Rb. Noord-Nederland, 07-05-2026, nr. 18.049127.26
ECLI:NL:RBNNE:2026:1588
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
18.049127.26
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2026:1588, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 07‑05‑2026; (Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak)
- Wetingang
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van drie diefstallen, waaronder een door middel van een valse sleutel, en lokaalvredebreuk. Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte de ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaren.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.049127.26
ter terechtzitting gevoegd parketnummers 18.003506.26, 18.284255.25 en 18.232836.25 vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18.239715.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 april 2026.
Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. R.A. Valk, advocaat te Groningen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Hof.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
In de zaak met parketnummer 18.049127.26
hij op of omstreeks 16 februari 2026 te Groningen een fles alcoholhoudende drank, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
In de zaak met parketnummer 18.003506.26
hij op of omstreeks 6 januari 2026 te Groningen een fles alcoholhoudende drank, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Plus, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
In de zaak met parketnummer 18.284255.25
1.
hij op of omstreeks 3 augustus 2025 te Groningen, een ASB bankpas t.n.v. [slachtoffer] , althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2.
hij op of omstreeks 3 augustus 2025 te Groningen één of meer geldbedra(gen) (in totaal 90,90), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen één of meer geldbedrag(en) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met een bankpas van voornoemde persoon meermaals contactloos te betalen, tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet was gerechtigd;
In de zaak met parketnummer 18.232836.25
hij op of omstreeks 30 augustus 2025 te Groningen in het besloten lokaal [adres] bij Jumbo [locatie] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 23-08-2025 schriftelijk de toegang tot die winkel ontzegd voor de duur van 1 jaar.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 18.284255.25 heeft de officier van justitie aangevoerd dat sprake is van opzetheling. Er is aangifte gedaan van een woninginbraak, waarbij een pinpas is weggenomen. Verdachte is door de politie op camerabeelden herkend, terwijl hij met die pas een aantal transacties heeft verricht. Aldus moet hij hebben geweten dat de door hem aangetroffen bankpas uit een misdrijf afkomstig was.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft alleen voor feit 1 onder parketnummer 18.284255.25 een bewijsverweer gevoerd. Hij heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van opzetheling, maar dat schuldheling wel bewezen kan worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 18.284255.25, feit 1
De rechtbank acht feit 1 onder parketnummer 18.284255.25 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt hiertoe dat uit het procesdossier onvoldoende duidelijk is geworden onder welke feiten en omstandigheden verdachte de bankpas onder zich heeft gekregen. De rechtbank kan daardoor niet vaststellen of verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van aangevers bankpas wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit een door misdrijf verkregen goed betrof.
Bewezenverklaring ten aanzien van parketnummer 18.049127.26
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van het onder parketnummer 18.049127.26 ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 februari 2026, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2026041669 d.d. 17 februari 2026, inhoudend als verklaring van [aangever 1] :
Plaats delict: [adres] te Groningen (Albert Heijn) Pleegdatum/tijd: Op 16 februari 2026 omstreeks 19:36 uur
Bij het uitvoeren van een zelfscancontrole bleek dat niet alle goederen waren gescand door verdachte. Ik heb meneer aangesproken over dat hij een fles port onder zijn jas had en deze was ook deels zichtbaar. Na aanspreken wilde hij deze niet afgeven. Hierna is hij weggelopen met de fles port en is daarna de poortjes gepasseerd zonder te betalen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 februari 2026, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op de camerabeelden zag ik dat het de Albert Heijn betrof. Ik zag dat de persoon uit een schap een fles drank pakte, hierna te noemen verdachte. Vervolgens zag ik dat de fles drank verdween aan de rechterkant van de jas van verdachte. Ik zag dat het personeel van Albert Heijn wijst naar de rechter binnen jaszak van verdachte. Verdachte haalt hier iets uit zijn jas, wat dit is kan ik niet zien. Vervolgens stopt verdachte dit terug in de jas en houdt verdachte zijn armen tegen zijn jas aan. Vervolgens zie ik dat verdachte de winkel verlaat zonder de fles drank te betalen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 16 februari 2026, opgenomen op pagina 11 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 16 februari 2026, om 19:37 uur, kregen wij een opdracht om te gaan naar de [adres] te Groningen. Ter plaatse werden wij buiten opgewacht door medewerkers van de Albert Heijn. Zij wezen naar een man aan de overkant van de weg en verklaarden dat hij de verdachte was die een fles wijn had weggenomen. Ik verbalisant herkende de verdachte zijnde: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980. Ik zag dat verdachte een fles wijn onder zijn jas had.
