Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.4.3.1
3.4.3.1 Toekenning van de bevoegdheid
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS587097:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Bij derdenbeslag is ontbreekt hierover een wettelijke bepaling (vgl. art. 477 lid 1 Rv dat ziet op het in ontvangst nemen van betalingen en art. 477a lid 4 Rv dat ziet op het in rechte nakoming vorderen). Blijkens de parlementaire geschiedenis is de beslaglegger bevoegd om de derde-beslagene tot betaling aan te manen. Zie M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 175.
Waaronder het factureren en het (schriftelijk) aanmanen van de schuldenaar. Vgl. Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 2.
Daaraan doet niet af dat een schriftelijke aanmaning een ingebrekestelling tot gevolg kan hebben. Zie hiervóór nr. 105.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 588. Vgl. M.v.A. II, Parl Gesch. Boek 6, p. 130.
Zie bijvoorbeeld Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 138.
De beheersbevoegde persoon is met name ook bevoegd tot omzetting en ontbinding, als zij dienstig kunnen zijn aan een goed beheer. Zie hierna nr. 340 en 517. Vgl. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 772-773; en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 652.
Zie Verdaas 2008a, nr. 360; en A. Steneker in zijn noot (sub 2) onder Hof Leeuwarden 26 oktober 2005, ]OR 2006/22 (ING/Verdonk q.q.).
Zie hiervóór nr. 46.
Zie hierna nr. 245 e.v., 340 en 520. Dit wordt ook door Verdaas erkend. Zie Verdaas 2008a, nr. 339, 359 en 360.
Zie M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 175. Vgl. Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 451.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 733.
De derde-beslagene dient daarbij in verzuim te zijn (dus na het uitgaan van een ingebrekestelling). Zie hiervóór nr. 44.
De overeenkomstige toepassing van art. 3:62 lid 2 BW kan tot hetzelfde resultaat leiden. De stille cedent is bevoegd om de schuldenaar in gebreke te stellen, als dit dienstig kan zijn aan de inning van de vordering.
Zie hierna nr. 245-246, 340 en 517.
110. Is een derde inningsbevoegd, dan volgt daaruit dat hij ook bevoegd is om buiten rechte nakoming te vorderen.1 Is een (privatieve) last tot inning verleend, dan is de stille cedent op grand hiervan ( exclusief) bevoegd om buiten rechte nakoming te vorderen.2 Uit de toekenning van de inningsbevoegd volgt echter niet de toekenning van de bevoegdheid om de schuldenaar in gebreke te stellen.3 Is aan de stille cedent de beheersbevoegdheid toegekend ten aanzien van de stil gecedeerde vordering, dan volgt daaruit dat hij ook bevoegd is om de schuldenaar in gebreke te stellen, hetgeen wenselijk is. Wordt aansluiting gezocht bij de regeling van verpanding, zoals de wetgever beoogt, dan is onduidelijk of de stille cedent deze bevoegdheid wel toekomt.
Uit de parlementaire geschiedenis bij de regeling van gemeenschap blijkt dat als een derde beheersbevoegd is ten aanzien van een vordering, hij op grond daarvan bevoegd is om de schuldenaar in gebreke te stellen, als dit dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering. Nadat wordt vermeld dat de bevoegdheid om de verjaring te stuiten aan iedere deelgenoot toekomt (art. 3:170 lid 1 BW), wordt in de parlementaire geschiedenis opgemerkt:
"Anders is het gesteld met ingebrekestelling van de schuldenaar. Is het beheer aan een der deelgenoten opgedragen, dan behoort slechts deze tot ingebrekestelling over te kunnen gaan, wanneer hij meent dat een goed beheer dit meebrengt, hetgeen niet steeds het geval behoeft te zijn. Slechts indien de ingebrekestelling geen uitstel kan lijden en overleg met de andere deelgenoten, respectievelijk de beherende deelgenoot, niet mogelijk is, zal ingevolge de eerste zin ieder der deelgenoten zelfstandig tot ingebrekestelling bevoegd over kunnen gaan."4
Uit de passage volgt dat het uitbrengen van een ingebrekestelling onder het beheer van de vordering kan vallen, maar dit niet noodzakelijkerwijs altijd het geval hoeft te zijn.5
Hieruit volgt ten eerste, in positieve zin, dat als een derde de beheersbevoegdheid is toegekend, hij op grond daarvan bevoegd kan zijn om de schuldenaar in gebreke te stellen. De vruchtgebruiker, de bewindvoerder, de rekeninghouder van een kwaliteitsrekening, de vereffenaar van een nalatenschap, de executeur en de curator zijn op grond van hun beheersbevoegdheid tot het uitbrengen van een ingebrekestelling bevoegd, als dit dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering. Een ingebrekestelling zal bijvoorbeeld dienstig aan een goed beheer van de vordering zijn als de vervolgstappen waarvoor het verzuim van de schuldenaar een vereiste is – het uitwinnen van goederenrechtelijke of persoonlijke zekerheden, het omzetten van de vordering in een vordering tot vervangende schadevergoeding of het ontbinden van de onderliggende overeenkomst – dienstig kunnen zijn aan een goed beheer van de vordering.6
111. Uit de passage volgt ook ten tweede, in negatieve zin, dat de derde die niet beheersbevoegd is, in beginsel niet bevoegd is om zelfstandig een ingebrekestelling uit te laten gaan. Het is om die red en twijfelachtig of aan de pandhouder deze bevoegdheid zonder meer toekomt. Onder meer Verdaas en Steneker hebben gesteld dat de pandhouder hiertoe bevoegd is, omdat de bevoegdheid tot ingebrekestelling onderdeel zou uitmaken van de inningsbevoegdheid.7 Zoals hiervoor uiteengezet dient tussen beide bevoegdheden een onderscheid te worden gemaakt en volgt uit de toekenning van de inningsbevoegdheid niet zonder meer de toekenning van de bevoegdheid om in gebreke te stellen.
