HR, 25-03-2003, nr. 01254/02 B
ECLI:NL:HR:2003:AF4209
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
25-03-2003
- Zaaknummer
01254/02 B
- Conclusie
Mr Fokkens
- LJN
AF4209
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2003:AF4209, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 25‑03‑2003
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF4209
ECLI:NL:HR:2003:AF4209, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 25‑03‑2003; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF4209
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF4209
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF4209
- Wetingang
art. 116 Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
NbSr 2003/158
Conclusie 25‑03‑2003
Mr Fokkens
Partij(en)
Nr. 01254/02 B
Mr Fokkens
Parket: 28 januari 2002
Conclusie inzake:
[verzoeker = klaagster]
1.
Bij beschikking van 26 april 2002 heeft de Rechtbank Breda het beklag van verzoeker strekkende tot teruggave aan haar van de in bovenvermelde beschikking omschreven trailer, gegrond verklaard.
2.
Tegen deze uitspraak heeft de officier van justitie cassatieberoep ingesteld.
3.
De officier van justitie heeft een middel van cassatie voorgesteld.
4.
5.
De Rechtbank Breda heeft het beklag van [klaagster] tegen het beslag dat krachtens art. 52 van de Douanewet op een haar toebehorende trailer was gelegd, gegrond verklaard. De Rechtbank heeft deze beslissing als volgt gemotiveerd:
"Het onderzoeksbelang vordert het voortduren van het beslag niet meer. Dat het inbeslaggenomene zal worden verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer is niet waarschijnlijk, zodat er geen gronden zijn het strafvorderlijke beslag te laten voortduren. Teruggave van het inbeslaggenomene aan klager is op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord, zodat last daartoe zal worden gegeven."
6.
De Rechtbank hanteert bij haar beslissing onderzocht of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. In deze zaak is echter geen sprake van een strafvorderlijk beslag, maar van een beslag op grond van art. 52 van de Douanewet.
7.
Art. 52 van de Douanewet luidt voor zover hier van belang als volgt"
" 1. Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om tot het nakomen van artikel 14, tweede lid genomen dwangmaatregelen te verijdelen, zomede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot een der hiervoor omschreven doeleinden in te richten of toe te rusten, worden in beslag genomen.
4.
Krachtens het eerste lid in beslag genomen vervoermiddelen en voorwerpen vervallen zonder rechtsvervolging aan de staat, tenzij bij een rechterlijke beslissing als bedoeld in het zesde lid de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd.
5.
De belanghebbende bij het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp kan binnen een maand na de mededeling omtrent de inbeslagneming bij de rechtbank van het arrondissement binnen hetwelk de inbeslagneming heeft plaatsgehad, daartegen hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde een met redenen omkleed klaagschrift indienen.
6.
De rechtbank behandelt het kaagschrift op de voet van het bepaalde in artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering, met dien verstande, dat ook de inspecteur in de gelegenheid wordt gesteld tijdens de behandeling te worden gehoord en hem, zo hij voor de behandeling is verschenen, tijdig tevoren door de griffier schriftelijk mededeling van de dag der uitspraak wordt gedaan."
8.
De Hoge Raad heeft in HR 14 mei 1996, NJ 1996, 619 in een vrijwel identieke zaak geoordeeld:
"Uit het samenstel van de bepalingen van het eerste en het vijfde lid van art. 213 van genoemde wet (lees: de AWDA, JWF) vloeit voort dat de rechter die over een op de voet van dit vijfde lid ingediende klaagschrift heeft te beslissen, moet toetsen aan de in het eerste lid opgenomen maatstaf."
9.
In mijn conclusie in die zaak ben ik uitgebreid ingegaan op de wetsgeschiedenis. Ik moge naar die conclusie verwijzen. De AWDA kreeg ingevolge een wetswijziging in 1992 als nieuwe citeertitel de Wet inzake de douane en is in 1996 opgevolgd door de huidige Douanewet. Artikel 52 van de Douanewet komt inhoudelijk geheel overeen met het destijds geldende artikel 213.
10.
Dat betekent dat het middel terecht klaagt dat de Rechtbank een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd en dat de bestreden ebschikking niet in stand kan blijven.
11.
Volledigheidshalve merk ik nog op dat art. 52, zesde lid, van de Douanewet art. 552b Sv van overeenkomstige toepassing verklaart op deze procedure en niet het door de Rechtbank toegepaste art. 552a Sv.
12.
Ik concludeer dat de Hoge Raad de bestreden beschikking zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch ten einde opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
Uitspraak 25‑03‑2003
Inhoudsindicatie
25 maart 2003 Strafkamer nr. 01254/02 B AG/IK Hoge Raad der Nederlanden Beschikking op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Breda van 26 april 2002, nummer RK 02/201, ingediend door: [klaagster], gevestigd te Malta. 1. De bestreden beschikking ...
Partij(en)
25 maart 2003
Strafkamer
nr. 01254/02 B
AG/IK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Breda van 26 april 2002, nummer RK 02/201, ingediend door:
[klaagster], gevestigd te Malta.
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft gegrond verklaard het door klaagster ingediende beklag strekkende tot teruggave aan haar van de in bovenvermelde beschikking omschreven trailer.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden beschikking zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
3. Beoordeling van het middel
3.1.
3.2.
Blijkens de stukken heeft [klaagster] zich beklaagd over een beslag dat op grond van art. 52 Douanewet is gelegd op een aan haar toebehorende trailer.
3.3.
De Rechtbank heeft het beklag gegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:
"Het onderzoeksbelang vordert het voortduren van het beslag niet meer. Dat het inbeslaggenomene zal worden verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer is niet waarschijnlijk, zodat er geen gronden zijn het strafvorderlijk beslag te laten voortduren. Teruggave van het inbeslaggenomene aan klager is op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord, zodat last daartoe zal worden gegeven."
3.4.1.
Art. 52, eerste lid, Douanewet houdt het volgende in:
"1.
Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om tot het nakomen van artikel 14, tweede lid, genomen dwangmaatregelen te verijdelen, zomede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot een der hiervoor omschreven doeleinden in te richten of toe te rusten, worden in beslag genomen."
3.4.2.
Art. 52, vijfde lid, Douanewet houdt het volgende in:
"5.
De belanghebbende bij het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp kan binnen een maand na de mededeling omtrent de inbeslagneming bij de rechtbank van het arrondissement binnen hetwelk de inbeslagneming heeft plaatsgehad, daartegen hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde een met redenen omkleed klaagschrift indienen."
3.5.
Uit het samenstel van de bepalingen van het eerste en het vijfde lid van art. 52 Douanewet vloeit voort dat de rechter die over een op de voet van dit vijfde lid ingediend klaagschrift heeft te beslissen, de in het eerste lid opgenomen maatstaf moet toepassen en derhalve dient te onderzoeken of sprake is van een vervoermiddel als bedoeld in het eerste lid.
Blijkens hetgeen hiervoor onder 3.3 is weergegeven heeft de Rechtbank die maatstaf niet gehanteerd.
Het middel is dus terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden beschikking;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2003.