Bewezenverklaring ten aanzien van parketnummer 18.003506.26
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van het onder parketnummer 18.003506.26 ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 januari 2026, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2026004436 d.d. 6 januari 2026, inhoudend als verklaring van [aangever 2] :
Pleegdatum/-tijd: 6 januari 2026
Hij deed aangifte namens Plus, gevestigd aan [adres] te Groningen.
Ik zag dat verdachte een lege tas bij zich had, die naar een kant scheef hing door zwaar gewicht. Hierop vroeg ik meerdere malen of ik in de tas mocht kijken, verdachte weigerde dit en zei dat de fles al open was. Ik zag aan de fles dat deze nog gesloten en geseald was. Hierna hebben wij de camerabeelden teruggekeken en ik zag dat verdachte de fles in de tas stopt en deze niet ter betaling aanbiedt. Het volgende goed is bij de diefstal weggenomen: fles sherry.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2026, opgenomen op pagina 9 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op de camerabeelden zie ik de schappen van de Plus aan [adres] te Groningen. Onderaan het scherm zie ik de datumaanduiding 2026-01-06 en de tijdsaanduiding 08:28:42. Bij het starten van de beelden zie ik verdachte lopen bij de schappen van de flessen drank. Ik zie dat hij in zijn linkerhand een winkelmandje en een boodschappentas van de Albert Heijn vastheeft. Ik zie dat hij met zijn rechterhand reikt naar de schappen en hier een fles drank wegpakt. Ik zie dat hij deze fles in het winkelmandje legt en vervolgens in de Albert Heijn tas stopt. Ik zie dat verdachte met zijn winkelmandje bij de kassa staat. Ik zie dat verdachte, behalve een flesje bier en de inhoud van de bruine zak bij de kassa, de fles drank niet ter betaling aanbiedt. Ik zie dat een medewerker van de Plus met verdachte spreekt. Deze medewerker reikt richting de Albert Heijn tas. Verdachte loopt voorbij de kassa en pakt zijn betaalde boodschappen in.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 6 januari 2026, opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 6 januari 2026 om 08:58 uur werd door ons op de locatie [adres] te Groningen, aangehouden als verdachte: [verdachte] , geboortedatum: [geboortedatum] 1980.
Bewezenverklaring ten aanzien van parketnummer 18.284255.25, feit 2
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van feit 2 onder parketnummer 18.284255.25 redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 augustus 2025, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025287017 d.d. 22 oktober 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Op 3 augustus 2025 omstreeks 13:00 uur ontdekte ik dat mijn tas weg was. Ik merkte op 3 augustus 2025 omstreeks 18:22 uur dat mijn portemonnee ook weg was genomen. In de tas zat ook mijn bankpas. Via mijn bankapp zag ik dat er in de tussentijd al diverse afschrijvingen/betalingen zijn gedaan met mijn pinpas.
De rechtbank begrijpt dat uit de door aangever aan de verbalisanten overgelegde fotos (p. 11 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025287017 d.d. 22 oktober 2025) volgt dat 14 contactloze betalingen zijn gedaan voor een totaalbedrag van
90,90.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 augustus 2025, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik bekeek beelden van [cafetaria] te Groningen. Ik zag dat de beelden gefilmd waren op 3 augustus 2025, om 16:44:36 uur. Ik zag om 16:45:28 uur, dat persoon 1 in beeld kwam. Ik zag dat hij met zijn rechterhand een betaalpas aanbood bij de contactloze pinautomaat. Ik zag dat hij vervolgens met zijn rechterhand een luikje van de muur open maakte. Ik zag dat hij wegdraaide en vervolgens met zijn rechterhand nogmaals de pinpas aanbood. Ik zag dat hij vervolgens wederom eten uit het luikje wegnam en vervolgens het beeld uitliep.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 oktober 2025, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik bekeek de door de McDonalds aangeleverde camerabeelden. Ik zie dat de beelden zijn van 03/08/2025 en starten om 17:37:36 uur. Om 17:51:12 uur komt verdachte in beeld. Ik zie dat verdachte een bestelling doet bij de medewerker. Ik zie dat verdachte om 17:51:31 uur een bankpas op het pinapparaat legt. Ik zie dat verdachte een bon overhandigd krijgt van de medewerker. Verdachte lijkt weg te lopen maar doet vervolgens toch nog een bestelling. Ik zie dat verdachte om 17:52:00 uur opnieuw de bankpas op het pinapparaat legt. Vervolgens overhandigt de medewerker verdachte een zakje. Ik zag op foto's van de bankapp van aangever dat er op 3 augustus 2025 om 17:40 uur twee keer geld bij de McDonalds [locatie] was afgeschreven. Dit ging om een bedrag van 7,55 euro en om een bedrag van 0,85 euro.
Omdat ik het vermoeden had dat er tijdsverschil zat in de camerabeelden van de McDonalds met de werkelijke tijd heb ik op 8 oktober 2025 gebeld met de McDonalds aan het [locatie] . [naam] vertelde aan mij dat er inderdaad tijdsverschil in de camerabeelden zit ten opzichte van de werkelijke tijd. Medewerker [naam] vertelde mij dat de tijd op de camerabeelden wel ongeveer iets van zeven, acht à tien minuten voorloopt ten opzichte van de werkelijke tijd. Daarbij wil ik ook opmerken dat tussen de start van de beelden om 17:37:36 uur en 17:57:43 er niemand op beeld staat voordat verdachte een betaling doet bij deze kassa.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2025, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik bekeek de beelden van de Primera, gelegen aan [adres] te Groningen. Op de beelden zag ik dat het beelden betroffen van 3 augustus 2025 om 17:00 uur. Om 17:03 uur zie ik, de mij ambtshalve bekende verdachte, [verdachte] , de Primera binnenlopen. Ik zie dat hij wat vraagt aan een medewerkster en dat er voor verdachte een product wordt gepakt. Ik zie vervolgens dat de medewerkster dit product aanslaat op de kassa. Daarop zie ik dat verdachte een pas richting de kassa brengt. Vervolgens zie ik dat hij het product overhandigd krijgt van de medewerkster van de Primera en wegloopt en de Primera om 17:04 uur verlaat. Bij het ophalen van de beelden heb ik kort met een medewerker van de Primera gesproken, hij verklaarde dat dit de persoon was die voor een bedrag van 2,25 euro had gepind. Verder zag ik dat de aangever meerdere screenshots had aangeleverd van betalingen welke met zijn bankpas waren gedaan.
Op een van deze screenshots zag ik een afschrijving van 2,25 euro op 3 augustus 2025 om 17:04 uur bij de Primera [adres] .
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 oktober 2025, opgenomen op pagina 50 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik heb hierbij de beelden beschreven welke zijn opgenomen bij de Primera, gelegen aan [adres] te Groningen. Daarnaast heb ik de beelden gezien van [cafetaria] en McDonalds. Op de beelden zag ik dat het alle keren dezelfde verdachte betrof en ik ambtshalve ken als: [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] . Ik herken verdachte vanuit mijn werkzaamheden als hoofdagent van basisteam Groningen-Centrum, waarbij ik veelvuldig contact heb gehad met verdachte. Ik heb tijdens mijn werkzaamheden verdachte meerdere keren aangehouden, een aangifte opgenomen, meldingen afgehandeld waarbij verdachte betrokken was en ik zag hem veelvuldig tijdens de surveillance. Op 22 oktober 2025, was ik belast met het verdachte verhoor van verdachte. Ik zag tijdens het verhoor dat verdachte dezelfde persoon was als de verdachte op de beelden van de Primera en McDonalds.
