Rov. 3.1–3.8 van het bestreden arrest.
HR, 13-04-2012, nr. 11/00136
ECLI:NL:HR:2012:BV9439
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
13-04-2012
- Zaaknummer
11/00136
- Conclusie
Mr. Keus
- LJN
BV9439
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2012:BV9439, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 13‑04‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV9439
ECLI:NL:PHR:2012:BV9439, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑03‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9439
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑12‑2010
- Vindplaatsen
Uitspraak 13‑04‑2012
Inhoudsindicatie
Art. 81 RO. Aan gemeente verbeurde dwangsommen door handelen in strijd met opgelegde last tot staking van met bestemmingsplan strijdig gebruik van perceel. Verzet tegen invordering ongegrond.
13 april 2012
Eerste Kamer
11/00136
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
de GEMEENTE CASTRICUM,
zetelende te Castricum,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de gemeente.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 85514/HA ZA 06-81 van de rechtbank Alkmaar van 16 april 2008 en 3 december 2008;
b. het arrest in de zaak 200.036.998/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 28 september 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de gemeente is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 13 april 2012.
Conclusie 09‑03‑2012
Mr. Keus
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Eiser]
eiser tot cassatie
tegen
de gemeente Castricum
(hierna: de Gemeente)
verweerster in cassatie
Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiser] de hem opgelegde last om het gebruik van zijn perceel in strijd met de daarop rustende agrarische bestemming te staken en gestaakt te laten, al dan niet heeft overtreden.
1. Feiten1. en procesverloop
1.1
[Eiser] is eigenaar van een perceel grond aan de [a-straat 1] te [plaats], kadastraal bekend [plaats, sectie [A], nr. [001] (hierna: het perceel), waarop een bollenschuur staat waarvoor in 1988 een bouwvergunning is verleend.
1.2
Bij besluit van 25 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente (hierna: het college) [eiser] onder oplegging van dwangsommen gelast om twee zonder bouwvergunning op het perceel geplaatste containers en een gebouw, bestaande uit wanden en een overkapping van damwandprofielen, voor 1 juli 2005 in het geheel te verwijderen en verwijderd te houden, alsmede het gebruik van het perceel in afwijking van de agrarische bestemming voor die datum te staken en gestaakt te houden.
1.3
Bij besluit van 30 juni 2005 heeft het college het daartegen door [eiser] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat de begunstigingstermijn tot 15 juli 2005 is verlengd.
1.4
Nadat gemeenteambtenaren op 18 juli 2005 de situatie ter plaatse hadden opgenomen, heeft het college [eiser] bij brief van 20 juli 2005 medegedeeld dat was geconstateerd dat het gebouw bestaande uit damwandprofielen nog steeds aanwezig was en dat de bollenschuur nog nagenoeg vol was met opslag in strijd met het bestemmingsplan, en dat daarom de dwangsommen van € 5.000,- respectievelijk € 450.000,- waren verbeurd.
1.5
Bij dwangbevel van 15 november 2005, betekend aan [eiser] op 18 november 2005, heeft het college [eiser] bevolen het totaalbedrag aan verbeurde dwangsommen van € 455.000,-, vermeerderd met wettelijke rente en invorderingskosten, te betalen.
1.6
Bij uitspraak van 25 januari 2007 heeft de rechtbank Alkmaar het door [eiser] ingestelde beroep tegen de beslissing op bezwaar van 30 juni 2005 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).
1.7
Bij uitspraak van 12 december 20072. heeft de Afdeling de aangevallen uitspraak bevestigd.
1.8
[Eiser] heeft de dwangsom van € 5.000,-, verbeurd in verband met het niet verwijderen van het gebouw uit damwandprofielen, betaald.
1.9
Bij exploot van 27 december 2005 heeft [eiser] de Gemeente doen dagvaarden voor de rechtbank Alkmaar en heeft hij gevorderd dat de rechtbank het dwangbevel van 15 november 2005 buiten effect zal stellen, althans zal verklaren voor recht dat een overtreding van de last onder dwangsom niet is komen vast te staan.
1.10
Nadat bij tussenvonnis van 16 april 2008 een comparitie van partijen was bevolen, welke comparitie op 25 augustus 2008 heeft plaatsgehad, heeft de rechtbank bij vonnis van 3 december 2008 het verzet van [eiser] ongegrond verklaard3..
1.11
Bij exploot van 23 februari 2009 (hersteld bij exploot van 11 mei 2009) is [eiser] bij het hof Amsterdam van het vonnis van 3 december 2008 in hoger beroep gekomen. Bij memorie heeft hij een achttal grieven tegen dat vonnis aangevoerd. De Gemeente heeft die grieven bestreden. Bij arrest van 28 september 2010 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd.
1.12
Bij exploot van 28 december 2010 heeft [eiser] tijdig beroep in cassatie van het arrest van 28 september 2010 ingesteld. Tegen de Gemeente is verstek verleend. [Eiser] heeft zijn beroep schriftelijk toegelicht.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
[Eiser] heeft één middel van cassatie (‘Middel 1: Aanspraak de gemeente’) voorgesteld. Het middel is gericht tegen de rov. 3.18–3.24 en het dictum van het bestreden arrest. De formulering van de klacht, zoals opgenomen in de laatste alinea van p. 3 van de cassatiedagvaarding, stelt centraal dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk of niet naar behoren gemotiveerd, de bewijslast bij [eiser] zou hebben gelegd4. en overtreding van de last door [eiser] bewezen zou hebben geacht.
2.2
Onder 7 klaagt het middel dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat hier voor een uitzondering op het beginsel van formele rechtsklacht geen plaats is.
2.3
In de bestreden rov. 3.18–3.24 heeft het hof niet beslist over een al dan niet op het beginsel van formele rechtskracht te maken uitzondering. Een dergelijke beslissing lees ik wel in de rov. 3.15–3.16, waartegen het middel niet mede is gericht. In die rechtsoverwegingen overwoog het hof:
‘3.15
Grief 2 is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de aan [eiser] opgelegde last. [Eiser] bepleit dat in dit geval bijzondere omstandigheden meebrengen dat niet van de rechtmatigheid van de dwangsom kan worden uitgegaan.
3.16
[Eiser] gaat met deze grief voorbij aan de formele rechtskracht van de opgelegde last. Nu tegen het besluit waarmee de last werd opgelegd bestuursrechtelijke rechtsbescherming heeft opengestaan en het besluit niet is vernietigd, herroepen of ingetrokken, dient de civiele rechter van de rechtmatigheid van dat besluit uit te gaan. Slechts in uitzonderingsgevallen kan van dit beginsel worden afgeweken. [Eiser] heeft onvoldoende omstandigheden aangevoerd die een dergelijke uitzondering rechtvaardigen, zodat de grief faalt.’
Het middel verduidelijkt niet dat en waar [eiser] zich wél heeft beroepen op bijzondere omstandigheden die een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht rechtvaardigen. Daarbij komt dat [eiser] de tegen de opgelegde last openstaande bestuursrechtelijke rechtsmiddelen niet onbenut heeft gelaten, maar juist ten volle, zij het zonder succes, heeft benut. Bij die stand van zaken is de burgerlijke rechter gebonden aan de uitspraak van de Afdeling waarin de bestuursrechtelijke procedure is uitgemond5. en waarvan de bindende kracht slechts ter discussie kan worden gesteld indien sprake is van een zodanige veronachtzaming van fundamentele rechtsbeginselen dat niet meer van een eerlijke en onpartijdige behandeling kan worden gesproken6.. Dat van dit laatste sprake zou zijn, lees ik niet in middel, óók niet in de onder 4 en 5 gereleveerde, in het hoger beroep betrokken stellingen en in de toelichting onder 15–22. Aangenomen al dat het middel mede tegen de rov. 3.15–3.16 is gericht, kan de klacht onder 7 daarom niet tot cassatie leiden.
2.4
Onder 8 klaagt het middel dat het hof ten onrechte heeft miskend dat uitleg van de aanzegging dient plaats te vinden overeenkomstig de CAO-norm, althans niet overeenkomstig de Haviltexnorm, althans dat een wel of niet aan [eiser] bekende voorgeschiedenis niet van belang is. Volgens de klacht komt het bij die uitleg aan op de bedoeling van de opsteller van het besluit zoals deze blijkt uit het besluit zelf en uit de bij het besluit behorende toelichting en op de betekenis die een geadresseerde redelijkerwijs daaraan dient toe te kennen.
2.5
De klacht lijkt te zijn gericht tegen de rov 3.18–3.21:
‘3.18
Met de grieven 4 en 6 bestrijdt [eiser], kort gezegd, de overweging van de rechtbank dat de last onder dwangsom ook betrekking had op de bollenschuur. [Eiser] legt aan de grief ten grondslag dat uit de tekst van de last onder dwangsom, in het bijzonder uit onderdeel III van het op pagina 10 daarvan weergegeven besluit, moet worden afgeleid dat deze slechts betrekking heeft op opslag op het onbebouwde deel van het perceel en niet op de (inhoud van) de bollenschuur.
3.19
[Eiser] verwijst in dit verband naar de tekst van de last (onder III op pagina 10):
‘Deze last betekent in concreto dat wij u sommeren het perceel niet langer te gebruiken voor het opslaan van gerede en ongerede goederen, gebruiksklare en onklare voertuigen (…), puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen. Dit betekent in casu dat het gehele perceel dient te worden ontruimd en dat alle zich hierop bevindende objecten dienen te worden verwijderd. (…).’
[Eiser] stelt dat hij uit die tekst heeft mogen begrijpen dat slechts beoogd werd de verwijdering van zaken die zich op het onbebouwde deel van het perceel bevonden en niet de verwijdering van zaken die zich in de bollenschuur bevonden.
3.20
Het hof volgt de uitleg van [eiser] niet. Het hof overweegt in dit verband dat in de aanschrijving een sommatie is opgenomen om het gebruik van het perceel in afwijking van de agrarische bestemming te staken en gestaakt te houden. Uit de tekst van de last volgt dat deze betrekking heeft op opslag op het perceel en uit de betreffende tekst kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat daarbij een uitzondering is beoogd voor zaken die in de bollenschuur waren opgeslagen, nu deze zaken zich immers evenzeer op het perceel bevonden. Voor de uitleg van [eiser] dat met ‘opslag op het perceel’ alleen kan worden bedoeld hetgeen in de open lucht op het perceel is opgeslagen, heeft [eiser] ook overigens onvoldoende aanknopingspunten verschaft.
3.21
Ten overvloede overweegt het hof daarbij dat in de overwegingen van het besluit is toegelicht op welk handelen de last onder dwangsom betrekking heeft en dat daarbij de opslag in de bollenschuur is vermeld. [Eiser] heeft aldus niet alleen uit de tekst van de last maar ook uit de voorafgaande toelichting kunnen afleiden dat deze mede zag op opslag in de bollenschuur. Dat [eiser] de last ook daadwerkelijk zo heeft opgevat blijkt bovendien uit het door hem op 22 maart 2005 ingediende bezwaarschrift, waarin [eiser] schrijft: ‘Bij punt III van uw besluit gaat u wel erg ver, alles moet nu weg. Wij mogen daar een stuk grond hebben met een lege schuur.’ De verwijzing door [eiser] naar de toelichting van de gemeente op de berekening van de hoogte van de dwangsom maakt dat niet anders. De stelling van [eiser] dat namens de gemeente zou zijn meegedeeld dat stalling van machines is toegestaan doet daaraan evenmin af, reeds omdat onvoldoende is gesteld dat hetgeen op 18 juli 2005 was opgeslagen bestond uit machines. De gemeente heeft er bovendien terecht op gewezen dat deze uitlatingen niet los kunnen worden gezien van de context waarin de last is opgelegd, in welke context voor [eiser] voldoende duidelijk moest zijn dat zaken die in verband staan met de agrarische bestemming niet onder de last vielen en andere zaken wel.
De grieven 4 en 6 slagen niet.’
2.6
De CAO-norm en de Haviltexnorm7., zoals door het middel bedoeld, hebben betrekking op de uitleg van schriftelijke overeenkomsten en niet op de uitleg van bestuursrechtelijke besluiten. Om die reden kan het middel het hof niet (primair) verwijten van een onjuiste rechtsopvatting te hebben blijk gegeven door bij de uitleg van het dwangsombesluit de CAO-norm niet te hebben toegepast.
Voor zover het middel (subsidiair) beoogt te klagen dat het hof ten onrechte de Haviltexnorm heeft toegepast, mist het feitelijke grondslag. Uit de bestreden rechtsoverwegingen blijkt niet dat het hof bij de uitleg van het dwangsombesluit de Haviltexnorm (al is het maar per analogiam) heeft toegepast. Blijkens rov. 3.20 heeft het hof de tekst van last beslissend geacht (‘Uit de tekst van de last volgt (…)’); in rov. 3.21 heeft het hof vervolgens ten overvloede op de in de overwegingen van het dwangsombesluit gegeven toelichting en op de eigen interpretatie van de last door [eiser] zoals die uit het bezwaarschrift blijkt, gewezen.
Volgens het middel komt het bij de uitleg van een besluit (meer subsidiair) aan op de bedoeling van de opsteller van het besluit zoals deze blijkt uit het besluit zelf en de officiële daarbij behorende toelichting, alsmede op de betekenis die een geadresseerde daaraan redelijkerwijs dient toe te kennen. Die (meer subsidiair verdedigde) opvatting acht ik in beginsel weliswaar juist8., maar het middel verduidelijkt niet in welk(e) opzicht(en) het hof daarvan zou zijn afgeweken: het hof heeft immers de tekst van de last beslissend geacht en (ten overvloede) op de (daarmee overeenstemmende) in het besluit vervatte toelichting en de (daarmee eveneens overeenstemmende) eigen interpretatie van het besluit door [eiser] als geadresseerde van het besluit in diens bezwaarschrift gewezen. Ook voor zover het middel, dat van ‘een’ geadresseerde van het besluit spreekt, heeft willen betogen dat het niet erop aan komt welke betekenis [eiser] redelijkerwijs aan het besluit had moeten toekennen, maar op de betekenis die elke willekeurige (andere) geadresseerde daaraan had moeten toekennen, kan de klacht niet tot cassatie leiden. Voor een zodanige verdere objectivering van de uitleg van het dwangsombesluit is geen enkele grond, nu dat besluit niet een besluit van algemene strekking is, maar specifiek tot [eiser] is gericht, zodat het wel degelijk erop aankomt welke betekenis [eiser] als geadresseerde onder de omstandigheden van het geval redelijkerwijs aan het besluit had moeten toekennen.
Voor zover in de toelichting op het middel onder 17, slot, wordt beoogd te klagen dat het hof ook in verband met de uitleg van de last de regels van bewijs en tegenbewijs zou hebben geschonden, faalt die klacht, reeds omdat het middel niet verduidelijkt waarom van een dergelijke schending sprake zou zijn.
De klacht kan daarom niet slagen.
2.7
Onder 9 klaagt het middel dat het hof ten onrechte heeft miskend dat het grondrecht van bescherming van eigendom en het recht op een behoorlijke rechtsgang aan [eiser] de mogelijkheid verzekeren zich ten overstaan van een onafhankelijke rechter te verweren ter bescherming van zijn eigendom en zijn stellingen te bewijzen respectievelijk tegenbewijs te leveren.
2.8
Het middel verduidelijkt niet in welk(e) opzicht(en) de bedoelde rechten van [eiser] zouden zijn geschonden. Om die reden kan ook de klacht onder 9 niet tot cassatie leiden. Voor zover de klacht betrekking heeft op de bewijsrechtelijke positie van [eiser], geldt dat die positie bij de bespreking van de navolgende klachten aan de orde komt.
2.9
Onder 10 klaagt het middel dat het hof ten onrechte heeft miskend dat de bewijslast ter zake van het niet voldoen aan de last rust op de Gemeente als de partij die op het rechtsgevolg daarvan een beroep doet. Onder 11 voegt het middel daaraan toe dat het hof ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat [eiser] niet aan de last onder dwangsom heeft voldaan, althans ten onrechte [eiser] niet tot tegenbewijs heeft toegelaten of zich door een ontoelaatbare prognose omtrent de uitkomst van het te leveren bewijs heeft laten leiden.
2.10
Het middel kiest op zichzelf terecht als uitgangspunt dat stelplicht en bewijslast met betrekking tot het niet voldoen door [eiser] aan de hem opgelegde last rusten op de Gemeente, en dat het aan [eiser] is om in voorkomend geval tegenbewijs te leveren. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt echter niet in te zien waarom het hof zulks zou hebben miskend.
De Gemeente heeft gesteld en met het door haar overgelegde proces-verbaal onderbouwd dat [eiser] de hem opgelegde last heeft overtreden. Aan dat proces-verbaal, meer in het bijzonder aan de bij dat proces-verbaal behorende foto's, heeft het hof in rov. 3.23 de conclusie verbonden dat een substantieel deel van de bollenschuur anders dan agrarisch in gebruik was en dat de op deze foto's zichtbare opslag van zaken voldoende is om invordering van de dwangsom te rechtvaardigen. Het hof heeft vervolgens gereleveerd dat ‘[eiser] (…) nog (stelt) dat op iedere boerderij sprake is van opslag van zaken die niet agrarisch zijn’, maar heeft die stelling kennelijk als een onvoldoende betwisting van de door de Gemeente gestelde overtreding van de last beschouwd. Weliswaar heeft het hof in dat verband overwogen ‘dat onvoldoende is komen vast te staan dat de bij [eiser] aangetroffen zaken behoren tot de niet-agrarische zaken die doorgaans op een boerderij kunnen worden aangetroffen’, maar kennelijk heeft het hof bedoeld dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld over de aard, de omvang, de herkomst en de redenen van de op 18 juli 2005 in de bollenschuur geconstateerde opslag om tot verenigbaarheid van die opslag met de agrarische bestemming van het perceel (en de bollenschuur) te kunnen concluderen9. en om [eiser] tot (tegen)bewijs te kunnen toelaten. Aldus heeft het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting van stelplicht, bewijslast en in voorkomend geval te leveren tegenbewijs met betrekking tot de door de Gemeente gestelde overtreding door [eiser] van de aan hem opgelegde last blijk gegeven. Waar de door het hof voorshands aangenomen overtreding van de aan [eiser] opgelegde last naar het oordeel van het hof niet voldoende door [eiser] was weersproken, kwam door [eiser] te leveren tegenbewijs niet aan de orde10.. Evenmin was bij die stand van zaken sprake van een ontoelaatbare prognose omtrent de uitkomsten van nog te leveren (tegen)bewijs.
2.11
Onder 12 klaagt het middel dat het hof ten onrechte heeft miskend dat ook tegen het proces-verbaal van bevindingen tegenbewijs is toegelaten, nu tegenbewijs niet is uitgesloten, alsmede dat voor het leveren van tegenbewijs ontzenuwen voldoende is.
2.12
De klacht kan niet tot cassatie leiden. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof tegenbewijs tegen het uit het proces-verbaal af te leiden bewijs(vermoeden) uitgesloten heeft geacht en zich niet bewust zou zijn geweest dat voor geslaagd tegenbewijs voldoende is dat het voorhanden bewijs wordt ontzenuwd.
2.13
Onder 13 klaagt het middel dat, zo het hof het een en ander niet heeft miskend, zijn oordeel niet zodanig is gemotiveerd dat dit inzichtelijk is voor de hogere rechter en partijen, althans onbegrijpelijk is in het licht van de weren, stellingen en bewijsaanbiedingen van [eiser] en de stellingen van de Gemeente ‘aangehaald hierboven’ (waarmee kennelijk in het bijzonder de onder 4 en 5 aangehaalde stellingen en het onder 6 bedoelde bewijsaanbod van [eiser] zijn bedoeld).
2.14
Zoals hiervóór (onder 2.10) reeds aan de orde kwam, is de door het hof gevolgde gedachtegang voldoende inzichtelijk en niet onbegrijpelijk. Overigens laat het middel na te verduidelijken om welke redenen en in het licht van welke van de onder 4 en 5 aangehaalde stellingen het bestreden oordeel onbegrijpelijk zou zijn.
2.15
Onder 14 klaagt het onderdeel dat, zo [eiser] het voorgaande onvoldoende naar voren heeft gebracht, het hof ten onrechte heeft nagelaten dit aan te vullen.
2.16
De klacht kan niet tot cassatie leiden. Het stond het hof niet vrij te treden buiten de door [eiser] voorgestelde grieven en evenmin om de grondslagen van het verzet van [eiser] aan te vullen (art. 24 Rv).
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑03‑2012
Prod. 5 bij de conclusie van antwoord.
In eerste aanleg trad naast [eiser] [betrokkene 1] als eiseres in verzet op. Bij de genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 december 2007 is in de bestuursrechtelijke procedure het hoger beroep van [betrokkene 1] gegrond verklaard, omdat zij, anders dan [eiser], ten onrechte als overtreder was aangemerkt. Voorts is bij die uitspraak de last onder dwangsom herroepen, voor zover deze tot haar was gericht. Het college heeft het dwangbevel van 15 november 2005, voor zover dat tegen [betrokkene 1] was gericht, vervolgens bij brief van 20 december 2007 ingetrokken. Tegen die achtergrond heeft de rechtbank [betrokkene 1] in haar verzet niet-ontvankelijk verklaard. [Betrokkene 1] was vervolgens niet als partij bij het hoger beroep betrokken.
Het berust kennelijk op een verschrijving dat het middel als in strijd met het recht of niet naar behoren gemotiveerd aanmerkt dat ‘(…) het Hof in genoemde rechtsoverweging(en) (heeft) overwogen en in het dictum (heeft) beslist dat de gemeente de partij is de bewijslast heeft van hetgeen zij inroept ter onderbouwing van de aanspraak van de gemeente op de dwangsom (…).’
De bindende kracht van de uitspraak van de Afdeling is onder meer van belang, voor zover de Afdeling heeft geoordeeld dat de litigieuze dwangsom van € 450.000,- weliswaar hoog is, maar dat, gelet op de lange handhavingsgeschiedenis met betrekking tot [eiser], geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat het college die dwangsom bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen (rov. 2.10–2.10.3). [Eiser] heeft in de verzetprocedure weliswaar staande gehouden dat de Gemeente de litigieuze dwangsom, zo die al is verbeurd, desondanks niet in redelijkheid volledig kan invorderen, maar het andersluidende oordeel van het hof (in de rov. 3.25–3.35) is in cassatie niet bestreden. De bindende kracht van de uitspraak van de Afdeling is voorts van belang, nu daaruit blijkt dat ook naar het oordeel van de Afdeling opslag van niet-agrarische zaken in de bollenschuur wel degelijk aan gebruik van het perceel in strijd met de bestemming bijdraagt. Evenals de (sector bestuursrecht van de) rechtbank Alkmaar heeft de Afdeling geoordeeld dat het perceel in strijd met de bestemming wordt gebruikt en heeft zij in dat verband mede in aanmerking genomen ‘dat bij een controle op 14 januari 2005 onder meer is geconstateerd dat in een op het perceel aanwezige bollenschuur grasmaaiers, een jeep en diverse vormen van opslag, waaronder tuinstoelen en barkrukken, en in één van de containers allerlei vormen van opslag aanwezig waren’ (rov. 2.3.1, slot).
HR 7 mei 2004, LJN: AO3167, NJ 2005, 131.
Zie onder meer HR 20 februari 2004, LJN: AO1427, NJ 2005, 493, m.nt. C.E. du Perron.
Meer in het bijzonder voor de uitleg van dwangsombesluiten door de verzetrechter geldt dat de verzetrechter de vrijheid heeft de last tot een concreet omschreven prestatie naar doel en strekking ervan uit te leggen; zie HR 8 november 2002, LJN: AE8216, NJ 2002, 613.
In dit verband moet overigens worden bedacht dat de last ertoe strekte dat [eiser] het gebruik van het perceel in afwijking van de agrarische bestemming daarvan diende te staken en gestaakt diende te laten. De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 25 januari 2007 geoordeeld dat het perceel in strijd met de bestemming wordt gebruikt, omdat niet is aangetoond dat op het perceel een agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend (zie rov. 2.3 van de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2007, prod. 5 bij de conclusie van antwoord). De Afdeling heeft dat oordeel bevestigd; zie rov. 2.3.2 van de uitspraak van 12 december 2007: ‘Een agrarisch bedrijf in de zin van het bestemmingsplan is, gelet op de begripsbepalingen van dat plan, gericht op het telen van gewassen en/of het houden van vee. Voormeld gebruik is niet aan te merken als uitoefening van een agrarisch bedrijf, nu daarbij de gerichtheid op het voortbrengen van een agrarisch product ontbreekt. Uit de door appellanten overgelegde inschrijving van [eiser] bij het landbouwschap, de opgave landbouwtelling 2005 en voormelde brief van Arvalis adviseurs blijkt, anders dan appellanten aanvoeren, niet dat ter plaatse een agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend. Bovendien blijkt uit de in hoger beroep overgelegde facturen dat het perceel wordt verhuurd als opslagterrein. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het perceel in strijd met de bestemming wordt gebruikt. Het betoog faalt.’ Dat, zoals [eiser] heeft aangevoerd, de aanwezigheid van een zekere opslag (van ‘niet-agrarische zaken’) op een agrarisch bedrijf (‘op een boerderij’) niet aan gebruik overeenkomstig de agrarische bestemming van het betrokken perceel behoeft af te doen, impliceert, wat daarvan overigens zij, in de door de bestuursrechter gevolgde benadering niet dat de aanwezigheid van een dergelijke opslag zonder dat van een agrarisch bedrijf sprake is, met de agrarische bestemming van het betrokken perceel verenigbaar is.
Zeker waar [eiser] in hoger beroep opkwam tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.8 van het vonnis van 3 december 2008 dat op 18 juli 2005 nog steeds sprake was van niet-agrarisch gebruik van het perceel, lag het op de weg van [eiser] voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit het tegendeel zou voortvloeien; zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 (2009), nr. 211: ‘De partij die zich tot doel stelt het door de eerste rechter bewezen verklaarde te ontkrachten met het bewijs van andere feiten en omstandigheden, zal, voor zover het belang hiervan niet aanstonds duidelijk is, nader moeten uiteenzetten waarom deze feiten en omstandigheden redengevend (kunnen) zijn voor een andere beslissing in hoger beroep.’
