Rb. Noord-Holland, 07-05-2026, nr. 15/259078-22
ECLI:NL:RBNHO:2026:4990
- Instantie
Rechtbank Noord-Holland
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
15/259078-22
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNHO:2026:4990, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 07‑05‑2026; (Eerste aanleg - meervoudig)
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Gedeeltelijke bewezenverklaring ontucht (verleiding meerdere minderjarige jongens) en bezit kinderporno. Bewijsoverwegingen steunbewijs en ontuchtige handelingen, en m.b.t. herkenning minderjarig slachtoffer op video. Onv. gev straf gelijk aan voorarrest, plus vw deel en bijz vw, waaronder contactverboden en digitale controle. Daarnaast oplegging taakstraf. Beslagbeslissing. Vorderingen BP (smartengeld) toegewezen. Overschrijding redelijke termijn.
Partij(en)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/259078-22 (P)
Uitspraakdatum: 7 mei 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 april 2026 in de zaak tegen:
[naam verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A.M.H.G. Peters en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.D. Renshof, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging, kort gezegd, ten laste gelegd:
feit 1
het in de periode van 1 januari 2022 tot en met 4 december 2023, verleiden van de minderjarigen [slachtoffer A], [slachtoffer B] en [slachtoffer C] tot het plegen dan wel dulden van ontuchtige handelingen;
feit 2
het in de periode van 19 november 2023 tot en met 4 december 2023 in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal;
feit 3
het in de periode van 1 september 2022 tot en met 4 december 2023, verleiden van de minderjarige [slachtoffer D] tot het plegen dan wel dulden van ontuchtige handelingen.
De volledige tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.2
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd. De verdachte bekent dat de in de tenlastelegging genoemde minderjarigen (hierna: [slachtoffer A], [slachtoffer B] en [slachtoffer C]) op zijn rug hebben gelopen, op zijn hoofd hebben gestaan en hun voeten in zijn gezicht hebben geduwd (gedachtestreepjes 1, 2 en 3). Maar volgens de raadsvrouw bevat het dossier onvoldoende bewijs voor de overige ten laste gelegde handelingen. De verdachte ontkent deze handelingen, en ook dat hij zich heeft afgetrokken. Nu het met name deze laatste handeling is die het (seksuele) ontuchtige karakter geeft aan de ten laste gelegde gedragingen, kan zonder steunbewijs voor deze handeling niet tot een bewezenverklaring worden gekomen. De verklaring van [slachtoffer C] en een vermoeden van [slachtoffer A] over dit punt is daartoe onvoldoende en er wordt, aldus de raadsvrouw, dan ook niet voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv. Zonder bewezenverklaring van het aftrekken, resteren enkel handelingen die weliswaar maatschappelijk ongewenst, vreemd of zorgwekkend zijn, maar die strafrechtelijk niet kwalificeren als ontucht.
Verder heeft de raadsvrouw betoogd dat niet kan worden bewezen dat het de (minderjarige) [slachtoffer D] is geweest die op de video te zien is waarop iemand zichzelf met een voorwerp anaal penetreert. Het gevolg daarvan moet zijn dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van dit deel van feit 3 en van de eerste afbeelding in feit 2. Ook met betrekking tot de tweede afbeelding in feit 2 moet vrijspraak volgen, omdat niet kan worden vastgesteld dat de daarop afgebeelde persoon ([voornaam E]) minderjarig is.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Partiële vrijspraak feiten 1 en 2 Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder feit 1, gedachtestreepjes 4 (tenen in de mond duwen) en 7 (met blote billen op het gezicht zitten) ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
Noch [slachtoffer A], noch [slachtoffer B], noch [slachtoffer C] heeft verklaard dat zij hun tenen in de mond van de verdachte hebben geduwd of dat zij met hun blote billen op het gezicht van de verdachte hebben gezeten. [slachtoffer C] heeft weliswaar verklaard dat de verdachte hem heeft gevraagd om met zijn billen op het gezicht van de verdachte te zitten, maar dat hij dat nooit heeft gedaan en dat hij heeft gezien dat een andere, niet in de tenlastelegging genoemde, jongen dit heeft gedaan. Maar uit het dossier blijkt echter niet dat [slachtoffer A], [slachtoffer B] of [slachtoffer C] met hun billen op zijn gezicht hebben gezeten. De rechtbank zal de verdachte daarom van die handelingen vrijspreken.
Wat de verdachte onder feit 2 ten aanzien van fotonummer 5 is tenlastegelegd kan niet worden bewezen. Uit de omschrijving van deze afbeelding in het dossier blijkt niet dat het bij deze afbeelding om een seksuele gedraging gaat. De rechtbank spreekt de verdachte hiervoor partieel vrij.
3.3.2
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot (gedeeltelijke) bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage 2 van dit vonnis staan en licht dit hieronder, voor zover nodig, toe.
3.3.3
Nadere bewijsoverwegingen
Feit 1
Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer A], [slachtoffer B] en [slachtoffer C]
De rechtbank stelt voorop dat zij de door [slachtoffer A], [slachtoffer B] en [slachtoffer C] afgelegde verklaringen als voldoende betrouwbaar beoordeelt om tot bewijs te kunnen dienen. De jongens hebben naar het oordeel van de rechtbank authentiek en op essentiële onderdelen consistent en gelijkluidend verklaard over het ontstaan, de opbouw en aard van het contact met de verdachte, alsook over wat zij – voor geld – bij de verdachte moesten doen. De rechtbank zal hun verklaringen dan ook als uitgangspunt nemen in deze zaak.
Steunbewijs
De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer A], [slachtoffer B] en [slachtoffer C] op zijn verzoek en tegen betaling verschillende handelingen bij hem hebben verricht, waaronder het op zijn rug lopen, op zijn hoofd staan en het duwen van hun voeten in zijn gezicht.
De verdachte ontkent dat hij zich tijdens deze handelingen aftrok (gedachtestreepje 6), en ook dat hij zich door (een van) hen in zijn mond heeft laten spugen (gedachtestreepje 5). Volgens de raadsvrouw van de verdachte bevat het dossier ook geen steunbewijs voor deze handelingen.
Naar het oordeel van de rechtbank vinden de verklaringen van [slachtoffer A], [slachtoffer B] en [slachtoffer C] ook op deze – door de verdachte ontkende punten – voldoende steun in andere bewijsmiddelen. Niet alleen in hun verklaringen over en weer maar ook in een verklaring van een getuige met gelijke ervaringen toen die getuige minderjarig was. Bovendien biedt ook de verklaring van de verdachte zelf steunbewijs.
Met betrekking tot het in de mond spugen, heeft [slachtoffer C] verklaard dit tegen betaling te hebben gedaan. Deze verklaring vindt steun in een verklaring van [getuige A], die heeft verklaard dat hij dit in zijn jeugd ook bij de verdachte heeft gedaan. Dat dit zich jaren geleden afspeelde, doet niets af aan de waarde van deze verklaring als steunbewijs, nu dit juist iets zegt over de specifieke handelingen die de verdachte heeft laten verrichten door minderjarige jongens. Hetzelfde geldt voor de aangetroffen chatberichten met andere minderjarige jongens, waarbij de verdachte met hen heeft gecommuniceerd over het in de mond spugen, ‘roggelen’ en ‘tuffen’. Ook [slachtoffer B] heeft verklaard dat de verdachte aan hem heeft gevraagd dit te doen.
In tegenstelling tot wat de raadsvrouw heeft betoogd, acht de rechtbank ook bewezen dat de verdachte zich tijdens het op zijn hoofd en/of rug staan heeft afgetrokken. Zowel [slachtoffer A] als [slachtoffer C] heeft hierover verklaard. Zij zagen ‘zijn onderarm heen en weer gaan terwijl hij op zijn buik op zijn hand lag’ en dat de verdachte ‘altijd aan zijn eigen geslachtsdeel zat als je op zijn rug stond’. Ook de hiervoor genoemde getuige [getuige A] heeft verklaard dat de verdachte duidelijk aan het masturberen was als hij en anderen op hem stonden.
Ontuchtige handelingen
Van ‘ontuchtige handelingen’ in de zin van de onderhavige verdenking (artikel 248a (oud) Wetboek van Strafrecht (Sr)) is sprake als de handelingen gericht zijn op seksueel contact althans contact van seksuele aard in strijd met de sociaal-ethische norm. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in het onderhavige geval sprake van. Nu de rechtbank het gelijktijdig masturberen door de verdachte bewezen acht, is de rechtbank van oordeel dat reeds daarmee de seksuele aard van de gedragingen en de seksuele intentie bij de verdachte een gegeven zijn. Daar komt bij dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde handelingen 42 jaar was en de jongens tussen de 12 en 14 jaar. Uit de berichten die de verdachte met de slachtoffers uitwisselde blijkt duidelijk dat hij de contacten geheim wilde houden (“wel echt mond houden tegen iedereen”), wat duidt op het heimelijke gedrag van de verdachte rondom het contact met de slachtoffers en dat hij zich ervan bewust was dat zijn handelen ongeoorloofd was. De rechtbank ziet ook in de berichtenwisseling tussen de verdachte en [slachtoffer B], destijds 13 jaar, waarin de verdachte met [slachtoffer B] spreekt over plassen met een afstand (de rechtbank begrijpt: tot de mond van de verdachte) van 2 centimeter, een ondersteuning voor het ontuchtige karakter van de handelingen waartoe de verdachte de jongens bewoog. Uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt duidelijk dat zij de handelingen bij de verdachte verrichtten omdat de verdachte hen daar (ruim) voor betaalde. Daarmee vindt de rechtbank bewezen dat de verdachte [slachtoffer A], [slachtoffer B] en [slachtoffer C] heeft verleid tot het plegen en dulden van ontuchtige handelingen.
Feit 2 en 3
De rechtbank is van oordeel dat ook de feiten 2 (deels) en 3 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de destijds minderjarige [slachtoffer D] op 30 november 2023 een video aan de verdachte heeft verstuurd, waarop onder meer een anale penetratie met een voorwerp te zien is. Op de video is het gezicht van de jongen niet zichtbaar maar het beddengoed wel. De enkele omstandigheid dat [slachtoffer D] later (schriftelijk, en in reactie op een schriftelijke vraag van de verdediging, via de rechter-commissaris) aangeeft deze video ‘niet te kennen’ is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat de jongen op de video niet [slachtoffer D] is. Immers, [slachtoffer D] heeft in die periode ook andere seksuele foto’s en video’s via hetzelfde telefoonnummer aan de verdachte verstuurd. Bovendien schrijft [slachtoffer D] voorafgaand aan het versturen van de desbetreffende video aan de verdachte: “Hou je van dat ik anal dingen doe??” Daarnaast is het beddengoed op de desbetreffende video door zijn moeder herkend als het beddengoed van [slachtoffer D] in de instelling waar hij op dat moment verbleef. Ook heeft een verbalisant een vergelijking gemaakt tussen de desbetreffende video en foto’s waarop [slachtoffer D] geen seksuele handelingen verricht maar waarop zijn gezicht en het beddengoed wel te zien zijn. De verbalisant concludeert dat dit hetzelfde beddengoed is. Anders dan de raadvrouw van de verdachte heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat het beddengoed voldoende specifieke kenmerken heeft, namelijk een bepaald patroon, en dat dit patroon overeenkomt met dat wat op de foto’s en video’s is te zien. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de persoon op de video [slachtoffer D] is.
Uit de berichten tussen de verdachte en [slachtoffer D] volgt dat de verdachte [slachtoffer D] telkens betaalt voor het ontvangen van de foto’s en video’s, wat de verdachte ook heeft bekend. De rechtbank komt daarmee tot bewezenverklaring van het onder feit 2 (deels) en 3 ten laste gelegde.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
feit 1 hij in de periode van 1 januari 2022 tot en met 4 december 2023 te Hippolytushoef, gemeente Hollands Kroon, telkens door giften, te weten door het telkens geven en/of overmaken van geldbedragen,
- [slachtoffer A], geboren op [geboortedatum A], die de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, en- [slachtoffer B], geboren op [geboortedatum B], die de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, en- [slachtoffer C], geboren op [geboortedatum C], die de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen en van hem, verdachte, te dulden, door die [slachtoffer A] en [slachtoffer B] en [slachtoffer C]
- op de rug van hem, verdachte, te laten lopen en stampen, en- op het hoofd van hem, verdachte, te laten staan en stampen, en- hun/zijn voeten in het gezicht van hem, verdachte, te laten duwen, en- in zijn, verdachtes, mond te laten spugen, en- terwijl hij, verdachte zich ondertussen (telkens) aftrok;
feit 2 hij in de periode van 19 november 2023 tot en met 4 december 2023 te Hippolytushoef, gemeente Hollands Kroon, meermalen, afbeeldingen, - of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, te weten een mobiele telefoon (iPhone 13, met beslagcode 1551859) - van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft in bezit gehad welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:
het anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (fotonummer 8 van de toonmap behorende bij PVB 18783780 van het einddossier, dossierpagina 281) en,
het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon poseert in een erotisch getinte houding en waarbij nadrukkelijk het ontblote geslachtsdeel, van deze persoon in beeld gebracht wordt waarbij de afbeelding aldus een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling (fotonummer 2 van de toonmap behorende bij PVB 18783780 van het einddossier, dossierpagina 280)
feit 3
hij in de periode van 19 november 2023 tot en met 4 december 2023 te Hippolytushoef, gemeente Hollands Kroon en/of te Roden, gemeente Noordenveld, telkens door giften, te weten door het telkens geven en/of overmaken van een geldbedrag en/of cadeaukaart, [slachtoffer D], geboren op [geboortedatum D], die de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen en/of van hem, verdachte, te dulden, door die [slachtoffer D] te bewegen foto’s en video’s naar verdachte te sturen van zijn penis, van zijn naakte lichaam en van het zichzelf aftrekken en het zichzelf anaal penetreren.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
1. door giften een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen en/of van hem te dulden, meermalen gepleegd,
2. een afbeelding en/of een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken in bezit hebben, meermalen gepleegd, en
3. door giften een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 270 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 156 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar onder algemene en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf van 180 uur gevorderd.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat de materiële ernst van de verleidingen relatief beperkt is. Daarnaast heeft zij gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn. De raadsvrouw heeft verzocht aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met daarnaast een voorwaardelijke straf met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en eventueel nog een taakstraf. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden heeft de raadsvrouw verzocht om af te zien van oplegging van de controle op digitale gegevensdragers.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft gedurende een lange periode meerdere minderjarige jongens met geld verleid tot het verrichten van ontuchtige handelingen, waarbij deze jongens onder meer op zijn rug en zijn hoofd gingen staan terwijl de verdachte zich (heimelijk) aftrok. De rechtbank vindt de verklaring van de verdachte dat dit slechts een aantal keer is voorgekomen volstrekt ongeloofwaardig. Uit de verklaringen van de slachtoffers en andere getuigen, de chats en financiële gegevens blijkt immers dat de verdachte gedurende een zeer lange periode met grote regelmaat tegen betaling deze handelingen door de slachtoffers liet uitvoeren. Ook heeft de verdachte minderjarige jongens bewogen tot het toesturen van dick pics en andere naaktfoto’s en -video’s en de jongens betaald voor het met hem in contact brengen van andere minderjarigen. De verdachte heeft op de zitting verklaard niet te weten waar deze behoefte vandaan kwam, en ontkent seksuele intenties te hebben gehad. Vaststaat dat de verdachte met zijn handelen op een onaanvaardbare manier misbruik heeft gemaakt van de minderjarigen. Juist omdat sommige handelingen wellicht op het eerste oog wellicht vreemd maar niet direct seksueel getint leken, heeft hij op sluwe wijze deze jongens aangezet tot handelingen waarmee op ernstige wijze grenzen van het toelaatbare werden overschreden en de nog jonge slachtoffers in verwarring gebracht in een fase in hun leven waarop het belangrijk is dat zij onbevangen en veilig hun seksualiteit kunnen ontdekken. De verdachte heeft daarmee de psychische gezondheid van de slachtoffers ernstig geschaad.
Uit de slachtofferverklaringen die op de zitting zijn voorgelezen door of namens enkele slachtoffers blijkt dat de impact van het handelen van de verdachte fors is. De slachtoffers vertelden over schaamte, gevoelens van onveiligheid en aantasting van de seksuele ontwikkeling. Eén van de slachtoffers heeft aangegeven beschadigd voor het leven te zijn. Bovendien wonen de meeste slachtoffers in de directe omgeving van de verdachte, wat ertoe leidt dat zij nog geregeld met de verdachte worden geconfronteerd en aan de gebeurtenissen worden herinnerd.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 maart 2026). Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, zodat dit niet in zijn nadeel meeweegt.
Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van het psychologisch rapport opgesteld door R.L. Paris, GZ-psycholoog, van 26 april 2024. Uit het rapport blijkt dat niet kan worden gesproken van een verstandelijke beperking. Volgens de deskundige is er ook geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis (ook niet ten tijde van het ten laste gelegde). De deskundige kan daarom geen risicoanalyse en zorgprognose doen of behandeladvies geven op basis van een klinische inschatting. Op basis van de gestructureerde risicotaxatie komt er een ‘laag-matig’ risico op seksueel delictgedrag naar voren.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van het rapport van de reclassering van 7 juni 2024 en de aanvulling daarop van 24 maart 2026, waarin is geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht bij de reclassering, het ondergaan van een ambulante behandeling, het vermijden van contact met minderjarigen en het vermijden van digitale omgevingen seksueel kindermisbruik.
Redelijke termijn
De rechtbank neemt bij de straftoemeting verder in aanmerking dat de redelijke termijn is overschreden. In artikel 6, lid 1 EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op 4 december 2023 (te weten de dag van inverzekeringstelling van de verdachte). Nu van bijzondere omstandigheden niet is gebleken en het eindvonnis op 7 mei 2026 wordt gewezen, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer zes maanden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
De op te leggen straf
Tot slot heeft de rechtbank gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsstraf met een groot voorwaardelijk deel recht doet aan de aard en de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. De rechtbank merkt op dat de officier van justitie bij haar eis ook rekening heeft gehouden met bovengenoemde omstandigheden. De rechtbank acht een straf zoals gevorderd is door de officier van justitie, zijnde een gevangenisstraf van 270 dagen, passend en geboden. Een groot deel van de gevangenisstraf, 156 dagen, is voorwaardelijk, om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank verbindt daaraan een proeftijd van twee jaar.
Daarnaast zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, [inclusief digitale controle door de reclassering op het bezit van kinderpornografisch materiaal]. De rechtbank begrijpt dat de raadsvrouw aandacht heeft gevraagd voor de impact van een digitale controle op de privacy van de verdachte, maar de rechtbank acht ook juist deze voorwaarde nodig voor het verlagen van het recidiverisico ten aanzien van zedendelicten. De voorwaarde is gelet op het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:119) voldoende gespecificeerd, waardoor het toezicht niet zonder meer leidt tot een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.
7. Beslag
7.1
Standpunten van partijen
De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven iPhone wordt onttrokken aan het verkeer. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.2
Oordeel van de rechtbank
De onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven telefoon (GSM, merk Apple) moet worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek op de zitting is gebleken dat het onder 2 bewezen verklaarde feit met behulp van dit voorwerp is begaan. Het ongecontroleerde bezit van de op dit voorwerp opgeslagen kinderporno is in strijd met de wet of het algemeen belang.
8. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
8.1
Vorderingen benadeelde partijen [slachtoffer A], [slachtoffer B] en [slachtoffer C]
De minderjarigen [slachtoffer A], [slachtoffer B] en [slachtoffer C] hebben zich ten aanzien van feit 1 gesteld als benadeelde partijen en zij hebben elk gevorderd de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.000,00 wegens immateriële schade (smartengeld), vermeerderd met de wettelijke rente. Ook verzoeken de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunten
De officier van justitie acht de vorderingen voldoende onderbouwd en gegrond zodat deze geheel moeten worden toegewezen, te vermeerderen met wettelijke rente en de toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is gelet op de bepleite vrijspraak voor feit 1 primair verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de hoogte van de gevorderde smartengeldbedragen onvoldoende aansluit bij de (relatief mindere) ernst en de feitelijke context in deze zaak, nu geen sprake is geweest van direct seksueel contact met de minderjarigen. Verzocht is om aansluiting te zoeken bij soortgelijke zaken en alle drie de vorderingen toe te wijzen voor een bedrag van maximaal € 1.250,00.
Oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vorderingen zijn op deze laatste grondslag gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op de aard en ernst van de normschendingen, is de rechtbank van oordeel dat de nadelige gevolgen daarvan voor de slachtoffers zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing voor elk van hen kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. Bij de bepaling van de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gelet op de hieronder, bij elke vordering gegeven toelichting.
[slachtoffer A] ([slachtoffer A]):
Namens [slachtoffer A] is toegelicht dat hij als gevolg van de gebeurtenissen psychische klachten heeft ontwikkeld, waaronder trauma gerelateerde problematiek en dat hij, om gedachten aan het misbruik te vermijden, verslaafd is geraakt aan verdovende middelen. [slachtoffer A] heeft hiervoor een behandeltraject doorlopen, gericht op emotieregulatie en verwerking van ingrijpende ervaringen. Hoewel sprake is van enige verbetering, ondervindt hij nog steeds gevolgen in zijn dagelijks functioneren en blijft hij ondersteuning nodig hebben. Verder kampt [slachtoffer A] met schuldgevoelens omdat hij op verzoek van de verdachte andere minderjarigen bij de verdachte heeft aangedragen.
[slachtoffer C] ([slachtoffer C]):
[slachtoffer C] heeft als gevolg van het handelen van de verdachte een verslavingsproblematiek ontwikkeld. Hij is recent gestart met een intensieve dagbehandeling binnen een jeugdkliniek, die twee maanden zal duren. Aan deze behandeling is een traject voorafgegaan via de huisarts en maatschappelijk werk, waarna hij is doorverwezen in verband met trauma.
[slachtoffer B] ([slachtoffer B]):
[slachtoffer B] was ten tijde van het bewezenverklaarde feit nog maar twaalf jaar. De daarna ontstane problematiek, waaronder een drugsverslaving, suïcidale gedachten en het aansluiten bij een verkeerd sociaal netwerk is grotendeels het gevolg van het handelen door de verdachte. [slachtoffer B] heeft de afgelopen jaren meermalen in (gesloten) jeugdzorginstellingen verbleven, te weten in december 2023 zes maanden bij een instelling voor slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties, gespecialiseerd in traumabehandeling, en recent nog drie maanden bij [naam instelling] in Castricum. Daar heeft hij gewerkt aan zijn verslaving en heeft hij eindelijk leren praten over de dingen die gebeurd zijn en waar hij al die tijd mee heeft geworsteld. De situatie is echter tot op de dag van vandaag fragiel, en de vader van [slachtoffer B] heeft verklaard dat [slachtoffer B] voor het leven beschadigd is.
De rechtbank is ten aanzien van alle drie de vorderingen van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding billijk is, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Schadevergoeding
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. De betalingen die de verdachte aan de Staat verricht, komen in mindering op de betalingsverplichting aan de benadeelde partijen. De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
Gijzeling
Als de verdachte de schadevergoedingen niet (volledig) betaalt, kan per vordering gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 50 dagen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte verplicht om de schadevergoeding te betalen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 36f, 57, 240b (oud) en 248a (oud) Sr.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 (tweehonderdzeventig) dagen.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 156 (honderdzesenvijftig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
De verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, (RN Advies & Toezichtunit 5 Noord-West, Drechterwaard 102, Alkmaar) zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
Ambulante behandeling
De verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door GGZ Noord-Holland Noord of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op cognitieve vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Contactverbod
De verdachte zal gedurende de proeftijd geen contact opnemen, zoeken of hebben – in welke vorm dan ook, ook niet via derden – met:
- [slachtoffer A], geboren op [geboortedatum A],
- [slachtoffer C], geboren op [geboortedatum C],
- [slachtoffer B], geboren op [geboortedatum B].
Vermijden contact met minderjarigen
De verdachte zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt de verdachte dat hierbij een andere volwassene aanwezig is.
Vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik
De verdachte zal gedurende de proeftijd:
1. digitale omgevingen vermijden waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;
2. digitale omgevingen vermijden waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;
3. geen gebruik maken van virtuele machines, versleutelprogramma's (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);
4. inzicht geven in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1. en 2. zal vermijden en bespreken hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.
Het toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die de verdachte in gebruik heeft.
De verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de verdachte in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet.
De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen.
De controles mogen gedurende de proeftijd maximaal drie keer per jaar tijdens de proeftijd worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd.
De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf is in dit geval gelijk aan de door de verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 180 (honderdtachtig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.
Benadeelde partij [slachtoffer A]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer A] geleden schade tot een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro), als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer A] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer A] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 50 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Benadeelde partij [slachtoffer B]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer B] geleden schade tot een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro), als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer B] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer B] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 50 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Benadeelde partij [slachtoffer C]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer C] geleden schade tot een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro), als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer C] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer C] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 50 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Beslag
Onttrekt aan het verkeer: 1 STK GSM, blauw, merk: Apple.
Voorlopige hechtenis
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.O. Rutten, voorzitter,
mr. I.A.M. Tel en mr. L.M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Bleijendaal,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 mei 2026.
Bijlage 1
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 Sv, ten laste gelegd dat:
feit 1 hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2022 tot en met 04 december 2023 te Hippolytushoef, gemeente Hollands Kroon, in elk geval in Nederland (telkens) door giften en/of beloften van geld en/of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of misleiding, te weten door het telkens geven en/of overmaken van een of meer geldbedragen,
- [slachtoffer A], geboren op [geboortedatum A], die de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, en/of- [slachtoffer B], geboren op [geboortedatum B], die de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, en/of- [slachtoffer C], geboren op [geboortedatum C], die de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
(telkens) opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen en/of van hem, verdachte, te dulden, door die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of een of meer andere jongen(s)- op de rug van hem, verdachte, te laten lopen en/of stampen, en/of- op het hoofd van hem, verdachte, te laten staan en/of stampen, en/of- hun/zijn voet(en) in het gezicht van hem, verdachte, te laten duwen, en/of- hun/zijn tenen in de mond van hem, verdachte, te laten duwen, en/of- in zijn, verdachtes, mond te laten spugen, en/of- terwijl hij, verdachte zich ondertussen (telkens) aftrok, en/of- met hun/zijn blote billen op het gezicht van hem, verdachte, laten zitten, en/of;
feit 2 hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 november 2023 tot en met 4 december 2023 te Hippolytushoef, gemeente Hollands Kroon, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal telkens afbeeldingen, - en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, te weten een mobiele telefoon (iPhone 13, met beslagcode 1551859) - van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:
het oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikten/ofhet oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt(fotonummer 8 van de toonmap behorende bij PVB 18783780 van het einddossier, dossierpagina 281)
en/ofhet betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikten/ofhet betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt(fotonummer 5 van de toonmap behorende bij PVB 18783780 van het einddossier, dossierpagina 291)
en/ofhet geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met een voorwerp en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's /film(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van deze persoon in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus)(telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling(fotonummer 2 van de toonmap behorende bij PVB 18783780 van het einddossier, dossierpagina 280)
feit 3
hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 september 2022 tot en met 04 december 2023 te Hippolytushoef, gemeente Hollands Kroon en/of te Anna Paulowna, gemeente Hollands Kroon en/of in de gemeente Groningen en/of te Roden, gemeente Noordenveld, in elk geval in Nederland (telkens) door giften en/of beloften van geld en/of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of misleiding, te weten door het telkens geven en/of overmaken van een of meer geldbedragen en/of cadeaukaarten, [slachtoffer D], geboren op [geboortedatum D], die de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt (telkens) opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen en/of van hem, verdachte, te dulden, door die [slachtoffer D] (telkens) te bewegen foto’s en/of video’s naar verdachte te sturen van zijn penis, van zijn naakte lichaam en/of van het zichzelf aftrekken en/of het zichzelf anaal penetreren.
Bijlage 2
De bewijsmiddelen (…)