Tegen 's Hofs arrest is beroep in cassatie ingesteld door de aanvrager, waarbij hij door de Hoge Raad bij arrest van 12 oktober 2004 (nr. 00828/04) niet-ontvankelijk in het beroep is verklaard.
HR, 22-09-2009, nr. S 01523/07 Hs
ECLI:NL:HR:2009:BJ8090
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
22-09-2009
- Zaaknummer
S 01523/07 Hs
- Conclusie
Mr. Fokkens
- LJN
BJ8090
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2009:BJ8090, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 22‑09‑2009; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ8090
ECLI:NL:PHR:2009:BJ8090, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 19‑05‑2009
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ8090
- Vindplaatsen
Uitspraak 22‑09‑2009
Inhoudsindicatie
Herziening geurproef. Aanvraag gegrond.
22 september 2009
Strafkamer
nr. S 01523/07 Hs
DV
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 30 september 2003, parketnummer 21/001151-03, ingediend door mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft de aanvrager ter zake van 1-A. "Het medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III", 1-B. "Het medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" en 2. "Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling ter zake van het bewezenverklaarde handelen met betrekking tot het vuurwapen, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en de wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef. Nu die geuridentificatieproef uitsluitend betrekking had op het aangetroffen vuurwapen, moet worden aangenomen dat de aanvrage beperkt is tot het onder 1 bewezenverklaarde.
3. De conclusie van de Procureur-Generaal
De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage tot herziening in voege als voormeld gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
4. Achtergrond van de aanvrage
Het is de Hoge Raad ambtshalve bekend dat door het openbaar ministerie aan een groot aantal onherroepelijk veroordeelden bij brief een mededeling is gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Volgens het openbaar ministerie zou ook in de zaak van de aanvrager gebruik zijn gemaakt van een dergelijke geuridentificatieproef. De onderhavige aanvrage is kennelijk naar aanleiding van deze mededeling ingediend.
5. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing
5.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC8789, NJ 2008, 591).
5.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.
5.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.
6. Beoordeling van de aanvrage
6.1. Ten laste van de aanvrager is bij het arrest waarvan herziening wordt verzocht onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij op 22 mei 2002 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, te weten een revolver (merk Smith & Wesson, kaliber .357 Magnum), en munitie van categorie III, te weten zes patronen .357, voorhanden heeft gehad."
6.2. De bewezenverklaring steunt, blijkens de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv, op de bewijsmiddelen waarvan de inhoud is weergegeven in de conclusie van de Procureur-Generaal onder 4.2.
6.3. Voor het bewijs van de onder 1 tenlastegelegde feiten zijn de resultaten gebezigd van de in bewijsmiddel 5 vermelde geuridentificatieproef, die de aanvrager in verband brengt met het op 22 mei 2002 in de personenauto met het kenteken [AA-00-AA] aangetroffen vuurwapen, merk S&W.
In het onderhavige geval moet het ervoor worden gehouden dat het Hof zonder de uitkomsten van deze onregelmatige geuridentificatieproef uit het andere bewijsmateriaal niet met voldoende mate van aannemelijkheid zou hebben afgeleid dat de aanvrager een van de personen is geweest die het onder 1 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.
Hier doet zich dus het hiervoor onder 5.3 bedoelde geval voor, zodat sprake is van een ernstig vermoeden dat het Hof de aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken.
6.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage gegrond is en als volgt moet worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 30 september 2003;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv in zoverre opnieuw zal worden behandeld en afgedaan teneinde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen en daarbij mede voor het onder 2 bewezenverklaarde feit op de voet van art. 476, tweede lid, Sv de straf te bepalen.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 22 september 2009.
Conclusie 19‑05‑2009
Mr. Fokkens
Partij(en)
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1.
Het Gerechtshof te Amhem heeft aanvrager bij onherroepelijk arrest van 30 september 20031. wegens 1-A. ‘Het medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III’, 1-B. ‘Het medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie’ en 2. ‘Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de wet wapens en munitie’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden.
2.
Aanvrager heeft herziening gevraagd van dat arrest. In de aanvrage wordt het herzieningsverzoek niet uitdrukkelijk beperkt tot feit 1, maar in de aanvrage wordt alleen gesproken over de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van het in de auto waarin aanvrager zat, gevonden vuurwapen. Het als feit 2 bewezenverklaarde voorhanden hebben van een ( in de in de bovenzak van aanvrager gevonden) boksbeugel komt in de aanvrage niet voor.
De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2* Sv. Wat de aanvrager daartoe aanvoert komt erop neer dat zijn zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef. Nu de bestreden geurproef uitsluitend betrekking had op het gevonden vuurwapen, moet worden aangenomen dat de herzieningsaanvraag geen betrekking heeft op het onder 1 bewezenverklaarde feit.
3.
Voor wat betreft de aanleiding van het verzoek verwijs ik naar wat in HR 22 april 2008, LJN BC9637 in rubriek 4 ten aanzien van soortgelijke zaken is vermeld. In die uitspraak heeft de Hoge Raad verder overwogen dat hij tegen de achtergrond van wat in zijn arrest eerder was vastgesteld aanneemt:
‘dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek — behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel — heeft plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dat brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden’.
In onderhavige zaak is door genoemde geurhondendienst op 25 mei 2002 een geuridentificatieproef gehouden.
4.1
Ten laste van aanvrager is bij het arrest waarvan herziening wordt verzocht onder 1-A en 1-B bewezen verklaard dat:
‘hij op 22 mei 2002 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, te weten een revolver (merk Smith & Wesson, kaliber .357 Magnum), en munitie van categorie III, te weten zes patronen .357, voorhanden heeft gehad.’
Ten laste van aanvrager is bij het arrest waarvan herziening wordt verzocht onder 2 bewezen verklaard dat:
‘hij op 22 mei 2002 te Arnhem een wapen van categorie I, onder 3e, te weten een boksbeugel, heeft gedragen en voorhanden heeft gehad;’
4.2
De bewezenverklaring berust blijkens de aanvulling op het verkort arrest op de navolgende bewijsmiddelen.
Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde
Voor zover in de hierna opgenomen schriftelijke bewijsmiddelen wordt verwezen naar het hoofdprocesverbaal, wordt hiermee verwezen naar het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer PL0783/02-005184, op 27 augustus 2002 gesloten en getekend door [verbalisant 1], hoofdagent van de politie, District AVZ, Unit BPZ Arnhem, met bijlagen.
‘1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof, op 16 september 2003, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte — zakelijk weergegeven—:
Op 22 mei 2002 reed ik ais bestuurder van een personenauto in Arnhem. Naast mij zat [betrokkene 1].
Wij hadden de auto gehuurd in Amsterdam. [Betrokkene 1] en ik gingen naar Arnhem. We waren weer op weg naar huis toen we werden aangehouden.
2.
Het, als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 5], inspecteur, en [verbalisant 6], brigadier van de politie, District AVZ, Unit BPZ Arnhem Oost, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0783/02-093713, gedateerd 22 mei 2002 (dossierparagraaf 1.2.2), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten — zakelijk weergegeven—:
Op woensdag 22 mei surveilleerden wij, verbalisanten, in Arnhem in een opvallende dienstauto. Hier zagen wij een personenauto, voorzien van het kenteken [AA-00-AA], rijden. Hiervan was de kentekenplaat aan de voorzijde behoorlijk gedeukt en de kentekenplaat aan de achterzijde hing scheef. Vervolgens gaven wij de auto een stopteken. De bestuurder bracht zijn auto op de Jansbuitensingel te Arnhem tot stilstand. Ik, eerste verbalisant, vroeg de bestuurder een geldig rijbewijs te overhandigen. Hieraan voldeed de bestuurder. Ik zag dat de bestuurder was genaamd: [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [plaats A], [a-straat 1] was genaamd. Wij, verbalisanten, zagen dat in de kaartenbak van het rechter voorportier een niet dichtgedraaide joint lag. Ook zagen wij dat op de grond voor de bijrijder een plastic zakje lag. Vervolgens stelde ik, [verbalisant 6], een onderzoek in op grond van de Opiumwet. Hierna stelde ik, [verbalisant 5], een onderzoek in aan de kleding van de bestuurder [aanvrager]. In de rechter bovenzak van de bestuurder trof ik, [verbalisant 5], een goudkleurige boksbeugel aan. Bij een nader onderzoek in de bovengenoemde auto troffen wij, verbalisanten, onder de bijrijderstoel een revolver, merk Smith & Wesson, type .357 magnum aan. In de cilinder van dit wapen zagen wij meerdere patronen met een holle punt zitten.
3.
Het, als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 2], brigadier van de politie Divisie JZ, Unit Reg. Recherche, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0753/02-093713, gedateerd 19 juli 2002 (dossierparagraaf 2.1.3), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant — zakelijk weergegeven—:
Op 22 mei 2002 werden op de openbare weg de, op de Jansbuitensingel te Arnhem, onder verdachten [betrokkene 1] en [aanvrager], onder de werking van de Wet Wapens en Munitie vallende voorwerpen aangetroffen en inbeslaggenomen. Deze voorwerpen werden voor nader onderzoek aan mij, verbalisant, overgedragen. De voorwerpen worden hieronder nader omschreven.
Vuurwapen 1
Het op 22 mei 2002 bij de verdachte [aanvrager] in beslag genomen voorwerp is een revolver van het merk Smith & Wesson, model 13-3, kaliber .357 magnum, voorzien van serienummer [000001]. Het voorwerp, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of andere scheikundige reactie, is geschikt om projectielen door een loop af te schieten. Dit voorwerp is een vuurwapen in de zin van artikel 1, derde lid, gelet op artikel 2, eerste lid, categorie III, onder Ie van de Wet Wapens en Munitie.
Munitie
De op 22 mei 2002 bij de verdachte [aanvrager] in beslag genomen munitie betreft 6 scherpe patronen, van het kaliber .357 magnum. De munitie is geschikt en bestemd om met het eveneens in dit procesverbaal omschreven, in beslag genomen vuurwapen, merk Smith & Wesson, model 13-3, kaliber .357 magnum te worden beschoten. Dit is munitie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 4e en artikel 2, tweede lid, categorie III van de Wet Wapens en Munitie.
Boksbeugel
Het op 22 mei 2002 bij de verdachte [aanvrager] in beslag genomen voorwerp is een boksbeugel, bestaande uit om de vingers sluitende, onderling met elkaar verbonden ringen. Op de ringen zijn wel puntige uitsteeksels bevestigd. Derhalve is dit voorwerp een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 3e van de Wet Wapens en Munitie.
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde bovendien
4.
Het, als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 3], brigadier/technisch rechercheur van de politie regiopolitie Gelderland-Midden, werkzaam bij de unit Technische Recherche, opgemaakt proces-verbaal, genummerd 02-093713, gedateerd 24 mei 2002 (dossierparagraaf 2.1.6), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant —zakelijk weergegeven—:
Pp 22 mei 2002 stelde ik in de personenauto met het kenteken [AA-00-AA] een technisch sporenonderzoek in naar aanleiding van een in deze auto aangetroffen vuurwapen, merk S & W. Tijdens dit gestelde onderzoek werd voor een eventuele geuridentiteitsproef de volgende sporendrager op de daarvoor geëigende manier veiliggesteld en gewaarmerkt.
Sporendrager | Vindplaats | Veiligstellen |
Revolver (Smith & Wesson) | in pers. Auto | [AA-00-AA] geurdoek |
De geurdoek is aangebracht op 22 mei 2002, 21.05 uur en afgenomen op 23 mei 2002, 06.30 uur.
5.
