HR, 12-07-2013, nr. 13/02203
ECLI:NL:HR:2013:CA1968
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
12-07-2013
- Zaaknummer
13/02203
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:CA1968, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 12‑07‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA1968, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:CA1968, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 24‑05‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA1968, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑07‑2013
Partij(en)
12 juli 2013
Eerste Kamer
nr. 13/02203
RM/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
het vonnis in de zaak 429796/FT-RK 12-2682 van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 december 2012;
het arrest in de zaak 200.124.932/01 van het gerechtshof Den Haag van 18 april 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 30 mei 2013 op dit standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 juli 2013.
Conclusie 24‑05‑2013
Zaaknummer: 13/02203 (WSNP)
mr. Wuisman
Rolzitting: 24 mei 2013
CONCLUSIE inzake:
[verzoekster],
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos
1. Voorgeschiedenis
1.1 Op 24 oktober 2012 heeft verzoekster tot cassatie zich met twee verzoeken tot de rechtbank 's-Gravenhage gewend, te weten primair om twee crediteuren van haar te bevelen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling en subsidiair om haar toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Beide verzoeken heeft de rechtbank in afzonderlijke vonnissen van 14 december 2012 afgewezen. Bij afzonderlijke arresten van 18 april 2013 heeft het hof te 's-Gravenhage beide afwijzingen bekrachtigd. Van ieder arrest is verzoekster tot cassatie tijdig apart in cassatie gekomen. De voorliggende conclusie heeft betrekking op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Heden wordt ook geconcludeerd in de zaak die betrekking heeft op de afwijzing van het 'dwangakkoord' (zaaknummer 13/02204).
1.2 De rechtbank heeft het verzoek tot toelating bij vonnis van 14 december 2012 afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk was dat verzoekster te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden, en voorts omdat onvoldoende aannemelijk was dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Uitgaande van dezelfde twee gronden heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1 In cassatie wordt alleen de door het hof gebezigde grond dat verzoekster tot cassatie haar goede trouw ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden niet aannemelijk heeft gemaakt bestreden. De andere, de bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank ook zelfstandig dragende grond, inhoudende dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat verzoekster de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, blijft onbestreden. Dit brengt mee dat, ook indien de eerstgenoemde grond in cassatie terecht zou worden bestreden, het arrest van het hof toch in stand blijft. Anders gezegd, het cassatieberoep treft klaarblijkelijk geen doel en is derhalve niet-ontvankelijk te achten op grond van artikel 80a RO.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden