HR, 10-04-2012, nr. S 11/01827 H
ECLI:NL:HR:2012:BV7505
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
10-04-2012
- Zaaknummer
S 11/01827 H
- LJN
BV7505
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2012:BV7505, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 10‑04‑2012; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV7505
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑04‑2011
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑04‑2012
Inhoudsindicatie
Herziening. Hetgeen in de aanvrage is aangevoerd kan niet een ernstig vermoeden wekken als bedoeld in art. 457.1.2° Sv. Afwijzing aanvrage.
10 april 2012
Strafkamer
nr. S 11/01827 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 april 2005, nummer 20/004414-04, ingediend door mr. J. Serrarens, advocaat te Maastricht, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, verblijvende in het Forensisch Psychiatrisch Centrum de Kijvelanden te Poortugaal, woonplaats kiezende ten kantore van zijn raadsvrouwe.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 25 november 2004 - de aanvrager ter zake van "met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en gelast dat de aanvrager ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan, dat het onderzoek destijds niet tot een veroordeling zou hebben geleid, dan wel zou hebben geleid tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, indien het Hof kennis zou hebben gehad van de door de 6-jarige [slachtoffer], verder: [slachtoffer], bij de politie in een studioverhoor op 24 november 2004 afgelegde verklaring welke, aldus de aanvrage, voor de aanvrager ontlastend is. Bij de aanvrage is een DVD gevoegd waarop dit studioverhoor is te zien en te horen.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
3.1. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage zal afwijzen.
3.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van een na de conclusie van de Advocaat-Generaal ingekomen schrijven van de raadsvrouwe van de aanvrager, gedateerd 6 februari 2012.
4. Beoordeling van de aanvrage
4.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
4.2. De aanvrager is veroordeeld voor het onzedelijk betasten van het destijds zesjarige meisje [slachtoffer] in juni 2004 in het woonhotel waar de aanvrager werkzaam en woonachtig was.
4.3. Het hierboven onder 2.2 bedoelde studioverhoor van 24 november 2004, noch een weergave daarvan in enig proces-verbaal bevond zich de door het Hof aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat het Hof destijds geen kennis heeft gehad van de inhoud van dit studioverhoor.
4.4. Voor een korte samenvatting van dat studioverhoor wordt verwezen naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9. Daaruit valt het volgende af te leiden. Het studioverhoor met [slachtoffer] had betrekking op onderzoek naar mogelijk seksueel misbruik van haar door haar vader. Aan het eind van dat verhoor verklaart zij onder meer over door haar vader van haar gemaakte naaktfoto's. Daarna volgt de vraag of iemand anders wel eens "zoiets" bij haar heeft gedaan, welke vraag [slachtoffer] met "nee" beantwoordt. Enig verder onderzoek naar de vraag wat [slachtoffer] met dat antwoord bedoelde houdt het verhoor niet in.
4.5. Het bewijsmateriaal, waarover het Hof blijkens zijn arrest van 29 april 2005 beschikte, behelst onder meer verklaringen van de beide ouders van [slachtoffer], een door [slachtoffer] tijdens een studioverhoor van 11 augustus 2004 afgelegde verklaring en de verklaring van de aanvrager, inhoudende dat [slachtoffer] samen met haar broertje bij hem op de kamer heeft geslapen en bij hem film heeft gekeken op de avond dat haar vader in de kroeg achterbleef. Het Hof heeft blijkens zijn bewijsoverweging ten aanzien van het bewijs bijzonder gewicht toegekend aan de verklaring van de moeder van [slachtoffer], waarin zij onder meer verklaart dat haar dochtertje op 25 juli 2004 spontaan, in reactie op de vraag hoe het weekend bij haar vader was geweest, heeft verklaard, namelijk "Nee, ik heb bij [aanvrager] geslapen" en dat zij de volgende dag aan haar moeder heeft verteld dat en op welke wijze de aanvrager haar heeft betast.
4.6. Volgens de aanvrager heeft [slachtoffer] met haar antwoord op de in 4.4 weergegeven vraag onmiskenbaar te verstaan gegeven dat de aanvrager, anders dan zij in een eerder studioverhoor van 11 augustus 2004 heeft verklaard, de tenlastegelegde feiten niet heeft gepleegd. Die stelling vindt echter onvoldoende steun in het verhoor van 24 november 2004. Gelet op het moment waarop haar de desbetreffende vraag is gesteld, is niet onaannemelijk dat haar antwoord terugslaat op de kort daarvoor besproken van haar gemaakte foto's. De inhoud van bedoeld studioverhoor wekt derhalve niet het ernstige vermoeden dat, ware het Hof hiermee bekend geweest, dit zou hebben geleid tot vrijspraak van de veroordeelde.
4.7. In de aanvrage wordt voorts gesteld dat, ware de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie het proces-verbaal van het studioverhoor van [slachtoffer] van 24 november 2005 niet bij de processtukken in hoger beroep heeft gevoegd het Hof destijds bekend geweest, dit zou hebben geleid tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Daartoe wordt aangevoerd dat het "ondenkbaar" is dat het Openbaar Ministerie toentertijd niet bekend was met het bestaan van het bedoelde verhoor, zodat het niet anders kan dan dat het doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de aanvrager bij het recht op een eerlijk proces dit proces-verbaal buiten de stukken van het geding heeft gelaten.
Het aangevoerde kan niet het ernstig vermoeden wekken dat, ware het Hof met de genoemde omstandigheid bekend geweest, het onderzoek van de zaak tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie had geleid. Mede in aanmerking genomen dat het studioverhoor betrekking had op een andere verdachte dan de aanvrager en, naar uit het hiervoor in 4.5 en 4.6 overwogene volgt, uit de inhoud van dat verhoor niet met voldoende mate van duidelijkheid kan worden afgeleid dat het slot daarvan betrekking had op de zaak van de aanvrager, kan de gestelde handelwijze van het Openbaar Ministerie niet de conclusie wettigen dat het doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de aanvrager heeft gehandeld, waardoor aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.
4.8. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage ongegrond is en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 10 april 2012.
Beroepschrift 13‑04‑2011
Aan de Hoge Raad der Nederlanden te 's‑Gravenhage
[verzoeker], verblijvende in FPC De Kijvelanden, Postbus 900, 3160 AC te Rhoon, kiest voor deze aangelegenheid woonplaats aan het kantoor van de Advocatenpraktijk Universiteit Maastricht, gelegen aan de Lenculenstraat 30, Postbus 86, 6200 AB te Maastricht, van welk kantoor de advocaat mr. Judith Serrarens door hem bepaaldelijk is gemachtigd dit herzieningsverzoek voor hem te ondertekenen en in te dienen.
1.
Verzoeker is bij onherroepelijk geworden uitspraak d.d. 29 april 2005, gewezen door het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch in de zaak met parketnummer/rolnummer 20/004414-04 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege terzake van het plegen van ontuchtige handelingen buiten echt met iemand die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt.
2.
Verzoeker heeft in de gevoerde strafrechtelijke procedure iedere betrokkenheid bij de hem tenlastegelegde feiten ontkend en ontkent nog steeds dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor hij veroordeeld is. Omdat verzoeker het delict waarvoor hem tbs is opgelegd, ontkent, komt de behandeling niet van de grond, reden waarom hij thans (nog steeds) verblijft in FPC De Kijvelanden.
3.
De hierna vermelde nieuwe feiten en omstandigheden, die bij het onderzoek ter terechtzitting de rechter niet zijn gebleken, zijn op zichzelf of in verband met de destijds geleverde bewijzen, onverenigbaar met voormelde uitspraak. Naar het oordeel van verzoeker zou het onderzoek der zaak destijds niet hebben geleid tot zijn veroordeling, indien reeds toen bekend was geweest hetgeen thans bekend is.
Nieuwe feiten
4.
Omdat verzoeker van mening is ten onrechte te zijn veroordeeld, heeft hij zijn advocaat in deze herzieningszaak in 2009 gevraagd om de bandopname te bekijken van een studioverhoor van het meisje met wie hij ontucht zou hebben gepleegd, [betrokkene 1]. De advocaat die verzoeker in diens strafzaak heeft bijgestaan, heeft de bandopnamen indertijd niet bekeken. Het proces-verbaal van dit verhoor d.d. 11 augustus 2004 is door het Hof 's‑Hertogenbosch gebezigd voor het bewijs (bewijsmiddel 2). De advocaat-generaal bij het Ressortsparket 's‑Hertogenbosch heeft op 12 oktober 2009 toestemming verleend om de bandopname te bekijken. De brief waaruit dat blijkt, wordt als productie 1 bij dit verzoek gevoegd.
5.
Op 4 november 2009 heeft de advocaat van verzoeker de bandopname van het verhoor d.d. 11 augustus 2004 bekeken. Daarbij bleek dat zich op dezelfde videoband direct na de opname d.d. 11 augustus 2004 een opname bevond van een ander verhoor van [betrokkene 1], afgenomen (in dezelfde verhoorstudio bij de politie te Eindhoven) op 24 november 2004. Tevens bevond zich op de band een opname van een verhoor van het jongere broertje van [betrokkene 1], [betrokkene 2], eveneens afgenomen op 24 november 2004.
6.
Het verhoor van [betrokkene 1] d.d. 24 november 2004 bleek betrekking te hebben op seksueel misbruik van [betrokkene 1] door haar vader, [betrokkene 3]. Tijdens het verhoor verklaart zij onder meer dat haar vader met zijn handen aan en in haar vagina en aan haar borsten en billen heeft gezeten. Daarnaast verklaart zij dat haar vader naaktfoto's van haar gemaakt heeft. Aan het einde van het verhoor wordt [betrokkene 1] gevraagd of ook anderen dan haar vader ooit zoiets met haar hebben gedaan als waarover in het verhoor gesproken is. Op die vraag antwoordt Dominque duidelijk ontkennend. Aan het broertje, [betrokkene 2], worden in diens verhoor eveneens vragen gesteld die betrekking hebben op seksuele handelingen, die vader [betrokkene 3] —al dan niet samen met anderen— met of bij [betrokkene 1] heeft verricht. [betrokkene 2] verklaart belastend over zijn vader, noemt de naam van verzoeker niet en zegt dat ‘alleen papa’ bij de seksuele handelingen met zijn zusje aanwezig was. Ook zijn verklaring kan derhave als ontlastend voor verzoeker beschouwd worden.
7.
Naar aanleiding van het bekijken van de opname d.d. 24 november 2004 is op 19 november 2009 aan de advocaat-generaal het verzoek gedaan om ervoor te zorgen dat de bandopnamen, met het oog op een herzieningsverzoek, bewaard zouden worden. Een kopie van deze brief wordt als productie 2 bij dit verzoekschrift gevoegd. Later, op 3 februari 2010, is om een transcriptie van het verhoor gevraagd, omdat die ontbreekt in het strafprocesdossier van cliënt. Vgl. productie 3. In eerste instantie reageerde de advocaat-generaal afwijzend op dit verzoek, hetgeen moge blijken uit diens brief d.d. 1 juni 2010 die als productie 4 bij dit verzoek is gevoegd. Daarop is gereageerd door de advocaat van [verzoeker] met een brief d.d. 18 juni 2010 (productie 5). Naar aanleiding daarvan heeft de advocaat-generaal op 14 september 2010 een samenvatting van het verhoor d.d. 24 november 2004 en een verantwoordingsproces-verbaal aan de advocaat van [verzoeker] doen toekomen.
(productie 6) De samenvatting van het verhoor bleek niet de voor verzoeker relevante passage van het verhoor weer te geven, te weten de passage waarin [betrokkene 1] verklaart dat er met anderen dan haar vader geen vergelijkbare (seksuele) dingen zijn gebeurd. Om die reden is de advocaat-generaal bij schrijven d.d. 22 september 2010, 4 november 2010 en 17 december 2010 verzocht om een transcriptie van het verhoor d.d. 24 november 2004 te verstrekken waarin de voor [verzoeker] relevante passages zijn verwerkt. (prod. 7,8 en 9). Op 24 december 2010 reageert de advocaat-generaal op voormelde brieven (prod. 10) en op 5 januari 2011 (prod.11) bericht de advocaat-generaal de advocaat van [verzoeker] dat een kopie van de bandopname d.d. 24 november 2004 zal worden verstrekt. Op 25 januari 2011 wordt de opname toegezonden aan de advocaat (prod 12). De opname bevindt zich bij dit verzoekschrift.
Gronden revisieverzoek
8.
Naar de mening van verzoeker is de inhoud van het verhoor van [betrokkene 1] d.d. 24 november 2004 uitgesproken ontlastend voor hem. In dit verhoor, dat (slechts) drie maanden nadat [betrokkene 1] verklaard heeft over verzoeker, heeft plaatsgevonden, zegt zij immers heel duidelijk dat alleen haar vader seksuele handelingen met haar heeft verricht. Op de vraag van de verhoorder of ook andere personen zulke handelingen met haar hebben verricht, zegt zij duidelijk hoorbaar dat dat niet het geval is. Als haar gevraagd wordt naar een vriend van haar vader, die mogelijk aanwezig is geweest bij (een deel van) de verweten gedragingen, noemt zij ook niet de naam van verzoeker, maar de naam van ene ‘ome [betrokkene 4]’. Naar de betrokkenheid van verzoeker bij ten aanzien van [betrokkene 1] verrichte seksuele handelingen wordt in dit verhoor overigens (om aan verzoeker onbekende redenen) niet gericht geïnformeerd, maar het ligt alleszins voor de hand dat [betrokkene 1] in november 2004 opnieuw belastend over verzoeker verklaard zou hebben, als hij in de periode vlak vóór het —eerdere— verhoor in augustus 2004 werkelijk seksuele handelingen met haar zou hebben verricht.
9.
Het voorgaande roept de vraag op waarom [betrokkene 1] verzoeker eerder, in augustus 2004, heeft beschuldigd van seksuele handelingen. Helaas is haar dat niet gevraagd in november 2004. Voor verzoeker is echter duidelijk dat in het verhoor op 11 augustus 2004 zeer sturende en suggstieve vragen worden gesteld aan de, dan net zes jaar oude, [betrokkene 1]. Het Hof heeft dat ook onderkend, zo blijkt uit pagina 3 van het arrest. Het Hof overweegt in dit verband: ‘Het hof is het met de raadsman eens dat het verhoor van [betrokkene 1] moeizaam lijkt te zijn gegaan en dat soms sturende vragen lijken te zijn gesteld. Het hof verbindt daaraan echter niet het door de raadsman daaraan verbonden gevolg van bewijsuitsluiting maar zal dit verhoor in het kader van de bewijslevering met grote omzichtigheid bezigen’.
10.