Het, als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 4], speurhondengeleider, tevens brigadier van de politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Twente, en [verbalisant 7], brigadier, werkzaam bij de regiopolitie Flevoland, opgemaakt procesverbaal, van geuridentificatie, genummerd [0000002], gedateerd 25 mei 2002 (dossierparagraaf 2.1.4), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten — zakelijk weergegeven—:
Op 25 mei 2002 werd door mij, [verbalisant 4], een geuridentificatieproef uitgevoerd met de speurhond REX. De geuridentificatieproef is uitgevoerd volgens de voorschriften, genoemd in supplement 2 van het Keuringsreglement Politiespeurhond menselijke geur (september 1997).
Conclusie: Gezien het gedrag en de werkwijze van REX bleek mij, [verbalisant 4], dat REX geurovereenkomst waarnaam tussen het corpus delicti (geurmonster vuurwapen. SVO-003. 02-093713) en de geurdragers welke waren vastgehouden door de verdachte [aanvrager].’
5.
Samengevat komt de hierboven onder 4.2 weergegeven bewijsconstructie van het Hof op het volgende neer. De aanvrager is op woensdag 22 mei 2002 in Arnhem aangehouden in een gehuurde personenauto met kenteken [AA-00-AA]. Hij was de bestuurder van deze auto. De aanleiding voor de aanhouding was kennelijk het gedeukt zijn van de kentekenplaten van deze personenauto. Nadat de opsporingsambtenaren een niet dichtgedraaide joint en een plastic zakje in de auto zagen liggen, hebben zij een onderzoek ingesteld. Hierbij is in de rechter bovenzak van de aanvrager een boksbeugel gevonden. Onder de bijrijderstoel troffen de opsporingsambtenaren een revolver, merk Smith & Wesson, type .357 magnum, met munitie aan (bewijsmiddelen 1, 2 en 3). Deze revolver is veiliggesteld ten behoeve van een geuridentificatieproef. Hierbij is een geurovereenkomst waargenomen tussen de revolver en de geurdragers die waren vastgehouden door de aanvrager (bewijsmiddelen 4 en 5). Bewijsmiddel 6 houdt in dat de aanvrager ter terechtzitting heeft bekend dat de boksbeugel van hem is.
. Voor de beoordeling van de aanvrage is van belang dat voor het ‘voorhanden hebben’ van een vuurwapen als bedoeld in art. 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie vereist is dat de dader zich in meer of mindere mate bewust is van de aanwezigheid van het vuurwapen met munitie.2. In aanmerking genomen dat aanvrager in een huurauto reed en dat het wapen en de munitie gevonden zijn onder de stoel van de bijrijder, kan niet zonder meer gesteld worden dat uit de omstandigheid dat aanvrager de auto bestuurde volgt dat dit bewustzijn bij hem aanwezig is geweest. Behoudens de als bewijsmiddel 5 gebezigde positieve geuridentificatieproef houden de bewijsmiddelen niets in, waamit kan volgen dat aanvrager zich van de aanwezigheid van het vuurwapen met munitie in meer of mindere mate bewust moet zijn geweest. Ook uit de stukken van het dossier zijn geen nadere gegevens dienaangaande af te leiden.
7.
Uit het voorgaande volgt dat niet aannemelijk is dat het Hof zonder de uitkomst van de positieve geuridentificatieproef op grond van het beschikbare materiaal tot een bewezenverklaring van feit 1 zou zijn gekomen.
Daarom is sprake van het ernstige vermoeden dat het Hof, ware het op de hoogte geweest van de omstandigheid dat ten aanzien van de geurproef ervan moet worden uitgegaan dat deze niet op deugdelijke wijze was uitgevoerd, tot een vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde zou zijn gekomen (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, r.o.v. 5.3.2).
8.
Het voorgaande brengt mee dat de aanvrage voor wat betreft feit 1 gegrond is.
9.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening in voege als voormeld gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van het Hof zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een Gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑05‑2009
Vgl. HR 4 april 1980, LJN AB7452, NJ 1980, 435; HR 10 juni 1986, LJN AC1490, NJ 1987, 85 en HR 26 januari 1999, NJ 1999, 537.