Bewijsoverweging
De rechtbank is op basis van de processen-verbaal van aangifte en van de beschrijvingen van de camerabeelden van achtereenvolgens [cafetaria] , Primera en McDonalds, alsmede van de processen-verbaal van herkenning van verdachte op deze beelden, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de pintransacties in genoemde winkels steeds heeft verricht. De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de overige pintransacties ook heeft verricht. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De overige transacties zijn steeds met dezelfde pas gedaan als die waarmee de drie eerder genoemde pintransacties zijn gedaan. Ook zijn met dezelfde pas van aangever de bedragen telkens binnen een korte tijdspanne van anderhalve uur na elkaar verricht, zo volgt uit het proces-verbaal van aangifte (met daarbij de fotobijlage), in en rondom het centrum van Groningen. Uit het dossier volgt dat deze feiten soortgelijk zijn aan die met betrekking tot bovenvermelde winkels en dat de werkwijze van verdachte telkens overeenkwam. Hieraan kan naar het oordeel van de rechtbank de gevolgtrekking worden verbonden dat de verdachte, naast de drie eerder genoemde gevallen, ook bij de andere winkels telkens contactloos heeft gepind ten bedrage van in totaal 90,90. De rechtbank acht derhalve het ten laste gelegde onder 18.284255.25, feit 2 in zijn geheel wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring ten aanzien van parketnummer 18.232836.25
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van het onder parketnummer 18.232836.25 ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 augustus 2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025235125 d.d. 27 september 2025, inhoudend als verklaring van [aangever 3] :
Aan verdachte werd een verbod uitgedeeld op 23 augustus 2025 voor alle filialen van Jumbo, welke gevestigd zijn in de stad Groningen.
Ik voer mijn werkzaamheden vandaag uit bij de Jumbo gevestigd aan [adres] .
Op 30 augustus 2025 zag ik een persoon welke ik herkende als een persoon die een winkelverbod heeft opgelegd gekregen. Ik zie dat hij de winkel binnentreedt via de ingang en de toegangspoortjes voorbij gaat.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 30 augustus 2025, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Aldaar zit winkelketen Jumbo gevestigd. (...)
Op zaterdag 30 augustus 2025 kwamen wij ter plaatse bij de Jumbo op [adres] te Groningen. Aldaar werden wij opgewacht door het winkelpersoneel en begeleid naar het magazijn. Wij hoorden de beveiliger ons vertellen dat [verdachte] een verbod opgelegd had gekregen welke van kracht was vanaf 23 augustus 2025. Dit verbod zou geldig zijn voor alle winkelketens van de Jumbo van de stad Groningen.
3. Een schriftelijk bescheid, te weten een winkelontzegging, opgenomen op pagina 7 van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:
Uitgereikt aan [verdachte]
In overleg met de Politie Groningen delen wij u mede dat wij u verbieden onderstaande bedrijven, met alles wat daarbij hoort, te betreden of zich daar op te houden:
Jumbo [locatie] [adres]
Deze ontzegging zal ingang vinden d.d. 23-08-2025. Deze ontzegging zal eindigen d.d. 23-08-2026.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het feit onder parketnummer 18.049127.26, het feit onder parketnummer 18.003506.26, feit 2 onder parketnummer 18.284255.25 en het feit onder parketnummer 18.232836.25 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
In de zaak met parketnummer 18.049127.26
hij op 16 februari 2026 te Groningen een fles alcoholhoudende drank die aan Albert Heijn toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
In de zaak met parketnummer 18.003506.26
hij op 6 januari 2026 te Groningen een fles alcoholhoudende drank die aan Plus toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
In de zaak met parketnummer 18.284255.25
2.
hij op 3 augustus 2025 te Groningen geldbedragen (in totaal 90,90), die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met een bankpas van voornoemde persoon meermaals contactloos te betalen, tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet was gerechtigd;
In de zaak met parketnummer 18.232836.25
hij op 30 augustus 2025 te Groningen in het besloten lokaal [adres] bij Jumbo [locatie] in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 23-08-2025 schriftelijk de toegang tot die winkel ontzegd voor de duur van 1 jaar.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
In de zaak met parketnummer 18.049127.26
diefstal;
In de zaak met parketnummer 18.003506.26
diefstal;
In de zaak met parketnummer 18.284255.25
2. diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
In de zaak met parketnummer 18.232836.25
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Motivering van de (ISD-)maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (verder: ISD-maatregel) voor twee jaren, zonder aftrek van de voorlopige hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair gepleit voor de oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel. Aan de voorwaardelijke ISD-maatregel dienen de eerder door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden, eventueel uitgebreid met een middelencontrole. Voor de oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel is niet aan de subsidiariteitseisen voldaan, want alternatieven zijn onvoldoende uitgeput. Zo is de voorwaardelijke veroordeling van 20 augustus 2024 nog niet ten uitvoer gelegd noch zijn de daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden aangescherpt. Ook is het toezicht niet door de reclassering teruggelegd. Het is meer passend om verdachte opnieuw klinisch te laten behandelen en voor deze hulpverlening is verdachte ook ontvankelijk.
De raadsman heeft subsidiair aangevoerd, in het geval de ISD-maatregel onvoorwaardelijk zal worden opgelegd, het voorarrest in mindering te brengen. In dat geval zal voor het feit onder parketnummer 18.232836.25 het rechterlijk pardon moeten worden toegepast, omdat daarvoor geen ISD-maatregel openstaat.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van drie diefstallen, waaronder een door middel van een valse sleutel, en lokaalvredebreuk. In een periode van ruim zes maanden heeft hij tweemaal bij verschillende supermarkten telkens een fles alcoholhoudende drank gestolen en is hij een andere winkel wederrechtelijk binnengedrongen, terwijl hem de toegang tot die winkel was ontzegd. Daarnaast heeft verdachte op één dag meermaals met andermans bankpas contactloze betalingen verricht, hoewel hij daartoe niet was gerechtigd.
Dit zijn feiten die in het algemeen, naast financiële schade, veel maatschappelijke hinder en overlast meebrengen. Verdachte heeft de strafbare feiten begaan om (onder meer) te kunnen voorzien in zijn alcoholverslaving, waarbij hij slechts oog heeft gehad voor zijn eigen financiële gewin. De schadelijke gevolgen van zijn handelen voor de ondernemers en het individu waren voor hem van ondergeschikt belang. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.
Bovendien was verdachte na zijn aanhoudingen vaak (verbaal) agressief, hetgeen de rechtbank hem kwalijk neemt.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel van de justitiële documentatie van verdachte, gedateerd op 12 maart 2026, waaruit naar voren komt dat verdachte (de afgelopen jaren) veelvuldig is veroordeeld voor (met name) vermogensdelicten.
De rechtbank heeft verder het reclasseringsadvies van 10 april 2026 in ogenschouw genomen, waarin wordt geadviseerd een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
De reclassering heeft verder als volgt gerapporteerd. Op vrijwel alle leefgebieden zijn risicofactoren aanwezig. De in de afgelopen jaren ingezette reclasseringsinterventies, zowel ambulant als klinisch, hebben niet geleid tot gedragsverandering, controle over middelengebruik en/of recidivebeperking. De combinatie van bovenstaande factoren en het ontbreken van enige vorm van structuur in zijn leven maken dat verdachte voortdurend terugvalt in delictgedrag. Hoewel een van de twee opnames op de forensische verslavingsafdeling positief is beëindigd, viel verdachte hierna na enkele dagen terug in middelengebruik en het plegen van delicten. Daarnaast zijn vier verschillende aangevangen trajecten van beschermd wonen negatief beëindigd wegens het niet verblijven in de woonvorm, het niet nakomen van afspraken en het uit contact zijn. Om deze redenen is ambulante behandeling of begeleiding nooit van de grond gekomen.
De risicos op recidive en het onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als hoog.
Een strikter kader wordt noodzakelijk geacht om het recidiverisico in te perken. Met de ISD-maatregel wordt beoogd het uitzichtloze patroon van vastzitten, vrijkomen en terugvallen in middelengebruik te doorbreken. In deze beveiligde setting kan gericht worden gewerkt aan de verslavings- en traumaproblematiek met continuïteit in behandeling en toezicht.
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel als bedoeld in artikel 38m (eerste lid) van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane strafbare feiten ten minste driemaal tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. Deze vonnissen zijn onherroepelijk en geheel ten uitvoer gelegd. De onderhavige feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Op grond van het reclasseringsrapport is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Gezien het hoge recidiverisico eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel.
Bij het opleggen van de ISD-maatregel dient enerzijds te worden afgewogen het belang van de maatschappij om beveiligd te worden tegen de aantasting van de veiligheid van personen of goederen door misdrijven als deze en anderzijds het recht op persoonlijke vrijheid. De eerder aan verdachte opgelegde straffen hebben er niet toe geleid dat verdachte geen strafbare feiten meer pleegt. De inhoud van het reclasseringsadvies brengt de rechtbank tot het oordeel dat, gelet op de recentelijk mislukte ambulante en klinische hulpverleningstrajecten, de oplegging van de ISD-maatregel nodig is teneinde het herhalingsgevaar in te perken.
In het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de maatregel niet of in de minder vergaande vorm van een voorwaardelijke ISD op te leggen zoals door de raadsman is bepleit.
Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte de ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaren. De rechtbank is van oordeel dat deze periode noodzakelijk is om de kans op recidive te beperken en de kans op gedragsbeïnvloeding te vergroten. De rechtbank ziet daarom geen grond om rekening te houden met de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht.
Voor wat betreft het feit onder parketnummer 18.232836.25 overweegt de rechtbank dat dit geen feit is

waarvoor de ISD-maatregel kan worden opgelegd. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van dit feit schuldig verklaren zonder oplegging van straf.
Benadeelde partij
Ten aanzien van parketnummer 18.284255.25, feit 2
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 290,80 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van 90,90 moet worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en deze voor het overige dient te worden afgewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de vordering tot een bedrag van 90,90 toewijsbaar is en voor het overige dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade tot een bedrag van 90,90 de met benadeeldes bankpas contactloos uitgevoerde betalingen heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 18.284255.25 feit 2 bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 augustus 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het overige door benadeelde gevorderde de rugtas
( 89,95) en de jas ( 109,95) door het bewezen verklaarde geen rechtstreekse schade is toegebracht aan
de benadeelde partij. De rechtbank zal daarom dit gedeelte van de vordering van benadeelde partij afwijzen.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 20 augustus 2024 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan een maand voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 4 september 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. Daarnaast zijn hieraan diverse bijzondere voorwaarden gekoppeld.
De officier van justitie heeft bij vordering van 11 maart 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging gevorderd. De raadsman heeft ter zitting primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen, subsidiair deze af te wijzen.
De rechtbank wijst de vordering af, aangezien aan verdachte de ISD-maatregel zal worden opgelegd.
Toepassing van wetsartikelen
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 onder parketnummer 18.284255.25 ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het ten laste gelegde onder het feit onder parketnummer 18.049127.26, het feit onder parketnummer 18.003506.26, feit 2 onder parketnummer 18.284255.25 en het feit onder parketnummer 18.232836.25 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van het feit onder parketnummer 18.049127.26, het feit onder parketnummer 18.003506.26 en feit 2 onder parketnummer 18.284255.25
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
Ten aanzien van het feit onder parketnummer 18.232836.25
Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Ten aanzien van parketnummer 18.284255.25 feit 2, benadeelde partij [slachtoffer] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
- -
het bedrag van 90,90 (zegge: negentig euro en negentig eurocent);
- -
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;
- -
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van [slachtoffer] voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 90,90 (zegge: negentig euro en negentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18.239715.24:
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 20 augustus 2024.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, voorzitter, mr. S. Zwarts en
mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 mei 2026.