzienlijk risico op:a. levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, ernstig verstoorde ontwikkeling voor of van de cliënt of een ander;b. bedreiging van de veiligheid van de cliënt al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt;c. de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;d. de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.”
Zie B.J.M. Frederiks en M. de Visser, De Wet zorg en dwang - Handleiding voor de praktijk, Sdu Den Haag, 2022, p. 68-69; P. Vlaardingerbroek, T&C PFR, art. 24 Wzd, aant. 4 (actueel tot en met 15 oktober 2022); en L.P.A. Voogd, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 24 Wzd, aant. 3 (publicatiedatum 3 september 2020).
De toevoeging van deze bepaling is als volgt toegelicht: “Daarmee vindt inhoudelijke harmonisatie met de Wvggz plaats voor wat betreft de in dat voorstel geregelde zorgkaart”, Kamerstukken II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 211. Vergelijk art. 2:1 lid 5, art. 5:12 lid 1 en 4, art. 5:14 lid 1 onder d, en art. 5:17 lid 4 onder b Wvggz.
Kamerstukken II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 90-91.
Beroepschrift 03‑02‑2023
Procesinleiding in verzoekschriftzaak met betrekking tot de WZD
Geeft eerbiedig te kennen
[betrokkene], wonende te [woonplaats], te dezer zake in Den Haag woonplaats kiezende aan de Riouwstraat 131, ten kantore van de advocate bij de hoge raad der Nederlanden mr. G.E.M. Later, die door verzoekster als zodanig wordt aangewezen om voor haar in dit rechtsgeding op te treden en voor verzoekster deze procesinleiding ondertekent en indient;
- 1.
Bij beschikking van 3 november 2022 onder zaaknummer C/10/646524/FA RK 22-7441 heeft de Rechtbank Rotterdam het verzoek van het CIZ ex artikel 26 lid 3 WZD toegewezen. Die beschikking met het verzoek rechterlijke machtiging van het CIZ van 20 oktober 2022, overzicht aanvraag CIZ van 10 oktober 2022, medische verklaring van de specialist ouderengeneeskunde [specialist ouderengeneeskunde] van 18 oktober 2022, brief van de klinisch geriater dhr. [klinisch geriater] aan het casemanagement PG team Swinhove van 16 juni 2020, het zorgplan van 23 september 2022, indicatiebesluit van het CIZ van 25 november 2021, machtiging voorzitter van de Raad van Bestuur van het CIZ tot het indienen van het verzoekschrift, de begeleidende brief bij het indienen van het verzoek van 20 oktober 2022 alsmede het proces-verbaal van de behandeling op 3 november 2022 legt verzoekster hierbij over.
- 2.
Verweerder is het CIZ team Wet Zorg en Dwang, Postbus 2891, 3500 GW Utrecht.
- 3.
Verzoekster kan zich met de onderhavige beschikking van 3 november 2022 niet verenigen en stelt daarvan bij deze — derhalve tijdig — beroep in kassatie in onder aanvoering van het navolgende:
Middel van kassatie
Schending van het recht althans verzuim van vormen waarvan niet inachtneming nietigheid medebrengt, aangezien de rechtbank Rotterdam ten aanzien van het verzoek ex artikel 26 WZD heeft overwogen zoals in de beschikking van 3 november 2022 staat omschreven en heeft beslist zoals in de beschikking staat vermeld, welke overwegingen en beslissingen als hier herhaald en overgenomen dienen te worden beschouwd, zulks ten onrechte om de navolgende reden.
I.
Naar uit de bestreden beschikking van 3 november 2022 blijkt heeft de rechtbank het volgende overwogen:
‘…2.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat cliënte lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie van het type Alzheimer.
2.2.
Het gedrag van cliënte leidt als gevolg van deze psychogeriatrische aandoening tot ernstig nadeel. Het ernstig nadeel is gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstige psychische schade en maatschappelijke teloorgang. Wanneer thuiszorg, individuele zorg of familie weg wil gaan na een bezoek aan cliënte, raak zij hierdoor erg van streek. Cliënte huilt, schreeuwt en smeekt hen om niet weg te gaan. Het huilen van betrokkene is door de gehele flat te horen. Cliënte belt veelvuldig met haar dochter en zussen met het verzoek aan hen om langs te komen. Dit wordt hen geregeld te veel. De casemanager verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat cliënte niet meer in staat is voor zichzelf te zorgen. Zo weet zij onder andere niet meer hoe ze de centrale deur van haar appartementencomplex moet openen, waardoor ze soms zeer schaars gekleed naar beneden komt om de deur open te doen. Dat maakt haar kwetsbaar. De casemanager heeft ook verklaard tijdens de mondelinge behandeling dat alle mogelijke zorg die cliënte vanuit huis geboden kan worden, is ingezet maar dat dit niet meer voldoende is. Cliënte is grote delen van de dag alleen en lijdt hier ernstig onder. Zij is niet bereid om naar dagopvang te gaan.
2.3.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
2.4.
Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
2.5.
Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de opname en het verblijf. Cliënte verzet zich herhaaldelijk, mondeling tegen opname in een instelling. Cliënte woont prettig thuis en zegt niemand tot last te zijn. Cliënte reageert boos en weigert alle medewerking wanneer een verhuizing met haar besproken wordt.
De advocaat heeft aangevoerd dat in de medische verklaring geen informatie is opgenomen over wilsbekwaamheid van cliënte. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad zou dit moeten dit leiden tot aanhouding van de zaak om een aanvullende medische verklaring op te laten maken. Het ernstig nadeel heeft immers alleen betrekking op cliënte zelf, en niet op anderen.
De rechtbank is van oordeel dat de medische verklaring voldoet aan de eisen die daaraan in het kader van de Wzd zijn te stellen. In artikel 24 lid 2 van de Wzd is bepaald wanneer een opname in het kader van deze wet onvrijwillig is. Dat is het geval als de betreffende persoon zich verzet tegen opname, en dat is het geval. De jurisprudentie van de Hoge Raad over wilsbekwaam verzet (HR 4-2-2022, ECLI:NL:HR:2022:123 en HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1466) is gebaseerd op de wettelijke bepaling in artikel 2:1 lid 6, aanhef en onder b, Wvggz. Deze arresten van de Hoge Raad zijn niet van toepassing op de beoordeling op grond van artikel 24 Wzd.
2.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de criteria voor een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden…’.
Welke overwegingen naar de mening van verzoekster in strijd zijn met het recht althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting
1.1. Wilsbekwaam verzet
Uit de beschikking blijkt sub 2.5. dat verzoekster zich verzet tegen de opname en het verblijf. Ze woont prettig thuis en zegt niemand tot last te zijn. Ze reageert boos en weigert alle medewerking wanneer een verhuizing met haar besproken wordt. Zoals de advocaat heeft aangevoerd is er geen informatie opgenomen in de medische verklaring over de wilsbekwaamheid. Gelet op de jurisprudentie van uw hoge raad zou dit moeten leiden tot een aanhouding van de zaak om een aanvullende medische verklaring op te laten maken. Het ernstig nadeel heeft immers alleen betrekking op verzoekster zelf en niet op anderen. Kennelijk vindt de rechtbank dat de medische verklaring voldoet aan de eisen die daaraan in het kader van de Wzd zijn gesteld hoewel niets blijkt uit die medische verklaring met betrekking tot de wilsbekwaamheid van verzoekster. Het kan toch niet zo zijn dat wanneer een persoon wilsbekwaam is en niet wil worden opgenomen in een verpleeghuis dat zomaar kan gebeuren zonder dat er nader onderzoek plaatsvindt met betrekking tot die wilsbekwaamheid te meer daar in het geval van verzoekster het ernstig nadeel alleen maar haarzelf betreft. Zoals sub 2.2. in de beschikking staat vermeld zou het ernstig nadeel gelegen zijn in het bestaan of het aanzienlijk risico op ernstige psychische schade en maatschappelijke teloorgang. Maar of dat reden is om verzoekster uit haar huis te halen tegen haar wil en in een verpleeghuis op te sluiten is wel de vraag.
1.2. Beoordeling van het verzet
Tijdens de behandeling van het verzoek op 3 november 2022 heeft verzoekster nog uitdrukkelijk gezegd:
‘…Ik ga mijn huis niet uit hoor. Dit is mijn hokkie en mijn zussen wonen ook dichtbij…’.
Zoals uit de toelichting medische verklaring sub 4 blijkt is het standpunt van verzoekster:
‘… Mw. geeft verbaal zeer duidelijk aan dat zij niet naar een zorginstelling wil. Zij woont erg prettig thuis en is hier niemand tot last.
Zij heeft graag mensen om zich heen en is vaak verdrietig en eenzaam als zij alleen is. Bij vraag of zij dan niet graag in een tehuis woont met anderen om zich heen geeft ze aan dan liever alleen en verdrietig te zijn…’.
Nu het ernstig nadeel met name verzoekster zelf betreft zou er aandacht besteed moeten worden aan de vraag hoe tegen haar verzet moet worden aangekeken. Artikel 3 lid 2 Wzd geeft aan dat de vertegenwoordiger slechts optreedt namens de cliënt voor zover een deskundige overeenkomstig de daarvoor gangbare richtlijn een beslissing heeft genomen die inhoudt dat de cliënt niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van een beslissing die hem betreft.
Artikel 3a Wzd geeft aan dat indien de cliënt overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 zelf de beslissing neemt er sprake is van (a) instemming, indien de cliënt instemt; (b) verzet, indien de cliënt zich verzet.
Verzoekster heeft geen vertegenwoordiger en neemt dus zelf beslissingen. Maar aan haar verzet wordt voorbij gegaan, zonder dat daar een geldige reden voor wordt aangegeven. De overweging dat de jurisprudentie van uw hoge raad over wilsbekwaam verzet gebaseerd is op de wettelijke bepaling in artikel 2:1 lid 6, aanhef en onder b Wvggz en dat deze arresten van uw hoge raad niet van toepassing zijn op de beoordeling op grond van artikel 24 Wzd is naar de mening van verzoekster een onjuist uitgangspunt. Ook in de Wet Zorg en Dwang zal moeten worden beoordeeld of er sprake is van wilsbekwaam verzet. De maatstaf voor het vaststellen van wils(on)bekwaamheid is de vraag met betrekking tot een redelijke waardering van zijn belangen. Maar op die vraag is geen antwoord gegeven.
Nu helder duidelijk is dat ernstig nadeel verzoekster betreft en zij heel duidelijk heeft aangegeven in haar eigen huis te willen blijven wonen had er nader onderzoek met betrekking tot wilsbekwaamheid moeten plaatsvinden alvorens op het verzoek beslist was.
1.3. Artikel 5 lid 1 aanhef en onder e EVRM en artikel 15 lid 1 Grondwet
In casu is het grondrecht in het geding dat niemand zijn vrijheid mag worden ontnomen buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 aanhef en onder e EVRM en artikel 15 lid 1 Grondwet. Na de beslissing van het EHRM in de zaak Winterwerp/Nederland is heel veel jurisprudentie gekomen. Voordat er een ingreep plaatsvindt zoals in de zaak van verzoekster zal er dus veel onderzoek moeten plaatsvinden om te beoordelen of de vrijheidsbeneming die inherent is aan de beslissing ook wel geoorloofd is. Van belang ook artikel 8 EVRM te weten de positieve beslissing om iedereen recht op priveleven te garanderen. In de zaak van verzoekster is de rechtbank voorbij gegaan aan allerlei principiële rechten die ook verzoekster heeft. Verzoekster heeft heel duidelijk aangevoerd dat ze niet naar een zorginstelling wil. Zoals sub 1.2 geciteerd heeft ze aangevoerd dat ze graag mensen om zich heen heeft en dat ze vaak verdrietig en eenzaam is als ze alleen is maar ze wil niet graag in een tehuis wonen met anderen om zich heen en is dan liever alleen en verdrietig. Aan haar wensen is niet tegemoet gekomen en niet is vastgesteld dat dat noodzakelijk was.
Dat verzoekster meent dat op grond van het bovenstaande middel reden is om de bestreden beschikking te vernietigen;
Dat verzoekster procedeert onder toevoeging 3LT9752 d.d. 25 november 2022;
Weshalve
Het de Hoge Raad der Nederlanden moge behagen te vernietigen de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2022 met zodanige beschikking als uw hoge raad in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Den Haag, 3 februari 2023
mr. G.E.M. Later
advocaat