Rb. Den Haag, 07-05-2026, nr. NL26.1819
ECLI:NL:RBDHA:2026:10819
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
NL26.1819
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:10819, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 07‑05‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Asiel; Eritrea; identiteit en nationaliteit ongeloofwaardig; relaas niet verder getoetst.
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.1819
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. K. Boonen).
Inleiding
1. In deze uitspraak behandelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft eerder op 13 oktober 2020 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen, omdat Italië hiervoor verantwoordelijk op grond van de Dublinprocedure. Eisers beroep daartegen is op 17 januari 2022 ongegrond verklaard. Hierna heeft eiser op 3 december 2022, op 13 april 2023 en op 13 juni 2024 asielaanvragen ingediend. Deze asielaanvragen zijn buiten behandeling gesteld, omdat eiser op dat moment met onbekende bestemming was vertrokken.
1.2.
Eiser heeft op 21 september 2025 opnieuw een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, na een overdracht door de Franse autoriteiten in het kader van de Dublin. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser dient Nederland onmiddellijk te verlaten.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (zaaknummer NL25.1820) op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2001, dat hij de Eritrese nationaliteit heeft en dat hij tot de Tigrinja bevolkingsgroep behoort. Eiser heeft in 2016 Eritrea illegaal verlaten. Hij heeft geen militaire dienstplicht vervuld. Eiser vreest dat hij bij terugkeer wordt gestraft vanwege zijn uitreis.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- illegale uitreis;
- eiser is oproepbaar voor de militaire dienstplicht.
4.1.
De minister heeft de identiteit, de nationaliteit en de herkomst van eiser niet geloofwaardig geacht. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet onderbouwd met (objectieve) documenten en dat hij zich opzettelijk heeft ontdaan van documenten, waarmee hij zijn identiteit en nationaliteit kan aantonen. Ook vindt de minister dat eiser geen inspanningen heeft verricht om identiteitsdocumenten te verkrijgen en dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over zijn geboortedatum. De minister heeft daarom het asielrelaas van eiser niet inhoudelijk beoordeeld. De minister vindt dat eiser hem heeft misleid over zijn juiste geboortedatum en dat eiser ook een ernstig gevaar is voor de openbare orde of nationale veiligheid. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is op grond van artikel 31, zesde lid en artikel 30b, eerste lid, onder c en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Wat voert eiser aan in beroep?
5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn identiteit ongeloofwaardig heeft gevonden. Eiser heeft geprobeerd om zijn geboorteakte aan te bieden aan de politie in [plaats] , maar die hebben meerdere malen geweigerd het document in te nemen en hem beschuldigd van bezit van valse documenten. Door de houding van de politie raakte eiser gefrustreerd en heeft hij het document verscheurd. Aangezien de politie kennelijk geen waarde aan het document hechtte, kan eiser dat niet worden verweten. Eiser voert verder aan dat hij voor documenten afhankelijk is van derden (familie) die daardoor in de problemen kunnen komen. Eiser kan niet zelf naar Eritrea afreizen om documenten aan te vragen, omdat dit voor hem niet veilig is vanwege de ontlopen dienstplicht. Eiser stelt dat hij in Nederland zijn juiste persoonsgegevens heeft verstrekt en dat hij geen invloed heeft op wat andere lidstaten registeren. Volgens eiser is Facebook geen betrouwbare informatiebron. Nu eiser Tigrinya spreekt en hij de herkomstvragen juist heeft beantwoord, vindt eiser dat hij geloofwaardig heeft verklaard over zijn herkomst en nationaliteit. Volgens eiser had de minister een taalanalyse kunnen uitvoeren, waarbij ook wordt gekeken uit welk taalgebied iemand komt. Daarbij heeft zijn vader internationale bescherming in Denemarken, waar de nationaliteit van eiser en die van zijn vader zijn geregistreerd als Eritrese. Daarmee wordt volgens eiser ten onrechte aan zijn nationaliteit en herkomst getwijfeld. Eiser meent dat de minister daarom ten onrechte zijn asielrelaas niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Eiser stelt dat er concrete aanwijzingen zijn dat hij bij uitzetting naar het land van herkomst zal worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.
Heeft de minister niet ten onrechte de identiteit en nationaliteit van eiser ongeloofwaardig geacht?
6. In het kader van artikel 29, eerste en tweede lid, van de Vw toetst de minister de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst en de asielmotieven. De minister hanteert daarbij een Werkinstructie WI 2024/6.
6.1.
Niet in geschil is dat eiser zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten. Daarom heeft de minister terecht beoordeeld of eiser voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. In dit geval heeft de minister dit beoordeeld aan de hand van onderdeel a, b, c en e van dit artikellid en de Werkinstructie. Het is aan eiser om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken.
6.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser gelegenheid heeft gehad om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken en dat hij hierin niet is geslaagd. De minister heeft daarom deze gegevens die gaan over zijn persoon als ongeloofwaardig kunnen afdoen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
6.3.
De minister heeft voldoende gemotiveerd tegengeworpen dat eiser geen oprechte inspanningen heeft verricht om zijn identiteit en nationaliteit met documenten aan te tonen. Eiser heeft in 2020 tegenover de politie en in zijn Dublingehoor1 verklaard dat hij een doopakte heeft in Eritrea waarmee hij zijn naam en geboortedatum kan aantonen en dat hij zal proberen om deze te laten nasturen door zijn moeder. De minister had onder deze omstandigheden van eiser mogen verwachten dat hij het document ter onderbouwing van zijn identiteit had aangeleverd of in ieder geval aantoont dat hij pogingen heeft ondernomen om deze doopakte te verkrijgen. Dat eiser afhankelijk is van derden (zijn moeder) en dat deze derden in de problemen kunnen komen, heeft eiser verder niet aannemelijk gemaakt. Niet is gebleken dat eiser ook maar enig poging heeft ondernomen om documenten te verkrijgen en dat hiervan sprake is. Daarmee voldoet eiser niet aan de a-grond van artikel 31, zesde lid Vw.
6.4.
De minister heeft ook voldoende gemotiveerd tegengeworpen dat eiser zijn geboorteakte en andere documenten waarmee hij zijn identiteit, nationaliteit en herkomst had kunnen onderbouwen, heeft weggemaakt. Eiser heeft verklaard dat hij bij de politie in [plaats] zijn geboorteakte heeft verscheurd, dat hij vroeger veel papieren had, maar dat hij alles heeft verscheurd en weggegooid in het water.2 Dat eiser dat uit frustratie heeft gedaan, betekent niet - zoals eiser stelt - dat dit hem niet valt toe te rekenen. Het is aan eiser om zijn identiteit aannemelijk te maken. Daarmee voldoet eiser niet aan de b-grond van artikel 31, zesde lid Vw.
6.5.
De minister heeft verder voldoende gemotiveerd tegengeworpen dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over zijn geboortedatum. Eiser heeft bij
1. Dublingehoor van 19 oktober 2020, pagina 3 en proces-verbaal politie van 13 oktober 2020, p. 4.
2 Nader gehoor, pagina 5.
aankomst in Nederland in 2020 opgegeven dat hij is geboren op [geboortedatum 2] 2005 3. Bij de autoriteiten in Italië staat eiser echter geregistreerd met geboortedatum [geboortedatum 1] 2001. Op Facebook staat dat eiser is geboren op [geboortedatum 2] 2001. Eiser heeft bij deze asielaanvraag opgegeven dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2001. Daarbij heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat hij niet precies weet hoe oud hij is en dat hij het wil laten houden zoals het is.4 De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het eiser daarmee onduidelijkheid over zijn geboortedatum heeft gecreëerd. Dat Facebook geen betrouwbare bron is omdat zijn facebookpagina een onjuist geboortejaar vermeldt, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank ziet niet in waarom de minister die informatie niet zou mogen meewegen. Daarbij wordt ook niet betwist dat eiser verschillende achternamen heeft opgegeven. Eiser voldoet daarmee evenmin aan de c-grond van artikel 31, zesde lid, Vw.
6.6.
De minister heeft zich in het licht van het vorenstaande op het standpunt mogen stellen dat de door eiser afgelegde verklaringen tijdens het herkomstonderzoek onvoldoende zijn om de nationaliteit en de herkomst vast te stellen. Hiermee heeft eiser niet aangetoond in bezit te zijn van de Eritrese nationaliteit en dat hij daar is geboren. Dat zijn vader de Eritrese nationaliteit heeft en in Denemarken verblijft, heeft eiser ook niet met bewijsstukken aangetoond. De minister heeft geen aanleiding gezien om een taalanalyse te doen omdat de taal Tigrinya niet alleen in Eritrea wordt gesproken. Eiser heeft geen stukken overgelegd of anderszins onderbouwd dat met een taalanalyse zijn herkomst wel kan worden vastgesteld.
Tussenconclusie
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser aan de hand van de beschikbare stukken als ongeloofwaardig mogen afdoen. Uit vaste rechtspraak5 volgt dat asielmotieven enkel betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. De minister heeft het asielrelaas van eiser met betrekking tot de overige asielmotieven dan ook terecht niet inhoudelijk beoordeeld.
Kennelijk ongegrond
8. Eiser heeft de beroepsgrond over de toepassing van artikel 30b, eerste lid en onder j, van de Vw ingetrokken. De minister heeft de aanvraag daarom reeds op die grond mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen asielvergunning krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
3 Proces-verbaal van politie van 13 oktober 2020, p. 4.
4 Nader gehoor, pagina 3.
5 zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:292.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 07 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.