HR 22 juni 2004, LJN AO8315, NJ 2004, 439, rov. 3.4.2.
HR, 09-10-2012, nr. 11/00464
ECLI:NL:HR:2012:BX5410
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
09-10-2012
- Zaaknummer
11/00464
- Conclusie
Mr. Vellinga
- LJN
BX5410
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BX5410, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑10‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX5410
ECLI:NL:HR:2012:BX5410, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 09‑10‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX5410
- Vindplaatsen
Conclusie 09‑10‑2012
Mr. Vellinga
Partij(en)
Nr. 11/00464
Mr. Vellinga
Zitting: 3 juli 2012 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens "Medeplegen van het in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of een tegemoetkoming, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 70 uur, subsidiair 35 dagen hechtenis.
2.
Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/00464 en 11/02536. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3.
Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4.
Het eerste middel klaagt over het bewijs van het weten althans redelijkerwijze moeten vermoeden dat die gegevens van belang waren voor het verstrekken van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand.
5.
In aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen onder meer inhouden dat op de aan verdachte en zijn vrouw verstrekte formulieren (ROF) was aangekruist dat zij niet hebben gewerkt en geen inkomsten hebben genoten en zij er aldus uitdrukkelijk op zijn gewezen dat gegevens omtrent werkzaamheden en inkomsten van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een uitkering kan het bewezenverklaarde voor zover behelzende dat verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor het verstrekken van bedoelde uitkering uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.
6.
Het middel faalt.
7.
Het tweede middel klaagt dat enkele onderdelen van de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid.
8.
In de eerste plaats wordt geklaagd dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte werkzaamheden had verricht in een hennepkwekerij en/of inkomsten had uit een hennepkwekerij.
9.
In de toelichting op het middel wordt er terecht op gewezen dat in geval meerdere alternatieven zijn bewezenverklaard elk van deze alternatieven uit de gebezigde bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid.1.
10.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen (bewijsmiddelen 1 en 6, gelezen in onderling verband en samenhang) kan worden afgeleid dat verdachte werkzaamheden had verricht in een hennepkwekerij en inkomsten had uit een hennepkwekerij.
11.
Voor zover in dit verband wordt geklaagd dat de inhoud van het relaas van de sociaal rechercheur [verbalisant 1], anders dan het Hof heeft overwogen, geen adequate weergave is van de zich in het dossier bevindende stukken, wordt miskend dat hierover in cassatie niet voor het eerst kan worden geklaagd. In dit verband merk ik op dat noch verdachte noch zijn raadsman het relaas van [verbalisant 1] voor wat betreft de inkomsten van verdachte uit de teelt en verkoop van hennep heeft betwist.
12.
In de tweede plaats wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het nalaten de benodigde gegevens te verstrekken opzettelijk is geschied. Dat is niet juist. Op de formulieren was aangekruist dat de verdachten niet werkten en geen inkomsten hadden (bewijsm. 1) en verdachte heeft de formulieren ondertekend (bewijsm. 2). Het is dus niet zo dat de benodigde gegevens per ongeluk zijn weggevallen.
13.
Ten slotte wordt geklaagd dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het opzet van verdachtes vrouw was gericht op het nalaten de benodigde gegevens te verstrekken. Aldus wordt miskend, dat bij veroordeling van de verdachte ter zake van het onderhavige medeplegen uit de bewijsvoering niet het opzet van verdachtes mededader behoeft te kunnen worden afgeleid.2.
14.
Het middel faalt.
15.
Beide middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
16.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
17.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑10‑2012
Vgl. HR 6 maart 2012, LJN BQ8596, rov. 5.3.
Uitspraak 09‑10‑2012
Inhoudsindicatie
HR: art. 81 RO.
Partij(en)
9 oktober 2012
Strafkamer
nr. S 11/00464
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 20 januari 2011, nummer 21/004226-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 9 oktober 2012.