type:coll:
Rb. Noord-Holland, 28-12-2016, nr. C/15/231068 / HA ZA 15-581
ECLI:NL:RBNHO:2016:11505
- Instantie
Rechtbank Noord-Holland
- Datum
28-12-2016
- Zaaknummer
C/15/231068 / HA ZA 15-581
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNHO:2016:11505, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 28‑12‑2016; (Bodemzaak, Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBNHO:2016:5562, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 11‑05‑2016; (Bodemzaak, Eerste en enige aanleg)
- Vindplaatsen
AR 2017/6762
Uitspraak 28‑12‑2016
Inhoudsindicatie
Franchiseovereenkomst. Ondeugdelijke prognose? Onrechtmatige daad? Dwaling? Strijd met redelijkheid en billijkheid? Tekort geschoten in de op gedaagde rustende zorgplicht?
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling privaatrecht
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/237706/ HA ZA 16-32
Vonnis van 28 december 2016
in de zaak van
1. de vennootschap onder firma VAN VUUREN V.O.F.,
gevestigd te [adres],
2. [gedaagde 2]3. [gedaagde 3]beiden wonende te [woonplaats],
eisers,
advocaat mrs. J. Sterk en A.W. Dolphijn,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ALBERT HEIJN FRANCHISING B.V.,
gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad,
gedaagde,
advocaat mr. drs. A.M.A. Canta te Utrecht.
Partijen zullen hierna Van Vuuren v.o.f., [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagden] gezamenlijk en AHF genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 4 mei 2016
- -
het proces-verbaal van comparitie van 11 november 2016 en de daarin vermelde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Van Vuuren v.o.f., waarvan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] vennoot zijn, exploiteerde sinds jaren een supermarkt onder de C1000 formule aan de [adres]. Dit gebeurde op basis van een zogenoemde “formule-overeenkomst” met C1000 (voorheen Schuitema Groothandel B.V.). De winkelruimte waarin [gedaagden] zijn supermarkt dreef, huurde hij van Schuitema Vastgoed B.V.De winkel had een gemiddelde omzet van ongeveer € 230.000,- per week.
2.2.
Eind 2011 heeft Jumbo Groep Holding B.V. met de aandeelhouder van C1000 overeenstemming bereikt over de overname van C1000.
2.3.
Ingevolge een besluit van de Nederlandse Mededingingsautoriteit van 21 februari 2012 was het Jumbo niet toegestaan om alle verworven C1000 vestigingen volgens haar formule te gaan exploiteren. Gelet daarop zou een deel van de C1000 supermarkten worden doorgeleid naar Ahold, waarvan AHF een onderdeel is, of naar Coop.
2.4.
De supermarkt van [gedaagden] te [adres] is ingevolge het voorgaande terecht gekomen op de lijst van vestigingen waarvan overgang naar Ahold werd beoogd. In dat kader is een groepsmaatschappij van Ahold per 14 augustus 2012 eigenaar en verhuurder van de winkellocatie van [gedaagden] geworden.
2.5.
Op 6 september 2012 heeft een eerste gesprek tussen [gedaagden] en AHF over overgang naar de Albert Heijn formule plaatsgevonden. Daarbij zijn aan [gedaagden] overhandigd een vestigingsplaatsonderzoek van juli 2012 (VPO), een lange termijn prognose (LTP) met toelichting van 14 september 2012 en een standaard franchiseovereenkomst.
2.6.
In voormeld VPO is vermeld: “(…)
Vraagstelling In het kader van de mogelijke overgang van C1000/Jumbo winkels naar de Albert Heijn formule wordt in deze notitie een inschatting gemaakt van de omzetmogelijkheden. Na recent projectbezoek en een nauwkeurige analyse van referenties heeft Location Strategy (LS) naar de omzetmogelijkheden op deze locatie gekeken. (…) Omzetpotentie Jaar 1: € 220.000. De relocatie/versterking van AH [woonplaats] zal naar verwachting een negatief effect op bovengenoemde omzet hebben van ca € 20k. Verklaring omzet De omzet is gebaseerd op referenties en op de kracht van de huidige supermarkt, iets lagere omzetpotentie dan de huidige omzet, dit komt door de relatieve nabijheid van AHFR in [woonplaats]. Kannibalisatie Maximaal ca € 10k.
(…)1. Uitgangspunten en voorwaarden
- -
AH-Medium van 1.197m2 wvo.
- -
(…)
- -
Basisomzet: € 229.000 (2011) en € 225.000 (2012 wk 1-12)”
In het VPO is een vijftal anoniem gebleven referentiewinkels opgenomen met een vloeroppervlak van 1.000 tot 1.450 m2 en met inwonersaantallen in het verzorgingscentrum van 9.000 tot 13.000. Op basis daarvan zijn de volgende conclusies in het VPO opgenomen:“De omzet van AH’s in vergelijkbare kernen varieert tussen de € 105-265k per week.
De marktaandelen variëren tussen de 14-32%. (…)LS verwacht dat het marktaandeel van AH in het midden van de referenties zal liggen. De huidige C1000 heeft het beste project van de kern, maar door de concurrentie van discount en de geringe regio-toevloeiing, liggen het marktaandeel en het omzetaandeel niet aan de bovenkant.”
Ten slotte is in het VPO vermeld: “(…) Ahold Real Estate & Construction – Location Strategy merkt uitdrukkelijk op dat het advies uitsluitend is gebaseerd op bovenstaande gegevens en aannames en dat hoewel het advies met grote zorgvuldigheid is opgesteld LS de juistheid en volledigheid van de gegevens niet garandeert en daarvoor ook geen aansprakelijkheid aanvaardt. Indien een of meer van de gegevens of aannames onvolledig blijken of bij nader inzien niet juist, de marktsituatie verandert en/of er wijzigingen optreden kan dit mogelijk tot gevolg hebben dat het bedoelde advies en de conclusie anders luiden. LS is niet aansprakelijk voor enige schade ten gevolg van het gebruik van dit advies, behoudens voor zover er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van Ahold Real Estate & Construction. Tevens wijst LS de ondernemer erop dat het advies in eerste instantie opgesteld is voor intern gebruik en slechts dient ter informatie en dat de ondernemer te allen tijde gehouden is zelf onderzoek te verrichten naar de juistheid en volledigheid van de gegevens en aannames en de verstrekte informatie de ondernemer niet ontslaat van zijn verplichting om zelfstandig advies in te winnen bij een onafhankelijke adviseur.”
2.7.
Bij de LTP is een toelichting gevoegd. Daarin staat onder meer: “(…) Inschatting Vestigingsanalyse.
- -
Bevolking met ondergemiddeld profiel (inkomensindex 97)
- -
Startomzet € 220.000 per week in jaar 1, dalend met € 20.000 in jaar 2 door relocatie AH [woonplaats].
De omzet in de LTP is opgehoogd met de jaarlijkse landelijke verwachte groei van de AH-omzet. Pos margeIn de Lange Termijn Prognose is gerekend met een brutowinstpercentage van 26,25% (van de omzet incl. BTW). De gemiddelde AH Franchise marge is licht gecorrigeerd voor de iets lagere inkomensindex en vervolgens nog verlaagd voor de vloeroppervlakte die kleiner dan gemiddeld is. Er heeft nog geen vergelijking met referentiewinkels plaatsgevonden.
(…)ConclusiesHet project is op basis van de genoemde uitgangspunten extern financierbaar. De winkel onder de AH formule biedt goede exploitatiemogelijkheden.”
2.8.
Op 31 oktober 2012 heeft een tweede gesprek plaatsgevonden. In het gespreksverslag van 7 november 2012, opgesteld door AHF, staat hierover onder meer: “(…)* Omzetvisie: De huidige omzet van de winkel bedraagt ca. € 229k. In de LS notitie wordt uitgegaan van een omzet van € 220k na ombouw naar de AH formule (waarbij uitgegaan wordt van € 10k kannibalisatie op andere AH-winkels en € 20k verlies aan echte C-1000 klanten). (…) De inschatting van LS is een omzet verlies van € 20k bij de uitbreiding van [woonplaats] begin 2014. In het visie gesprek met Format heeft u nadrukkelijk gesteld dat de omzet € 250k gaat worden. Dit betekent een bijna 15% hogere omzet dan door LS afgegeven en deze € 30k omzet zal dan weggehaald moeten worden bij de Aldi en MCD. >>>>> Reactie: wij houden van uitdagingen maar vragen ons nadrukkelijk af of bij de gegeven parkeer situatie (het is nog maar de vraag of de uitbreiding van het parkeren gerealiseerd kan worden), infrastructuur in het dorp en de zekere afvloeiing dit een realistische doelstelling is. (…)
* Waarborg omzet: de vraag wordt gesteld welke waarborg AH wil geven ingeval de omzet in jaar 1 met meer dan 5-10% onder de afgegeven omzet uitkomt (…) en welke opening acties er mogelijk zijn.
>>>>> Reactie: Deze vraag verwondert ons gezien de omzet visie van de ondernemer van € 250k. AH geeft geen omzet garantie af (wij hebben gezamenlijk vertrouwen in deze omzetverwachting of niet en die is tot op heden niet ter discussie gesteld). AH wil wel commerciële ondersteuning verlenen indien de omzet (jaar1) 5-10% lager ligt dan de afgegeven omzet verwachting. Dit onder voorwaarde dat dit het gevolg is van de ombouw naar de AH-Formule en dit niet te wijten is aan de operationele executie. Wij zullen hieromtrent een voorstel doen in onze brief met aanvullende afspraken. (…)6. Opening wens/planning: gezien de wens van de ondernemer hebben wij intern kunnen bewerkstelligen dat de aanloop van de winkel en opstarten van het proces versneld kon plaatsvinden. Wij hebben nogmaals benadrukt dat het bestellen van inventaris en het verstrekken van opdrachten pas plaats kan vinden zodra er overeenstemming is over de contracten en de ondernemer de investering raming voor accoord heeft getekend. Dit betekent dat er in december overeenstemming dient te zijn wil de ombouw voor de Pasen plaats kunnen vinden. (…)”
2.9.
In een door de adviseur van [gedaagden] opgemaakt verslag van diezelfde bespreking staat onder meer: “(…) LTP- Er is nog geen nieuwe lange termijn planning (LTP) door Ahold opgesteld. (…)- [gedaagde 2] en [gedaagde 3] maken zich zorgen over de omzet gezien de ervaringen van omgebouwde collega ondernemers. Tegenvallende omzet zorgt direct voor een tegenvallende cashflow. Ahold maakt zich over deze winkel weinig zorgen: de winkel ligt in een gesloten markt met een typisch Albert Heijn publiek. De heer [A.] gaat deze zorg toch intern bespreken om te kijken wat de opties zijn om deze zorg weg te nemen. (…)”Vervolg(…)- De aangepaste LTP zal binnen 4 weken worden opgeleverd. (…)”
2.10
Op 21 november 2012 heeft een volgende bespreking plaatsgevonden. Daarbij is onder meer een bijgesteld LTP overhandigd. In het verslag van deze bespreking staat onder meer:
“(…) De opgestelde LTP hebben wij afgestemd. De omzet hebben wij aangehouden conform de LS notitie. De marge is ingezet op basis van goede referentie winkels, (…)Partijen zijn het er over eens dat de LTP een realistisch beeld weergeeft en ruimte geeft voor een beter resultaat. (…)
Planning ombouwZoals eerder vermeld hebben wij, op verzoek van de ondernemer, het versnelde proces aangehouden. De heropening van de winkel staat gepland op week 9-2013. Dit betekent dat voor de kerst 2012 het AHF contract, addendum en de brief met aanvullende afspraken getekend dienen te zijn alsmede dat op dat moment er een bevestiging brief van de bank is dat de financiering tijdig rond komt (…)”
2.11.
Bij brief van 23 november 2012 heeft AHF aan een andere franchisenemer geschreven:
“(…) Uw winkel is op 30 augustus omgebouwd tot een Albert Heijn supermarkt en op 12 september 2012 opengegaan als Albert Heijn supermarkt onder een daartoe met Albert Heijn Franchising B.V. (“AHF”) gesloten franchise overeenkomst. De omzetprognose (“LTP”) van 6 augustus 2012 voor uw winkellocatie is door AHF met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Sinds de opening van uw Albert Heijn supermarkt blijkt evenwel de wekelijkse omzet achter te blijven bij deze LTP. AHF zal er gezamenlijk met u op blijven toezien dat deze omzet zich zal ontwikkelen in lijn met deze LTP. Om u, en andere NMa-locaties waarbij de omzetontwikkeling achterblijft ten opzichte van de LTP, in dat verband extra ondersteuning te geven heeft AHF het FIT programma ontwikkeld. (…) Deze actie is voor u in week 42 van 2012 gestart en zal tot en met week 52 van 2012 voortduren. (…) wij benadrukken dat het FIT programma een op zichzelf staande, speciaal voor de NMa-locaties die geconfronteerd worden met achterblijvende omzetresultaten, ontwikkelde eenmalige actie is en geen verband houdt met enige andere commerciële of financiële afspraak die in het kader van de overgang van uw winkel naar de Albert Heijn franchise formule is gemaakt. (…)”
2.12
[gedaagden] heeft de door AHF aangeboden contracten op 21 december 2012 voor akkoord getekend. Op 27 februari 2013 is de winkel van [gedaagden] onder de AH-formule geopend. In het kader van de ombouw heeft AHF aan [gedaagden] een commerciële bijdrage van € 110.000,- verstrekt alsmede een desinvesteringsvergoeding van € 75.000,-.
2.13.
Op 11 maart 2013 is tussen AHF en de Vereniging C1000 (een vereniging van franchisenemers van de C1000 formule) een overgangsregeling (hierna: de Overgangsregeling) gesloten. Daarin staat onder meer: “(…) Overwegingen
(A) In aansluiting op de overname door Jumbo Groep Holding B.V. van C1000, heeft Koninklijke Ahold N.V. of een aan haar gelieerde vennootschap (hierna gezamenlijk Ahold) met C1000 een overeenkomst gesloten op grond waarvan AH de verhuurrechten met betrekking tot 78 C1000 vestigingspunten van C1000 heeft overgenomen. Voorts heeft AH daarbij de inspanningsverplichting op zich genomen om met de C1000 ondernemers die de desbetreffende C1000 supermarkten exploiteren (Ondernemers) tot overeenstemming te geraken ter zake van een nieuw af te sluiten franchise overeenkomst (FO). (B) In het licht daarvan wensen partijen in deze overeenkomst raamwerk afspraken vast te leggen waaronder Ondernemers kunnen overgaan naar de AH formule (de Overeenkomst of inhoudelijk de Overgangsregeling). (C) Als uitgangspunt voor de Ondernemer voor de Overgangsregeling geldt dat (i) de Ondernemer onder de AH Formule op basis van een realistisch haalbaar en genormaliseerd exploitatieprofiel (gecorrigeerd voor buitengewone baten en lasten en gecorrigeerd voor Marktomstandigheden) en (ii) het eigen vermogen van de Ondernemer vijf jaar na de overgang naar de C1000 Formule gelijk is aan het eigen vermogen voor het moment van overgang (gecorrigeerd voor de onverdeelde winst en privémutaties). (D) Als uitgangspunt voor AH voor de Overgangsregeling geldt dat de Ondernemer onder de AH formule op basis van het bijbehorend verdienmodel vastgelegd in een Lange Termijn Plan (LTP) in staat wordt gesteld een extern financierbare AH winkel te exploiteren, rekening houdend met de regelingen in deze overeenkomst. (…)
2. De overeenkomst2.1. Deze overeenkomst behelst een raamwerk van afspraken waarop door iedere individuele Ondernemer jegens AH een beroep kan worden gedaan in het kader van de overgang naar AH. In dat opzicht dienen de bepalingen in deze Overeenkomst ten aanzien van de individuele Ondernemer te worden beschouwd als een derdenbeding, met dien verstande dat iedere Ondernemer vrij is om te bepalen of en zo ja onder welke voorwaarden hij bereid is over te gaan naar AH. 2.2. Deze regeling verplicht geen enkele Ondernemer bij voorbaat om mee te werken aan een overgang naar AH. Iedere Ondernemer zal, onder het voorbehoud van het bereiken van overeenstemming tussen hem en AH, individueel en overeenkomst met AH sluiten waarbij ruimte is voor individueel passend maatwerk in aanvulling op of afwijking van de in deze overeenkomst neergelegde afspraken. (…)(…)5. Lange termijn plan (LTP)Algemeen5.1. Per vestiging wordt door AH in overleg met de Ondernemer een Lange termijn Plan (LTP) opgesteld, waarin onder meer de exploitatie- en investeringsbegroting zijn opgenomen conform het als Annex 5.1. aangehechte format. 5.2. Het (concept) LTP (en de LS-notitie waarop het LTP zal zijn gebaseerd) zal steeds door AH worden opgesteld met de grootste zorgvuldigheid, realiteitszin en met inachtneming van reële normatieve kengetallen van AH en de lokale omstandigheden van het vestigingspunt. Het (concept) LTP en de LS-notitie worden primair door AH opgesteld voor interne doeleinden en dienen slechts ter informatie en worden aan de Ondernemer verstrekt op basis van de in de LTP opgenomen voorwaarden. De Ondernemer is te allen tijde gehouden zelf onderzoek te verrichten naar de juistheid en volledigheid van de door AH verstrekte gegevens en aannames en de door AH verstrekte informatie ontslaat de ondernemer niet van zijn verplichting om zelfstandig advies in te winnen bij een onafhankelijk adviseur. Het uiteindelijke LTP dient zowel door de Ondernemer als AH te worden geaccordeerd. Bij het opstellen van het LTP zullen de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: i) (…)ii) De investeringen die de Ondernemer maakt ten behoeve van de transitie van de C1000 formule naar de AH Formule, zijn op marktconforme voorwaarden extern financierbaar bij één of meer van de Nederlandse grootbanken;iii) (…)5.4. De omzet zoals opgenomen in het LTP wordt bepaald op basis van een LS-notitie en na overleg met de Ondernemer. AH zal de gerealiseerde omzetten structureel toetsen aan de geprognosticeerde omzetten uit de LS-notitie en deze kennis toepassen op nog uit te voeren LS-notities. Hierbij wordt rekening gehouden met een omzetaanloop effect bij de overgang naar de AH formule.(…)”
2.14.
Artikel 12 van voormelde Overgangsregeling behelst de “Brandingsregeling”. Daarin is bepaald dat indien en voor zover de daadwerkelijke omzet gedurende een bepaalde periode achter blijft bij de geprognosticeerde omzet, AHF aan de betreffende franchisenemer financiële bijdrages zal verschaffen, bestaande uit een aanvullende commerciële bijdrage (een bijdrage van maximaal € 75.000,- ter dekking van de kosten van commerciële activiteiten die niet terugbetaald hoeft te worden), een korte termijn exploitatiebijdrage (een bijdrage van maximaal € 50.000,- wegens verminderde cashflow die niet terugbetaald hoeft te worden), en een middellange termijn exploitatiebijdrage (een bijdrage van maximaal € 100.000,- wegens verminderde cashflow, welke bijdrage wel,zij het renteloos, terugbetaald moet worden indien de jaaromzet van de franchisenemer binnen drie jaar na de formulewijziging gelijk of hoger is dan de in het LTP opgenomen jaaromzet van jaar 3).
2.15.
Omdat de omzet van [gedaagden] achterbleef bij de geprognosticeerde omzet, heeft [gedaagden] op grond van voormelde Brandingsregeling een aanvullende commerciële bijdrage van € 75.000,- van AHF ontvangen.
2.16.
Omdat [gedaagden] jegens AHF aanspraak bleef maken op verdere financiële ondersteuning, heeft AHF haar op 18 februari 2015 de Comfortregeling aangeboden. Deze Comfortregeling diende als ondersteuning voor franchisenemers die door de overgang naar de AH-formule in de problemen waren gekomen. Over de regeling is onderhandeld met de Vereniging C-1000, maar geen overeenstemming bereikt. In het geval van [gedaagden] hield de regeling in: een exploitatiebijdrage van € 200.000,- voor het eerste exploitatiejaar, een van € 114.000,- voor het tweede jaar en een van € 82.000,- voor het derde jaar, totaal € 396.000,-. Indien en zodra [gedaagden] overwinst gaat maken, geldt voor deze bedragen een terugbetalingsregeling. [gedaagden] heeft vanwege die terugbetalingsverplichting niet met het voorstel ingestemd.
2.17.
Per e-mail van 1 april 2015 heeft AHF voorgesteld om bovenop voormelde Comfortregeling een bedrag van € 50.000,- bij te dragen voor een actieplan om de loonsom van de winkel structureel te verbeteren, alsmede een bedrag ad € 17.000,- aan commercieel budget te verstrekken voor een winkelactie. Uiteindelijk heeft [gedaagden] dit voorstel op 18 november 2015 aanvaard.
2.18.
AHF heeft voormelde bedragen verrekend met door [gedaagden] onbetaald gelaten weekfacturen voor aan hem geleverde goederen.
2.19.
[gedaagden] heeft gedurende de eerste twee jaar na de ombouw de geprognosticeerde omzet niet behaald. Inmiddels haalt hij deze wel en is hij gehouden tot terugbetaling van de onder 2.16. genoemde bedragen.