Alle omzichtigheid van het Hof ten spijt, steunt de veroordeling van verzoeker toch in zeer belangrijke mate op de verklaring van [betrokkene 1]. Verder is er alleen een verklaring van horen zeggen, afgelegd door de moeder van [betrokkene 1], welke verklaring niet wordt ondersteund door ander bewijs, bijvoorbeeld door een getuigenverklaring van de vriendin die -blijkens de verklaring van moeder d.d. 30 juli 2004 (p. 26 proces-verbaal politie) -met moeder in de auto zat op het moment dat [betrokkene 1] iets gezegd zou hebben over haar ervaringen met verzoeker in de dagen daarvoor. Overigens zijn voor het bewijs tegen verzoeker slechts bewijsmiddelen gebruikt die erop wijzen dat verzoeker gelegenheid heeft gehad seksuele handelingen met [betrokkene 1] te verrichten, maar over eventueel daderschap niets zeggen. Tegen de achtergrond van het voorgaande is het onbegrijpelijk dat het proces-verbaal van het verhoor van [betrokkene 1] d.d. 24 augustus 2004 niet aan het dossier van verzoeker is toegevoegd. Weliswaar heeft het verhoor van [betrokkene 1] d.d. 24 november 2004 plaatsgevonden nadat de zaak in eerste aanleg al ter zitting was behandeld, maar het proces-verbaal had in ieder geval bij de processtukken in hoger beroep gevoegd kunnen en moeten worden. Indien verzoeker voordat het hof arrest heeft gewezen, dus vóór 29 april 2005, ontdekt zou hebben dat [betrokkene 1] in november 2004 een voor hem ontlastende verklaring heeft afgelegd en dat de advocaat-generaal die ontlastende verklaring niet aan het dossier had toegevoegd, zou hij in hoger beroep beslist (primair) de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit hebben. Het is —gezien de in het voorgaande geschetste feiten— ondenkbaar dat het bestaan van de verklaring van [betrokkene 1] d.d. 24 november 2004 ten tijde van de behandeling van het hoger beroep in de strafzaak van verzoeker onbekend was bij het Openbaar Ministerie. Het moet dus wel zo zijn dat de verklaring doelbewust en met grove verontachtzaming van de belangen van verzoeker bij het recht op een eerlijk proces buiten het strafdossier is gelaten. Uit soortgelijke zaken blijkt dat een beroep op niet-ontvankelijkheid waarschijnlijk gehonoreerd zou zijn. Vgl. bijvoorbeeld Gerechtshof Leeuwarden, 24 februari 2003, LJN: AF3811.
11.
Verder zou verzoeker, wanneer het bestaan van het verhoor d.d. 24 november 2004 in de appelprocedure bekend zou zijn geworden, (subsidiair) om nader onderzoek gevraagd hebben, namelijk voor het geval het Hof geen aanleiding zou zien om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren . Het ligt ook voor de hand dat de rechter, als de verklaring d.d. 24 november 2004 hangende de appelprocedure boven water was gekomen, ofwel direct tot vrijspraak zou zijn gekomen ofwel behoefte had gehad aan nader onderzoek of nadere informatie naar aanleiding van deze verklaring. Dat laatste ligt voor de hand, omdat de politie in het verhoor d.d. 24 november 2004 niet aan [betrokkene 1] vraagt naar de relatie tussen de voor verzoeker ontlastende verklaring d.d. 24 november 2004 en de eerdere, voor verzoeker belastende verklaring. [betrokkene 1] wordt niet geconfronteerd met hetgeen zij eerder, op 11 augustus 2004, heeft verklaard. Het proces-verbaal van het verhoor d.d. 24 november 2004 zou de verdediging verder wellicht aanleiding hebben gegeven de moeder van [betrokkene 1] als getuige te horen. Kortom: door het proces-verbaal van het verhoor d.d. 24 november 2004 achter te houden (en dat kan niet anders dan doelbewust gebeurd zijn), is verzoeker op een onaanvaardbare wijze in zijn verdediging geschaad.
12.
Verzoeker concludeert het volgende. De thans beschikbare opname van het verhoor van [betrokkene 1] d.d. 24 november 2004 werpt een geheel nieuw licht op de veroordeling van verzoeker voor het plegen van ontucht met dit meisje. Wanneer het Hof's‑Hertogenbosch van deze opname of een transcriptie daarvan in de hoger beroepsprocedure kennis had kunnen nemen, zou verzoeker naar alle waarschijnlijkheid niet veroordeeld zijn voor het plegen van ontuchtige handelingen met [betrokkene 1]. Dat ligt des te meer voor de hand nu het Hof toch al bedenkingen had bij de wijze waarop het verhoor d.d. 11 augustus 2004 heeft plaatsgevonden.
Redenen waarom:
[verzoeker] de Hoge Raad verzoekt het arrest van het Gerechtshof's‑Hertogenbosch d.d. 29 april 2005 te herzien, met zodanige beslissing als nodig wordt geacht.
Maastricht, 13 april 2011
Raadsvrouwe