Een argument tegen de toekenning van de bevoegdheid aan de pandhouder is dat de wetgever de ingebrekestelling als een beheershandeling aanmerkt, terwijl de pandhouder uitdrukkelijk niet beheersbevoegd is.8 Volgens de wetgever brengt een goed beheer van de vordering bovendien niet altijd mee dat in gebreke wordt gesteld. De beheersbevoegde derde is dus ook niet in alle gevallen bevoegd om een ingebrekestelling uit te laten gaan. Het onvoorwaardelijk toekennen van deze bevoegdheid aan de pandhouder zou daarmee dan ook niet stroken. Tegen toekenning van de bevoegdheid tot ingebrekestelling aan de pandhouder pleit voorts dat de pandhouder- anders dan de beheersbevoegde derde- niet bevoegd is om alle vervolgstappen te zetten na het verzuim van de schuldenaar. Hij is bevoegd om de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten zoals pand en hypotheek uit te oefenen, maar hij is- anders dan de beheersbevoegde derde - niet bevoegd om de vordering in een vordering tot vervangende schadevergoeding om te zetten of de onderliggende overeenkomst te ontbinden.9 Deze verschillende mogelijkheden bij niet-nakoming sluiten elkaar bovendien logischerwijs uit. Als de schuldenaar niet nakomt, dient de pandhouder de pandgever daarvan op de hoogte te stellen en dient hij voor het uitbrengen van een ingebrekestelling in over leg te treden met de pandgever en daarvoor diens toestemming te verkrijgen. Gaat het om een redelijk verzoek, dan kan de pandgever dit niet weigeren. De pandgever kan bij voorbaat aan de pandhouder ook een (onherroepelijke) volmacht verlenen om de schuldenaar in gebreke te stellen.
Uit de parlementaire geschiedenis bij de regeling van derdenbeslag, welke regeling in veel opzichten op die van verpanding lijkt, volgt dat de beslaglegger wél bevoegd is om de derde-beslagene in rechte in gebreke te stellen.10 De toekenning van deze bevoegdheid is in overeenstemming met de bevoegdheid van de beslaglegger om in rechte vervangende schadevergoeding te eisen, als de derde-beslagene zijn betalingsverplichting niet nakomt. Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, kan dit alleen gebeuren door de beslagen vordering om te zetten in een vordering tot vervangende schadevergoeding, en daarvoor is het verzuim van de schuldenaar vereist (art. 6:87 BW). Dat de beslaglegger hiertoe bevoegd is, zou een argument kunnen zijn om de bevoegdheid ook bij de pandhouder te veronderstellen. De bevoegdheden lopen hier echter toch uiteen: terwijl de beslaglegger op grond van art. 477a lid 4 Rv ook bevoegd lijkt te zijn om de beslagen vordering in rechte om te zetten in een tot vervangende schadevergoeding ( een vervolgstap na verzuim), wordt deze bevoegdheid in de parlementaire geschiedenis nadrukkelijk aan de pandhouder onthouden.11
De beslaglegger is ook bevoegd om op grond van art. 477 lid 1 Rv van de derde-beslagene die in gebreke blijft om derde-verklaring af te leggen, veroordeling te vorderen tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware de derde-beslagene daarvan zelf schuldenaar.12 In dit geval komt aan de beslaglegger echter uit eigen hoofde de bevoegdheid tot ingebrekestelling toe, omdat de verplichting van de derde-beslagene er een is jegens hemzelf.
112. Voor de invulling van de (privatieve) last aan de stille cedent kan beter worden aangesloten bij de bevoegdheden van de beheersbevoegde derde, zoals een bewindvoerder, dan bij de bevoegdheden van de openbaar pandhouder. De stille cedent is bevoegd om de schuldenaar in gebreke te stellen, als dit dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering.13 De beheersbevoegde stille cedent zal op grond van zijn beheersbevoegdheid (of als partij bij de overeenkomst) óók bevoegd zijn om de aan de stil gecedeerde vordering verbonden zekerheidsrechten uit te oefenen, de verbintenis om te zetten in een vordering tot vervangende schadevergoeding en de onderliggende rechtsverhouding te ontbinden, als dit dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering.14 Wordt bij de regeling van pand aansluiting gezocht, dan is het op grond van de parlementaire geschiedenis twijfelachtig of de stille cedent zonder nadere bepaling bevoegd is om de schuldenaar in gebreke te stellen.
Komt de schuldenaar niet na, of raakt hij in verzuim, dan zal de stille cedent de stille cessionaris hiervan op de hoogte dienen te brengen.
Is sprake van een privatieve last, dan is de stille cessionaris onbevoegd om buiten rechte nakoming te vorderen of de schuldenaar in gebreke te stellen. Gaat hij over tot het buiten rechte vorderen van nakoming of het in gebreke stellen van de schuldenaar, dan dient dit als het doen van mededeling zoals bedoeld in art. 3:94 lid 3 BW te worden beschouwd.