3. De vordering
3.1.
[gedaagden] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,I.a. (primair) onrechtmatige daad:1. verklaart voor recht dat AHF onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagden];2. verklaart voor recht dat AHF gehouden is tot vergoeding van de schade die [gedaagden] als gevolg daarvan lijdt, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag;b. (subsidiair) dwaling:1. verklaart voor recht dat [gedaagden] heeft gedwaald bij het aangaan van de verbintenissen met AHF;2. het door [gedaagden] geleden nadeel opheft door AHF te veroordelen tot vergoeding van de schade die [gedaagden] lijdt, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag;
c. (meer subsidiair) redelijkheid en billijkheid:1. verklaart voor recht dat AHF heeft gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid bij het benaderen en contracteren van [gedaagden];2. verklaart voor recht dat AHF gehouden is tot vergoeding van de schade die [gedaagden] als gevolg van voormeld handelen lijdt, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag;II.a. verklaart voor recht dat AHF toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming van de artikelen 12.1 tot en met 12.7 van de Overgangsregeling, althans de op haar rustende zorgplicht, doordat zij [gedaagden] onvoldoende financiële compensatie heeft geboden;b. AHF veroordeelt om de op haar rustende zorgplicht deugdelijk uit te voeren, in ieder geval door nakoming van de verplichtingen uit de artikelen 12.1 tot en met 12.7 van de Overgangsregeling, op straffe van een dwangsom;III.AHF veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding aan [gedaagden]ad € 500.000,-, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente daarover;IV.AHF veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten aan [gedaagden],te vermeerderen met (handels)rente daarover;V.AHF veroordeelt tot betaling van de proceskosten aan [gedaagden], te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente daarover.
3.2.
[gedaagden] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag Hij is op basis van een door AHF opgestelde prognose een franchiseovereenkomst met AHF is aangegaan. Gedurende de eerste twee jaar na de ombouw van de supermarkt van [gedaagden] naar de AH-formule, is de prognose niet gehaald, waardoor [gedaagden] schade heeft geleden. De prognose was ondeugdelijk: anders dan aan [gedaagden] is voorgehouden is de aan hem verstrekte prognose niet gebaseerd op referentieonderzoek, maar uitsluitend vastgesteld aan de hand van het voorheen onder de C1000 formule behaalde resultaat. Bovendien heeft AHF nagelaten in de prognose rekening te houden met een omzetdip, terwijl AHF op basis van eerdere formulewijzigingen wist dat daarvan sprake zou zijn. Voorts is van belang dat [gedaagden] in een dwangpositie verkeerde: doordat AH zijn verhuurder werd en de C1000 formule ophield te bestaan, moest [gedaagden] wel met AHF in zee gaan. AHF heeft [gedaagden] onder tijdsdruk gezet, waardoor [gedaagden] zeer snel moest beslissen. Ten slotte is aan [gedaagden] steeds voorgehouden dat de franchisenemer van C1000 er door de gehele transactie niet op achteruit zouden gaan.
3.3.
Gelet op deze ondeugdelijke prognose heeft AHF onrechtmatig gehandeld: een franchisegever die weet dat de door hem opgestelde prognose fouten bevat en de franchisenemer daar niet op wijst, handelt onrechtmatig. Voorts heeft AHF in samenspraak met C1000 geprofiteerd van de wanprestatie van C1000. Subsidiair stelt [gedaagden] dat hij op basis van een onjuiste voorstelling van zaken een overeenkomst met AHF is aangegaan die hij bij een juiste voorstelling van zaken niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan. De ondeugdelijke voorstelling van zaken is gelet op de door AHF verstrekte ondeugdelijke prognose aan AHF te wijten. Het meer subsidiaire beroep op de redelijkheid en billijkheid heeft [gedaagden] niet nader toegelicht.
3.4.
Voorts stelt [gedaagden] zich op het standpunt dat AHF als franchisegever een zware zorgplicht jegens haar franchisenemers heeft en dat AHF op grond van de artikelen 12.1 tot en met 12.7 van de Overgangsregeling jegens [gedaagden] bepaalde inspanningen moet verrichten in het geval de omzet na de formulewijziging significant zou afwijken. Dat laatste is het geval, maar AHF heeft nagelaten aan haar verplichtingen te voldoen. De regelingen die AHF heeft aangeboden, zijn immers niet meer dan een geldlening, waardoor de schade niet wordt gecompenseerd en [gedaagden] nog lange tijd aan AHF gebonden zal blijven.
4. Het verweer
4.1.
AHF betwist de vorderingen. Zij voert daartoe het volgende aan. AHF betwist dat de prognose ondeugdelijk was. De aan [gedaagden] verstrekte prognose is opgesteld op basis van referentieonderzoek en met een (tijdelijke) omzetdaling is, voor zover deze voorzienbaar was, wel degelijk rekening gehouden. AHF is juist zeer behoudend geweest bij haar prognose van de omzet en het was [gedaagden] zelf die een veel hogere omzet voorzag. AHF betwist voorts dat sprake was van een dwangpositie: [gedaagden] kon zelf kiezen met wie zij in zee zou gaan. AHF betwist eveneens dat zij [gedaagden] onder tijdsdruk heeft gezet: [gedaagden] heeft gedurende vier maanden voorafgaande aan zijn besluit de beschikking gehad over alle relevante stukken en voor zover er al sprake was van tijdsdruk, was de wens van [gedaagden] zelf om vóór Pasen 2013 open te gaan, daaraan debet. AHF heeft aan [gedaagden] nooit de toezegging gedaan dat hij er niet op achteruit zou gaan.
4.2.
Gelet op het voorgaande heeft AHF niet onrechtmatig gehandeld en heeft [gedaagden] niet gedwaald op grond van onjuiste mededelingen die aan AHF te wijten zijn, althans dient de gestelde dwaling gelet op alle verdere omstandigheden voor rekening van [gedaagden] te blijven. Van handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid is evenmin sprake: AHF heeft juist moeite gedaan om [gedaagden] intensief te begeleiden en heeft hem financiële compensatieregelingen aangeboden toen bleek dat de omzet achter bleef bij de prognose.
4.3.
Ook betwist AHF dat zij haar verplichtingen jegens [gedaagden] niet zou zijn nagekomen. Zij heeft intensieve begeleiding en compensatie aangeboden. Voor zover AHF al enige schadevergoeding aan [gedaagden] verschuldigd zou zijn, wijst AHF erop dat die schade in elk geval niet gelijk staat aan het verschil tussen de geprognosticeerde omzet en de daadwerkelijke omzet. Ten slotte wijst AHF er op dat zij bij verschillende gelegenheden iedere aansprakelijkheid jegens [gedaagden] heeft uitgesloten.
5. De beoordeling
5.1.
Aan de vorderingen van [gedaagden], of deze nu op onrechtmatige daad, dwaling of de redelijkheid en billijkheid zijn gebaseerd, ligt de premisse ten grondslag dat de prognose die AHF aan [gedaagden] heeft verschaft, ondeugdelijk was. De gestelde ondeugdelijkheid heeft [gedaagden] op een aantal omstandigheden gebaseerd. Ten eerste stelt [gedaagden] dat AHF, anders dan zij heeft doen voorkomen, de prognose niet heeft gebaseerd op de omzetten van referentiewinkels, maar eenvoudigweg is uitgegaan van de omzet die in het verleden onder de C1000 formule werd behaald.
Ten tweede heeft AHF volgens [gedaagden] haar eigen beslissing om al dan niet tot aankoop van de C1000 supermarkten over te gaan, gebaseerd op een andere prognose dan die zij aan [gedaagden] heeft gepresenteerd. Ten derde heeft AHF bij het vaststellen van de prognose geen rekening gehouden met een door de formulewijziging veroorzaakte omzetdip, terwijl zij op basis van een eerdere ombouwoperatie (uit 2008) en de recente ombouw van de “NMA-specials” wist dat daarvan sprake was, aldus [gedaagden]. AHF heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.
5.2.
De rechtbank kan [gedaagden] niet volgen in zijn stelling dat bij het opstellen van de prognose niet is uitgegaan van de omzetten van referentiewinkels. In het VPO zijn de relevante vergelijkingsgegevens (aantal verkoopmeters, aantal inwoners, omzetten) van een vijftal winkels opgenomen en op basis daarvan is de omzetprognose tot stand gekomen. Blijkens de gespreksverslagen van 31 oktober en 21 november 2012 is ook besproken dat de omzetprognose is gebaseerd op een aantal referentiewinkels. Weliswaar is niet vermeld om welke winkels het ging, maar daar heeft [gedaagden] tijdens de onderhandelingen over de overgang ook niet naar gevraagd. De omstandigheid dat AHF achteraf niet bereid is gebleken alsnog de identiteit van de betreffende winkels te openbaren, maakt niet dat de prognose ondeugdelijk is. De relevante gegevens van de betreffende referentiewinkels zijn immers wel in de prognose vermeld en betrokken. Anders dan [gedaagden] betoogt, volgt uit de Toelichting LTP van 4 september 2012 waarin staat: “Er heeft nog geen vergelijking referentiewinkels plaatsgevonden.”, niet dat de geprognosticeerde omzet niet gebaseerd is op de omzetten van referentiewinkels. De betreffende opmerking heeft immers betrekking op de “pos marge”, zijnde de bruto winst van een product na verkoop minus btw en minus inkoop en afprijzingen, hetgeen dus iets anders is dan de omzet. AHF heeft toegelicht dat zij voor het bepalen van de pos marge gebruik maakt van andere referentiewinkels dan voor het bepalen van de omzet, hetgeen, nu het gaat om twee verschillende meetinstrumenten, op zich zelf niet ondeugdelijk is. De stelling van [gedaagden] dat AHF eenvoudigweg heeft teruggerekend naar de omzet die [gedaagden] behaalde onder de C1000 formule, blijkt evenmin uit het VPO. De basisomzetten uit 2011 en 2012 zijn in het VPO weergegeven en lagen boven de geprognosticeerde omzet. De conclusie is dan ook dat uitgangspunt is dat de omzetprognose gebaseerd is geweest op autonoom onderzoek van AHF op basis van referentiewinkels.
5.3.
De stelling van [gedaagden] dat AHF haar eigen beslissing om de C1000 winkels al dan niet over te nemen heeft gebaseerd op een onderzoek dat zij niet met [gedaagden] heeft gedeeld, zoals de rechtbank Noord Holland in de zaak tussen Van Gameren en AHF (rechtbank Noord-Holland 3 december 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:11564) kennelijk heeft aangenomen, wordt eveneens gepasseerd. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [gedaagden] verwezen naar de brief van AHF van 19 juni 2015 waarin AHF heeft geschreven: “De wijze waarop onze afdeling LS haar onderzoek en bevindingen heeft gedaan is in de basis in dit geval niet anders geweest dan bij andere winkels.” Tevens heeft [gedaagden] verwezen naar hetgeen de heer [B.] in voormelde procedure heeft verklaard over het opstellen van de LTP, hetgeen door de rechtbank in voornoemde procedure is gesanctioneerd. Daarbij ziet [gedaagden] echter over het hoofd dat aan voormeld vonnis geen doorslaggevende betekenis kan worden gehecht: niet alleen ziet dat vonnis op een andere procedure met een andere eiser, maar bovendien is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld waarvan de uitkomst thans nog ongewis is. AHF heeft gemotiveerd betwist dat sprake is geweest van meerdere omzetprognoses: op basis van autonoom onderzoek naar de omzet van referentiewinkels is de omzet geprognosticeerd op € 220.000,- per week, zoals vastgelegd in het VPO dat in september 2012 aan [gedaagden] is overhandigd. Op grond hiervan heeft AHF haar eigen beslissing om de supermarkt over te nemen, genomen. Over de prognose is met [gedaagden] overleg gevoerd waarbij ook de daadwerkelijk door [gedaagden] behaalde omzet onder de C1000 formule betrokken is. Dit heeft evenwel niet geleid tot een andere prognose. Gelet hierop is niet, althans onvoldoende, komen vast te staan dat sprake is geweest van een eerdere niet met [gedaagden] gedeelde prognose.
5.4.
[gedaagden] heeft voorts nog aangevoerd dat bij de prognose geen rekening is gehouden met een omzetdip in verband met de formule wijziging, terwijl AHF wist dat daarvan sprake zou zijn. Ook deze stelling kan niet leiden tot de conclusie dat sprake was van een ondeugdelijke prognose. AHF heeft toegelicht dat de ombouw van C1000 winkels naar de AH formule in 2008 haar had geleerd dat in jaar 1 de omzet van de supermarkt zou achterblijven bij de omzet die vóór de ombouw onder de C1000 formule werd behaald. Met die ervaring heeft AHF rekening gehouden in die zin dat zij uitgaande van de daadwerkelijk behaalde omzet vóór de ombouw een korting van 2% heeft toegepast. Bij een in 2012 daadwerkelijk behaalde omzet van € 229.000,- per week, kwam AHF met die korting van 2% nog ruim boven de omzetprognose van € 220.000,- per week uit. Door [gedaagden] is niet betwist dat met deze omzetdip rekening is gehouden, maar hij wijst er op dat bij de omzetprognose geen rekening is gehouden met de recente ervaringen die AHF had opgedaan met de ombouw van de NMA-specials. Dat die ombouw had geleid tot achterblijvende omzetten blijkt volgens [gedaagden] wel uit de brief van 23 november 2012 van AHF aan franchisenemers waarin maatregelen ter verhoging van de omzet werden aangekondigd. In reactie hierop heeft AHF aangevoerd dat zij ten tijde van het opstellen van de prognose nog geen rekening kon houden met de ervaringen in zake de NMA-specials, omdat die ervaringen nog zeer recent waren, niet van alle NMA-winkels de omzet achterbleef en dat ten aanzien van de winkels die wel achterbleven, niet duidelijk was wat daarvan de oorzaak was.
5.5.
De rechtbank overweegt als volgt. De prognose die in september 2012 aan [gedaagden] is overhandigd, is kort daarvoor (in augustus 2012) opgesteld. Vast staat dat met de ervaringen uit 2008 rekening is gehouden, in die zin dat AHF heeft gerekend met een omzetdaling van 2% (gerekend over de in het verleden door [gedaagden] behaalde resultaten). Op het moment dat de prognose voor [gedaagden] werd opgesteld, waren de NMA-specials nog maar net omgebouwd. Het ligt dan ook in de rede dat met de resultaten daarvan, die nog nauwelijks bekend waren, in de prognose geen rekening is gehouden. Het is immers niet mogelijk of zinvol om een prognose aan te passen als de oorzaken van achterblijvende omzetten bij andere winkels, die al dan niet vergelijkbaar zijn met de winkel van [gedaagden], nog onbekend zijn. Daarbij komt dat de opgestelde prognose, gelet op de eerder door [gedaagden] onder de C1000 formule behaalde resultaten, behoudend te noemen was: ook als, uitgaande van de daadwerkelijk behaalde omzet in de voorgaande jaren, rekening zou zijn gehouden met een hogere omzetdip dan 2%, zou een prognose van€ 220.000,- nog niet onrealistisch zijn. Het was [gedaagden] bovendien bekend dat met de recente ervaringen in de prognose geen rekening was gehouden: hij heeft immers zelf bij AHF aangekaart dat hij zich gelet op de ervaringen van één franchisenemer zorgen maakte. Naar aanleiding hiervan is de prognose niet aangepast, maar heeft AHF (uiteindelijk) wel extra commerciële ondersteuning aangeboden.
5.6.
[gedaagden] heeft voorts, naar de rechtbank begrijpt, betoogd dat bij de beoordeling van de deugdelijkheid van de prognose moet worden betrokken dat [gedaagden] zich feitelijk in een dwangpositie bevond en dat hem is voorgehouden dat hij er niet op achteruit zou gaan. Deze elementen kunnen evenwel niet tot een ander oordeel leiden. Daartoe is het volgende redengevend.
5.7.
Weliswaar voert [gedaagden] terecht aan dat de keuzemogelijkheden na de overname van C1000 door Jumbo beperkt waren, maar anders dan hij doet voorkomen was [gedaagden] niet (feitelijk) gedwongen om met AHF een franchise overeenkomst te sluiten: er waren ook andere mogelijkheden, zoals het sluiten van een overeenkomst met een andere franchisegever of het verkopen van zijn onderneming. Het is bovendien niet AHF, maar C1000 geweest die door de verkoop van haar onderneming en het uiteindelijk beëindigen van haar formule [gedaagden] in de onderhavige situatie heeft geplaatst. [gedaagden] had C1000 kunnen dwingen tot nakoming van haar verplichtingen uit de franchise overeenkomst, maar heeft dat nagelaten, mogelijk omdat hij nieuwe kansen onder de AH-formule zag. Voor zover [gedaagden] in het onderhandelingstraject met AHF tijdsdruk heeft ervaren, geldt dat hij die tijdsdruk zelf heeft gecreëerd omdat hij de winkel voor Pasen 2013 omgebouwd wilde hebben en er met een dergelijke ombouw nu eenmaal tijd en een strakke planning gemoeid is. Overigens beschikte [gedaagden] op het moment dat hij de overeenkomst met AHF tekende, al vier maanden over de concepten en de prognose en heeft hij voldoende gelegenheid gehad zich hierover te laten adviseren.
5.8.
Ter onderbouwing van de stelling dat AHF [gedaagden] heeft voorgehouden dat hij er met de ombouw niet op achteruit zou gaan, verwijst [gedaagden] vooral naar afspraken tussen Jumbo, C1000 en de Vereniging C1000. AHF is bij die afspraken geen partij. [gedaagden] kan daaraan jegens AHF dan ook geen aanspraken ontlenen. De verwijzing naar de Overgangsregeling, waarbij AHF wel partij is, kan [gedaagden] evenmin baten. Nog daargelaten dat deze regeling pas tot stand is gekomen nadat [gedaagden] de overeenkomst met AHF al was aangegaan, geldt dat voornoemd uitgangspunt zoals vastgelegd in de considerans onder c van die overeenkomst uitsluitend de visie van de ondernemers betreft, terwijl de visie van AHF is weergegeven in de considerans onder d. Kortom, de stelling van [gedaagden] dat AHF hem heeft voorgehouden dat zij er niet op achteruit zou gaan, vindt geen steun in de aangevoerde feiten.
5.9.
Het vorenstaande brengt met zich dat de vorderingen van [gedaagden] voor zover deze zijn gebaseerd op onrechtmatig handelen van AHF, niet slagen. Van onrechtmatig handelen is sprake indien AHF bij het aangaan van de franchiseovereenkomst heeft gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Daarvoor is niet alleen nodig dat de prognose op ondeugdelijke wijze tot stand is gekomen, maar tevens dat AHF wist dat de prognose ernstige fouten bevatte en zij [gedaagden] daarop niet heeft gewezen. Zoals uit het voorgaande volgt, is niet, althans onvoldoende, komen vast te staan dat de prognose ernstige fouten bevatte, laat staan dat AHF daarvan op de hoogte was en heeft nagelaten [gedaagden] daarover te informeren.
5.10.
Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op dwaling, kunnen deze evenmin slagen. Daartoe is het volgende redengevend. Een beroep op dwaling faalt indien de dwaling uitsluitend een toekomstige omstandigheid betreft.
Nu een prognose naar zijn aard een verwachting is die een toekomstige omstandigheid betreft, is de enkele omstandigheid dat deze achteraf niet haalbaar is gebleken, onvoldoende grond voor een geslaagd beroep op dwaling. Dat is alleen anders indien de prognose is gebaseerd op een onjuiste voorstelling van ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestaande omstandigheden of verkeerde, op dat moment reeds bekende, uitgangspunten dan wel andere (ernstige) fouten in de onderbouwing en/of de berekening van de prognose. Zoals uit hetgeen hiervoor ten aanzien van de prognose is overwogen, is niet, althans onvoldoende, gebleken van ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bij AHF al bekend zijnde onjuiste uitgangspunten of fouten in de prognose. Daar komt bij dat AHF de nodige voorbehouden heeft gemaakt en desgevraagd geen garanties wilde verstrekken, AHF [gedaagden] er op heeft gewezen dat hij ook zelf onderzoek moest doen en [gedaagden] ook kon weten dat de ervaringen van de recente ombouw (de NMA-specials) niet waren verwerkt in de prognose. Van een bij [gedaagden] bestaande onjuiste voorstelling van zaken was dus geen sprake, althans deze moet onder de gegeven omstandigheden voor rekening van [gedaagden] blijven.
5.11.
De vordering kan evenmin slagen op de grond dat AHF bij het benaderen en contracteren van [gedaagden] heeft gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Van een ondeugdelijke prognose is immers geen sprake en van een dwangpositie of van harde toezeggingen zijdens AHF evenmin. Andere omstandigheden die maken dat het handelen van AHF in de onderhavige situatie als in strijd met de redelijkheid en billijkheid moet worden gekwalificeerd, zijn gesteld noch gebleken. Daar komt bij dat AHF heeft zorg gedragen voor begeleiding bij de ombouw en tevens heeft voorzien in regelingen ter compensatie van (een deel van) de omzetderving die het gevolg was van de ombouw, zoals de Comfortregeling en de Brandingsregeling.
5.12.
