HR, 25-03-2014, nr. 13/03378
ECLI:NL:HR:2014:703
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-03-2014
- Zaaknummer
13/03378
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:703, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 25‑03‑2014; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2012:5211, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:207, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:207, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 28‑01‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:703, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 25‑03‑2014
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Partij(en)
25 maart 2014
Strafkamer
nr. 13/03378
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 december 2012, nummer 22/001289-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.R. Backer, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2014.
Conclusie 28‑01‑2014
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Nr. 13/03378 Zitting: 28 januari 2014 | Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 21 december 2012 de verdachte ter zake van “doodslag, voorafgegaan, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof beslist ten aanzien van het beslag, op de wijze vermeld in het arrest.
2. Namens de verdachte heeft mr. M.R. Backer, advocaat te Den Haag, beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3. Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof dat [slachtoffer] door het aangetroffen mes om het leven is gebracht, in het bijzonder voor zover het hof zich daarbij heeft gebaseerd op het vezel- en textielonderzoek.
4. Het middel berust op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak. De steller van het middel ziet eraan voorbij dat het hof niet enkel op basis van de bevindingen van de vezeldeskundige de conclusie heeft getrokken dat het mes is gebruikt bij het strafbare feit. Het hof heeft weliswaar in zijn overwegingen betrokken dat de vezelsporen op het mes overeenkomen met de vezelsporen van de kleding van [slachtoffer], maar dat het mes is gebruikt bij het strafbare feit heeft het hof onder meer ook gebaseerd op de omstandigheid dat [slachtoffer] door een messteek om het leven is gekomen, het mes zeer nabij zijn lichaam is gevonden, en op dat mes bloedsporen zijn aangetroffen waarvan het DNA-profiel overeenkomt met dat van [slachtoffer], het slachtoffer. Onbegrijpelijk is dat oordeel allerminst en gelet op de overige bewijsmiddelen toereikend gemotiveerd.
5. Het middel faalt.
6. Het tweede middel klaagt dat het hof ongemotiveerd is afgeweken van twee door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.
7. Anders dan de steller van het middel betoogt is geen sprake van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. De betreffende passages uit de pleitnota betreffen argumenten in het betoog van de verdediging dat niet de verdachte, maar een ander de dader is en vormen onderdeel van (het) door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario(‘s). Het hof heeft zich voor de verwerping daarvan uitdrukkelijk aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank in het vonnis onder punt XII.
8. Het middel faalt.
9. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
10. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG