HR, 12-03-2019, nr. 18/01114
ECLI:NL:HR:2019:342
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-03-2019
- Zaaknummer
18/01114
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:342, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 12‑03‑2019; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2018:2302, Niet ontvankelijk
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑03‑2019
Inhoudsindicatie
Medeplegen doodslag. Meermalen slaan met metalen buis op het hoofd van het slachtoffer, tegen zijn hoofd, hals, romp en overige lichaamsdelen slaan, stompen schoppen en trappen, uitoefenen van samendrukkend geweld op de hals en meermalen steken en snijden in diens nek. HR: art. 80a RO.
Partij(en)
12 maart 2019
Strafkamer
nr. S 18/01114
CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 12 maart 2018, nummer 21/003854-17, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft K.K. Hansen Löve, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2019.