NJB 2023/1788
Verklaring bedreigde getuige als bewijs, art. 226a e.v. en art. 6 EVRM: de R-C beoordeelt of een getuige kan worden aangemerkt als bedreigde getuige i.d.z.v. art. 226a Sv, terwijl de zittingsrechter beoordeelt of, als hij voor het bewijs gebruikmaakt van de resultaten van het in art. 226d Sv bedoelde verhoor van de bedreigde getuige, dat gebruik in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces uit o.a. art. 6 EVRM. Bij die beoordeling wordt ook betrokken of aan de wijze van totstandkoming dan wel aan de inhoud van het bevel van de R-C of van de in art. 226b Sv bedoelde rechter dat de identiteit van de getuige bij zijn verhoor verborgen wordt gehouden, fundamentele gebreken kleven en, zo ja, of (mede) als gevolg van die fundamentele gebreken het gebruik van de resultaten van het verhoor in strijd komt met het recht op een eerlijk proces. - In casu kon het hof oordelen dat zich zulke fundamentele gebreken niet hebben voorgedaan. - In casu kon het hof oordelen dat is voldaan aan art. 344a lid 1 Sv dat het bewijs dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, niet uitsluitend of in beslissende mate wordt gegrond op de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. - In casu kon het hof oordelen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, mede erop gelet dat de verdediging voorafgaand aan het inhoudelijke verhoor schriftelijke vragen heeft opgegeven, dat alle door het openbaar ministerie en door de verdediging opgegeven vragen door de R-C zijn gesteld en door de getuige zijn beantwoord en dat, voor zover de antwoorden niet in het proces-verbaal van verhoor zijn opgenomen, dit nodig was om de identiteit van de getuige verborgen te houden; dat de R-C de betrouwbaarheid van de getuige heeft onderzocht en daarover rekenschap heeft afgelegd, dat het hof zelfstandig de betrouwbaarheid van de getuige onderzocht in samenhang met het overige bewijsmateriaal, waarbij het hof er blijk van heeft gegeven zich bewust te zijn geweest dat behoedzaamheid is vereist bij de waardering en het gebruik voor het bewijs van de verklaring van een anonieme getuige, en dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep een aantal medeverdachten als getuige heeft kunnen ondervragen. Selectie en waardering van het bewijsmateriaal: herhaling en toepassing consistente rechtspraak.
HR 27-06-2023, ECLI:NL:HR:2023:982
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
27 juni 2023
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, J.C.A.M. Claassens, C. Caminada
- Zaaknummer
22/00387
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:982, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 27‑06‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:436, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 18‑04‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑12‑2022
- Wetingang
Essentie
Verklaring bedreigde getuige als bewijs, art. 226a e.v. en art. 6 EVRM: de R-C beoordeelt of een getuige kan worden aangemerkt als bedreigde getuige i.d.z.v. art. 226a Sv, terwijl de zittingsrechter beoordeelt of, als hij voor het bewijs gebruikmaakt van de resultaten van het in art. 226d Sv bedoelde verhoor van de bedreigde getuige, dat gebruik in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces uit o.a. art. 6 EVRM. Bij die beoordeling wordt ook betrokken of aan de wijze van totstandkoming dan wel aan de inhoud van het bevel ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.