Gelet op het voorgaande zullen de onder I gevorderde verklaringen voor recht en schadevergoedingen worden afgewezen. Dat betekent dat ook het onder III gevorderde voorschot op de schadevergoeding ad € 500.000,- zal worden afgewezen. Daar is immers geen grond voor.
5.13.
[gedaagden] heeft voorts betoogd dat AHF toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de artikelen 12.1 tot en met 12.7. van de Overgangsregeling, althans de op haar rustende zorgplicht doordat zij [gedaagden] onvoldoende financiële compensatie heeft geboden ondanks de aangeboden en aanvaarde Comfortregeling. Weliswaar heeft [gedaagden] op grond van de Overgangsregeling in verband met de ombouw een bedrag van € 218.000,- van AHF ontvangen en vervolgens in verband met achterblijvende omzetten nog eens een bedrag van € 396.000,-, maar het gaat hier om bedragen die ofwel geheel terugbetaald moeten worden ofwel verantwoord moeten worden als bestedingen aan de openingscampagne. Van enige compensatie van de door [gedaagden] ervaren omzetdip is geen sprake, en daarom heeft AHF niet voldaan aan haar uit de Overgangsregeling voortvloeiende verplichting om een maatwerkoplossing te bieden, althans niet voldaan aan haar zorgplicht jegens hem, aldus [gedaagden]. AHF heeft zulks gemotiveerd weersproken.
5.14.
Vast staat dat AHF aan [gedaagden] de in de artikelen 12.1 tot en met 12.6 van de Overgangsregeling voorziene bijdragen in het geval de omzet van [gedaagden] na de ombouw zou achterblijven bij de prognose, heeft verstrekt. In die zin is AHF dan ook niet tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen.
Weliswaar moet de bijdrage die op grond van artikel 12.5. is versterkt (de middellange termijn exploitatiebijdrage) door [gedaagden] worden terugbetaald, maar dat geldt alleen indien de jaaromzet binnen drie jaar na de ombouw gelijk of hoger is dan de in de LTP opgenomen jaaromzet van jaar drie en er meer winst wordt behaald dan een winst van€ 100.000,- voor aftrek van de ondernemersbeloning. De terugbetalingsregeling is met zoveel woorden opgenomen in de Overgangsregeling en niet valt in te zien waarom AHF door daarop een beroep te doen, haar verplichtingen jegens [gedaagden] niet zou nakomen. Een aantal bijdragen hoeft [gedaagden] bovendien helemaal niet terug te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank geldt de terugbetalingsregeling onder voorwaarden die niet onredelijk zijn en bovendien mag van [gedaagden], die immers ondernemer is, worden verwacht dat hij ook enig ondernemersrisico loopt. Weliswaar kan [gedaagden] de komende jaren niet profiteren van de extra winst die hij maakt, maar hij heeft vanwege de regeling ook niet het risico gelopen failliet te gaan. Gelet hierop heeft AHF naar het oordeel van de rechtbank ook in voldoende mate voldaan aan de op haar jegens [gedaagden] rustende zorgplicht. Evenmin kan worden geconcludeerd dat AHF niet of in onvoldoende mate heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 12.7 van de Overgangsregeling. Op grond van die regeling heeft AHF immers aan [gedaagden] de Comfortregeling aangeboden, die [gedaagden] ook heeft geaccepteerd. De stelling van [gedaagden] dat die regeling niet kan worden gezien als maatwerk omdat deze aan meerdere franchisenemers is aangeboden, gaat niet op omdat [gedaagden] heeft nagelaten nader te onderbouwen waarom deze regeling voor hem niet passend zou zijn geweest. Daar komt bij dat AHF, zoals zij onvoldoende betwist heeft aangevoerd, naast de Comfortregeling nog een bedrag van € 50.000,- heeft betaald voor een actieplan om de loonsom van de winkel van [gedaagden] versneld naar beneden te krijgen, alsook een bedrag van € 17.000,- voor een Monopoly actie in de winkel. Voorts heeft AHF nog een marketingplan overgelegd dat zij voor [gedaagden] heeft opgesteld. In die zin is dus wel degelijk maatwerk geleverd.
5.15.
De conclusie van het voorgaande is dat de vordering tot het geven van een verklaring voor recht dat AHF toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de Overgangsregeling althans de op haar rustende zorgplicht, zal worden afgewezen: AHF heeft [gedaagden] niet onvoldoende financiële compensatie geboden. Ook de vordering tot veroordeling van AHF tot nakoming van de Overgangsregeling zal, gelet op het voorgaande, worden afgewezen, nog daargelaten dat [gedaagden] bij die nakoming thans ook geen belang (meer) lijkt te hebben nu hij inmiddels de in de LTP geprognosticeerde omzet behaalt.
5.16.
Nu geen van de hoofdvorderingen zal worden toegewezen, zullen ook de nevenvorderingen (tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en tot vergoeding van proceskosten) worden afgewezen.
5.17.
[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van AHF worden begroot op:
- griffierecht € 3.864,00
- salaris advocaat € 5.160,00 (2,0 punt × tarief € 2.580,00)
Totaal € 9.024,00
5.2.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot.De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal eveneens worden toegewezen op na te melden wijze.
6. De beslissing
De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van AHF tot op heden begroot op € 9.024,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [gedaagden] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden] niet binnen14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk, mr. H.A. Pot Hofstede en mr. K. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2016.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑12‑2016
Uitspraak 11‑05‑2016
Inhoudsindicatie
Geen overeenkomst tot stand gekomen tussen eiseres en gedaagde strekkende tot overgang C1000 supermarkt naar Albert Heijn supermarkt. Geen voldoende bepaalbaar aanbod. Geen sprake van onrechtmatig door gedaagde afgebroken onderhandelingen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling privaatrecht
Sectie Handel & Insolventie
zaaknummer / rolnummer: C/15/231068 / HA ZA 15-581
Vonnis van 11 mei 2016
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] FOOD B.V.,
gevestigd te Enschede,
eiseres,
advocaat mr. R.A.M. Schram te Haarlem,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ALBERT HEIJN FRANCHISING B.V.,
gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad,
gedaagde,
advocaat mr. drs. A.M.A. Canta te Utrecht.
Partijen zullen hierna [eiseres] Food en AHF genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 21 oktober 2015
- -
het proces-verbaal van comparitie van 29 maart 2016.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[eiseres] Food exploiteerde sinds 2005 een supermarkt onder de C1000 formule aan de [adres]. Zij deed dat op basis van een zogenoemde “formule-overeenkomst” met C1000 (voorheen Schuitema Groothandel B.V.) De winkelruimte waarin [eiseres] Food haar supermarkt dreef, huurde zij van Schuitema Vastgoed B.V. en vervolgens van C1000 Vastgoed B.V.
2.2.
Eind 2011 heeft Jumbo Groep Holding B.V. met de aandeelhouder van C1000 overeenstemming bereikt over de overname van C1000.
2.3.
Ingevolge een besluit van de Nederlandse Mededingingsautoriteit van 21 februari 2012 was het Jumbo niet toegestaan om alle verworven C1000 vestigingen volgens haar formule te gaan exploiteren. Gelet daarop zou een deel van de C1000 supermarkten worden doorgeleid naar Ahold, waarvan AHF een onderdeel is, of naar Coop.
2.4.
De supermarkt van [eiseres] Food in Enschede is ingevolge het voorgaande terecht gekomen op de lijst van vestigingen waarvan overgang naar Ahold werd beoogd.
2.5.
Bij brief van 23 augustus 2012 heeft Ahold aan [eiseres] Food laten weten: “Zoals u weet is er tussen Ahold en Jumbo overeenstemming bereikt ten aanzien van de overgang van 82 C1000/Jumbo locaties. U bent ondernemer van de winkel in het bovengenoemde pand. Inmiddels is de transactie afgerond. Dit betekent, gelet op de transactiestructuur, dat de locatie per 14 augustus 2012 aan u wordt verhuurd door Valk Vastgoed II BV. Dit is een concernvennootschap van Koninklijke Ahold N.V. en een dochteronderneming van Ahold Europe Real Estate & Construction B.V. Dit staat geheel los van de voorgenomen overgang naar de Albert Heijn formule. Hierover wordt u zeer binnenkort nader geïnformeerd. (…)”
2.6.
Op 18 september 2012 heeft een eerste gesprek tussen [eiseres] Food en AHF over overgang naar de Albert Heijn formule plaatsgevonden. Daarbij zijn aan [eiseres] Food overhandigd een vestigingsplaatsonderzoek van juli 2012, een lange termijn prognose (LTP) met toelichting van 14 september 2012 en een standaard franchiseovereenkomst.
2.7.
Op 11 maart 2013 is tussen AHF en de Vereniging C1000 (een vereniging van franchisenemers van de C1000 formule) een overgangsregeling gesloten. Daarin staat onder meer: (…) Overwegingen
(A) In aansluiting op de overname door Jumbo Groep Holding B.V. van C1000, heeft Koninklijke Ahold N.V. of een aan haar gelieerde vennootschap (hierna gezamenlijk Ahold) met C1000 een overeenkomst gesloten op grond waarvan AH de verhuurrechten met betrekking tot 78 C1000 vestigingspunten van C1000 heeft overgenomen. Voorts heeft AH daarbij de inspanningsverplichting op zich genomen om met de C1000 ondernemers die de desbetreffende C1000 supermarkten exploiteren (Ondernemers) tot overeenstemming te geraken ter zake van een nieuw af te sluiten franchise overeenkomst (FO). (B) In het licht daarvan wensen partijen in deze overeenkomst raamwerk afspraken vast te leggen waaronder Ondernemers kunnen overgaan naar de AH formule (de Overeenkomst of inhoudelijk de Overgangsregeling). (C) Als uitgangspunt voor de Ondernemer voor de Overgangsregeling geldt dat (i) de Ondernemer onder de AH Formule op basis van een realistisch haalbaar en genormaliseerd exploitatieprofiel (gecorrigeerd voor buitengewone baten en lasten en gecorrigeerd voor Marktomstandigheden) en (ii) het eigen vermogen van de Ondernemer vijf jaar na de overgang naar de C1000 Formule gelijk is aan het eigen vermogen voor het moment van overgang (gecorrigeerd voor de onverdeelde winst en privémutaties). (D) Als uitgangspunt voor AH voor de Overgangsregeling geldt dat de Ondernemer onder de AH formule op basis van het bijbehorend verdienmodel vastgelegd in een Lange Termijn Plan (LTP) in staat wordt gesteld een extern financierbare AH winkel te exploiteren, rekening houdend met de regelingen in deze overeenkomst. (…)
2. De overeenkomst2.1. Deze overeenkomst behelst een raamwerk van afspraken waarop door iedere individuele Ondernemer jegens AH een beroep kan worden gedaan in het kader van de overgang naar AH. In dat opzicht dienen de bepalingen in deze Overeenkomst ten aanzien van de individuele Ondernemer te worden beschouwd als een derdenbeding, met dien verstand dat iedere Ondernemer vrij is om te bepalen of en zo ja onder welke voorwaarden hij bereid is over te gaan naar AH. 2.2. Deze regeling verplicht geen enkele Ondernemer bij voorbaat om mee te werken aan een overgang naar AH. Iedere Ondernemer zal, onder het voorbehoud van het bereiken van overeenstemming tussen hem en AH, individueel en overeenkomst met AH sluiten waarbij ruimte is voor individueel passend maatwerk in aanvulling op of afwijking van de in deze overeenkomst neergelegde afspraken. (…)
In de overeenkomst is voorts bepaald dat aan iedere ondernemer de standaard franchise overeenkomst zou worden aangeboden, waarop individuele aanpassingen mogelijk waren en dat per vestiging een LTP zou worden opgesteld waarin onder meer de exploitatie- en investeringsbegroting was opgenomen. Door AHF te verstrekken commerciële bijdrages, ombouwbijdrages en overige bijdrages alsmede de hoogte daarvan, waren onder meer afhankelijk van de cijfers uit het LTP.
2.8.
Op 5 april 2013 heeft een tweede gesprek plaatsgevonden. Een derde gesprek heeft op 6 juni 2013 plaatsgevonden. In het gespreksverslag daarvan staat onder meer: (…) De ondernemer heeft geen behoefte om op voorhand een vervolg gesprek te plannen om de gesprekken met betrekking tot de huidige locatie voort te zetten. De ondernemer wil de ontwikkelingen afwachten en zal als hij de tijd daar rijp toe acht contact met AHF opnemen omtrent een vervolg gesprek. (…)” Een eerstvolgend gesprek tussen [eiseres] Food en AHF heeft op 29 augustus 2014 plaatsgevonden.
2.9.
Bij e-mail van 22 oktober 2014 heeft AHF aan [eiseres] Food een concept aanbieding gezonden. In de e-mail staat onder meer: “(…) Ik ga er vanuit dat er nog het nodige te bespreken valt om tot een definitieve aanbieding te komen. In elk geval zijn dan financiële gegevens van de exploitatie BV zoals jaarcijfers (2013) en een tussentijdse rapportage (periode 8 2014) noodzakelijk. Ik hoop dat er ook zo snel mogelijk duidelijkheid komt mbt de vastgoedzaken, zodat we daar in de aanbieding ook rekening mee kunnen houden. (…)”
2.10.
In reactie daarop heeft [eiseres] Food bij brief van 14 november 2014 laten weten: “(…) Vanzelfsprekend staan we er voor open om (verder) met U in gesprek te gaan omtrent (de voorwaarden voor) het aangaan van een Albert Heijn franchiseovereenkomst. (…) Hoewel we bereidwillig zijn om (verder) met u in gesprek te gaan over de maatwerkafspraken, geven we er de voorkeur aan om de gesprekken met Albert Heijn op te schorten (…)”
2.11.
Daarop heeft AHF op 19 november 2014 aan [eiseres] Food bericht: “(…) Op 22 oktober 2014 hebben wij u een aanbiedingsbrief gestuurd voor het aangaan van een Albert Heijn franchiseovereenkomst, u heeft op 14 november j.l. schriftelijk te kennen gegeven dat u vooralsnog niet (verder) in gesprek wenst te gaan over de voorwaarden voor een overeenkomst. Wij respecteren dat besluit, echter in eerdere gesprekken hebben wij aangegeven dat de tijd voor het ombouwproces, van aanloop en voorbereiding tot ombouw, ruim 30 weken is. Gezien het feit dat Jumbo heeft aangegeven dat de C1000 formule na het tweede kwartaal 2015 niet langer ondersteund wordt, willen wij u graag de mogelijkheid geven om alvast de voorbereidingen voor een ombouwproces op te starten en deze voorbereidingen voorlopig los te koppelen van de gesprekken over een Franchiseovereenkomst. (…)”
[eiseres] Food is hiermee akkoord gegaan.
2.12.
Op 4 december 2014, 6 en 27 januari 2015 hebben partijen wederom met elkaar gesproken over de ombouw van de vestiging van [eiseres] Food naar een Albert Heijn filiaal. Daarbij zijn meerdere onderwerpen aan de orde gekomen. In het gespreksverslag van 27 januari 2015 staat: “(…) De aanbieding is verwoord in de toelichting op de LTP. Dit is nog een praatplaatje waarvoor wij nog geen mandaat van de directie hebben. De Lening van AHF hebben wij opgenomen omdat wij inschatten dat financiering van de investeringen (mede gezien de huidige ontwikkelingen en uitkomsten van de LTP) wel eens moeilijk kunnen worden. (…)”
2.13.
In het gespreksverslag van 19 februari 2015 is vermeld dat bij een volgende bespreking op 12 maart 2015 onder meer aan de orde zullen komen: “(…) Status en voortgang van het project, gesprekken en onderhandelingen (…)- Uitgangspunten/contouren voor een aanbieding/overeenkomst (…)- Plannen afspraak voor het ondertekenen van de contractstukken. (…)”
2.14.
In reactie daarop heeft [eiseres] Food op 20 februari 2015 laten weten: “(…) Zoals reeds eerder gemeld zal er niet eerder ondertekend (als er al getekend wordt) kunnen worden wanneer de problematiek met C1000 niet is opgelost. (…) De optie om het te verkopen aan Jumbo komt dan ook steeds vaker bij mij op. (…) Ik wil nogmaals benadrukken dat de druk die bij mij ligt voor mij als zeer groot wordt ervaren. Ik wens geen beslissingen te nemen onder deze omstandigheden. Ik laat mij niet onder druk zetten. U kunt een planning maken wat u wilt. (…)”
2.15.
Op 10 maart 2015 heeft AHF een aangepaste LTP met toelichting aan [eiseres] Food gestuurd. [eiseres] Food bleek zich daarin niet te kunnen vinden. De adviseur van [eiseres] Food heeft op 12 maart 2015 onder meer aan AHF geschreven: “(…) We verschillen van mening over de uitgangspunten van dit LTP en hierna is toegelicht de aanpassen/wijzigingen met de argumentatie. (…) Conclusie is dat de exploitatie een te hoog risicoprofiel heeft. Een oplossingsrichting is m.i. om de door AH te verstrekken achtergestelde lening als bijdrage in de eerste 5 jaar te verstrekken. (…)”
2.16.
Daarop heeft AHF op 18 maart 2015 onder meer laten weten: “(…) Zoals in ons laatste gesprek gesteld willen wij gaarne inzicht in de actuele ontwikkeling (….). De instuwing marge 2014 onder de C1000 formule bedraagt 28,7% van de goederen omzet en 26,9% gerealiseerd. In de LTP is dit 26% (27,5% minus 1,5%). De dering is gezien de lagere omzet druk en type klant taakstellend (maar is met een goed beheer van de winkel haalbaar). Hooguit wil ik die voor de jaren 1 en 2 met 0,2% verhogen om de winkel te laten intrillen. (…) In de LTP hebben wij een OPWU ingezet van € 173 en deze is haalbaar. In jr. 1 hebben wij de OPWU verlaagd met ca. 3% naar € 167 gemiddeld per jaar (en betekent dat de winkel in het jaar van opening geleidelijk groeit naar een OPWU van € 173. De door jouw gestelde OPWU van € 160k deel ik niet (dat zou een onvoldoende voorbereiding, opleiding en aansturing van de winkel organisatie impliceren). (…) Ik ga (gezien vorenstaande) niet mee in jouw opstelling om de loonkosten te verhogen. (…) Voor de overige kosten (waaronder de energiekosten) wil ik niet afwijken van de standaard bedragen uit de LTP berekening. (…) Dit betekent dat in de huur geen rekening is gehouden met de door de ondernemer gewenste uitbreiding van de winkel met meters van het gordijn atelier. (…) Daarbij speelt dat de inhuur door REC hoger ligt dan de verhuur aan de ondernemer (bedrag van € 65k per jaar sinds de overname van het huurcontract. De huur per meter ligt onder marktwaarde waarbij REC nog in overweging heeft al dan niet een huuraanpassingsprocedure op te starten. De afschrijvingskosten en rentekosten in jouw opstelling zijn afwijkend van die in de LTP. De balanspositie is niet overeenkomstig mijn opstelling in de LTP, zoals; * Actief in aanbouw: dit zijn ontwikkelkosten voor de relokatie propositie en hebben niets met de exploitatie van de winkel te maken (en dienen derhalve te worden voorzien ten laste van de huidige exploitatie daar de inbaarheid van deze post betwistbaar is). Ik wil daarom dat deze post uit de begin balans positie gaat. * de voorraadpositie is hoger dan in de LTP (en dat is mogelijk gezien de lage omzetdruk) maar dan wordt ook het leverancierskrediet meer dan evenredig hoger(heb ik je al eerder uitgelegd). * de lening van ING van € 37 laat jij staan maar die wordt in jr 1 afgelost * de transitorische posten heb ik lager opgenomen (betaald) omdat die erg hoog zijn (het lijkt mij zinvol de opbouw van deze post toe te lichten. Ergo: ik wil gaarne dat er wordt gestart met een schone balanspositie (…). De door jouw berekende kredietbehoefte ligt daardoor ca. € 200k hoger dan berekend in mijn LTP. Jouw voorstel is om de door AHF te verstrekken lening van € 550k te kwijten over de jaren 1 tem 5. Wij gaan hiermee niet akkoord. (…) Wij hebben via REC begrepen dat de ondernemer de opening van de winkel wil verschuiven naar wk 34 (en de winkel dan einde wk 31 sluit.) De (eventuele) konsekwenties van dit esluit zijn niet aan AHF. Wel wil ik aangegeven dat daarbij de boekwaarde lager zal zijn en daarmee de desinvestering bijdrage lager (mede gezien enkele geactiveerde posten). Wij zullen uiterlijk volgende week een getekende overeenkomst (minimaal een door de ondernemer ondertekende verklaring) met de ondernemer dienen te hebben willen Format/REC kunnen doorwerken aan het projekt. (…)”
2.17.
Op 20 maart 2015 hebben C1000 en [eiseres] Food een beëindigingsovereenkomst gesloten, waarin staat: “(…) De ondernemer ontvangt van C1000 op de eerstvolgende weekfactuur na feitelijke Closing en beëindiging van de C1000 exploitatie een eenmalige – niet aan derden overdraagbare – vergoeding ter hoogte van € 450.000,- (…). C1000 zegt deze vergoeding toe onder de voorwaarde dat de ondernemer voor 23 maart 2015 24.00 uur definitief akkoord heeft met (een groepsmaatschappij van) Koninklijke Ahold N.V. over het aangaan van een franchise en leveringsovereenkomst. (…)”
2.18.
Bij e-mail van 20 maart 2015 heeft AHF aan [eiseres] Food laten weten: “(…) Maandag 23 maart einde dag zal ik telefonisch een reactie geven op het verzoek om het aanbod van AHF aan te passen. Het verzoek houdt in en overstijgt het directie mandaat fors: 1. Geen huurverhoging (behoudens reguliere indexering) gedurende de looptijd van de FO tot 20262. Renteloze lening ad 550K omzetten in een lening van 350K en een lening met kwijting van 200K, te kwijten in 10 jaar. Uitgangspunten: toelichting LTP dd 10-3-2015, ombouw binnen de bestaande muren en uiterlijk week 29 2015. Tevens bevestig ik hierbij dat dit uitstel nog (net) past in ons tijdspad voor een eventuele migratie van C1000 Theo [eiseres] naar Albert Heijn. (…)”
2.19.
Bij e-mail van 21 maart 2015 heeft Jumbo aan [eiseres] Food geschreven: “(…) Om misverstanden te voorkomen wil ik je er op wijzen dat ons aanbod van 400 k slechts geldt in geval van onvoorwaardelijke overeenstemming en tijdige overgang naar AH. Als er voor morgen geen akkoord met Ahold wordt bereikt, komt ons aanbod te vervallen en kan [eiseres] er in de toekomst geen rechte meer aan ontlenen. (…)”
2.20.
Op 23 maart 2015 heeft de adviseur van [eiseres] Food aan AHF geschreven: “(…) Na intensief overleg met [eiseres], kan ik je mededelen dat hij akkoord gaat met de transitie naar AH. Dit op basis van de laatste opgestelde LTP d.d. 10 maart 2015, met toelichting. En de aanpassingen in de onderstaande ondersteunende mail van [A.]. Met deze uitgangspunten kunnen de stukken definitief opgemaakt worden ter ondertekening door [eiseres]. Het is een moeizaam proces van beide kanten geweest, met dan toch de positieve afronding. (…)”
2.21.
Daarop heeft AHF op 24 maart 2015 aan [eiseres] Food geschreven: “(…)De inhoud van jouw e-mail verbaasde mij enigszins nu ik Jeroen gisterenmiddag heb laten weten dat wij na intern overleg geen aanleiding zien om jullie aanvullende voorwaarden te accepteren. Zowel het voorgaande als het feit dat er eveneens over een groot aantal zaken geen overeenstemming is, is de aanleiding om te concluderen dat er tussen partijen geen deal is. Wij hebben C1000/Jumbo hierover inmiddels geïnformeerd. (…)”
2.22.
In reactie daarop heeft de adviseur van [eiseres] Food aan AHF bericht: “(…) De aanvullende voorwaarden heb ik afgelopen week eerst met je afgestemd met het verzoek om er na te kijken en te bezien of er intern draagvlak voor is te krijgen, de terugkoppeling gisteren hebben we geaccepteerd. Ook de overige voorwaarden waarover geen overeenstemming was zoals, exclusiviteitsgebied, geen uitbreiding van de huidige m2, pick-up point, en overige zaken hebben we hebben we geaccepteerd. Voor alle duidelijkheid, we zijn nog steeds in onderhandeling. De conclusie om te concluderen dat er tussen partijen geen deal is te voorbarig en onjuist. (…)”
2.23.
Bij brief van 3 april 2015 heeft [eiseres] Food AHF gesommeerd om uiterlijk 9 april 2015 te bevestigen dat haar supermarkt zou worden omgevormd naar de Albert Heijn formule, bij gebreke waarvan zij AHF aansprakelijk hield voor de door haar te lijden schade.
2.24.
Korte tijd later heeft [eiseres] Food overeenstemming bereikt met Jumbo over de ombouw van de supermarkt naar de Jumbo formule. Bij brief van 27 mei 2015 heeft Jumbo aan [eiseres] Food geschreven: (…) Betreft: bevestiging van gemaakte afspraken (d.d. 15 en 21 april 2015) (…) Bij deze feliciteren wij u met u besluit inzake de ombouw van uw C1000 supermarkt, gelegen te Enschede aan de Burgemeester van Veenlaan nr. 100 naar de Jumbo supermarktformule. (…) Onderstaand bevestigen wij hetgeen wij met u zijn overeengekomen tijdens de gesprekken d.d. 15 en 21 april 2015 (…)”
3. De vordering
3.1.
[eiseres] Food vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,I. (primair) verklaart voor recht dat:i. er tussen [eiseres] Food en AHF een overeenkomst tot stand is gekomen tot ombouw van de C1000 supermarkt van [eiseres] naar de Albert Heijn formule;ii. AHF te kort is geschoten in de nakoming van deze overeenkomst;iii. deze overeenkomst ontbonden is;iv. deze overeenkomst is omgezet in een schadevergoedingsplicht.II. (subsidiair) verklaart voor recht dat AHF schadeplichtig is wegens het onrechtmatig afbreken van onderhandelingen.III. verklaart voor recht dat AFH ingevolge één of meer van voornoemde gedragingen aansprakelijk is voor de daardoor geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat.IV. AHF veroordeelt tot vergoeding van:a. de buitengerechtelijke kosten van deze procedure;b. de proceskosten;c. de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert [eiseres] Food aan dat na langdurige onderhandelingen over de overgang van de door hem geëxploiteerde C1000 supermarkt naar een Albert Heijn supermarkt, door aanvaarding van het aanbod van AHF een overeenkomst tussen partijen is ontstaan. Nu AHF ondanks sommaties heeft nagelaten uitvoering te geven aan deze overeenkomst, is AHF gehouden de daaruit voor [eiseres] Food voortvloeiende schade te vergoeden. Subsidiair voert [eiseres] Food aan dat, voor zover er tussen partijen al geen volledige overeenstemming bestond, het AHF, gelet op het vergevorderde stadium waarin deze zich bevonden, niet meer vrij stond om de onderhandelingen af te breken, zodat AHF uit dien hoofde aansprakelijk is voor de door [eiseres] Food als gevolg hiervan geleden schade.
4. Het verweer
4.1.
AHF betwist de vordering. Zij voert daartoe het volgende aan. AHF heeft nooit een definitief aanbod aan [eiseres] Food gedaan, laat staan dat laatstgenoemde enig aanbod heeft aanvaard. Partijen hebben langdurig onderhandeld over een overgang van de C1000 supermarkt naar een Albert Heijn supermarkt, maar hebben daarover nooit definitieve overeenstemming bereikt. Op het moment waarop volgens [eiseres] Food die overeenstemming zou zijn bereikt, waren partijen het over meerdere (essentiële) voorwaarden volstrekt niet eens.Van onrechtmatige afbreking van onderhandelingen is evenmin sprake. Er is nimmer sprake geweest van constructieve gesprekken tussen partijen en [eiseres] Food heeft er dan ook niet op mogen vertrouwen dat partijen tot overeenstemming zouden komen.Voor zover op AHF al enige aansprakelijkheid zou rusten, geldt dat [eiseres] Food geen schade heeft geleden: binnen een week na het afbreken van de onderhandelingen tussen partijen, was [eiseres] Food al met Jumbo tot overeenstemming gekomen.
5. De beoordeling
5.1.
De rechtbank zal eerst beoordelen of tussen [eiseres] Food en AHF een overeenkomst strekkende tot de overgang van de C1000 supermarkt van [eiseres] Food naar een Albert Heijn supermarkt tot stand is gekomen.Daarbij geldt als uitgangpunt dat een overeenkomst wordt gesloten door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Onder een aanbod kan worden verstaan: een voorstel tot het sluiten van een overeenkomst dat voldoende bepaald is en waaruit blijkt van de wil van de aanbieder om in geval van aanvaarding gebonden te zijn.
5.2.
Vast staat dat partijen gedurende een langere periode (anderhalf jaar) meerdere keren bij elkaar zijn geweest om de betreffende overgang te bespreken, dat zij daarover hebben gecorrespondeerd en dat zij schriftelijke stukken hebben uitgewisseld. Deze onderhandelingen vloeiden voort uit de overname van C1000 door Jumbo. Aangezien wegens een besluit van de NMA niet alle C1000 vestigingen door Jumbo geëxploiteerd mochten gaan worden, had AHF zich verbonden om een deel van de C1000 winkels, waaronder die van [eiseres] Food, na verkregen instemming van de betreffende franchisenemer om te bouwen naar de Albert Heijn formule. Aangezien de exploitanten van de C1000 vestigingen niet gedwongen konden worden om over te gaan naar de Albert Heijn formule en die overgang de nodige kosten voor hen zouden meebrengen, moest met iedere individuele C1000 franchisenemer overeenstemming worden bereikt. Dit komt ook tot uitdrukking in artikel 2 van de Overgangsregeling die tussen AHF en de Vereniging C1000 tot stand is gekomen.
5.3.
Blijkens die zelfde Overgangsregeling kreeg iedere C1000 franchisenemer de standaard franchiseovereenkomst aangeboden en gold de voor iedere vestiging door AHF op te stellen LTP als vertrekpunt voor de overgang. Partijen moesten vervolgens eerst overeenstemming bereiken over de LTP, waarna de hoogte van de door AHF te verstrekken bijdrages kon worden bepaald. Conform de Overgangsregeling heeft AHF op 18 september 2012 bedoelde stukken overgelegd. Een aanbod in de in r.o. 5.1. bedoelde zin heeft zij daarmee niet gedaan: de stukken dienden als basis voor de verdere onderhandelingen. Dat blijkt ook wel uit de omstandigheid dat AHF op 22 oktober 2014 een concept aanbieding heeft gedaan, waarbij zij heeft vermeld dat zij, alvorens een definitieve aanbieding te kunnen doen, nog nadere informatie van [eiseres] Food moest ontvangen. Ook deze aanbieding was dus geen aanbod in de in r.o. 5.1. bedoelde zin, nog daargelaten dat [eiseres] Food in reactie hierop heeft laten weten de gesprekken te willen opschorten. Toen de onderhandelingen werden voortgezet, heeft AHF op 27 januari 2015 een aanbieding gedaan waarbij zij heeft vermeld dat het ging om een “praatplaatje” waarvoor zij geen mandaat van de directie had. Hieruit volgt dat ook toen geen sprake was van de wil van AHF om bij aanvaarding gebonden te zijn.
5.4.
Volgens [eiseres] Food moet de e-mail van AHF van 18 maart 2015, in combinatie met de mail van 22 oktober 2012 en de eerder toegezonden LTP en franchiseovereenkomst worden aangemerkt als een aanbod dat door [eiseres] Food is aanvaard en daarom tot een overeenkomst heeft geleid. Zoals uit het voorgaande volgt, kunnen de vóór 18 maart 2015 toegezonden e-mails en stukken op zich zelf niet als een definitief aanbod van AHF worden beschouwd. De e-mail van 18 maart 2015 maakt dat niet anders. Die e-mail is een reactie op een e-mail van de adviseur van [eiseres] Food van 10 maart 2015, waarin laatstgenoemde met zoveel woorden aangeeft dat partijen van mening verschillen over de uitgangspunten van de LTP. In de e-mail van 18 maart 2015 gaat AHF in op de door [eiseres] Food voorgestelde wijzigingen. Op sommige onderdelen worden die wijzigingen afgewezen (bijvoorbeeld: (…) Ik ga (gezien vorenstaande) niet mee in jouw opstelling om de loonkosten te verhogen.(…) Jouw voorstel is om de door AHF te verstrekken lening van € 550k te kwijten over de jaren 1 tem 5. Wij gaan hiermee niet akkoord. (…)), terwijl op andere punten kennelijk nog nader overleg noodzakelijk is (bijvoorbeeld: (…) Hooguit wil ik die voor de jaren 1 en 2 met 0,2% verhogen om de winkel te laten intrillen.(…) de voorraadpositie is hoger dan in de LTP (en dat is mogelijk gezien de lage omzetdruk) maar dan wordt ook het leverancierskrediet meer dan evenredig hoger). Over meerdere punten is derhalve nog onduidelijkheid, waardoor de e-mail niet voldoet aan het vereiste van “voldoende bepaalbaarheid”. Bovendien ziet de e-mail alleen op de LTP en niet op de overige onderdelen van de beoogde overgang van C1000 naar Albert Heijn formule, zoals het exclusiviteitsgebied, de inhoud van de franchiseovereenkomst, de hoogte van de exploitatiebijdrage en commerciële bijdrage die AHF eventueel aan [eiseres] Food zou verstrekken en de debiteurenstand van [eiseres] Food. De e-mail van 18 maart 2015 kan daarom niet worden beschouwd als een aanbod dat voldoende bepaalbaar is en dat de strekking had om AHF bij aanvaarding ervan door [eiseres] Food, te binden.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat ook niet het geval indien de e-mail van 18 maart 2015 wordt gecombineerd met de eerder gezonden stukken en e-mails zoals door [eiseres] Food is betoogd. Zoals gezegd, dienden de toegezonden LTP en standaard franchiseovereenkomst alleen maar als uitgangspunten voor de verdere onderhandelingen, hetgeen ook is bevestigd in de begeleidende correspondentie. Pas als partijen het eens zouden zijn over de LTP, kon AHF aan [eiseres] Food een (definitief) aanbod doen aangaande de door haar te leveren bijdragen. Daarvan is het niet gekomen en een dergelijk aanbod kan niet worden afgeleid uit de e-mail van 18 maart 2015.
5.6.
De conclusie is dan ook dat daar waar AHF nooit een aanbod heeft gedaan dat voldoende bepaalbaar was en de strekking had om haar bij aanvaarding ervan te binden, er van aanvaarding door [eiseres] Food leidende tot een overeenkomst ook geen sprake kan zijn. [eiseres] Food heeft desgevraagd ook onvoldoende duidelijk kunnen maken over welke punten zij overeenstemming had met AHF, anders dan dat partijen het er volgens haar over eens waren dat de supermarkt van [eiseres] Food zou worden ingericht conform het Albert Heijn concept. [eiseres] Food heeft echter desgevraagd onvoldoende kunnen aangeven onder welke voorwaarden de supermarkt zou worden omgebouwd naar het Albert Heijn concept en onder welke voorwaarden [eiseres] Food de winkel zou gaan exploiteren. Dat betekent dat van een overeenkomst tussen partijen geen sprake is geweest, zodat alle op die veronderstelde overeenkomst gebaseerde vorderingen zullen worden afgewezen.
5.7.
Subsidiair heeft [eiseres] Food aangevoerd dat het AHF gelet op het stadium van de onderhandelingen niet meer vrij stond de onderhandelingen te staken, althans dat zij dit niet kon doen zonder de kosten die [eiseres] Food had gemaakt, voor haar rekening te nemen. Ook die grondslag kan niet leiden tot toewijzing van de vordering en daartoe is het volgende redengevend.
5.8.
Uitgangpunt is dat aansprakelijkheid voor afgebroken onderhandelingen niet snel kan worden aangenomen. Als “strenge en tot terughoudendheid nopende” maatstaf heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij.
5.9.
[eiseres] Food heeft in dat verband aangevoerd dat zij er gelet op de publiek gemaakte verplichting van AHF om 78 C1000 winkels, waaronder die van [eiseres] Food, om te bouwen naar de Albert Heijn formule, steeds vanuit is gegaan dat partijen uiteindelijk tot overeenstemming zouden komen. De onderhandelingen hebben zich, nadat AHF in de herfst van 2014 een concreet en uitgewerkt schriftelijk voorstel had gedaan, toegespitst op de LTP en op het moment dat AHF de onderhandelingen afbrak, waren partijen het op enkele details na, eens. [eiseres] Food heeft er verder op gewezen dat het wegzakken van de C1000 formule, het naderende einde van die formule, de omstandigheid dat AHF verhuurder van de winkelruimte van [eiseres] Food was geworden en het plotselinge afbreken van de onderhandelingen als bijzondere omstandigheden die het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar maken, moeten worden beschouwd. AHF heeft deze stellingen gemotiveerd betwist.
5.10.
De rechtbank oordeelt als volgt. Partijen hebben weliswaar langdurig onderhandeld, maar van soepele onderhandelingen waarbij partijen elkaar steeds dichter hebben genaderd, lijkt geen sprake te zijn geweest. [eiseres] Food heeft de onderhandelingen meerdere keren opgeschort en heeft nog vlak voor het afbreken daarvan door AHF, aangegeven dat zij zich niet onder druk wilde laten zetten en dat zij overwoog de winkel aan Jumbo te verkopen. Een overgang naar de Albert Heijn formule lag in de gegeven omstandigheden weliswaar voor de hand, maar een overgang naar een andere formule was niet uitgesloten. Dat blijkt ook wel uit het feit dat [eiseres] Food kort na het afbreken van de onderhandelingen door AHF met Jumbo tot overeenstemming is gekomen. Het door [eiseres] Food gestelde vertrouwen heeft zij naar het oordeel van de rechtbank ook niet kunnen afleiden uit het stadium waarin de onderhandelingen zich bevonden. Zoals eerder overwogen, waren partijen het over de LTP, die de basis moest vormen voor de verdere onderhandelingen, nog niet eens geworden, laat staan over andere essentialia.
5.11.
Ook de verdere door [eiseres] Food genoemde omstandigheden kunnen niet tot de conclusie leiden dat het afbreken van de onderhandelingen door AHF onaanvaardbaar was. Dat de C1000 formule op korte termijn zou ophouden te bestaan en daarvoor al aan kracht verloor, is een omstandigheid die AHF niet regardeert en waarmee [eiseres] Food al vanaf de overname van C1000 door Jumbo in 2012 rekening mee moest houden. De omstandigheid dat AHF verhuurder van de door [eiseres] Food geëxploiteerde winkel was geworden, stond en staat aan een exploitatie volgens een andere supermarkt formule niet in de weg. Van een plotsklaps afbreken van de onderhandelingen zoals door [eiseres] Food betoogd, is geen sprake. Uit de door [eiseres] Food kort voordien verzonden e-mails volgt immers dat zij zelf weinig vertrouwen in een samenwerking met AHF had, dat zij zich onder druk gezet voelde en dat zij overwoog aan Jumbo te verkopen. Daar komt bij dat [eiseres] Food na een lang traject van onderhandelingen die nog niet hadden geleid tot enige overeenstemming, op of omstreeks 20 maart 2015 twee nieuwe voorwaarden stelde die voor AHF niet aanvaardbaar waren. Dat AHF onder die omstandigheden geen vertrouwen meer had in verdere onderhandelingen, is niet verwonderlijk. Uit de reactie van AHF blijkt dat de e-mail van [eiseres] Food van 23 maart 2015, met de mededeling dat akkoord wordt gegaan met de transitie naar AH, verbazing wekte en niet valt uit te sluiten dat, zoals ook betoogd door AHF, deze berichtgeving aan AHF vooral lijkt te zijn ingegeven doordat het aanbod van Jumbo om bij overgang naar AHF een bedrag van € 450.000,-, althans € 400.000,- aan [eiseres] Food te betalen, die dag zou vervallen.
5.12.
De conclusie is dan ook dat van onrechtmatig door AHF afgebroken onderhandelingen geen sprake is. [eiseres] Food heeft er niet op kunnen of mogen vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen en de overige door haar aangevoerde omstandigheden maken het afbreken van de onderhandelingen door AHF niet onaanvaardbaar. Veelzeggend in dit verband is ook dat [eiseres] Food na het afbreken van de onderhandelingen niet heeft aangedrongen op voortzetting daarvan, maar jegens AHF uitsluitend aanspraak heeft gemaakt op schadevergoeding en spoorslags met Jumbo een overeenkomst heeft gesloten.
5.13.
[eiseres] Food heeft voorts nog betoogd dat ook als AHF de onderhandelingen gelegitimeerd zou hebben afgebroken, AHF dan in elk geval aansprakelijk is voor de door [eiseres] Food gemaakte kosten. AHF heeft de grondslag voor die aansprakelijkheid niet nader toegelicht. Voor zover zij heeft bedoeld te verwijzen naar de onder r.o. 5.10 aangevoerde omstandigheden, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder 5.11 heeft overwogen: AHF was in de gegeven omstandigheden gerechtigd de onderhandelingen af te breken ook zonder vergoeding van de door [eiseres] Food gemaakte kosten, als daarvan überhaupt al sprake is geweest nu de betreffende kosten vermoedelijk ook gemaakt zijn ten behoeve van de wel geslaagde overgang naar Jumbo.
5.14.
De conclusie van het voorgaande is dat ook de subsidiaire grondslag niet slaagt. Daarmee stranden ook de vorderingen onder III (betreffende de aansprakelijkheid voor schade) en IV (betreffende de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten). De vordering zal worden afgewezen.
5.15
[eiseres] Food zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van AHF worden begroot op:
- griffierecht 3.864,00
- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punt × tarief € 2.580,00)
Totaal € 9.024,00
5.16
De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal eveneens worden toegewezen op na te melden wijze.
6. De beslissing
De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt [eiseres] Food in de proceskosten, aan de zijde van AHF tot op heden begroot op € 9.024,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [eiseres] Food in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] Food niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk, mr. M. Goedhuis en mr. M.C. Schenkeveld en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2016.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑05‑2016
type:coll: