Zie HR 13 september 2011, ECLI:NL:HR: BQ8907, NJ 2011/556 en HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR: BX5111.
HR, 10-12-2013, nr. 12/00200
ECLI:NL:HR:2013:1752
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-12-2013
- Zaaknummer
12/00200
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:1752, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 10‑12‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1779
ECLI:NL:PHR:2013:1779, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 15‑10‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1752
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑11‑2012
- Vindplaatsen
NJ 2014/196 met annotatie van J.M. Reijntjes
SR-Updates.nl 2013-0497
NbSr 2014/18
Uitspraak 10‑12‑2013
Inhoudsindicatie
Salduz-verweer. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte nadat hij was aangehouden niet voorafgaand aan zijn eerste verhoor is gewezen op zijn recht een advocaat te raadplegen. Naar het oordeel van het Hof levert dat in het onderhavige geval geen vormverzuim op. Dat oordeel berust op de overwegingen van het Hof dat verdachte voordat hij zich op uitnodiging van de politie op 14 november 2008 meldde, ruimschoots de gelegenheid heeft gehad een advocaat te raadplegen en dat in het licht daarvan de politie uit de opmerking van verdachte dat hij reeds contact had gehad met zijn raadsman, ervan uit mocht gaan dat verdachte vooraf een raadsman had geconsulteerd. Door het verweer op deze grond te verwerpen en de door verdachte afgelegde verklaring als door de verdediging bedoeld voor het bewijs te bezigen, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het consultatierecht van de aangehouden verdachte.
Partij(en)
10 december 2013
Strafkamer
nr. 12/00200
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, van 23 december 2011, nummer 24/003257-09, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof in strijd met een gevoerd verweer de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor in de gelegenheid was gesteld een advocaat te raadplegen, bij de bewijsvoering heeft betrokken.
2.2.1.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:
"Verklaringen cliënt -> schending Salduz -> uitsluiten van het bewijs
Inleiding
1. Alle verklaringen die cliënt bij de politie heeft afgelegd dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat cliënt niet in de gelegenheid is gesteld een advocaat te raadplegen alvorens hij deze verklaringen aflegde.
2. Op schriftelijke uitnodiging is cliënt op 14 november 2008 op het politiebureau te Heerenveen verschenen. Om 9.10 is cliënt aangehouden. Om 14:45 is cliënt in verzekering gesteld. Cliënt is die dag meerdere keren verhoord. Cliënt is om 18:06 uur heengezonden. Cliënt heeft de hele dag geen advocaat gesproken, terwijl hij bij het verhoor inzake de inverzekeringstelling hier uitdrukkelijk om vraagt.
Telefonisch contact?
3. De verdediging wenst te benadrukken dat de opmerking van cliënt tijdens het tweede verhoor (p. 44) over dat hij zijn advocaat heeft opgebeld niet juist is. Cliënt had op dat moment helemaal geen advocaat en heeft ook niet gebeld. Deze opmerking van cliënt is te kwalificeren als "stoerdoenerij". Uit het dossier volgt ook geenszins dat er contact is geweest met de advocaat.
4. Sterker nog, cliënt geeft duidelijk bij het verhoor terzake de inverzekeringstelling aan dat hij een advocaat wenst te spreken. Als hij al een advocaat had gesproken dan had hij ofwel niet zo expliciet om een advocaat gevraagd bij het verhoor voor de inverzekeringstelling ofwel hij had dan wel de naam van de advocaat genoemd.
5. Ik wens in dit verband nog op te merken dat ik ben benaderd door de echtgenote van cliënt om rechtsbijstand te verlenen. De echtgenote van cliënt heeft via de rechtsbijstand een aantal telefoonnummers van advocaten gekregen. Cliënt zat toen al vast en had geen nummer van een advocaat bij zich.
6. Mocht uw Hof op dit punt opheldering noodzakelijk vinden dan verzoek ik u de zaak aan te houden zodat het logboek van de arrestantenwacht kan worden opgevraagd. Hieruit zal blijken dat er geen contact is geweest met een advocaat.
7. En ook al stelt uw Hof wel vast dat er telefonisch contact is geweest tussen cliënt en een advocaat dan nog is er sprake van schending van het recht om een advocaat te consulteren.
8. Immers, cliënt geeft duidelijk bij zijn verhoor inzake de in verzekering stelling aan dat hij een advocaat wil spreken. (NB dit op een later tijdstip dan de opmerking over de advocaat). Dit verzoek van cliënt is niet gehonoreerd. Er is geen advocaat geweest. Cliënt heeft geen gesprek kunnen voeren met een advocaat.
9. Bovendien blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009 dat een aangehouden verdachte voor aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen. Een actieve taak voor de politie dus. Dit is niet gebeurd.
Schending artikel 6 EVRM -> vormverzuim 359a -> bewijsuitsluiting
10. De Hoge Raad (om te beginnen 30 juni 2009) leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een aangehouden verdachte aan artikel 6 EVRM een aanspraak kan ontlenen op rechtsbijstand die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt gegeven om voorafgaand aan het eerste verhoor een advocaat te raadplegen.
11. Uit de uitspraak van 30 juni 2009 volgt dat als een verdachte niet de gelegenheid is geboden overleg te plegen met een advocaat dit een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert.
12. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 september 2011 expliciet overwogen dat een dergelijk vormverzuim, behoudens een tweetal uitzonderingen (waar i.c. geen sprake van is) zonder meer dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Er is, aldus de Hoge Raad geen plaats meer voor een nadere afweging in het licht van de beoordelingsfactoren van het tweede lid van artikel 359a.
13. Kortom, alle verklaringen van cliënt bij de politie zijn afgelegd voordat cliënt is gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen. Al deze verklaringen dienen derhalve te worden uitgesloten van het bewijs."
2.2.2.
Het Hof heeft in het bestreden arrest dienaangaande het volgende overwogen en beslist:
"Overweging met betrekking tot het bewijs
Raadsman bij het verhoor
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door verdachte op 14 november 2008 afgelegde bekennende verklaring ten overstaan van de politie dient te worden uitgesloten voor het bewijs omdat hij door de verbalisanten voorafgaande aan dat verhoor niet in de gelegenheid is gesteld om een advocaat te spreken of te raadplegen. De verdediging verwijst hierbij naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 november 2008 in de zaak van Salduz tegen Turkije en de daarop volgende uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2009.
Beoordeling
Verdachte is op 14 november 2008, na een schriftelijke uitnodiging, verschenen op het politiebureau te Heerenveen. Hij werd vervolgens omstreeks 09.10 uur aangehouden en is om 09.25 voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Verdachte heeft bij een verhoor op 14 november 2008 om 13.00 verklaard dat hij hoger beroep zou instellen en dat hij contact had gehad met zijn advocaat. Verdachte is op 14 november 2008 om 14.45 uur in verzekering gesteld en heeft toen in het verhoor bij gelegenheid van de inverzekeringstelling aangegeven dat hij een advocaat wenste te spreken. Op 14 november 2008 omstreeks 18.00 uur heeft verdachte, nadat hij tegenover de politie te kennen had gegeven nader te willen verklaren een deels bekennende verklaring afgelegd. Verdachte heeft zijn op die dag bij de politie afgelegde verklaringen ondertekend, nadat deze verklaringen hem waren voorgehouden en hij deze had doorgelezen.
Uit de "Salduz"-jurisprudentie van het Europese hof voor de Rechten van de Mens vloeit voort dat een aangehouden verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie de gelegenheid moet worden geboden om een advocaat te raadplegen. Verzuim hiervan levert een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering, dat, na daartoe strekkend verweer in de regel - behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken - dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.
Het hof stelt vast dat in de onderhavige zaak door verdachte bij gelegenheid van zijn verhoor dat is aangevangen om 13.00 uur expliciet is verklaard dat hij zijn advocaat al had gebeld. Nu verdachte voordat hij zich op uitnodiging van de politie op 14 november 2008 op het politiebureau meldde, op de hoogte was van de kwestie waarover de politie hem wilde horen, heeft verdachte ruimschoots de gelegenheid gehad om vóór 14 november 2008 een advocaat te raadplegen. Tegen die achtergrond wekte de opmerking van verdachte dat hij reeds contact had gehad met zijn raadsman dan ook geen bevreemding en lag het eigenlijk ook wel voor de hand dat hij vooraf reeds een raadsman geconsulteerd had gelet op de impact van de zaak en de belangen die voor verdachte op het spel stonden. In het licht daarvan is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim doordat verdachte niet gewezen is op zijn recht om een advocaat te raadplegen nu de politie gelet op de opmerking van verdachte ervan uit mocht gaan dat verdachte vooraf een raadsman had geconsulteerd. Bij die stand van zaken kan de bekennende verklaring die verdachte in een verhoor dat die dag omstreeks 18.00 uur op zijn uitdrukkelijke verzoek heeft plaats gevonden, dan ook zonder meer voor de bewijsvoering worden gebruikt.
Het verweer strekkend tot bewijsuitsluiting van de bij de politie afgelegde verklaringen wordt dan ook verworpen."
2.3.
Een verdachte die door de politie is aangehouden, kan aan art. 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. De aangehouden verdachte dient vóór de aanvang van het eerste verhoor te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken. Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen (vgl. HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349).
2.4.
Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte nadat hij was aangehouden niet voorafgaand aan zijn eerste verhoor is gewezen op zijn recht een advocaat te raadplegen. Naar het oordeel van het Hof levert dat in het onderhavige geval geen vormverzuim op. Dat oordeel berust op de overwegingen van het Hof dat de verdachte voordat hij zich op uitnodiging van de politie op 14 november 2008 meldde, ruimschoots de gelegenheid heeft gehad een advocaat te raadplegen en dat in het licht daarvan de politie uit de opmerking van de verdachte dat hij reeds contact had gehad met zijn raadsman, ervan mocht uit gaan dat de verdachte vooraf een raadsman had geconsulteerd. Door het verweer op deze grond te verwerpen en de door de verdachte afgelegde verklaring als door de verdediging bedoeld voor het bewijs te bezigen, heeft het Hof, gelet op hetgeen in 2.3 is overwogen, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het consultatierecht van de aangehouden verdachte.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2013.
Conclusie 15‑10‑2013
Inhoudsindicatie
Salduz-verweer. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte nadat hij was aangehouden niet voorafgaand aan zijn eerste verhoor is gewezen op zijn recht een advocaat te raadplegen. Naar het oordeel van het Hof levert dat in het onderhavige geval geen vormverzuim op. Dat oordeel berust op de overwegingen van het Hof dat verdachte voordat hij zich op uitnodiging van de politie op 14 november 2008 meldde, ruimschoots de gelegenheid heeft gehad een advocaat te raadplegen en dat in het licht daarvan de politie uit de opmerking van verdachte dat hij reeds contact had gehad met zijn raadsman, ervan uit mocht gaan dat verdachte vooraf een raadsman had geconsulteerd. Door het verweer op deze grond te verwerpen en de door verdachte afgelegde verklaring als door de verdediging bedoeld voor het bewijs te bezigen, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het consultatierecht van de aangehouden verdachte.
Nr. 12/00200 Zitting: 15 oktober 2013 | Mr. Knigge Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het Gerechtshof te Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 23 december 2011 verdachte wegens “ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en tot een werkstraf voor de duur van honderdvijftig uren (subsidiair vijfenzeventig dagen hechtenis).
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel
4.1.
Het middel klaagt over de begrijpelijkheid en de motivering van ’s Hofs verwerping van een door de raadsman van verdachte gevoerd bewijsuitsluitingsverweer.
4.2.
Het bestreden arrest houdt met betrekking tot het bedoelde bewijsuitsluitingsverweer het volgende in.
“Overweging met betrekking tot het bewijs
Raadsman bij het verhoor
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door verdachte op 14 november 2008 afgelegde bekennende verklaring ten overstaan van de politie dient te worden uitgesloten voor het bewijs omdat hij door de verbalisanten voorafgaande aan dat verhoor niet in de gelegenheid is gesteld om een advocaat te spreken of te raadplegen. De verdediging verwijst hierbij naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 november 2008 in de zaak van Salduz tegen Turkije1 en de daarop volgende uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2009.
Beoordeling
Verdachte is op 14 november 2008, na een schriftelijke uitnodiging, verschenen op het politiebureau te Heerenveen. Hij werd vervolgens omstreeks 09.10 uur aangehouden en is om 09.25 voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Verdachte heeft bij een verhoor op 14 november 2008 om 13.00 verklaard dat hij hoger beroep zou instellen en dat hij contact had gehad met zijn advocaat. Verdachte is op 14 november 2008 om 14.45 uur in verzekering gesteld en heeft toen in het verhoor bij gelegenheid van de inverzekeringstelling aangegeven dat hij een advocaat wenste te spreken. Op 14 november 2008 omstreeks 18.00 uur heeft verdachte, nadat hij tegenover de politie te kennen had gegeven nader te willen verklaren een deels bekennende verklaring afgelegd. Verdachte heeft zijn op die dag bij de politie afgelegde verklaringen ondertekend, nadat deze verklaringen hem waren voorgehouden en hij deze had doorgelezen.
Uit de "Salduz"-jurisprudentie van het Europese hof voor de Rechten van de Mens vloeit voort dat een aangehouden verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie de gelegenheid moet worden geboden om een advocaat te raadplegen. Verzuim hiervan levert een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering, dat, na daartoe strekkend verweer in de regel - behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken - dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.
Het hof stelt vast dat in de onderhavige zaak door verdachte bij gelegenheid van zijn verhoor dat is aangevangen om 13.00 uur expliciet is verklaard dat hij zijn advocaat al had gebeld. Nu verdachte voordat hij zich op uitnodiging van de politie op 14 november 2008 op het politiebureau meldde, op de hoogte was van de kwestie waarover de politie hem wilde horen, heeft verdachte ruimschoots de gelegenheid gehad om vóór 14 november 2008 een advocaat te raadplegen. Tegen die achtergrond wekte de opmerking van verdachte dat hij reeds contact had gehad met zijn raadsman dan ook geen bevreemding en lag het eigenlijk ook wel voor de hand dat hij vooraf reeds een raadsman geconsulteerd had gelet op de impact van de zaak en de belangen die voor verdachte op het spel stonden. In het licht daarvan is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim doordat verdachte niet gewezen is op zijn recht om een advocaat te raadplegen nu de politie gelet op de opmerking van verdachte ervan uit mocht gaan dat verdachte vooraf een raadsman had geconsulteerd. Bij die stand van zaken kan de bekennende verklaring die verdachte in een verhoor dat die dag omstreeks 18.00 uur op zijn uitdrukkelijke verzoek heeft plaats gevonden, dan ook zonder meer voor de bewijsvoering worden gebruikt.
Het verweer strekkend tot bewijsuitsluiting van de bij de politie afgelegde verklaringen wordt dan ook verworpen.”
4.3.
Bij de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel – behoudens in het geval dat verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken – dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.1.In verband met het voorgaande geldt dat een aangehouden verdachte vóór de aanvang van zijn eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat.2.
4.4.
Het Hof heeft geoordeeld dat in casu geen sprake is geweest van een vormverzuim. De vraag is hoe dat moet worden begrepen. Mocht het Hof tot uitdrukking hebben willen brengen dat verdachte voorafgaand aan zijn eerste politieverhoor op ondubbelzinnige wijze afstand heeft gedaan van zijn recht op het consulteren van een advocaat, dan ben ik met de steller van het middel van mening dat dit niet zonder meer begrijpelijk is. Dit reeds omdat van een ondubbelzinnige afstand van recht pas sprake kan zijn als de verdachte met het desbetreffende recht bekend is. Daarvoor is in de regel nodig dat de verdachte door de verhorende opsporingsambtenaren op het bestaan van dat recht wordt gewezen. Dat wordt niet anders als de verdachte voorafgaande aan zijn aanhouding contact met een advocaat heeft gehad. Dat die advocaat de verdachte wel op zijn consultatierecht zal hebben gewezen, is niet meer dan een veronderstelling, waarbij ik opmerk dat het in dit geval weinig waarschijnlijk is dat de advocaat zelf van het consultatierecht op de hoogte was nu het desbetreffende onderhoud plaatsvond toen het Salduz-arrest nog moest worden gewezen.
4.5.
Voor het geval het Hof heeft bedoeld dat in een geval als het onderhavige – dat erdoor wordt gekenmerkt dat (i) verdachte zich op 14 november 2008 op schriftelijke uitnodiging van de politie zelf op het politiebureau heeft gemeld en toen al op de hoogte was van de kwestie waarover de politie hem wilde horen en (ii) verdachte tijdens zijn tweede politieverhoor op 14 november 2008 heeft gezegd dat hij op een eerder moment reeds een advocaat geraadpleegd – de verdachte niet voorafgaand aan zijn eerste politieverhoor de gelegenheid behoeft te worden geboden een advocaat te consulteren, geldt dat zijn oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Nog daargelaten dat een uitlating van de verdachte die pas bij het tweede politieverhoor wordt gedaan, de verhorende ambtenaren niet kan ontslaan van een informatieplicht waaraan zij voorafgaande aan het eerste politieverhoor moesten voldoen3., kan het recht van een verdachte om na zijn aanhouding een advocaat te raadplegen, bezwaarlijk afhankelijk worden gemaakt van de contacten die hij voorafgaand aan zijn aanhouding met een advocaat mocht hebben gehad. Ik merk daarbij op dat de rechter zich verre dient te houden van speculaties over de aard en de inhoud van die contacten, terwijl ook nog eens geldt dat het voorafgaande contact het gebrek aan morele steun die een advocaat tijdens de vrijheidsbeneming kan bieden, niet kan compenseren. Het kan natuurlijk zijn dat de verdachte in het voorafgaande contact reden ziet om afstand te doen van zijn consultatierecht, maar het is niet aan de autoriteiten om zich een oordeel aan te matigen over het belang van de verdachte bij die consultatie.
4.6.
Voor het geval het Hof mocht hebben bedoeld dat er in het onderhavige geval geen reden is om aan het vormverzuim consequenties te verbinden, merk ik het volgende op. In zijn arrest van 13 september 2011 (ECLI:NL:HR: BQ8907, NJ 2011/556) heeft de Hoge Raad nog eens benadrukt dat, wanneer in een concrete zaak door de rechter is vastgesteld dat een verdachte niet de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste politieverhoor een advocaat te raadplegen, er wat het daaraan te verbinden rechtsgevolg betreft geen ruimte meer bestaat voor een nadere afweging op basis van de beoordelingsfactoren van art. 359a lid 2 Sv. Wel geldt blijkens de overweging van de Hoge Raad in zijn arrest van 30 juni 2009 (ECLI:NL:HR: BH3079, NJ 2009/349) dat “bewijsuitsluiting in beginsel niet in aanmerking komt ten aanzien van verklaring(en) die de verdachte nadien heeft afgelegd nadat hij een advocaat heeft kunnen raadplegen” (zie rov. 2.7.3). De vraag is of het onderhavige geval, waarin uit de stukken niet blijkt dat verdachte voor de aanvang van zijn eerste verhoor (expliciet) op het consultatierecht is gewezen, maar wel dat de verdachte op enig tijdstip voor zijn aanhouding met een advocaat heeft gesproken, daarmee op één lijn kan worden gesteld.
4.7.
Ik zou die vraag ontkennend willen beantwoorden. Zoals reeds werd gesteld kan raadpleging van een advocaat voorafgaande aan de aanhouding niet, en zeker niet zonder meer, gelijkgesteld worden aan de consultatie van een advocaat nadat de aanhouding een feit is. Ik zie geen reden om een uitzondering te maken voor het betrekkelijk denkbeeldige geval dat vast komt te staan dat het onderhoud dat de verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding met een advocaat had, betrekking had op de zaak waarvoor de verdachte is aangehouden en dat bij dat onderhoud uitvoerig is besproken hoe de verachte zich tijdens het verhoor diende op te stellen. Bij de rechtlijnigheid die de Hoge Raad op goede gronden bij de sanctionering van het onderhavige vormverzuim betracht, zou een dergelijke genuanceerde benadering slecht passen.
4.8.
Min of meer ten overvloede merk ik op dat een dergelijk denkbeeldig geval zich niet voordoet. Uit het proces-verbaal van het desbetreffende verhoor kan moeilijk worden opgemaakt hoe de precieze betekenis van de opmerking van de verdachte dat hij zijn advocaat al had gebeld, moet worden gezien. De raadsman van verdachte heeft bij het Hof gesteld dat sprake was van louter “stoerdoenerij” en betoogd dat aannemelijk is dat in feite van enig contact tussen verdachte en een advocaat geen sprake is geweest.4.Wat daarvan ook zij, dat verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding daadwerkelijk met een advocaat over dat verhoor en de zaak waarop dit betrekking had, heeft gesproken, kan uit de bedoelde opmerking niet worden afgeleid.
4.9.
Het middel slaagt.
5. Het tweede en het derde middel
5.1.
Nu het eerste middel slaagt, kunnen het tweede middel – dat klaagt over ’s Hofs afwijzing van een (voorwaardelijk) aanhoudingsverzoek – en het derde middel – dat klaagt over een overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase – hier buiten bespreking blijven.
6. Het eerste middel slaagt. Het tweede en het derde middel behoeven geen bespreking.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑10‑2013
Zie HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR: BH3079, NJ 2009/349, rov. 2.5.
Zie voor de verklaring van verdachte p. 44 van het overzichtsproces-verbaal met nr. 2008085823-1.
Zie p. 1-2 van de pleitnotities behorend bij het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 9 december 2011.
Beroepschrift 23‑11‑2012
Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
CASSATIESCHRIFTUUR
Griffienummer: S 12/00200
Geeft eerbiedig te kennen:
[verdachte], wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres], geboren op [geboortedatum] 1968 dat verzoeker tot cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden in de zaak met parketnummer 24-003257-09, uitgesproken op 23 december 2011, de navolgende middelen van cassatie voordraagt:
Middel I.
Het recht is geschonden en / of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. De artikelen 6 EVRM en 359a Sv zijn geschonden doordat het gerechtshof de verklaring van verzoeker tot het bewijs heeft gebezigd, terwijl deze verklaring tot stand is gekomen in strijd met de Salduz-jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad. Kennelijk is het gerechtshof tot het oordeel gekomen dat verzoeker ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht op consultatie van een raadsman. Dit oordeel is gelet op de omstandigheden in deze zaak onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting:
Namens verzoeker is ter zitting van het hof door mr. D. van der Broek onder meer het volgende verweer gevoerd:
1.
Alle verklaringen die cliënt bij de politie heeft afgelegd dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat cliënt niet in de gelegenheid is gesteld een advocaat te raadplegen alvorens hij deze verklaringen aflegde.
2.
Op schriftelijke uitnodiging is cliënt op 14 november 2008 op het politiebureau te Heerenveen verschenen.
Om 9:10 is cliënt aangehouden. Om 14:45 is cliënt in verzekering gesteld. Cliënt is die dag meerdere keren verhoord. Cliënt is om 18:06 uur heengezonden. Cliënt heeft de hele dag geen advocaat gesproken, terwijl hij bij het verhoor inzake de inverzekeringstelling hier uitdrukkelijk om vraagt.
Telefonisch contact?
3.
De verdediging wenst te benadrukken dat de opmerking van cliënt tijdens het tweede verhoor (p. 44) over dat hij zijn advocaat heeft opgebeld niet juist is. Cliënt had op dat moment helemaal geen advocaat en heeft ook niet gebeld. Deze opmerking van cliënt is te kwalificeren als ‘stoerdoenerij’. Uit het dossier volgt ook geenzins dat er contact is geweest met de advocaat.
4.
Sterker nog, cliënt geeft duidelijk bij het verhoor terzake de inverzekeringstelling aan dat hij een advocaat wenst te spreken. Als hij al een advocaat had gesproken dan had hij ofwel niet zo expliciet om een advocaat gevraagd bij het verhoor voor de inverzekeringstelling ofwel hij had dan wel de naam van de advocaat genoemd.
5.
Ik wens in dit verband nog op te merken dat ik ben benaderd door de echtgenote van cliënt om rechtsbijstand te verlenen. De echtgenote van cliënt heeft via de rechtsbijstand een aantal telefoonnummers van advocaten gekregen. Cliënt zat toen al vAst en had geen nummer van een advocaat bij zich.
6.
Mocht uw Hof op dit punt opheldering noodzakelijk vinden dan verzoek ik u de zaak aan te houden zodat het logboek van de arrestantenwacht kan worden opgevraagd. Hieruit zal blijken dat er geen contact is geweest met een advocaat.
7.
En ook al stelt uw Hof wel vAst dat er telefonisch contact is geweest tussen cliënt en een advocaat dan nog is er sprake van schending van het recht om een advocaat te consulteren.
8.
Immers, cliënt geeft duidelijk bij zijn verhoor inzake de inverzekeringstelling aan dat hij een advocaat wil spreken. (NB dit op een later tijdstip dan de opmerking over de advocaat). Dit verzoek van cliënt is niet gehonoreerd. Er is geen advocaat geweest. Cliënt heeft geen gesprek kunnen voeren met een advocaat.
9.
Bovendien blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 20091 dat een aangehouden verdachte voor aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen. Een actieve taak voor de politie dus. Dit is niet gebeurd.
Schending artikel 6 EVRM → vormverzuim 359a → bewijsuitsluiting
10.
De Hoge Raad (om te beginnen 30 juni 20092) leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een aangehouden verdachte aan een artikel 6 EVRM een aanspraak kan ontlenen op rechtsbijstand die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt gegeven om voorafgaand aan het eerste verhoor een advocaat te raadplegen.
11.
Uit de uitspraak van 30 juni 2009 volgt dat als een verdachte niet in de gelegenheid is geboden overleg te plegen met een advocaat dit een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert.
12.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 september 20113 expliciet overwogen dat een dergelijk vormverzuim, behoudens een tweetal uitzonderingen (waar i.c. geen sprake van is) zonder meer dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Er is, aldus de Hoge Raad geen plaats meer voor een nadere afweging in het licht van de beoordelingsfactoren van het tweede lid van artikel 359a.
13.
Kortom, alle verklaringen van cliënt bij de politie zijn afgelegd voordat cliënt is gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen. Al deze verklaringen dienen derhalve te worden uitgesloten van het bewijs.
Het gerechtshof heeft dit verweer verworpen met de volgende overwegingen:
‘Verdachte is op 14 november 2008, na een schriftelijke uitnodiging, verschenen op het politiebureau te Heerenveen. Hij werd vervolgens omstreeks 09.10 uur aangehouden en is om 09.25 voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Verdachte heeft bij een verhoor op 14 november 2008 om 13.00 verklaard dat hij hoger beroep zou instellen en dat hij contact had gehad met zijn advocaat. Verdachte is op 14 november 2008 om 14:45 uur in verzekering gesteld en heeft toen in het verhoor bij gelegenheid van de inverzekeringstelling aangegeven dat hij een advocaat wenste te spreken. Op 14 november 2008 omstreeks 18.00 uur heeft verdachte, nadat hij tegenover de politie te kennen had gegeven nader te willen verklaren een deels bekennende verklaring afgelegd. Verdachte heeft zijn op die dag bij de politie afgelegde verklaringen ondertekend, nadat deze verklaringen hem waren voorgehouden en hij deze had doorgelezen.
Uit de ‘Salduz’-jurisprudentie van het Europese hof voor de Rechten van de Mens vloeit voort dat een aangehouden verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie de gelegenheid moet worden geboden om een advocaat te raadplegen. Verzuim hiervan levert een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering, dat, na daartoe strekkend verweer in de regel — behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend toch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken — dient te lelden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.
Het hof stelt vAst dat in de onderhavige zaak door verdachte bij gelegenheid van zijn verhoor dat is aangevangen om 13.00 uur expliciet is verklaard dat hij zijn advocaat al had gebeld. Nu de verdachte voordat hij zich op uitnodiging van de politie op 14 november 2008 op het politiebureau meldde, op de hoogte wAs van de kwestie waarover de politie hem wilde horen, heeft verdachte ruimschoots de gelegenheid gehad om vóór 14 november 2008 een advocaat te raadplegen. Tegen die achtergrond wekte de opmerking van verdachte dat hij reeds contact had gehad met zijn raadsman dan ook geen bevreemding en lag het eigenlijk ook wel voor de hand dat hij vooraf reeds een raadsman geconsulteerd had gelet op de impact van de zaak en de belangen die voor verdachte op het spel stonden. In het licht daarvan is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim doordat verdachte niet gewezen is op zijn recht om een advocaat te raadplegen nu de politie gelet op de opmerking van verdachte ervan uit mocht gaan dat verdachte vooraf een raadsman had geconsulteerd. Bij die stand van zaken kan de bekennende verklaring die verdachte in een verhoor dat die dag omstreeks 18.00 uur op zijn uitdrukkelijke verzoek heeft plaats gevonden, dan ook zonder meer voor de bewijsvoering worden gebruikt.
Het verweer strekkend tot bewijsuitsluiting van de bij de politie afgelegde verklaringen wordt dan ook verworpen.’
De bewezenverklaring berust — onder meer en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang — op de inhoud van het volgende bewijsmiddel:
- —
een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 14 november 2008:
‘Het is wel gebeurd dat ik [slachtoffer] kietelde en dat ik bewust haar vagina een borsten hebben aangeraakt. Het is drie keer gebeurd. De eerste keer toen zij tien jaar wAs en de laatste keer toen ze ongeveer 11 jaar wAs. Het is gebeurd in Jubbega toen wij op de 2e Wijk woonden. Ik heb haar wel op schoot gehad en haar opgetild.’
De bestreden verklaring is derhalve daadwerkelijk voor het bewijs gebruikt.
Uit de jurisprudentie van het EHRM en van uw Raad1. volgt dat een aangehouden verdachte recht heeft op consultatie van een advocaat voorafgaand aan zijn verhoor. Een verdachte dient vóór de aanvang van het eerste verhoor te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Als een aangehouden verdachte niet, of niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden overleg te plegen met een advocaat levert dat in beginsel een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv op. Na een daartoe strekkend verweer zal dat vormverzuim (in de regel) dienen te leiden tot bewijsuitsluiting van verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.
Uit deze en latere jurisprudentie van uw Raad blijkt dat — behoudens een tweetal uitzonderingen — dit vormverzuim zonder meer tot bewijsuitsluiting dient te leiden2..
De uitzonderingen zijn:
- •
De verdachte heeft uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand gedaan van zijn recht op consultatiebijstand.
- •
Het bestaan van dringende redenen om het recht op consultatiebijstand te beperken.
Van dringende redenen is in deze zaak in ieder geval geen sprake.
De vraag is of verzoeker ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht op consultatiebijstand3..
De vAststellingen van het hof dat:
- •
Verzoeker heeft verklaard dat hij hoger beroep zou instellen en zijn advocaat had gebeld.
- •
Op de hoogte wAs van de kwestie waarover de politie hem wilde horen en daarom ruimschoots de gelegenheid had om voor 14 november 2008 een advocaat te raadplegen.
- •
Tegen deze achtergrond de opmerking van verdachte geen bevreemding wekte en het voor de hand lag dat hij vooraf reeds een raadsman geconsulteerd had.
kunnen naar de mening van verzoeker geenszins de conclusie rechtvaardigen dat verzoeker ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht op consultatiebijstand.
Verzoeker is immers voor zijn verhoren helemaal niet gevraagd of hij van dat recht gebruik wilde maken en voorts heeft hij ter gelegenheid van zijn inverzekeringstelling verklaard dat hij een advocaat wilde spreken.
Afstand van het recht dient ondubbelzinnig te zijn of in de woorden van het EHRM ‘in an unequivocal manner’.
Er mag niet te licht worden aangenomen dat er sprake is van een dergelijke afstand, hetgeen onder meer volgt uit jurisprudentie van het EHRM, waaruit blijkt dat onder omstandigheden zelfs schriftelijke afstandsverklaringen niet een ‘unequivocal waiver’ opleveren4..
Het (kennelijke) oordeel van het hof dat verzoeker ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht op consultatiebijstand is onbegrijpelijk en het hof heeft derhalve ten onrechte gebruik gemaakt van de verklaring van verzoeker.
Middel II.
Het recht is geschonden en / of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. De artikelen 330 jo 415 Sv zijn geschonden doordat het gerechtshof geen beslissing heeft genomen op het (voorwaardelijke) verzoek om de zaak aan te houden opdat het logboek van de arrestantenwacht zou worden opgevraagd.
Ter zitting van het hof heeft mr. D van der Broek naar aanleiding van haar stelling dat verzoeker niet met een advocaat had gebeld het volgende voorwaardelijke verzoek gedaan:
- 6.
Mocht uw Hof op dit punt opheldering noodzakelijk vinden dan verzoek ik u de zaak aan te houden zodat het logboek van de arrestantenwacht kan worden opgevraagd. Hieruit zal blijken dat er geen contact is geweest met een advocaat.
Op dit verzoek heeft het hof geen beslissing genomen. Evenmin heeft het hof aangegeven of de voorwaarde waaronder het verzoek werd gedaan al dan niet vervuld wAs.
Ingevolge artikel 330 Sv. heeft dit verzuim nietigheid tot gevolg.
Middel III.
Het recht is geschonden en / of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. De artikelen 6, eerste lid EVRM en 14, derde lid aanhef en onder c IVBPR zijn in de cassatiefasegeschonden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Toelichting:
Er is cassatieingesteld op 28 december 2011.
Op 31 augustus 2012 zijn de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.
De inzendtermijn is derhalve, zij het zeer gering, overschreden.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. R.P. Snorn, advocaat te (8441 EN) Heerenveen, aldaar kantoor houdende aan de K.R. Poststraat no. 91, die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker tot cassatie.
Heerenveen, 23 november 2012
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 23‑11‑2012
EHRM 27 november 2008, NJ 2009, 214 (Salduz tegen Turkije); HR: 30 juni 2009, NJ 2009, 349
o.m. HR: 13 september 2011, NJ 2011, 566; HR: 2 oktober 2012, LJN:BX5111
Het hof heeft vAstgesteld dat verzoeker ‘vooraf reeds een raadsman geconsulteerd had’. Wanneer dat dan zou zijn geweest blijkt niet uit de stukken. Als dit al juist is doet dit niet af aan het recht van een verdachte om, na zijn aanhouding, op het politiebureau (eventueel nogmaals) een raadsman te consulteren. In ieder geval dient hij voor zijn verhoor op dit recht te worden gewezen, alsdan kan hij eventueel afstand doen.
o.m. EHRM 15 november 2012, 12167/04 (Yerokhina / Oekraïne); EHRM 3 november 2011, 12793/03 (Balitskiy / Oekraïne): EHRM 16 December 2010, 33579/04 (Borotyuk / Oekraïne)