Beroepschrift 28‑12‑2010
Heden, de [achtentwintigste december] tweeduizendtien
ten verzoeke van
[requirant], wonende te [woonplaats], te dezer zake domicilie kiezende te 's‑Gravenhage aan de Koninginnegracht nr. 105, ten kantore van de advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, die tot advocaat bij de Hoge Raad wordt gesteld en als zodanig als vertegenwoordiger in rechte zal optreden;
Heb ik:
[mr. Erik Jozef Maria van Hal, gerechtsdeurwaarder gevestigd te 's‑Gravenhage en daar kantoorhoudende aan het Nassauplein 21]
AAN:
De publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE CASTRICUM, gevestigd te Castricum, laatstelijk domicilie gekozen hebbende ten kantore van haar advocaat in hoger beroep mr. K.J.L. Verschoor aan haar kantoor te Amsterdam aan het Gustav Mahlerplein 50, aldaar aan het kantoor van de advocaat mijn exploit doende, sprekende met en afschrift dezes latende aan:
[mw E.P. Metz, aldaar werkzaam]
AANGEZEGD
Dat mijn requirant beroep in cassatie instelt tegen het op 28 september 2010 tussen mijn requirant en gerequireerde gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam zaaknummer 200.036.998/01;
Dat indien gedaagde in cassatie op de eerste of op een door de rechter nader bepaalde roldatum verzuimt een advocaat bij de Hoge Raad te stellen, die als zodanig als vertegenwoordiger in rechte zal optreden, of het door zijn verschijning verschuldigde griffierecht niet tijdig voldoet, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, de rechter tegen hem verstek zal verlenen en de vordering inhoudelijk zal behandelen;
Dat indien er meer gedaagden in cassatie zijn en tenminste een van hen in het geding is verschenen, dan wordt, indien ten aanzien van de niet verschenen gedaagden in cassatie de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, tegen dezen verstek verleend en tussen de eiser in cassatie en de verschenen gedaagden in cassatie voort geprocedeerd. Tussen alle partijen wordt één uitspraak gewezen, die als een uitspraak op tegenspraak wordt beschouwd.
Dat van gedaagde bij verschijning in de procedure een griffierecht van € 710 zal worden geheven. De gedaagde is het griffierecht verschuldigd vanaf zijn verschijning in het geding en zorgt dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.
Dat van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- 1o.
een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de Rechtsbijstand, dan wel
- 2o.
een verklaring van de raad als bedoeld in artikel 1, onder b, van die wet, waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de bedragen, bedoeld in artikel 35, derde en vierde lid, telkens onderdelen a tot en met d dan wel in die artikelleden, telkens onderdeel e, van die wet;
Dat, voor zover het exploot van dagvaarding een zaak betreft waarbij meerdere gedaagden zijn betrokken, van partijen die bij dezelfde advocaat verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen, op basis van artikel 15 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven.
Vervolgens heb ik, deurwaarder, op datum, ten verzoeke van, met domiciliekeuze en aanwijzing van een advocaat bij de Hoge Raad als gemeld, mijn exploit, doende sprekende met en afschrift latende de gerequireerde voornoemd:
GEDAGVAARD:
om op vrijdag 25 februari tweeduizendelf, des voormiddags te 10.00 uur, niet in persoon doch vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, Eerste Enkelvoudige Kamer voor de behandeling van Burgerlijke Zaken alsdan gehouden wordende in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden aan de Kazernestraat 52 te 's‑Gravenhage;
Zulks teneinde tegen het aangevallen arrest te horen aanvoeren het navolgende.
TENEINDE:
alsdan en aldaar namens mijn requirant, hierna: [requirant], te horen els doen tegen gerequireerde, hierna: de gemeente, en concluderen als volgt:
Feiten
1)
Verwezen zij naar de vaststelling van de feiten door het hof in het bestreden arrest1..
Middel 1: Aanspraak de gemeente
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordat het Hof in rechtsoverweging 3.18 tot en met 3.24 van het arrest en in het dictum van het bestreden arrest onjuist en/of onbegrijpelijk heeft overwogen cq beslist als vervat in het bestreden arrest, gelet op een of meer van de volgende zonodig in onderling verband en in onderlinge samenhang te lezen redenen:
Ten onrechte, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende, althans onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd, heeft het Hof in genoemde rechtsoverweging(en) overwogen en in het dictum beslist dat de gemeente de partij is de bewijslast heeft van hetgeen zij inroept ter onderbouwing van de aanspraak van de gemeente op de dwangsom wegens overtreding door [requirant] van de last van de gemeente opgelegd aan [requirant] en ten onrechte heeft het Hof overtreding bewezen geacht.
Inleiding
2)
De gemeente heeft [requirant] een last opgelegd zijn perceel niet te gebruiken in strijd met de agrarische bestemming, waarover de gemeente [requirant] einde oktober 2004 heeft aangeschreven om hem de gelegenheid te geven zich hierover uit te laten2.. Eerst ging het om een termijn tot 1 januari 2005. Later is die termijn verlengd naar 1 juli 20053.. Inzet van de procedure is of [requirant] dwangsommen verbeurd heeft aan de gemeente wegens niet nakoming van de last onder dwangsom4. van € 450.000 welke de gemeente aan [requirant] heeft opgelegd om niet agrarisch gebruik van zijn perceel te staken, waar het bestemmingsplan aangeeft dat het perceel een agrarische bestemming heeft.
3)
[requirant] heeft bestreden de stellingen van de gemeente dat hij niet aan de last voldoet, waaronder derhalve begrepen dat de last zo moet worden gelezen als bepleit door de gemeente, en dat door de gemeente overtreding is bewezen.
4)
Bij memorie van grieven:
- 1)
§ 8 — [requirant] gebruikt perceel niet in strijd met bestemming en heeft tijdig voldaan aan de last.
- 2)
Grief 4 — gebruik in bollenschuur niet bestreden onder de last
- 3)
§ 30\31 — gebruik bollenschuur niet bestreden in last
- 4)
§ 32 — tekst last bepalend, gaat over buiten, ‘perceel’, ‘containers’, ‘gebouw’. Onduidelijkheid in last voor risico van de gemeente
- 5)
§ 33 — de gemeente heeft gesteld dat bollenschuur niet is meegerekend
- 6)
§ 34 — dwangsom gebaseerd op maat perceel, niet zozeer inhoud bollenschuur
- 7)
§ 37 — ten aanzien van een ander gebouwd gedeelte van het perceel is een aparte last opgelegd (zodat a contrario kan worden afgeleid dat inhoud bollenschuur niet onder last begrepen is)
- 8)
§ 38 — handhaving op opslag op zolder van de schuur nooit probleem geweest
- 9)
§ 39 — zou [requirant] hebben geweten dat de gemeente ook wilde dat hij opslag van zolder van de schuur haalde, dan had hij dat niet nagelaten om problemen respectievelijk risico's van dwangsom te voorkomen.
- 10)
Grief 6 — [requirant] had niet (subjectieve) wetenschap dat de last ook zag op de inhoud van de bollenschuur
- 11)
§ 49 tot en met 51 — [requirant] had niet (subjectieve) wetenschap dat de last ook zag op de inhoud van de bollenschuur. [requirant] heeft aangegeven dat machines horen bij agrarisch bedrijf en dat de gemeente heeft meermaals aangegeven dat inhoud van bollenschuur niet betrokken was in de last.
- 12)
Grief 5 — ten onrechte bewezen geacht niet-agrarisch gebruik.
- 13)
§ 41 — het gaat met name om het onbebouwde deel van het terrein
- 14)
§ 43 — geen opslag in strijd met agrarische bestemming
- 15)
§ 44 — ledere boederderij heeft opslag van zaken welke niet agrarisch zijn, zoals bijvoorbeeld een kinderwagen en ongebruikte inboedel e.d.
- 16)
§ 45 — op foto's geen inbreuk zichtbaar, zaken van ondergeschikt belang, meer meubilair
- 17)
§ 46 — [requirant] had niet begrepen en hoefde niet te begrijpen dat opslag in de bollenschuur ook bestreden werd door de last.
- 18)
§ 48 — zelfs in geval van last wel zou zien op bollenschuur, heeft [requirant] voldaan aan last.
5)
Bij akte in hoger beroep:
- 1)
§ 3 — niet op inhoud bollenschuur betrekking
- 2)
§ 4 — onvoldoende duidelijk of aanzegging betrekking heeft op inhoud bollenschuur, of alleen perceel: de heer [betrokkene 1] bevestigt dat opslag in de bollenschuur is toegestaan en de gemeente heeft [requirant] geadviseerd de palen op te slaan in de bollenschuur. Gemeente erkent ook in memorie van antwoord dat opslag in bollenschuur is toegestaan.
- 3)
§ 6 — gemeente erkent mededelingen [betrokkene 1]
- 4)
§ 8 — [requirant] had het gehele perceel opgeruimd inclusief de zeecontainers en het gebouw van damwandprofielen. De gemeente erkent ook dat het perceel er keurig opgeruimd uitzag. Het gaat nog slechts om beperkte opslag in de schuur. Gerede goederen mogen worden opgeslagen naar de gemeente erkend heeft.
- 5)
§ 11 — [requirant] kan zich niet vinden in het proces-verbaal van 22 juli 2005
6)
[requirant] heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden5..
klacht
7)
Ten onrechte heeft het Hof geoordeeld dat hier niet plaats is voor een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht.
8)
Ten onrechte heeft het Hof miskend dat uitleg van de aanzegging6. dient plaats te vinden overeenkomstig de CAO norm, althans niet de Haviltex norm, althans dat niet van belang is een wel of niet aan [requirant] bekende voorgeschiedenis, maar dat het bij uitleg aankomt op de bedoeling van de opsteller van het besluit zoals deze blijkt uit het besluit zelf en uit de officiële bij het besluit behorende toelichting, en welke betekenis een geadresseerde daar redelijkerwijs aan dient toe te kennen.
9)
Ten onrechte heeft het Hof miskend dat het grondrecht van bescherming van eigendom en het recht op een behoorlijke rechtsgang aan [requirant] de mogelijkheid verzekeren zich ten overstaan van een onafhankelijke rechter te verweren ter bescherming van zijn elgendom en zijn stellingen te bewijzen respectievelijk tegenbewijs te leveren.
10)
Ten onrechte heeft het Hof miskend dat het bewijs van het niet voldoen aan de last rust op de gemeente als de partij die beroep doet op het rechtsgevolg.
11)
Ten onrechte heeft het Hof als vaststaand aangenomen dat [requirant] niet voldeed aan de last onder dwangsom, althans ten onrechte heeft het Hof niet [requirant] tot tegenbewijs toegelaten en of heeft het Hof een ontoelaatbare prognose omtrent de uitkomst van te leveren bewijs gemaakt.
12)
Ten onrechte heeft het Hof miskend dat ook tegen het proces-verbaal van bevindingen tegenbewijs toegelaten is, nu tegenbewijs niet is uitgesloten, en dat voor het leveren van tegenbewijs ontzenuwen voldoende is.
13)
Zo het Hof dit niet miskend heeft, is hofs oordeel niet zodanig gemotiveerd dat dit inzichtelijk is voor de hogere rechter en de partijen, althans is Hofs oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd in het licht van de weren en stellingen en bewijsaanbiedingen van [requirant] en stellingen van de gemeente aangehaald hierboven.
14)
Zo [requirant] het voorgaande onvoldoende naar voren heeft gebracht heeft het Hof ten onrechte nagelaten dit aan te vullen.
toelichting
15)
Nu ineens wordt [requirant] achteraf geconfronteerd dat hij € 450.000 verbeurd zou hebben, omdat hij had moeten begrijpen dat hij met name wat oude inventaris van de zolder van de bollenschuur had moeten verwijderen, terwijl hij het niet begrepen had, het een kleine moeite was om het daar weg te halen, en [requirant] niet voor dergelijke zaken van geringe waarde het risico zou lopen van verbeurte van € 450.000 welke effectief zijn faillissement zullen betekenen. Hij heeft dat geld niet en in deze economische malaise kan hij er ook niet aan komen.
16)
Tegen tenuitvoerlegging van het dwangbevel stond verzet bij de burgerlijke rechter open. In zodanig geval kan de burgerlijke rechter worden benaderd. Deze civiele procedure heeft als belangrijkste doel voor [requirant] het bestrijden dat hij niet zou voldoen aan de last onder dwangsom welke de gemeente hem heeft opgelegd. Daarover is het dispuut tussen de gemeente en [requirant]. Indien over feiten een dispuut is zal het tot bewijswaardering door de rechter al dan niet na bewijslevering door partijen komen, in dit geval heeft het Hof ten onrechte aangenomen als vaststaand dat niet niet aan de last werd voldaan door [requirant].
17)
In grief 4 en 6 is aan de orde gesteld de uitleg van de aanzegging door de gemeente7.. Het Hof heeft ten onrechte in uitleg aangaande dat besluit zich uitgelaten over de bedoeling van partijen en of [requirant] een bedoeling van [requirant] wel of niet heeft begrepen waar het Hof miskend heeft dat uitleg geschiedt overeenkomstig de zgn CAO norm, althans een toepassing naar analogie daarvan, althans meer overeenkomstig die norm dan over de meer subjectieve CAO norm die bestemd is om te gelden tussen partijen (vrijwillig betrokken) bij 1 rechtsverhouding, en die zelf (vrijwillig) onderhandelen (dan wel hun directe vertegenwoordigers) over de totstandkoming daarvan. Het is aan de overheid om zorgvuldig te formuleren, en anders om een nieuw besluit te nemen. Ook terzake die uitleg echter is bewijs en tegenbewijs mogelijk, nu bewijs en tegenbewijs niet zijn uitgesloten.
18)
Wanneer dan vervolgens vast zou staan welke uitleg aan het besluit van de gemeente dient te worden gegeven komt het aan op de vaststelling of overtreding heeft plaatsgevonden. Hier heeft grief 5 meer betrekking op.
19)
Belangrijk in de rechtsoverwegingen van het Hof is het proces-verbaal van bevindingen van 18 Juli 2005, welk voor het Hof centraal is en in rechtsoverweging 3.23 ten onrechte doorslaggevend was in het leveren van het bewijs benodigd om de gemeente aanspraak te geven op de dwangsom. [requirant] had en heeft verbeurte van de dwangsom bestreden en tegenbewijs aangeboden, welk het Hof ten onrechte gepasseerd heeft. Het Hof oordeelt ondanks dit bewijsaanbod in rechtsoverweging 3.23 dat het Hof bewijs door de gemeente reeds geleverd acht en ‘onvoldoende vast vindt staan dat de bij [requirant] aangetroffen zaken behoren tot de niet-agrarische zaken die doorgaans op een boerderij kunnen worden aangetroffen’. Het Hof lijkt hier er zelfs van uit te gaan dat het aan [requirant] is om te bewijzen dat deze zaken behoren tot de niet-agrarische zaken die doorgaans op een boerderij kunnen worden aangetroffen, dit eveneens ten onrechte.
20)
Bewijs in de AWB is minder uitgekristalliseerd dat artikel 149 en 150 RV welke naar analogie respectievelijk direct van toepassing worden geacht in deze. De bewijslast rust op de gemeente die zich erop beroept dat niet aan de last voldaan wordt. Het is aan [requirant] om tegenbewijs te leveren, om te ontzenuwen.
21)
[requirant] heeft samengevat tegenbewijs aangeboden tegen de stelling van de gemeente dat hij niet aan de last voldeed. Het recht op dwangsom in geval van niet voldoening aan de last is voor bewijs en dus voor tegenbewijs vatbaar, nu tegenbewijs niet is uitgesloten.
22)
In het licht van het recht van leveren van tegenbewijs kan hoogstens van [requirant] worden gevergd een algemeen omschreven aanbod tot het leveren van tegenbewijs en niet een gespecificeerd aanbod tot het leveren van tegenbewijs. Het aanbod aan het einde van de memorie van grieven voldoet aan die te stellen eisen. Het Hof heeft dit miskend, anders is hofs oordeel onbegrijpelijk, respectievelijk heeft het Hof een ontoelaatbare prognose omtrent de uitkomst van te leveren bewijs gemaakt.
Mitsdien:
het de Hoge Raad behage bij arrest
- I.
Op de gronden voornoemd de bestreden uitspraak te vernietigen en het geschil terug te verwijzen voor voortzetting van de behandeling
- II.
Kosten rechtens;
De kosten dezes zijn voor mij, deurwaarder, € [73,89]
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 28‑12‑2010