Procestaal: Pools.
HvJ EU, 27-03-2019, nr. C-545/17
ECLI:EU:C:2019:260
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
27-03-2019
- Magistraten
T. von Danwitz, K. Jürimäe, C. Lycourgos, E. Juhász, C. Vajda
- Zaaknummer
C-545/17
- Conclusie
M. Campos SÁnchez-Bordona
- Roepnaam
Pawlak
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2019:260, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 27‑03‑2019
ECLI:EU:C:2018:955, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 27‑11‑2018
Uitspraak 27‑03‑2019
T. von Danwitz, K. Jürimäe, C. Lycourgos, E. Juhász, C. Vajda
Partij(en)
In zaak C-545/17*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen) bij beslissing van 19 juli 2017, ingekomen bij het Hof op 18 september 2017, in de procedure
Mariusz Pawlak
tegen
Prezes Kasy Rolniczego Ubezpieczenia Społecznego,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, president van de Zevende kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, K. Jürimäe, C. Lycourgos, E. Juhász en C. Vajda (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: K. Malacek, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 september 2018,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en S. Żyrek en K. Rudzińska als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Costa de Oliveira, L. Nicolae en S. L. Kalėda als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 november 2018,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PB L 1998, L 15, blz. 14), zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 (PB 2008, L 52, blz. 3, met rectificatie in PB 2015, L 225, blz. 49; hierna: ‘gewijzigde richtlijn’), gelezen in samenhang met artikel 8 ervan en artikel 4, lid 3, VEU.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Mariusz Pawlak en de Prezes Kasy Rolniczego Ubezpieczenia Społecznego (voorzitter van het socialezekerheidsfonds voor de landbouw, Polen; hierna: ‘voorzitter van de KRUS’) over de schadevergoeding voor Pawlak naar aanleiding van een arbeidsongeval in de landbouw waar hij slachtoffer van was.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 97/67
3
Richtlijn 97/67 was de eerste stap in de richting van een geleidelijke liberalisering van de markt voor postdiensten. Volgens overweging 2 van richtlijn 2002/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 tot wijziging van richtlijn 97/67/EG met betrekking tot de verdere openstelling van de postmarkt in de Gemeenschap voor mededinging (PB 2002, L 176, blz. 21), heeft richtlijn 97/67 ‘op communautair niveau een kaderregeling voor de postsector vastgesteld, waaronder maatregelen om een universele dienst te garanderen, limieten voor postdiensten die de lidstaten met het oog op de instandhouding van de universele dienst aan hun leveranciers van de universele dienst kunnen voorbehouden en een tijdschema voor de besluitvorming over de verdere liberalisering van de markt met het oog op de totstandbrenging van een interne markt voor postdiensten.’
4
In de overwegingen 16 en 20 van richtlijn 97/67 staat te lezen:
- ‘(16)
[…] de instandhouding van een pakket van diensten die kunnen worden voorbehouden met inachtneming van de regels van het [EG-]Verdrag en onverminderd de toepassing van de mededingingsregels, [is] gerechtvaardigd […] omdat een financieel evenwichtig functioneren van de universele dienst moet worden gewaarborgd; […];
[…]
- (20)
[…] de lidstaten [kunnen] er, om redenen van openbare orde en openbare veiligheid, een legitiem belang bij […] hebben het recht om brievenbussen voor het aanbieden van postzendingen op de openbare weg te plaatsen aan een of meer door hen aan te wijzen instanties toe te kennen; […] om dezelfde redenen [is het] de bevoegdheid van de lidstaten […] een of meer instanties aan te wijzen die het recht hebben postzegels van het land van oorsprong uit te geven, evenals de instantie of instanties die belast is of zijn met de levering van die dienst voor aangetekende zendingen waarvan in overeenstemming met haar of hun nationale wetgeving gebruik wordt gemaakt in het kader van gerechtelijke of administratieve procedures; […]’.
5
Artikel 3, leden 4 en 5, van richtlijn 97/67, dat deel uitmaakt van hoofdstuk 2, ‘Universele dienst’, bepaalt:
- ‘4.
Elke lidstaat treft de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de universele dienst ten minste de volgende prestaties omvat:
- —
het ophalen, het sorteren, het vervoeren en de distributie van postzendingen tot 2 kg;
- —
het ophalen, het sorteren, het vervoeren en de distributie van postpakketten tot 10 kg;
- —
de diensten in verband met aangetekende zendingen en zendingen met aangegeven waarde.
- 5.
De nationale regelgevende instanties kunnen de drempel voor de onder de universele dienst vallende postpakketten optrekken tot maximaal 20 kg en kunnen bijzondere regelingen treffen voor de bestelling aan huis van dergelijke postpakketten.
Niettegenstaande het door een bepaalde lidstaat vastgestelde maximale gewicht van de onder de universele dienst vallende postpakketten, zorgen de lidstaten ervoor dat uit andere lidstaten ontvangen postpakketten met een gewicht van ten hoogste 20 kg binnen hun grondgebied worden bezorgd.’
6
Hoofdstuk 3 van richtlijn 97/67 had als opschrift ‘Harmonisatie van de diensten die voorbehouden kunnen worden’ en omvat de artikelen 7 en 8 van deze richtlijn.
7
Artikel 7, leden 1 en 2, van die richtlijn luidde als volgt:
- ‘1.
Voor zover nodig voor de handhaving van de universele dienst zijn de diensten die door elke lidstaat aan de leverancier(s) van de universele dienst kunnen worden voorbehouden, het ophalen, het sorteren, het vervoer, en het bestellen van binnenlandse brievenpost, al dan niet per spoedbestelling besteld, met een prijs van minder dan vijfmaal het openbare tarief van brievenpost van de laagste gewichtsklasse van de snelste standaardcategorie, indien deze bestaat, en een gewicht van minder dan 350 gram. Bij de gratis postdienst voor blinden en slechtzienden mogen uitzonderingen op de gewichts- en prijsbeperkingen worden toegestaan.
- 2.
Voor zover nodig voor de handhaving van de universele dienst, kunnen grensoverschrijdende post en direct mail voorbehouden blijven binnen de in lid 1 genoemde prijs- en gewichtsklassen.’
8
In artikel 8 van de richtlijn wordt bepaald:
‘Artikel 7 doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om het plaatsen van brievenbussen op de openbare weg, het uitgeven van postzegels en de verzending van aangetekende zendingen in de loop van gerechtelijke of administratieve procedures te organiseren overeenkomstig hun nationale wetgeving.’
Richtlijn 2002/39
9
Richtlijn 2002/39 heeft richtlijn 97/67 grondig gewijzigd. Zij heeft de liberalisering van de postmarkt voortgezet en, volgens de overwegingen 14 en 24 ervan, een tijdschema voor een geleidelijke en beheerste liberalisering van de brievenpostmarkt vastgesteld, waarbij als datum voor de voltooiing van de interne postmarkt het jaar 2009 werd voorzien.
10
Artikel 7, leden 1 en 2, van richtlijn 97/67, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/39, luidde als volgt:
- ‘1.
Voor zover dat nodig is om de instandhouding van de universele dienst te waarborgen, kunnen de lidstaten aan de leverancier(s) van de universele dienst diensten blijven voorbehouden. Deze diensten zijn beperkt tot het ophalen, sorteren, vervoeren en bestellen van binnenlandse brievenpost, al dan niet per spoedbestelling, binnen de volgende maximumgewichts- en prijslimieten. Het maximumgewicht bedraagt 100 gram vanaf 1 januari 2003 en 50 gram vanaf 1 januari 2006. Deze maximumgewichten zijn niet van toepassing vanaf 1 januari 2003 indien de prijs gelijk is aan of meer bedraagt dan driemaal het openbare tarief van brievenpost van de laagste gewichtsklasse van de snelste categorie, en vanaf 1 januari 2006 indien de prijs gelijk is aan of meer bedraagt dan tweeënhalfmaal dit tarief.
Bij de gratis postdienst voor blinden en slechtzienden mogen uitzonderingen op de gewichts- en prijsbeperkingen worden toegestaan.
Voor zover nodig om de levering van de universele dienst te waarborgen, kan direct mail voorbehouden blijven binnen de eerder genoemde gewichts- en prijslimieten.
Voor zover nodig om de levering van de universele dienst te waarborgen, bijvoorbeeld wanneer bepaalde onderdelen van de postactiviteit reeds zijn geliberaliseerd of vanwege de specifieke kenmerken van de postmarkt in een lidstaat, kan uitgaand grensoverschrijdend postverkeer voorbehouden blijven binnen de eerder genoemde gewichts- en prijslimieten.
- 2.
Uitwisseling van documenten mag niet worden voorbehouden.’
Richtlijn 2008/6
11
Richtlijn 2008/6 heeft richtlijn 97/67 opnieuw substantieel gewijzigd en de liberalisering van de interne postmarkt voltooid.
12
De overwegingen 13, 16, 25, 26, 56 en 59 van richtlijn 2008/6 luiden als volgt:
- ‘(13)
Uit de verkennende studie blijkt dat het voorbehouden van diensten niet langer de voorkeur verdient als oplossing voor de financiering van de universele dienstverlening. Bij deze evaluatie is rekening gehouden met het belang dat de Gemeenschap en haar lidstaten hebben bij de voltooiing van de interne markt en bij het groei- en werkgelegenheidspotentieel ervan, alsook bij het waarborgen dat alle gebruikers over een efficiënte dienst van algemeen economisch belang kunnen beschikken. Het is bijgevolg aangewezen de uiterste datum te bevestigen waarop de interne markt voor postdiensten volledig tot stand gebracht zou moeten zijn.
[…]
- (16)
De volledige openstelling van de markt zal bijdragen tot een algehele uitbreiding van de postmarkten, tot de instandhouding van duurzame en kwalitatief hoogwaardige arbeidsplaatsen bij leveranciers van de universele dienst en tot de schepping van nieuwe banen bij andere exploitanten, bij nieuwkomers en in aanverwante economische bedrijfstakken. […]
[…]
- (25)
In het licht van de uitgevoerde studies en teneinde het potentieel van de interne markt voor postdiensten volledig te benutten, verdient het aanbeveling niet langer van voorbehouden diensten en bijzondere rechten gebruik te maken als middel om de financiering van de universele dienst te verzekeren.
- (26)
Voor sommige lidstaten kan het echter nog steeds noodzakelijk zijn dat in externe financiering van de residuele nettokosten van de universele dienst wordt voorzien. Het is bijgevolg raadzaam dat uitdrukkelijk wordt aangegeven welke de beschikbare alternatieven zijn om de financiering van de universele dienst te waarborgen, voor zover zulks noodzakelijk en voldoende gerechtvaardigd is, waarbij de lidstaten vrij worden gelaten in de keuze van de financieringsregelingen waarvan zij gebruik wensen te maken. […] De lidstaten kunnen ook van andere bij het gemeenschapsrecht toegestane financieringswijzen gebruikmaken en bijvoorbeeld, waar en indien nodig, besluiten dat de winsten uit andere activiteiten van de aanbieders van de universele dienst welke buiten de werkingssfeer van de universele dienst vallen, geheel of ten dele voor de financiering van de nettokosten van de universele dienst mogen worden aangewend, in zoverre dit in overeenstemming is met het [EG-]Verdrag. […]
[…]
- (56)
Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de voltooiing van een interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap, het waarborgen van een gemeenschappelijk niveau van de universele dienst voor alle gebruikers en de vaststelling van geharmoniseerde beginselen voor de regulering van de postdiensten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en gevolgen beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 [EG] neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. […]
[…]
- (59)
Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de toepassing van de in het [EG-]Verdrag neergelegde mededingingsregels en regels inzake het vrij verrichten van diensten. Voor zover een van de regelingen voor de financiering van de universele dienst gepaard gaat met steunmaatregelen van een lidstaat of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, in de zin van artikel 87, lid 1, van het [EG-]Verdrag, laat deze richtlijn de op de lidstaten rustende verplichting onverlet om de in het [EG-]Verdrag neergelegde regels inzake staatssteun in acht te nemen.’
13
Artikel 1 van de gewijzigde richtlijn bepaalt:
‘In deze richtlijn worden gemeenschappelijke regels vastgesteld inzake:
- —
de voorwaarden voor het aanbieden van postdiensten,
- —
de levering van een universele postdienst binnen de Gemeenschap,
- —
de financiering van universele diensten onder voorwaarden die het permanent aanbieden van deze diensten waarborgen,
- —
de tariefbeginselen en de doorzichtigheid van de rekeningen voor de levering van de universele dienst,
- —
de vaststelling van kwaliteitsnormen voor de levering van de universele dienst en de invoering van een systeem om de naleving van deze normen te waarborgen,
- —
de harmonisatie van technische normen,
- —
het instellen van onafhankelijke nationale regelgevende instanties.’
14
Artikel 2, punten 1 en 6, van de gewijzigde richtlijn bepaalt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
- 1.
postdiensten: diensten die bestaan in het ophalen, het sorteren, het vervoeren en de distributie van postzendingen;
[…]
- 6.
postzending: geadresseerde zending in de definitieve vorm die een aanbieder van postdiensten verzorgt. Naast brievenpost worden bijvoorbeeld als postzending aangemerkt: boeken, catalogi, kranten, tijdschriften en postpakketten die goederen met of zonder handelswaarde bevatten’.
15
Hoofdstuk 3 van de gewijzigde richtlijn heeft als opschrift ‘Financiering van de universele dienst’.
16
Artikel 7 van de gewijzigde richtlijn bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten verlenen of handhaven geen exclusieve of bijzondere rechten voor het vestigen of aanbieden van postdiensten. De lidstaten mogen het aanbieden van de universele dienst financieren op een of meer van de in de leden 2, 3 en 4 vermelde wijzen, of op een andere met het [EG-]Verdrag verenigbare wijze.
- 2.
De lidstaten mogen het aanbieden van de universele dienst waarborgen door deze dienst aan te besteden in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften voor het plaatsen van overheidsopdrachten, waaronder ook, overeenkomstig richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten [(PB 2004, L 134, blz. 114)], de concurrentiegerichte dialoog en procedures van gunning door onderhandelingen met of zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van een opdracht.
- 3.
Wanneer een lidstaat vaststelt dat de universeledienstverplichtingen als vastgelegd in deze richtlijn voor de aanbieder(s) van de universele dienst nettokosten, berekend volgens de richtsnoeren van bijlage I, met zich brengen en een onredelijke financiële last inhouden, kan hij:
- a)
een regeling instellen om de betrokken onderneming(en) compensatie uit overheidsmiddelen te bieden; of
- b)
een regeling instellen voor het delen van de nettokosten van de universeledienstverplichtingen door de aanbieders van de diensten en/of de gebruikers.
- 4.
Ingeval de nettokosten uit hoofde van lid 3, onder b), worden gedeeld, kunnen de lidstaten een compensatiefonds instellen dat door middel van bijdragen van aanbieders van diensten kan worden gefinancierd, en dat door een van de begunstigde of begunstigden onafhankelijke instantie wordt beheerd. De lidstaten kunnen het uit hoofde van artikel 9, lid 2, verlenen van machtigingen aan aanbieders van diensten onderwerpen aan de verplichting om financieel aan dit fonds bij te dragen of aan de universeledienstverplichtingen te voldoen. De in artikel 3 bedoelde verplichtingen van de aanbieder(s) van de universele dienst kunnen op deze wijze worden gefinancierd.
- 5.
De lidstaten zien erop toe dat bij de instelling van dit compensatiefonds en de vaststelling van het niveau van de in de leden 3 en 4 bedoelde financiële bijdragen de beginselen van transparantie, non-discriminatie en proportionaliteit worden nageleefd. De in overeenstemming met de leden 3 en 4 genomen besluiten berusten op objectieve en verifieerbare criteria en worden openbaar gemaakt.’
Pools recht
17
§ 165, lid 2, van de ustawa — Kodeks postępowania cywilnego (Pools wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964 (Dz.U. nr. 43, volgnr. 296), luidt in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: ‘kpc’):
‘De afgifte van een processtuk op het Poolse postkantoor van een aanbieder van postdiensten die is aangewezen in de zin van de [ustawa — Prawo pocztowe van 23 november 2012 (Dz.U. van 2012, volgnr. 1529; hierna: ‘postwet’)] of op het postkantoor van een verlener van universele postdiensten in een andere lidstaat van de Unie wordt gelijkgesteld met de indiening van dat stuk bij de rechterlijke instantie.’
18
Blijkens de verwijzingsbeslissing bepaalt artikel 3, punt 13, van de postwet dat de ‘aangewezen aanbieder’ de aanbieder van postdiensten is die ‘verplicht’ is tot het verrichten van universele postdiensten. De andere aanbieders zijn ‘bevoegd’ tot het verrichten van postdiensten in de door hen gekozen sector, maar zijn daartoe niet verplicht.
19
Bij besluit van de Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej (voorzitter van de dienst elektronische communicatie, Polen) van 30 juni 2015 is Poczta Polska S.A. op basis van de postwet gedurende tien jaar de aangewezen aanbieder voor het verrichten van de universele postdienst.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
20
Pawlak, werkzaam in de landbouw, had een arbeidsongeval waarvoor hij schadevergoeding vroeg aan de Kasa Rolniczego Ubezpieczenia Społecznego (socialezekerheidsfonds voor de landbouw, Polen; hierna: ‘KRUS’). Aangezien hij het niet eens was met de beslissing van de voorzitter van de KRUS in antwoord op zijn verzoek, stelde hij daartegen beroep in bij de Sąd Rejonowy w Poznan-Grundwald (rechter in eerste aanleg Poznan-Grundwald, Polen), die zijn beroep gegrond verklaarde.
21
De voorzitter van de KRUS stelde tegen de uitspraak van die rechter hoger beroep in bij de Sad Okregowy w Pozaniu (rechter in tweede aanleg Poznan, Polen), die het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat het beroepschrift bij die rechter was ontvangen op 22 juni 2016, terwijl de termijn voor de indiening van dit beroep op 20 juni 2016 was verstreken.
22
De Sad Okregowy w Pozaniu oordeelde dat de omstandigheid dat de stempel van de postzending die werd afgegeven bij een andere aanbieder dan de aangewezen aanbieder, de datum van 20 juni 2016 droeg — de laatste dag van de beroepstermijn —, niet relevant was aangezien §165, lid 2, kpc, enkel de indiening van een processtuk bij de aangewezen aanbieder, de indiening per gewone post daaronder begrepen, gelijkstelt met de indiening van dat stuk bij de betrokken rechterlijke instantie.
23
De voorzitter van de KRUS stelde bij de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen) cassatieberoep in tegen de beslissing van de Sad Okregowy w Pozaniu. Hij voerde aan dat de laatstgenoemde rechter § 165, lid 2, kpc, had geschonden en dat het bij hem ingestelde beroep binnen de daartoe geldende termijn in het postkantoor van een postdienstaanbieder was ingediend.
24
De Sąd Najwyższy stelt vast dat zijn rechtspraak over § 165, lid 2, kpc niet eenduidig is en dat deze bepaling twijfels doet rijzen over de verenigbaarheid ervan met het Unierecht.
25
In dit verband legt de verwijzende rechter uit dat twee tegengestelde stromingen in de rechtspraak het oneens zijn over de rechtsgevolgen van de afgifte van een processtuk op een Pools postkantoor van een andere dan de aangewezen aanbieder van postdiensten. Volgens het meerderheidsstandpunt wordt een processtuk dat in die omstandigheden is afgegeven beschouwd als tardief als het door de betrokken rechterlijke instantie wordt ontvangen na het verstrijken van de termijn voor de indiening van het processtuk. Volgens het minderheidsstandpunt wordt de afgifte van het processtuk binnen de gestelde termijn op een Pools postkantoor gelijkgesteld met de indiening ervan bij de betrokken rechterlijke instantie, ongeacht of het gaat om een kantoor van de aangewezen aanbieder of dat van om het even welke andere aanbieder van postdiensten.
26
De verwijzende rechter is van oordeel dat de eerste stroming in de rechtspraak bij de uitlegging van § 165, lid 2, kpc geen rekening houdt met de Unierechterlijke context en er impliciet vanuit gaat dat de inhoud van deze bepaling niet valt binnen het toepassingsgebied van richtlijn 97/67. Volgende deze rechter baseert de tweede stroming in de rechtspraak zich daarentegen op een uitlegging van deze bepaling die strookt met het Unierecht. Hij benadrukt echter dat in zijn beslissingen die deze tweede strekking hebben gevolgd geen motivering te vinden is ten aanzien van de draagwijdte van artikel 7, lid 1, eerste volzin, van de gewijzigde richtlijn, of ten aanzien van de wijze waarop de toepassing van § 165, lid 2, kpc in overeenstemming moet worden gebracht met het Unierecht.
27
Daarop heeft de Sąd Najwyższy de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- 1)
Moet artikel 7, lid 1, eerste volzin, juncto artikel 8 van [de gewijzigde richtlijn] aldus worden uitgelegd dat een regel van nationaal procesrecht zoals de regeling in § 165, lid 2, [kpc] een bijzonder recht is, omdat volgens deze regeling alleen de afgifte van een processtuk op een nationaal postkantoor van een aangewezen aanbieder, dus van een aanbieder die verplicht is tot het verrichten van universele diensten, gelijk moet worden gesteld met de indiening van dit stuk bij de rechterlijke instantie, maar niet de afgifte van een processtuk op een nationaal postkantoor van een andere aanbieder van universele postdiensten, die geen aangewezen aanbieder is?
- 2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 7, lid 1, eerste volzin, van [de gewijzigde richtlijn] juncto artikel 4, lid 3, VEU aldus worden uitgelegd dat voordelen die voor een aangewezen aanbieder voortvloeien uit het feit dat hem in strijd met artikel 7, lid 1, eerste volzin, van [de gewijzigde richtlijn] een bijzonder recht is toegekend, ook moeten worden gegund aan de overige aanbieders van postdiensten, met het gevolg dat de afgifte van een processtuk op een nationaal postkantoor van een andere aanbieder van universele postdiensten die geen aangewezen aanbieder is, gelijk moet worden gesteld met de indiening van dit stuk bij de rechterlijke instantie, en wel op grond van beginselen die overeenkomen met de beginselen uit het arrest van [21 juni 2007, Jonkman e.a. (C-231/06—C-233/06, EU:C:2007:373)]?
- 3)
Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 7, lid 1, eerste volzin, van [de gewijzigde richtlijn] juncto artikel 4, lid 3, VEU aldus worden uitgelegd dat een procespartij die de emanatie van een lidstaat is, zich kan beroepen op de onverenigbaarheid van een nationale bepaling als § 165, lid 2, [kpc] met artikel 7, lid 1, eerste volzin, van [de gewijzigde richtlijn]?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Opmerkingen vooraf
28
De Poolse regering stelt zich op het standpunt dat een bepaling als § 165, lid 2, kpc niet binnen de toepassingsgebied van de gewijzigde richtlijn valt, maar behoort tot de regels van het procesrecht, die deze richtlijn niet beoogt te harmoniseren. In dit verband merkt zij op dat richtlijn 97/67 werd vastgesteld op grond van artikel 95 EG, hetgeen de rechtsgrondslag is voor de onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen die de werking van de interne markt moeten waarborgen, terwijl de rechtsgrondslag voor de harmonisatie van het burgerlijk procesrecht artikel 65 EG was (thans artikel 81 VWEU).
29
Bovendien preciseert deze regering dat artikel 1 van de gewijzigde richtlijn, betreffende het toepassingsgebied ervan, de onderwerpen opsomt waarvoor de gewijzigde richtlijn gemeenschappelijke regels vaststelt en dat het burgerlijk procesrecht daar niet toe behoort.
30
In dat verband dient te worden opgemerkt dat richtlijn 2008/6, net zoals richtlijn 97/67 die zij heeft gewijzigd, werd vastgesteld op grond van de artikelen van het EG-Verdrag, die na wijzigingen, de artikelen 53, 62 en 114 VWEU zijn geworden, en die als doel hebben om de Uniewetgever een specifieke bevoegdheid te verlenen om maatregelen vast te stellen om de werking van de interne markt te verbeteren (arrest van 5 oktober 2000, Duitsland/Parlement en Raad, C-376/98, EU:C:2000:544, punt 87).
31
Met de laatste wijziging van richtlijn 97/67, bij richtlijn 2008/6, beoogde de communautaire wetgever volgens de overwegingen 13 en 16 van deze laatste richtlijn, om de liberalisering van de markt voor postdiensten te voltooien, en de einddatum voor de volledige totstandbrenging van de interne postmarkt te bevestigen, door niet alleen de laatste obstakels weg te werken voor de volledige openstelling van de markt voor een aantal aanbieders van de universele dienst, maar ook alle andere belemmeringen voor het leveren van postdiensten op te heffen [zie in die zin arrest van 16 november 2016, DHL Express (Austria), C-2/15, EU:C:2016:880, punt 26]. De communautaire wetgever beoogde tegelijkertijd een gemeenschappelijk niveau van universele dienstverlening voor alle gebruikers te verzekeren en geharmoniseerde beginselen vast te leggen voor de regulering van de postsector, in overeenstemming met overweging 56 van richtlijn 2008/6.
32
Uit het feit dat artikel 1 van de gewijzigde richtlijn het burgerlijk procesrecht niet vermeldt, kan niet worden afgeleid dat deze richtlijn geen enkel gevolg kan hebben voor andere gebieden van het nationale recht. Een andere uitlegging, zoals die voorgesteld door de Poolse regering, zou een bedreiging vormen voor de verwezenlijking van de door de gewijzigde richtlijn nagestreefde doelstelling, de voltooiing van de interne markt voor postdiensten. Zij zou immers lidstaten in staat stellen om maatregelen te handhaven die door hun gevolgen obstakels voor de mededinging op deze markt zouden kunnen vormen.
33
Bovendien verwijst artikel 8 van de gewijzigde richtlijn naar de verzending van aangetekende zendingen in het kader van gerechtelijke procedures.
34
Het betoog van de Poolse regering dat een nationale regel van burgerlijk procesrecht, zoals die van § 165, lid 2, kpc, vanwege zijn voorwerp en ongeacht de gevolgen van een dergelijke regel voor de bij deze richtlijn geharmoniseerde gebieden ontsnapt aan het toepassingsgebied van de gewijzigde richtlijn, moet bijgevolg worden verworpen.
Eerste vraag
35
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, lid 1, eerste volzin, van de gewijzigde richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 8 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die alleen de afgifte van een processtuk in een postkantoor van de voor de universele postdienst aangewezen aanbieder erkent als gelijkwaardig aan de indiening van het processtuk bij de betrokken rechterlijke instantie.
36
Om op deze vraag te kunnen antwoorden dienen deze twee bepalingen achtereenvolgens te worden uitgelegd.
Uitlegging artikel 7, lid 1, eerste volzin, van de gewijzigde richtlijn
37
Er zij aan herinnerd dat artikel 7, lid 1, eerste volzin, van de gewijzigde richtlijn lidstaten verbiedt om exclusieve of bijzondere rechten voor het vestigen of aanbieden van postdiensten te verlenen of te handhaven.
38
Uit de bewoordingen zelf van deze bepaling, die de draagwijdte van het daarin vervatte verbod afbakent door te verwijzen naar ‘het vestigen of aanbieden van postdiensten’, blijkt dat het verlenen en het handhaven van een exclusief of bijzonder recht verboden is voor zover een dergelijk recht betrekking heeft op postdiensten.
39
Het begrip ‘postdiensten’ wordt in artikel 2, punt 1, van de gewijzigde richtlijn omschreven als diensten die bestaan in het ophalen, het sorteren, het vervoeren en het bestellen van postzendingen. Het begrip ‘postzending’ wordt in artikel 2, punt 6, van de gewijzigde richtlijn omschreven als een geadresseerde zending in de definitieve vorm die een aanbieder van postdiensten verzorgt, en omvat naast brievenpost bijvoorbeeld boeken, catalogi, kranten, tijdschriften, en postpakketten die goederen met of zonder handelswaarde bevatten.
40
Bij de verzending per brief van processtukken aan rechterlijke instanties gaat het duidelijk om een postzending in de zin van artikel 2, punt 6, van de gewijzigde richtlijn, zodat de bijbehorende dienst onder het begrip ‘postdienst’ in de zin van artikel 2, punt 1, van deze richtlijn valt. Dit wordt bevestigd door de uitdrukkelijke verwijzing naar deze dienst in artikel 8 van de genoemde richtlijn en in overweging 20 van richtlijn 97/67, die de dienst van aangetekende zendingen in de loop van gerechtelijke procedures vermelden. Hieruit volgt dat de verlening van een exclusief of bijzonder recht met betrekking tot de dienst van de verzending per brief van processtukken in het kader van gerechtelijke procedures, onder het verbod van artikel 7, lid 1, van de gewijzigde richtlijn valt.
41
Wat de begrippen ‘exclusieve of bijzondere rechten’ betreft in artikel 7, lid 1, dient te worden vastgesteld dat noch deze bepaling noch enige andere bepaling van de gewijzigde richtlijn een definitie van deze begrippen bevat.
42
Deze begrippen komen echter overeen met de identieke bewoordingen die worden gebruikt in artikel 106, lid 1, VWEU, dat bepaalt dat: ‘[d]e lidstaten […] met betrekking tot de openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel [nemen of handhaven] welke in strijd is met de regels van de Verdragen, met name die bedoeld in de artikelen 18 en 101 tot en met 109’.
43
Volgens de rechtspraak van het Hof kan een overheidsmaatregel worden geacht een uitsluitend of bijzonder recht in de zin van artikel 106, lid 1, VWEU toe te kennen, wanneer hij een beperkt aantal ondernemingen beschermt en de mogelijkheden van andere ondernemingen om in hetzelfde geografische gebied en onder in wezen gelijkwaardige omstandigheden de betrokken economische activiteit uit te oefenen, aanmerkelijk ongunstig kan beïnvloeden (arrest van 12 december 2013, SOA Nazionale Costruttori, C-327/12, EU:C:2013:827, punt 41 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
44
Er zij aan herinnerd dat artikel 106, lid 1, VWEU — dat geen zelfstandige betekenis heeft — zich er, door de verwijzing naar andere artikelen van het VWEU, tegen verzet dat lidstaten onder meer ter zake van de ondernemingen waaraan zij exclusieve of bijzondere rechten verlenen, nationale wetgeving uitvaardigen of in stand houden die in strijd is met de artikelen 49 en 59 VWEU, of met de mededingingsregels in het VWEU (zie in die zin arresten van 13 december 2007, United Pan-Europe Communications Belgium e.a., C-250/06, EU:C:2007:783, punten 14, 15 en 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 17 juli 2008, ASM Brescia, C-347/06, EU:C:2008:416, punt 61).
45
De doelstellingen van artikel 106, lid 1, VWEU en de in punt 31 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doelstellingen van richtlijn 97/67, en meer bepaald de doelstellingen de postmarkt, waarvoor openbaredienstverplichtingen gelden, te onderworpen aan de mededingingsregels van het VWEU, en de obstakels voor de verwezenlijking van de interne postmarkt weg te werken, vallen derhalve grotendeels samen. Bijgevolg kan de definitie van het begrip ‘exclusief of bijzonder recht’ in de zin van de in punt 43 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, worden toegepast in de specifieke context van richtlijn 97/67.
46
Het is juist dat artikel 106, lid 1, VWEU het verlenen of het handhaven van een exclusief of bijzonder recht niet als zodanig verbiedt maar vereist dat deze verlening of handhaving de andere materiële bepalingen van het VWEU eerbiedigt, terwijl artikel 7, lid 1, eerste volzin, van de gewijzigde richtlijn de verlening of de handhaving van een exclusief of bijzonder recht aan een onderneming voor het vestigen of aanbieden van postdiensten verbiedt.
47
Een dergelijk verschil met betrekking tot de gevolgen die aan de vaststelling van het bestaan van een exclusief of bijzonder recht moeten worden verbonden op basis van die twee bepalingen staat echter niet in de weg aan de toepassing in het kader van de gewijzigde richtlijn, van het begrip ‘exclusief of bijzonder’ recht in de zin van de in punt 43 van dit arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof. Zoals de Commissie ter terechtzitting terecht heeft gepreciseerd, leidt dit verschil er alleen toe dat ingeval een exclusief of bijzonder recht door een lidstaat aan een onderneming wordt verleend, de naleving van artikel 7, lid 1, van de gewijzigde richtlijn het voorwerp uitmaakt van een zelfstandig onderzoek, naast dat van de naleving van artikel 106, lid 1, VWEU. Deze conclusie vloeit eveneens voort uit overweging 59 van richtlijn 2008/6, waarin is vermeld dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de toepassing van de in het Verdrag neergelegde mededingingsregels en regels inzake het vrij verrichten van diensten.
48
Wat betreft de draagwijdte van het in artikel 7, lid 1, eerste volzin, van de gewijzigde richtlijn neergelegde verbod op het verlenen of het handhaven van exclusieve of bijzondere rechten, volgt uit de bewoordingen van deze bepaling dat dit verbod in beginsel algemeen is.
49
Dit wordt bevestigd door de doelstelling en de totstandkoming van artikel 7 van de gewijzigde richtlijn. Zo mogen de lidstaten op grond van de tweede volzin van lid 1 van het genoemde artikel, de universele dienst financieren op een van de in de leden 2 tot en met 4 van hetzelfde artikel vermelde wijzen, of op een andere met het Verdrag verenigbare wijze.
50
In dit verband blijkt uit de overwegingen 25 en 26 van richtlijn 2008/6 dat de communautaire wetgever met artikel 7 van de gewijzigde richtlijn een einde heeft willen maken aan het in stand houden van een voorbehouden sector en aan speciale rechten als middel om de financiering van de universele dienst te waarborgen, maar lidstaten de mogelijkheid heeft willen bieden om andere financieringsmiddelen voor de universele dienst in te zetten die minder schadelijk zijn voor de mededinging.
51
Zoals volgt uit artikel 7 van richtlijn 97/67, zoals gewijzigd door richtlijn 2002/39, en uit overweging 16 van richtlijn 97/67 beschikten de lidstaten immers, voor zover dit voor het behoud van de universele dienst onder financieel evenwichtige voorwaarden noodzakelijk was, over de mogelijkheid om bepaalde diensten, waarvan de omvang door artikel 7 werd afgebakend, voor te behouden aan een of meerdere aanbieders van de universele dienst. Voor de niet op grond van artikel 7 voorbehouden diensten voorzag richtlijn 2002/39 echter niet in een dergelijke mogelijkheid, ongeacht of deze diensten al dan niet verband hielden met de universele dienst.
52
Uit de rechtspraak van het Hof volgt namelijk dat lidstaten niet over de mogelijkheid beschikten om naar eigen goeddunken de uit hoofde van artikel 7 van richtlijn 97/67, zoals gewijzigd door richtlijn 2002/39, aan de leveranciers van de universele dienst voorbehouden diensten uit te breiden, aangezien een dergelijke uitbreiding indruist tegen de doelstelling van richtlijn 97/67, die erin bestaat om een geleidelijke en gecontroleerde liberalisatie in de postsector in te voeren (zie in die zin arrest van 18 december 2007, Asociación Profesional de Empresas de Reparto y Manipulado de Correspondencia, C-220/06, EU:C:2007:815, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53
Met richtlijn 2008/6 heeft de communautaire wetgever de huidige tekst van artikel 7, lid 1, van de gewijzigde richtlijn ingevoerd, zonder terug te komen op de tot dan toe gerealiseerde liberalisering in de niet voorbehouden sector. Hieruit volgt dat sinds de wijziging van artikel 7, lid 1, het voorbehouden door een lidstaat van een postdienst, ongeacht of deze al dan niet onder de universele dienst valt, aan een of meerdere aanbieders van de universele dienst, een verboden manier is om de financiering van de universele dienst te waarborgen.
54
Derhalve is, onverminderd de uitzondering van artikel 8 van de gewijzigde richtlijn, het verlenen of handhaven van exclusieve of bijzondere rechten voor het vestigen of aanbieden van postdiensten in de zin van artikel 7, lid 1, eerste volzin, van de gewijzigde richtlijn, verboden.
55
Anders dan de Poolse regering ter terechtzitting heeft betoogd, moet in dit verband voor de toepassing van dit verbod geen onderscheid worden gemaakt naargelang een exclusief of bijzonder recht voor het vestigen of aanbieden van postdiensten al dan niet in overeenstemming met de beginselen van objectiviteit, evenredigheid, non-discriminatie en transparantie aan een aanbieder van de universele dienst aan een aanbieder van de universele dienst is verleend.
56
Een dergelijke uitlegging berust immers niet alleen op geen enkel tekstueel element in richtlijn 2008/6, maar zou, als zij zou worden gevolgd, bovendien leiden tot het beperken van de draagwijdte van het verbod van artikel 7, lid 1, eerste volzin, van de gewijzigde richtlijn, en derhalve de verwezenlijking van de doelstelling van deze richtlijn, de interne markt van postdiensten te voltooien, in gevaar brengen.
57
In casu volgt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat volgens § 165, lid 2, kpc de afgifte van een processtuk op het Poolse postkantoor van een aangewezen aanbieder in de zin van de postwet van postdiensten, of op het postkantoor van een aanbieder die in een andere lidstaat van de Unie universele diensten levert, wordt gelijkgesteld met de indiening van dat stuk bij de betrokken rechterlijke instantie.
58
Gelet op de overwegingen in punt 40 van dit arrest dient een regel van nationaal recht die de dienst van verzending van processtukken per post naar rechterlijke instanties betreft, te worden geacht betrekking te hebben op de verlening van postdiensten in de zin van artikel 7, lid 1, eerste volzin, van de gewijzigde richtlijn, in samenhang met artikel 2, punten 1 en 6, van deze richtlijn.
59
Wat de vraag betreft of de betrokken lidstaat met een regel van nationaal recht zoals aan de orde in het hoofdgeding ‘exclusieve of bijzondere rechten’ verleent voor de vestiging van postdiensten, staat ten eerste vast dat deze bepaling, die in de verwijzingsbeslissing als ‘wet’ wordt aangemerkt, een wettelijke maatregel is in de zin van de rechtspraak van het Hof betreffende artikel 106, lid 1, VWEU (zie in die zin arrest van 13 december 1991, GB-Inno-BM, C-18/88, EU:C:1991:474, punt 20).
60
Waar het ten tweede gaat over de vraag of een dergelijke wettelijke maatregel een beperkt aantal ondernemingen beschermt in de zin van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 12 december 2013, SOA Nazionale Costruttori (C-327/12, EU:C:2013:827, punt 41), preciseert de verwijzende rechter dat alleen de voor de universele dienst aangewezen aanbieder in de zin van de postwet voordeel kan hebben van de regel vervat in § 165, lid 2, kpc, die een gunstig rechtsgevolg verbindt aan het verzenden via deze onderneming of dienstverlener, van een processtuk aan een rechterlijke instantie.
61
Zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing worden in overeenstemming met § 165, lid 2, kpc de wettelijke termijnen voor de indiening van processtukken bij de rechterlijke instanties immers geacht nageleefd te zijn wanneer een processtuk binnen de wettelijke termijn is afgegeven in een postkantoor van de aangewezen aanbieder of een aanbieder bedoeld in die bepaling. Wordt een processtuk daarentegen via een andere postdienstaanbieder verzonden, dan kan deze zending slechts worden geacht binnen de wettelijke termijn te zijn ingediend wanneer de aanbieder deze voor het verstrijken van die termijn bij de rechterlijke instantie heeft afgeleverd.
62
Aldus blijkt een regel van nationaal recht, zoals § 165, lid 2, kpc, een voordeel te verschaffen aan een beperkt aantal ondernemingen aangezien zij aan de aangewezen aanbieder of een andere aanbieder die de universele dienst verzekert in een andere lidstaat, de dienst van de verzending van processtukken aan rechterlijke instanties voorbehoudt, evenals het voorrecht dat erin bestaat dat een processtuk dat bij deze aanbieder of bij deze andere aanbieder wordt afgegeven gelijk wordt gesteld met een stuk dat bij de rechterlijke instantie wordt ingediend.
63
Wat ten derde de vraag betreft of een dergelijke regel de mogelijkheden van andere ondernemingen om in hetzelfde gebied en onder in wezen gelijkwaardige omstandigheden de betrokken economische activiteit uit te oefenen, aanmerkelijk ongunstig kan beïnvloeden in de zin van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 12 december 2013, SOA Nazionale Costruttori (C-327/12, EU:C:2013:827, punt 41), dient in het licht van de aanwijzingen in het verzoek om een prejudiciële beslissing te worden opgemerkt dat dit hier het geval is.
64
Een andere aanbieder van postdiensten dan die welke vermeld zijn in § 165, lid 2, kpc, beschikt bij het leveren van de dienst van verzending van processtukken naar de rechterlijke instanties immers niet over het voorrecht dat deze processtukken worden geacht te zijn ingediend bij de betrokken rechterlijke instanties, zoals het geval is voor processtukken die worden afgegeven bij de aangewezen aanbieder of een andere in deze bepaling bedoelde aanbieder, hetgeen tot gevolg heeft dat deze dienst wordt onttrokken aan de vrije mededinging op de interne markt van postdiensten.
65
Bijgevolg en onder voorbehoud van nazicht door de verwijzende rechter, verleent een nationale rechtsregel zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een exclusief of bijzonder recht voor het vestigen of aanbieden van postdiensten in de zin van artikel 7, lid, 1, eerste volzin, van de gewijzigde richtlijn.
Uitlegging van artikel 8 van de gewijzigde richtlijn
66
Volgens artikel 8 van de gewijzigde richtlijn doet artikel 7 van deze richtlijn geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om het plaatsen van brievenbussen op de openbare weg, het uitgeven van postzegels en de verzending van aangetekende zendingen in de loop van gerechtelijke of administratieve procedures te organiseren overeenkomstig hun nationale wetgeving.
67
Gelet op de bewoordingen en context ervan, dient artikel 8 van de gewijzigde richtlijn restrictief te worden uitgelegd aangezien het een uitzondering is op een algemene regel in artikel 7 van deze richtlijn, die voortaan bepaalt dat exclusieve en bijzondere rechten afgeschaft zijn, om de interne markt van postdiensten te voltooien, hetgeen de voornaamste doelstelling is van richtlijn 2008/6.
68
Hieruit volgt dat, aangezien de bewoordingen van artikel 8 van de gewijzigde richtlijn alleen voor ‘aangetekende zendingen’ verwijzen naar de organisatie van de dienst van verzendingen in het kader van gerechtelijke procedures, de uitzondering in dit artikel niet ruim kan worden uitgelegd teneinde deze toe te passen op de dienst van gewone zendingen die gebruikt worden in het kader van gerechtelijke procedures.
69
In casu maakt § 165, lid 2, kpc, wat de verlening van het daarin vervatte voordeel betreft, voor de verzending van het processtuk naar een rechterlijke instantie geen onderscheid tussen een gewone brief en een aangetekende brief. Gelet op de overwegingen in de punten 67 en 68 van dit arrest, kan deze regel van nationaal recht slechts binnen de werkingssfeer van artikel 8 van de gewijzigde richtlijn vallen voor zover hij betrekking heeft op de dienst van zendingen per aangetekende brief van processtukken naar rechterlijke instanties.
70
Aangaande de draagwijdte van de in artikel 8 van de gewijzigde richtlijn vastgestelde uitzondering zijn zowel de verwijzende rechter als de Commissie van mening dat dit artikel, gelet op de restrictieve uitlegging ervan, de lidstaten niet toestaat om deze dienst aan een enkele aanbieder voor te behouden, en hun evenmin toestaat om een voorrecht in te stellen zoals het voorrecht dat voortvloeit uit de in geding zijnde nationale rechtsregel, maar de lidstaten alleen de mogelijkheid biedt om te bepalen dat partijen in een geschil verplicht zijn om processtukken per aangetekende zending naar een rechterlijke instantie te sturen.
71
In dit verband dient te worden opgemerkt dat volgens de inlichtingen in het verzoek om een prejudiciële beslissing, die niet worden tegengesproken door andere elementen in het dossier, § 165, lid 2, kpc een voordeel instelt voor een onderneming op een concurrentiële markt, waarover de andere ondernemingen niet beschikken, namelijk dat de afgifte van een processtuk bij de genoemde onderneming wordt gelijkgesteld met de indiening bij de rechterlijke instantie, waardoor een procestermijn kan worden nageleefd zelfs indien dit processtuk de rechterlijke instantie bereikt na het verstrijken van die termijn. Hieruit volgt dat in casu de vraag van belang is of een lidstaat zich op artikel 8 van de gewijzigde richtlijn kan beroepen om een voorrecht zoals het voorrecht dat voortvloeit uit de in geding zijnde nationale regel, in te stellen of te handhaven.
72
De doelstelling van artikel 8 van de gewijzigde richtlijn wordt beschreven in overweging 20 van richtlijn 97/67 volgens welke ‘om redenen van openbare orde en openbare veiligheid, lidstaten er een legitiem belang bij kunnen hebben het recht om brievenbussen […] aan een of meer door hen aan te wijzen instanties toe te kennen; […] dat het om dezelfde redenen de bevoegdheid van de lidstaten is een of meer instanties aan te wijzen die het recht hebben postzegels […] uit te geven, evenals de instantie of instanties die belast is of zijn met de levering van die dienst voor aangetekende zendingen waarvan in het kader van hun nationale wetgeving gebruik wordt gemaakt in het kader van gerechtelijke of administratieve procedures’. Hieruit volgt dat het genoemde artikel 8, dat ondanks de opeenvolgende wijzigingen van richtlijn 97/67 ongewijzigd is gebleven, aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten beoogt in staat te stellen om inzake de dienst van aangetekende brieven in het kader van gerechtelijke procedures, een uitzondering te maken op de algemene regel van artikel 7 van de gewijzigde richtlijn, om redenen van openbare orde en openbare veiligheid en wanneer zij beschikken over een rechtmatig belang.
73
In die omstandigheden moet artikel 8 van de gewijzigde richtlijn, gelezen in het licht van overweging 20 van richtlijn 97/67, aldus worden uitgelegd dat een lidstaat om beroep te doen op de uitzondering die in dit artikel is neergelegd, een algemeen belang moet aantonen.
74
Een dergelijke uitlegging wordt bevestigd door de doelstellingen van de regelgeving waar artikel 8 deel van uitmaakt. Zoals blijkt uit de overwegingen 25 en 26 van richtlijn 2008/6, heeft deze richtlijn immers tot doel om de interne markt voor postdiensten te verwezenlijken, en om een einde te maken aan het handhaven van een voorbehouden sector en bijzondere rechten als middel om de financiering van de universele dienst te verzekeren. Een lidstaat toestaan om, zonder enige objectieve rechtvaardiging, een exclusief of bijzonder recht toe te kennen in een geliberaliseerde markt, zou in strijd zijn met dergelijke doelstellingen.
75
Wat § 165, lid 2, kpc betreft, heeft de Commissie aangevoerd dat noch de verwijzingsbeslissing, noch de conclusies van de Poolse regering gewag maken van een objectieve rechtvaardiging voor het verlenen van het toegekende voordeel.
76
In dit verband heeft de Poolse regering ter terechtzitting gepreciseerd dat in Polen de geografische dekking van de dienst van aangetekende zendingen door de verschillende aanbieders zeer uiteenlopend is, en dat er dus een belang bestaat dat voor alle zendingen van processtukken aan rechterlijke instanties, hetzelfde niveau van waarborg wordt geboden wat de veiligheid van de zendingen betreft en de termijnen waarbinnen deze zendingen bij de rechterlijke instanties worden afgegeven. Dit is volgens de Poolse regering de reden waarom de met de universele dienstverlening belaste aanbieder, die actief is op het hele grondgebied, het betrokken voorrecht werd verleend.
77
In casu dient te worden vastgesteld dat, volgens de aan het Hof ter kennis gebrachte gegevens, de andere aanbieders op basis van de Poolse wetgeving eveneens gemachtigd zijn om voor rechterlijke instanties bestemde processtukken te vervoeren en te bezorgen, en derhalve geacht worden te beschikken over de nodige organisatorische middelen en het nodige personeel om dit te doen. De uitleg die door deze regering is gegeven maakt het bovendien niet mogelijk om te begrijpen hoe een verschil in procestermijnen naargelang van de aanbieders de rechtszekerheid of de goede rechtsbedeling waartoe deze termijnen bijdragen, kan bevorderen. In een geval als aan de orde in het hoofdgeding, waarin de ontvankelijkheid van het beroep afhangt van de gekozen aanbieder, lijken de overwegingen inzake de rechtszekerheid en goede rechtsbedeling zich immers zelfs te verzetten tegen een dergelijk verschil in procestermijnen. In dergelijke omstandigheden blijkt niet dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wetgeving, doordat zij ruimte laat voor verschillende termijnen naargelang van de aanbieder die wordt gekozen tussen concurrerende aanbieders op dezelfde markt, werkelijk beantwoordt aan de zorg om een doelstelling van algemeen belang te verwezenlijken, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
78
In het licht van die elementen is duidelijk dat artikel 8 van de gewijzigde richtlijn niet aldus kan worden uitgelegd dat het de handhaving mogelijk maakt van een regel van nationaal recht als in het hoofdgeding.
79
Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, eerste volzin, van de gewijzigde richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 8 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging wegens redenen van openbare orde of openbare veiligheid bestaat, alleen de afgifte van een processtuk in een postkantoor van de enige voor de universele postdienst aangewezen aanbieder erkent als gelijkwaardig aan de indiening van het processtuk bij de betrokken rechterlijke instantie.
Tweede en derde vraag
80
Met zijn tweede en derde vraag die gezamenlijk moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, lid 1, eerste volzin, van de gewijzigde richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU, aldus moet worden uitgelegd dat het voordeel dat de voor de universele postdienst aangewezen aanbieder geniet op grond van een regel van nationaal recht als in het hoofdgeding, indien het zou blijken toegekend te zijn in strijd met voormeld artikel 7, lid 1, eerste volzin, moet worden uitgebreid naar de andere postaanbieders teneinde elke discriminatie te vermijden. Hij wenst tevens te vernemen of een emanatie van een lidstaat zich zou kunnen beroepen op de rechtstreekse werking van laatstgenoemde bepaling in het kader van een geschil met een particulier.
81
De verwijzende rechter stelt zich aldus in eerste instantie de vraag welke gevolgen in het hoofdgeding moeten worden verbonden aan een mogelijke onverenigbaarheid van § 165, lid 2, kpc, met de gewijzigde richtlijn.
82
In de eerste plaats dient er op te worden gewezen dat volgens de verwijzende rechter de uitlegging volgens welke § 165, lid 2, kpc, verenigbaar zou zijn met artikel 7, lid 1, eerste volzin, van de gewijzigde richtlijn, een uitlegging contra legem is. Bovendien vereist deze uitlegging dat zou worden afgeweken van de gevolgen van de letterlijke uitlegging van een bepaling van nationaal recht, hetgeen een discutabele praktijk zou zijn bij een regel van procesrecht.
83
In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de nationale rechter bij de toepassing van het nationale recht dit zoveel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het ermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen. Het vereiste van een richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht is inherent aan het systeem van het Verdrag, aangezien het de nationale rechter in staat stelt binnen het kader van zijn bevoegdheden de volle werking van het recht van de Unie bij de beslechting van het bij hem aanhangige geschil te verzekeren (arrest van 19 januari 2010, Kücükdeveci, C-555/07, EU:C:2010:21, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84
Tevens zij opgemerkt dat het aan de nationale rechterlijke instanties staat om, rekening houdend met alle regels van nationaal recht en overeenkomstig de daarin erkende uitleggingsmethoden, te beslissen of en in hoeverre een nationale bepaling in overeenstemming met de betrokken richtlijn kan worden uitgelegd zonder dat dit leidt tot een uitlegging contra legem van die nationale bepaling (zie in die zin arrest van 22 januari 2019, Cresco Investigation, C-193/17, EU:C:2019:43, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85
Een dergelijke conforme uitlegging wordt immers begrensd door de algemene rechtsbeginselen van het Unierecht, met name het rechtszekerheidsbeginsel, in die zin dat zij niet kan dienen als grondslag voor een contra legem uitlegging van het nationale recht (zie in die zin arresten van 16 juli 2009, Mono Car Styling, C-12/08, EU:C:2009:466, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 19 april 2016, DI, C-441/14, EU:C:2016:278, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86
De verwijzende rechter vraagt zich af wat de draagwijdte is van deze beperkingen in de omstandigheden van het hoofdgeding, waarin de vraag rijst welke gevolgen moeten worden verbonden aan de mogelijke onverenigbaarheid met het Unierecht van een nationale rechtsregel inzake de naleving door een partij in het betrokken geding van een wettelijke termijn voor het indienen van een beroep bij de betrokken nationale rechterlijke instantie.
87
In zijn rechtspraak heeft het Hof het belang in de rechtsorde van de Unie erkend van de naleving van procestermijnen die beogen de rechtszekerheid te waarborgen door te voorkomen dat Uniehandelingen die rechtsgevolgen teweegbrengen, onbeperkt in het geding kunnen worden gebracht, alsook van de vereisten van goede rechtsbedeling en van proceseconomie (arrest van 14 september 1999, Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a., C-310/97 P, EU:C:1999:407, punt 61). Dezelfde overwegingen liggen ten grondslag aan het vereiste dat procestermijnen in de rechtsstelsels van de lidstaten worden nageleefd.
88
Hieruit volgt dat zowel de omstandigheid dat een met de gewijzigde richtlijn verenigbare uitlegging van § 165, lid 2, kpc zou leiden tot een uitlegging contra legem van deze bepaling, als de omstandigheid dat een dergelijke conforme uitlegging mogelijk zou interfereren met de toepassing van nationale regels inzake beroepstermijnen die beogen de rechtszekerheid te waarborgen, in casu beperkingen stellen aan het vereiste van een met het Unierecht conforme uitlegging van het nationale recht.
89
Wat in de tweede plaats de vraag betreft of een emanatie van een lidstaat zich op de gewijzigde richtlijn kan beroepen teneinde in een geding met een particulier een met de gewijzigde richtlijn strijdige bepaling van deze lidstaat buiten toepassing te laten, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de mogelijkheid bieden aan een emanatie van een lidstaat om de bepalingen van een richtlijn, die deze lidstaat niet op correcte wijze heeft omgezet in het nationale recht, jegens een particulier in te roepen, erop neer zou komen dat een staat voordeel kan hebben van zijn miskenning van het Unierecht (zie in die zin arresten van 26 september 1996, Arcaro, C-168/95, EU:C:1996:363, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 december 2013, Portgás, C-425/12, EU:C:2013:829, punten 24 en 25).
90
In casu volgt uit de aanwijzingen in het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de partij die de onverenigbaarheid van § 165, lid 2, kpc met de bepalingen van de gewijzigde richtlijn inroept jegens een particulier, de voorzitter van het KRUS is, met andere woorden een overheidsinstantie die aan te merken is als ‘emanatie van de staat’. Overeenkomstig de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak kan een overheidsinstantie zoals de voorzitter van het KRUS de gewijzigde richtlijn echter niet als zodanig inroepen jegens een particulier.
91
Bijgevolg is het gelet op de omstandigheden van het hoofdgeding niet noodzakelijk om te onderzoeken of het voordeel dat de voor de universele postdienst aangewezen aanbieder geniet op grond van § 165, lid 2, kpc, indien moet worden aangenomen dat het werd toegekend in strijd met de gewijzigde richtlijn, moet worden uitgebreid naar de andere postaanbieders.
92
Gelet op het voorgaande dient op de tweede en de derde vraag te worden geantwoord dat een overheidsinstantie die als een emanatie van een lidstaat wordt aangemerkt, de gewijzigde richtlijn niet als zodanig kan inroepen jegens een particulier.
Kosten
93
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 7, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008//EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008, gelezen in samenhang met artikel 8 van de richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging wegens redenen van openbare orde of openbare veiligheid bestaat, alleen de afgifte van een processtuk in een postkantoor van de enige voor de universele postdienst aangewezen aanbieder erkent als gelijkwaardig aan de indiening van het processtuk bij de betrokken rechterlijke instantie.
- 2)
Een overheidsinstantie die als een emanatie van een lidstaat wordt aangemerkt, kan richtlijn 97/67, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/6, niet als zodanig inroepen jegens een particulier.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑03‑2019
Conclusie 27‑11‑2018
M. Campos SÁnchez-Bordona
Partij(en)
Zaak C-545/171.
Mariusz Pawlak
tegen
Prezes Kasy Rolniczego Ubezpieczenia Społecznego
[verzoek van de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen) om een prejudiciële beslissing]
1.
De indiening van stukken van procespartijen bij rechterlijke instanties is gewoonlijk gebonden aan termijnen, waarvan de niet-inachtneming leidt tot tardiviteit van die indiening. Het stuk moet uiterlijk op de laatste dag van de termijn bij de rechterlijke instantie zelf worden ingediend, hoewel sommige lidstaten aanvaarden dat de afgifte op een postkantoor, wat de datum betreft, wordt gelijkgesteld met indiening bij die rechterlijke instantie.
2.
De aanvaarding van aldus verzonden processtukken is gewoonlijk afhankelijk van het feit dat zij met zekerheid de dag vermelden waarop zij zijn afgestempeld bij de aanbieder van een postdienst. In sommige nationale rechtsorden is in dat verband vereist dat zij per aangetekende zending worden bezorgd, een dienst die deel uitmaakt van de universele dienst.
3.
In het geding dat aanleiding heeft gegeven tot de onderhavige prejudiciële verwijzing, heeft een Poolse rechter een per post ingesteld hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens tardiviteit. De kern van dit geding betreft, samengevat, de vraag of de regel van nationaal procesrecht waarop die rechter zich heeft gebaseerd, verenigbaar is met richtlijn 97/67/EG2. en hoe deze richtlijn moet worden uitgelegd.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Richtlijn 97/67
4.
In overweging 20 staat te lezen:
‘Overwegende dat de lidstaten er, om redenen van openbare orde en openbare veiligheid, een legitiem belang bij kunnen hebben het recht om brievenbussen voor het aanbieden van postzendingen op de openbare weg te plaatsen aan een of meer door hen aan te wijzen instanties toe te kennen; dat het om dezelfde redenen de bevoegdheid van de lidstaten is een of meer instanties aan te wijzen die het recht hebben postzegels van het land van oorsprong uit te geven, evenals de instantie of instanties die belast is of zijn met de levering van die dienst voor aangetekende zendingen waarvan in overeenstemming met haar of hun nationale wetgeving gebruik wordt gemaakt in het kader van gerechtelijke of administratieve procedures […]’.
5.
Artikel 7 bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten verlenen of handhaven geen exclusieve of bijzondere rechten voor het vestigen of aanbieden van postdiensten. De lidstaten mogen het aanbieden van de universele dienst financieren op een of meer van de in de leden 2, 3 en 4 vermelde wijzen, of op een andere met het Verdrag verenigbare wijze.
- 2.
De lidstaten mogen het aanbieden van de universele dienst waarborgen door deze dienst aan te besteden in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften voor het plaatsen van overheidsopdrachten, waaronder ook, overeenkomstig richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten[3.], de concurrentiegerichte dialoog en procedures van gunning door onderhandelingen met of zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van een opdracht.’
6.
Artikel 8 luidt:
‘Artikel 7 doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om het plaatsen van brievenbussen op de openbare weg, het uitgeven van postzegels en de verzending van aangetekende zendingen in de loop van gerechtelijke of administratieve procedures te organiseren overeenkomstig hun nationale wetgeving.’
2. Richtlijn 2006/111
7.
Artikel 2 van richtlijn 2006/111/EG4. bepaalt het volgende:
‘In deze richtlijnen wordt verstaan onder:
[…]
- f)
‘uitsluitende rechten’: rechten die door een lidstaat aan een onderneming worden verleend bij een wetgevend of bestuursrechtelijk besluit, waarbij voor die onderneming het recht wordt voorbehouden om binnen een bepaald geografisch gebied een dienst te verrichten of een activiteit uit te oefenen;
- g)
‘bijzondere rechten’: rechten die door een lidstaat aan een beperkt aantal ondernemingen worden verleend bij een wetgevend of bestuursrechtelijk besluit waarbij binnen een bepaald geografisch gebied:
- i)
het aantal van deze ondernemingen die een dienst mogen verrichten of een activiteit mogen uitoefenen, op een andere wijze dan volgens objectieve, evenredige en niet-discriminerende criteria, tot twee of meer wordt beperkt,
[…]
- iii)
aan een onderneming of aan ondernemingen op een andere wijze dan volgens deze criteria wettelijke of bestuursrechtelijke voordelen worden toegekend waardoor enige andere onderneming aanzienlijk wordt bemoeilijkt dezelfde activiteit binnen hetzelfde geografische gebied onder in wezen gelijkwaardige voorwaarden uit te oefenen.’
B. Pools recht
8.
Artikel 165, lid 2, van de ustawa z dnia 17 listopada 1964 r. — Kodeks postępowania cywilnego (wet van 17 november 1964 — Pools wetboek van burgerlijke rechtsvordering)5. bepaalt:
‘De afgifte van een processtuk op het Poolse postkantoor van een aanbieder van postdiensten die is aangewezen in de zin van de [postwet] of op het postkantoor van een verlener van universele postdiensten in een andere lidstaat van de Unie wordt gelijkgesteld met de indiening van dat stuk bij de rechterlijke instantie’.
9.
Artikel 3, punt 13, van de postwet bepaalt dat de ‘aangewezen aanbieder’ de aanbieder van postdiensten is die ‘verplicht’ is tot het verrichten van universele postdiensten. Daarentegen zijn de andere aanbieders ‘bevoegd’ (maar niet ‘verplicht’) tot het verrichten van postdiensten in de door hen gekozen sector.
10.
Krachtens een besluit van de Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej (voorzitter van de dienst elektronische communicatie) van 30 juni 2015 is Poczta Polska S.A. gedurende tien jaar de aangewezen aanbieder voor het verrichten van de universele postdienst.
II. Aan het geding ten grondslag liggende feiten en prejudiciële vragen
11.
Mariusz Pawlak, werkzaam in de landbouw, had een arbeidsongeval waarvoor hij schadevergoeding vroeg aan de Kasa Rolniczego Ubezpieczenia Społecznego (socialezekerheidsfonds voor de landbouw; hierna: ‘KRUS’). Aangezien hij het niet eens was met het besluit van de voorzitter van de KRUS, stelde hij daartegen beroep in bij de Sąd Rejonowy w Poznan-Grundwald (rechter in eerste aanleg Poznan-Grundwald, Polen), die het beroep van verzoeker gegrond verklaarde.
12.
De voorzitter van de KRUS stelde tegen de uitspraak in eerste aanleg hoger beroep in bij de Sad Okregowy w Pozaniu (rechter in tweede aanleg Poznan, Polen), maar die rechter verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens tardiviteit, aangezien het desbetreffende beroepschrift bij die rechter was ingekomen op 22 juni 2016, terwijl de termijn op 20 juni 2016 was verstreken.
13.
De rechter in tweede aanleg oordeelde dat de poststempel van de postzending die was afgegeven bij een andere aanbieder (In Post S.A.) dan de aangewezen aanbieder, weliswaar als datum 20 juni 2016 vermeldde, namelijk de laatste dag van de beroepstermijn, maar dat die omstandigheid irrelevant was. Krachtens artikel 165, lid 2, kpc wordt alleen de indiening van een processtuk via de aangewezen aanbieder — zelfs wanneer dit per gewone post gebeurt — gelijkgesteld met de indiening van dat stuk bij de rechterlijke instantie.
14.
De voorzitter van de KRUS stelde bij de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen) cassatieberoep in tegen de beslissing van de rechter in tweede aanleg. Hij voerde met name schending van artikel 165, lid 2, kpc aan, gelet op het feit dat zijn processtuk binnen de gestelde termijn was ingediend, aangezien de afgifte op het postkantoor van een andere dan de aangewezen aanbieder van postdiensten geldig is.
15.
De Sąd Najwyższy in gewone samenstelling heeft vastgesteld dat zijn rechtspraak over artikel 165, lid 2, kpc niet eenduidig is en twijfels doet rijzen, met name over de verenigbaarheid van die bepaling met het Unierecht. Derhalve legde hij de rechtsvraag voor aan het oordeel van zijn uitgebreide kamer, die heeft beslist het Hof de drie prejudiciële vragen te stellen die hierna zijn vermeld.
16.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat er twee tegengestelde standpunten bestaan met betrekking tot de rechtsgevolgen van de afgifte van een processtuk op een Pools postkantoor van een andere dan de aangewezen aanbieder van postdiensten: a) een meerderheidsstandpunt, dat inhoudt dat een stuk dat onder die omstandigheden is afgegeven en door de rechterlijke instantie wordt ontvangen na het verstrijken van de termijn voor de verrichting van een proceshandeling, te laat is ingediend, en b) een minderheidsstandpunt, dat inhoudt dat de afgifte binnen de gestelde termijn van het stuk op een Pools postkantoor dezelfde rechtsgevolgen heeft (dit wil zeggen wordt gelijkgesteld met indiening ervan bij de rechterlijke instantie), ongeacht of het kantoor dat van de aangewezen aanbieder is of dat van om het even welke andere aanbieder van postdiensten.
17.
Volgens de verwijzende rechter:
- —
wordt bij de eerste strekking in de rechtspraak de Unierechtelijke context niet in aanmerking genomen, aangezien de werkingssfeer van richtlijn 97/67 aldus wordt uitgelegd dat de regeling met betrekking tot artikel 165, lid 2, kpc er niet binnen valt.6.
- —
staat de tweede (minderheids)strekking daarentegen een uitlegging in overeenstemming met het Unierecht voor, hoewel de betreffende beslissingen7. geen duidelijke argumenten bevatten over de werkingssfeer van artikel 7, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 97/67, noch over de wijze waarop de toepassing van artikel 165, lid 2, kpc in overeenstemming moet worden gebracht met het Unierecht.
18.
Gelet op deze twijfel heeft de Sąd Najwyższy het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 7, lid 1, eerste volzin, juncto artikel 8 van richtlijn 97/67/EG […] aldus worden uitgelegd dat een regel van nationaal procesrecht zoals de regeling in artikel 165, lid 2, [kpc] een bijzonder recht is, omdat volgens deze regeling alleen de afgifte van een processtuk op een nationaal postkantoor van een aangewezen aanbieder, dus van een aanbieder die verplicht is tot het verrichten van universele diensten, gelijk moet worden gesteld met de indiening van dit stuk bij de rechterlijke instantie, maar niet de afgifte van een processtuk op een nationaal postkantoor van een andere aanbieder van universele postdiensten, die geen aangewezen aanbieder is?
- 2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 7, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 97/67/EG juncto artikel 4, lid 3, VEU aldus worden uitgelegd dat voordelen die voor een aangewezen aanbieder voortvloeien uit het feit dat hem in strijd met artikel 7, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 97/67/EG een bijzonder recht is toegekend, ook moeten worden gegund aan de overige aanbieders van postdiensten, met het gevolg dat de afgifte van een processtuk op een nationaal postkantoor van een andere aanbieder van universele postdiensten die geen aangewezen aanbieder is, gelijk moet worden gesteld met de indiening van dit stuk bij de rechterlijke instantie, en wel op grond van beginselen die overeenkomen met de beginselen uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 juni 2007 in de gevoegde zaken C-231/06—C-233/06, Jonkman (EU:C:2007:373)?
- 3)
Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 7, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 97/67/EG juncto artikel 4, lid 3, VEU aldus worden uitgelegd dat een procespartij die de emanatie van een lidstaat is, zich kan beroepen op de onverenigbaarheid van een nationale bepaling als artikel 165, lid 2, [kpc] met artikel 7, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 97/67/EG?’
III. Procedure bij het Hof
19.
De verwijzingsbeslissing is ter griffie van het Hof ingekomen op 18 september 2017.
20.
De Poolse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en hun vertegenwoordigers hebben deelgenomen aan de terechtzitting van 18 september 2018.
IV. Juridische analyse
A. Eerste prejudiciële vraag: uitlegging van artikel 7, lid 1, van richtlijn 97/67
1. Opmerkingen van partijen
21.
De Poolse regering is van mening dat een bepaling als artikel 165, lid 2, kpc niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 97/67 valt, maar betrekking heeft op regels van het procesrecht, die deze richtlijn niet beoogt te harmoniseren.
22.
Zij meent in dat verband dat richtlijn 97/67 is vastgesteld op basis van artikel 95 van het EG-Verdrag, dat de interne markt tot doel heeft. De harmonisering van regels van het procesrecht zou daarentegen als rechtsgrondslag artikel 81 VWEU moeten hebben gehad. Verder worden in artikel 1 van richtlijn 97/67, dat betrekking heeft op het toepassingsgebied, alle gebieden opgesomd die door deze richtlijn worden geharmoniseerd. Het gebied inzake de burgerlijke rechtsvordering maakt daarvan geen deel uit.8.
23.
Zij erkent weliswaar dat de nationale regel gevolgen kan hebben voor het economische kader waarbinnen de aanbieders van postdiensten activiteiten verrichten, maar ook dergelijke gevolgen zouden niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 97/67 vallen. Artikel 7, lid 1, ervan zou dat bevestigen, aangezien het verbiedt bijzondere rechten ‘voor het vestigen of aanbieden van postdiensten’ te verlenen of te handhaven. Het tegendeel zou verrassend zijn, aangezien zelfs verordening (EG) nr. 1393/20079. de gevolgen van de indiening van processtukken niet heeft geregeld.10.
24.
Subsidiair wijst de Poolse regering erop dat in ieder geval artikel 165, lid 2, kpc geen ‘bijzonder recht’ verleent in de zin van artikel 7, lid 1, en artikel 8 van richtlijn 97/67, een begrip dat moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 4, lid 2. Zij benadrukt het verschil tussen de situatie van de aanbieder van de universele dienst en die van de andere aanbieders, dat zowel uit de aard van hun verplichtingen als uit de financieringsvorm ervan blijkt. Dat ingevolge het mandaat van openbare dienst bepaalde rechten aan de aangewezen aanbieder worden toegekend, betekent niet dat het steeds bijzondere rechten betreft.
25.
Volgens de Poolse regering is in casu de rechtspraak van het Hof, onder meer het arrest SOA Nazionale Costruttori11., irrelevant, aangezien artikel 8 van richtlijn 97/67 uitsluit dat de diensten inzake aangetekende zendingen een bijzonder recht vormen. Het betreft derhalve een recht dat verbonden is aan de levering van de universele dienst.
26.
Zij voert ook aan dat de Commissie de litigieuze nationale bepaling reeds heeft gevalideerd naar aanleiding van een onderzoek naar mogelijke staatssteun in verband met de compensatie aan Poczta Polska voor het leveren van de universele dienst in de jaren 2013–2015.12.
27.
De Commissie wijst er met betrekking tot de ‘bijzondere rechten’ op, dat het bestaan ervan volgens de rechtspraak afhankelijk is van a) een handeling van de staat; b) de toekenning van een voordeel aan een of meer ondernemingen, en c) de aanmerkelijke ongunstige beïnvloeding van de mogelijkheden van andere marktdeelnemers om onder gelijkwaardige omstandigheden hun economische activiteit uit te oefenen.13. Zij pleit ervoor rekening te houden met die factoren en is van mening dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 97/67 betrekking heeft op alle rechtshandelingen die dergelijke voordelen toekennen. Ook herinnert zij eraan dat die bepaling een ingrijpende wijziging in de postsector inhoudt, aangezien zij de laatste stap in de openstelling van de markt voor postdiensten vormt door alle bestaande bijzondere rechten en andere belemmeringen voor het vrij verrichten van dergelijke diensten op te heffen.14.
28.
Volgens de Commissie beïnvloeden de kenmerken van artikel 165, lid 2, kpc de activiteit bestaande in de diensten voor de bezorging van processtukken aan de nationale rechterlijke instanties dan ook aanzienlijk, hetgeen gevolgen heeft voor de voorwaarden waaronder de andere aanbieders van postdiensten die diensten verrichten.
29.
De Commissie is het eens met de verwijzende rechter dat artikel 8 van richtlijn 97/67 niet toestaat dat de verzending van processtukken aan slechts één aanbieder wordt voorbehouden, maar dat de lidstaten overeenkomstig deze bepaling mogen eisen dat die verzending via aangetekende zending plaatsvindt. In dat verband merkt zij op dat artikel 165, lid 2, kpc niet is beperkt tot aangetekende zendingen en dat de verwijzingsbeslissing niet vermeldt dat het is vastgesteld om redenen van openbare orde en openbare veiligheid, zoals is voorgeschreven door overweging 20 van richtlijn 97/67.
2. Juridische beoordeling
a) ‘Bijzonder recht’ in de zin van artikel 7, lid 1, eerste volzin
30.
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de regeling voor de indiening van processtukken, die artikel 165, lid 2, kpc voorbehoudt aan de aangewezen aanbieder, een bijzonder recht in de zin van artikel 7, lid 1, van richtlijn 97/67 inhoudt.15.
31.
Artikel 7, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 97/67 bevat het duidelijke en uitdrukkelijke verbod om bijzondere of exclusieve rechten te verlenen of te handhaven voor het vestigen of aanbieden van postdiensten. Evenwel worden de uitdrukkingen ‘bijzondere rechten’ en ‘exclusieve rechten’ noch in die bepaling noch in een andere bepaling van de richtlijn gedefinieerd, hetgeen de uitlegging ervan bemoeilijkt.
32.
Vanuit systematisch oogpunt dient echter te worden opgemerkt dat dit verbod bijna letterlijk overeenstemt met het verbod van artikel 106, lid 1, VWEU met betrekking tot de openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan dergelijke rechten zijn verleend, zij het dat het is aangepast aan de context van de postsector die richtlijn 97/67 beoogt te regelen. In feite bestaat er ook een gelijkenis met de definitie in de mededeling over de postdiensten.16.
33.
Wegens die overeenkomsten en omdat richtlijn 2006/111 als rechtsgrondslag artikel 106, lid 3, VWEU heeft, volgens hetwelk de Commissie waakt over de toepassing van dit artikel 106 VWEU en met het oog hierop richtlijnen tot de lidstaten kan richten, kan de definitie van bijzondere en uitsluitende rechten van artikel 2, onder f) en onder g), iii), van richtlijn 2006/111 in aanmerking worden genomen. Bovendien is Poczta Polska een bedrijf waarvan het kapitaal volledig in overheidshanden is.17.
34.
In werkelijkheid zijn er andere mogelijkheden om de betekenis van die uitdrukkingen te achterhalen in regelingen die verwant zijn met de regeling van richtlijn 97/67, aangezien zij betrekking hebben op de liberalisering van bepaalde sectoren.18. Gelet op het transversale karakter van richtlijn 2006/111, is deze mijns inziens geschikter voor de in casu nagestreefde doeleinden. Overigens verschilt de strekking van die andere regelingen niet essentieel van die van richtlijn 2006/111.
35.
Op basis van deze uitgangspunten ben ik van mening dat in casu de categorie van ‘exclusieve of bijzondere rechten’ van artikel 7, lid 1, van richtlijn 97/67, gelezen in samenhang met artikel 2, onder f) en g), van richtlijn 2006/111, van toepassing is. Ik kom tot deze slotsom op grond van verschillende redenen.
36.
In de eerste plaats betreft het een bij wet toegekend voordeel, aangezien
- —
het is neergelegd in een bepaling van de kpc, een wetboek met de status van formele wet.
- —
het de vorm heeft aangenomen van een voorrecht dat is toegekend aan de aangewezen aanbieder (Poczta Polska), waarvan de diensten de voorkeur zullen genieten van de afzenders van processtukken, precies wegens het vermoeden van de naleving van de termijn voor de verzending ervan en wegens de waarde van officieel document19. die het bewijs van de afgifte heeft. De rest van de marktdeelnemers geniet dat voordeel niet.20.
37.
In de tweede plaats wordt het recht om processtukken te ontvangen en te verzenden met het voorrecht dat de afgifte ervan bij de aangewezen aanbieder wordt gelijkgesteld met de indiening ervan bij de rechterlijke instantie (dat is uiteindelijk waarin het voordeel bestaat), exclusiefvoorbehouden aan één enkel overheidsbedrijf.
38.
In de derde plaats leidt het voordeel tot hogere inkomsten voor de aangewezen aanbieder, waarin anders ook de andere aanbieders van postdiensten zouden delen.21. Derhalve wordt daardoor enige andere onderneming bemoeilijkt dezelfde activiteit22. onder gelijkwaardige voorwaarden uit te oefenen. De gelijkwaardigheid verdwijnt zodra geen enkele concurrent kan waarborgen dat een processtuk dat hem op een van de laatste dagen van een wettelijk vastgestelde termijn wordt toevertrouwd (zoals gebruikelijk is), de rechterlijke instantie waarvoor het stuk is bestemd vóór de laatste dag van die termijn bereikt.
39.
In de vierde plaats verloopt de verlening van het voordeel op zich niet middels aanbesteding of op soortgelijke wijze, in overeenstemming met de Unierechtelijke regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten.23. Zoals de Poolse regering heeft opgemerkt, staat vast dat de selectie van de aanbieder van postdiensten die wordt aangewezen om de universele dienst te leveren, wordt uitgevoerd door middel van een aanbesteding onder de bedrijven in de sector24., overeenkomstig nationale regels die de beginselen van objectiviteit, evenredigheid, non-discriminatie en transparantie in acht nemen. Uit haar schriftelijk antwoord op een vraag van het Hof kan echter worden afgeleid dat noch de selectiecriteria noch de gunningscriteria verwijzen naar de betrouwbaarheid van de zendingen per aangetekende post, afgezien van de verplichting om de afzender een bevestiging van de postzending te overhandigen25., een criterium dat in de processtukken niet wordt genoemd.
40.
Het litigieuze voordeel is dus niet inherent aan de gunning van de universele dienst, maar treedt in werking op basis van artikel 165, lid 2, kpc zodra de aangewezen aanbieder is aangesteld.
41.
In het kader van wat ik hierna over de toepassing van artikel 8 van richtlijn 97/67 zal uiteenzetten, is het voor het antwoord van het Hof op de prejudiciële vraag irrelevant of het aldus verleende voordeel als exclusief recht (ten voordele van één enkele onderneming) dan wel als bijzonder recht wordt beschouwd. Wat in beide gevallen van belang is, is het verband ervan met de uitzondering van artikel 8.
b) Uitzondering op het verbod om bijzondere rechten te verlenen: artikel 8 van richtlijn 97/67
1) Verhouding tussen de artikelen 7 en 8 van richtlijn 97/67
42.
Volgens de inleidende bewoordingen van artikel 8 van richtlijn 97/67 verhouden de beide bepalingen zich tot elkaar als beginsel/uitzondering. Het zinsdeel ‘[a]rtikel 7 doet geen afbreuk[26.] aan het recht van de lidstaten’27. is in dit verband voldoende duidelijk.
43.
Vast staat weliswaar dat het Hof gewoonlijk strikte uitlegging verlangt van bepalingen die een uitzondering bevatten28., maar een nauwkeurige analayse van de ontstaansgeschiedenis van de artikelen 7 en 8 maakt het mogelijk om geen overhaaste conclusies te trekken over de omvang van de bevoegdheid die de lidstaten op grond van artikel 8 is verleend om ter zake wet- en regelgeving vast te stellen.
2) Ontstaansgeschiedenis en ontwikkeling van beide bepalingen
44.
Uit de lezing van de voorbereidende handelingen kan worden afgeleid dat de twee bepalingen zijn ontstaan in het kader van de bovengenoemde verhouding beginsel/uitzondering.29. Aldus bevatte het huidige artikel 7 in het voorstel voor een richtlijn een reeks segmenten van de postmarkt die de lidstaten konden opnemen in de universele dienst en reserveren voor de aanbieder ervan (in het algemeen het ophalen, het vervoer, het sorteren en de distributie van briefpoststukken met een gewicht van minder dan 350 gram). De reservering werd gerechtvaardigd door de noodzaak om een financieel evenwichtige bedrijfsvoering van de universele dienst mogelijk te maken.30.
45.
Die ideeën zijn zonder noemenswaardige wijzigingen in de definitieve tekst van artikel 7 en van overweging 16 van de oorspronkelijke versie van richtlijn 97/67 opgenomen. In overweging 19 ervan werd bovendien duidelijk verklaard dat in het kader van de geleidelijke liberalisering van de postmarkt de bepalingen inzake de voorbehouden sectoren uiterlijk op 1 januari 2000 moesten worden herzien, zodat aan de leveranciers van de universele dienst (destijds de gevestigde exploitanten van de lidstaten) voldoende tijd werd gegeven om zich aan te passen.
46.
Wat artikel 8 betreft, blijkt uit de ontstaansgeschiedenis ervan dat het voorstel voor een richtlijn alleen voorzag in de mogelijkheid voor de lidstaten om een of meerdere lichamen aan te wijzen die het recht hebben om brievenbussen op de openbare weg te plaatsen en postzegels uit te geven.31.
47.
Op grond van amendement nr. 41 van het Europees Parlement hebben de aangewezen lichamen het recht om ‘aangetekende stukken te vervoeren’, naast de rechten inzake brievenbussen en postzegels.32. De Commissie wees die correctie weliswaar af op grond dat ‘er [tevens] geen redenen [zijn] om de concurrentie op het gebied van de aangetekende zendingen buiten de prijs- en gewichtsgrenzen van het gereserveerde gebied te beperken’33., maar de Raad nam de bewoordingen van het amendement opnieuw op met toevoeging van de zinsnede ‘in de loop van gerechtelijke of administratieve procedures’34., die uiteindelijk in de formulering van artikel 8 is opgenomen. Aldus werd de mogelijkheid om de aanbieders van dergelijke diensten aan te wijzen verruimd, waarbij de lidstaten het recht werd toegekend, die diensten te organiseren.
48.
Richtlijn 2008/6 maakte een einde aan de voorbehouden sectoren van artikel 7 van richtlijn 97/67: met het oog op de ontwikkeling van de postmarkt, diende een dergelijk voorbehoud niet te worden beschouwd als de voorkeursoplossing voor de financiering van de universele dienst.35. Artikel 1, punt 8, van richtlijn 2008/6 voerde de huidige formulering van artikel 7 in, met het verbod om bijzondere of exclusieve rechten te verlenen of te handhaven en de verschillende manieren om de universele dienst te financieren, waardoor de postsector van de Unie ingrijpend is gewijzigd.36.
49.
Die wijzigingen hebben echter geen invloed gehad op de formulering van artikel 8, dat onveranderd bleef. De bepaling geeft derhalve een scheidingslijn weer ten aanzien van het verbod van artikel 7 om bijzondere en exclusieve rechten te verlenen. Thans moet worden nagegaan wat de draagwijdte van de uitzondering is.
3) Draagwijdte van de uitzondering van artikel 8
50.
Het gaat er met name om na te gaan wat de betekenis is van het aan de lidstaten toegekende recht om de verzending van aangetekende zendingen in de loop van gerechtelijke procedures te organiseren. De Commissie en de verwijzende rechter zijn van mening dat artikel 8 van richtlijn 97/67 de lidstaten niet toestaat de verzending van processtukken aan één enkele aanbieder voor te behouden, maar hun alleen het recht geeft om te eisen dat dat die stukken worden verzonden door middel van aangetekende zendingen.
51.
Die redenering deel ik niet. Ik ben het eerder eens met de Poolse regering dat aangetekende zendingen deel uitmaken van de minimale prestaties die op grond van artikel 3, lid 4, derde streepje, van richtlijn 97/67 tot de universele dienst behoren. Artikel 4, lid 2, van die richtlijn staat toe dat één onderneming als aanbieder van de universele dienst wordt aangewezen. Bovendien staat niets eraan in de weg dat het nationale recht, met toepassing van artikel 8 van richtlijn 97/67, de bijzondere regeling voor aangetekende zendingen die bestemd zijn voor rechterlijke instanties zo organiseert dat de universeledienstverlener ermee wordt belast.
52.
Wat de betekenis van de uitdrukking ‘verzending van aangetekende zendingen in de loop van gerechtelijke […] procedures’ betreft, leid ik uit de opmerkingen van de Commissie af dat zij het standpunt dat zij heeft uitgedrukt in de mededeling over de postdiensten, thans niet meer verdedigt.37. In die mededeling leek zij de reikwijdte van de vrijstelling van het vrij verrichten van diensten van artikel 56 VWEU, gelezen in samenhang met de artikelen 51 en 62 VWEU, te beperken tot de juridische kennisgevingen als uitdrukking van de uitoefening van het openbaar gezag. Een dergelijke uitlegging toepassen in het kader van richtlijn 97/67 zou te restrictief zijn geweest, aangezien artikel 8 ervan geen onderscheid maakt tussen een door een particulier verzonden processtuk en een kennisgeving door rechterlijke instanties.
53.
Zoals de Commissie opmerkt, bestaat het probleem van het onderhavige geding erin, dat artikel 165, lid 2, kpc niet uitsluitend melding maakt van aangetekende zendingen, wat erop wijst dat het voordeel zich uitstrekt tot alle zendingen (te weten ook de niet-aangetekende zendingen) die middels de aangewezen aanbieder worden verzonden, in strijd met artikel 8 van richtlijn 97/67.
54.
Dat artikel 165, lid 2, kpc niet is beperkt tot aangetekende zendingen (het vermeldt deze niet uitdrukkelijk) betekent niet dat het deze niet omvat. Integendeel, het algemene karakter van de formulering van die bepaling, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende modaliteiten, betekent dat zij op al die modaliteiten van toepassing is, ook op aangetekende zendingen.
55.
Ik ben derhalve van mening dat bij de analyse van de toepasselijkheid van de uitzondering van artikel 8 van richtlijn 97/67 drie varianten moeten worden onderscheiden, naargelang zij van toepassing is: a) op gewone post; b) op aangetekende zendingen, en c) op aangetekende zendingen die het aanvullende voordeel van artikel 165, lid 2, kpc genieten.
56.
Wat de eerste variant betreft, is de uitbreiding van de reikwijdte van het exclusieve voordeel tot de verzending van gewone (dit wil zeggen niet-aangetekende) zendingen die zijn bestemd voor een rechterlijke instantie en die worden afgegeven op kantoren van de aangewezen aanbieder, in strijd met de doelstelling van richtlijn 97/67. Zoals ik reeds heb gezegd, beoogde die richtlijn eerst een geleidelijke liberalisering (overweging 8) en later de volledige voltooiing van de interne markt.38.
57.
Precies met het oog daarop beperkte richtlijn 97/67 de diensten die de lidstaten vrij kunnen regelen, zonder de restricties van artikel 7, tot de diensten die uitputtend in artikel 8 zijn vermeld, zonder de mogelijkheid om er andere diensten aan toe te voegen. Die diensten omvatten onder meer de verzending van aangetekende zendingen voor gerechtelijke procedures, maar niet de verzending van gewone zendingen.
58.
Indien met betrekking tot laatstgenoemde (gewone) zendingen aan de aangewezen aanbieder in Polen hetzelfde voordeel zou worden verleend als het voordeel dat hij reeds geniet met betrekking tot aangetekende zendingen, zou hem een exclusief recht worden toegekend dat in strijd is met het doel van richtlijn 97/67.
59.
Wat de tweede variant betreft, welke betrekking heeft op aangetekende zendingen van stukken aan rechterlijke instanties, is de speelruimte die aan de lidstaten wordt verleend om de regeling ervan te organiseren (waarbij zij eventueel aan de mededinging worden onttrokken en aan één enkele onderneming worden toegewezen) gerechtvaardigd om ‘redenen van openbare orde en openbare veiligheid’, zoals uitdrukkelijk wordt vermeld in overweging 20 van richtlijn 97/67. Het Hof heeft herhaaldelijk geoordeeld dat procestermijnen van openbare orde zijn en dat partijen noch de rechter er vrij over kunnen beschikken, aangezien zij zijn gesteld om een goede rechtsbedeling en de duidelijkheid en zekerheid van de rechtssituaties te verzekeren.39.
60.
In dat verband zij eraan herinnerd dat in artikel 2, punt 9, van richtlijn 97/67 een aangetekende zending wordt omschreven als een ‘dienst die bestaat in de garantie op forfaitaire basis tegen de risico's van verlies, diefstal of beschadiging, waarbij de afzender, in voorkomend geval op zijn verzoek, een bewijs ontvangt van de afgifte of de bestelling van de postzending aan de geadresseerde’. Het spreekt voor zich dat aangetekende zendingen wegens de kenmerken ervan, in gerechtelijke procedures aan die behoeften voldoen en in die mate bijdragen tot een goede rechtsbedeling. De vereisten van kwaliteit en veiligheid van aangetekende zendingen in de zin van richtlijn 97/67 en de onbetwiste bewijskracht ervan, rechtvaardigen dat zij worden opgenomen in de universele dienst en dat er bepaalde procedurele gevolgen aan worden toegekend, die deze onderscheiden van gewone zendingen.40.
61.
Wanneer een nationale regel uitsluitend processtukken die per aangetekende zending zijn verzonden via de aanbieder die is aangewezen om de universele dienst te leveren, aanvaardt als ingediend binnen de gestelde termijn, valt hij onder de uitzondering van artikel 8 van richtlijn 97/67. De vrijheid van de lidstaat om die dienst wettelijk te organiseren, omvat de vrijheid om die dienst exclusief toe te wijzen aan de universeledienstverlener.
62.
Ten slotte moet nog de derde variant worden onderzocht, te weten wanneer aangetekende zendingen van processtukken die zijn bestemd voor rechterlijke instanties via andere aanbieders dan de aangewezen aanbieder worden toegestaan, maar er niet het procedurele voordeel van artikel 165, lid 2, kpc aan wordt toegekend.41. In dat verband rijst twijfel of artikel 8 van richtlijn 97/67 deze ongelijke behandeling toestaat.
63.
Op het eerste gezicht zou kunnen worden aangenomen dat er geen redenen zijn die een dergelijke discriminatie rechtvaardigen, aangezien de prestaties van de aanbieders uit economisch oogpunt wellicht geen grote verschillen in kwaliteit en betrouwbaarheid vertonen.
64.
Ik ben echter van mening dat een lidstaat de regeling van de ontvangst van aangetekende zendingen die zijn bestemd voor rechterlijke instanties aldus mag organiseren dat hij slechts aan één aanbieder (bijvoorbeeld diegene met de grootste territoriale spreiding of met de grootste waarborgen) het betrokken procedurele gevolg toekent, dat erin bestaat dat de door die aanbieder verzonden stukken worden geacht op diezelfde datum te zijn ingediend bij die rechterlijke instanties.
65.
Die beperking is gerechtvaardigd op grond van de rechtszekerheid en valt onder de beoordelings- en organisatiebevoegdheid van de postdiensten die in artikel 8 van richtlijn 97/67 aan de lidstaten precies met betrekking tot aangetekende zendingen in de loop van gerechtelijke procedures wordt toegekend. In dat verband kan de aanwijzing van een aanbieder die verplicht is de universele dienst te verlenen ‘waarbij […] rekening wordt gehouden met de belangrijke rol die deze vervult bij de sociale en territoriale samenhang’42., als een lidstaat binnen de genoemde beoordelingsbevoegdheid daartoe beslist, worden gekoppeld aan de grootste zekerheid van het verkeer van processtukken.
66.
Samengevat geef ik in overweging de eerste prejudiciële vraag aldus te beantwoorden dat artikel 7, lid 1, en artikel 8 van richtlijn 97/67 een lidstaat toestaan de verzending van zendingen in de loop van gerechtelijke procedures zo te organiseren dat hij alleen de afgifte van aangetekende zendingen op de kantoren van de aanbieder die is aangewezen om de universele dienst te verlenen, gelijkstelt met de indiening ervan bij de rechterlijke instanties.
B. Tweede prejudiciële vraag: gevolgen van een eventuele onverenigbaarheid van de nationale regeling met richtlijn 97/67
1. Opmerkingen van partijen
67.
De Poolse regering heeft geen opmerkingen ingediend met betrekking tot deze vraag.
68.
De Commissie stelt voor een onderscheid te maken tussen de verplichtingen van de nationale wetgever om de inbreuk op het Unierecht te verhelpen en die van de verwijzende rechter om de doeltreffendheid van artikel 7, lid 1, van richtlijn 97/67 te waarborgen.
69.
De nationale wetgever zou over een ruimere beoordelingsbevoegdheid beschikken om de gevolgen van de inbreuk teniet te doen, met het oog waarop hij: a) het voordeel van de aangewezen aanbieder kan uitbreiden tot de andere aanbieders; b) de litigieuze bepaling kan intrekken, en c) een andere oplossing kan kiezen die rekening houdt met de gelijke behandeling van de aanbieders.
70.
Wat de verwijzende rechter betreft, leidt de Commissie uit de rechtspraak over de verplichting om de doeltreffendheid van het Unierecht te waarborgen43. af dat het de taak is van die rechter om de gevolgen te trekken uit de schending van het Unierecht.44.
71.
Volgens de Commissie moet het recht om de betrokken dienst onder dezelfde omstandigheden te leveren worden uitgebreid tot elke aanbieder die problemen heeft om toegang tot de markt te krijgen.45. Aangezien er in casu geen sprake is van een aanbieder met dergelijke problemen, dienen ook de algemene rechtsbeginselen in acht te worden genomen, met name het rechtszekerheidsbeginsel met betrekking tot termijnen.
2. Juridische beoordeling
72.
De verwijzende rechter wenst uiteindelijk te vernemen of het voordeel dat de aangewezen aanbieder geniet en dat in strijd met artikel 7, lid 1, van richtlijn 97/67 is toegekend, moet worden uitgebreid tot de andere aanbieders van postdiensten om de discriminatie van laatstgenoemden te vermijden.46. Ik meen echter dat de vraag aldus moet worden opgevat dat dient te worden nagegaan of richtlijn 97/67 in de weg staat aan de huidige toepassing van artikel 165, lid 2, kpc, die gewone postzendingen die via de aangewezen aanbieder worden verzonden, omvat.
73.
Ik heb er in mijn bovenstaande analyse immers op gewezen dat de nationale regeling onder de uitzondering van artikel 8 van richtlijn 97/67 valt voor aangetekende zendingen die via Poczta Polska naar rechterlijke instanties worden verzonden, maar niet voor gewone zendingen.
74.
Uit die premisse volgen twee vaststellingen: a) dat er geen conforme uitlegging van artikel 165, lid 2, kpc is vereist met betrekking tot processtukken die door middel van aangetekende zendingen worden verzonden, aangezien de nationale regeling voldoet aan de vereisten van richtlijn 97/67, en b) dat de betrokken bepaling aan de aangewezen aanbieder een voordeel zou toekennen dat in strijd is met richtlijn 97/67, indien zij aldus wordt uitgelegd dat zij aan die aanbieder het exclusieve recht verleent om gewone postzendingen in ontvangst te nemen die zijn bestemd voor rechterlijke instanties, waarvan de afgifte wordt gelijkgesteld met de indiening ervan bij die instanties. Daarom dient alleen dit tweede aspect te worden geanalyseerd om de tweede prejudiciële vraag te beantwoorden.
75.
Zonder dat ik mij in de plaats wil stellen van de Sąd Najwyższy bij zijn uitlegging van het nationale recht, waarvoor alleen hij bevoegd is, ben ik van mening dat niets zich verzet tegen een lezing van artikel 165, lid 2, kpc die in overeenstemming is met artikel 8 van richtlijn 97/67.47. Daartoe volstaat het aan te nemen dat de bewoordingen ‘afgifte van een processtuk op het postkantoor [van de aangewezen aanbieder]’ zich beperken tot de gevallen waarin wordt gebruikgemaakt van aangetekende zendingen en niet van gewone zendingen, aangezien dat het enige systeem is dat, precies omdat het de frankeerdatum officieel waarborgt, de rechtszekerheid biedt die de regels inzake burgerlijke rechtsvordering verlangen.48.
76.
Indien die uitlegging wordt aanvaard, zou de aangewezen aanbieder op gelijke voet staan met de overige aanbieders van postdiensten wat de gewone zendingen betreft die zijn gericht tot rechterlijke instanties. Verder kan echter niet worden gegaan, aangezien richtlijn 97/67 geen betrekking heeft op het procedurele kader en het krachtens het beginsel van de procedurele autonomie aan de lidstaten is te beslissen hoe de ontvangst van de stukken die voor hun rechterlijke instanties zijn bestemd, wordt georganiseerd. Bij gebreke van andere specifieke Unieregels ter zake staat het aan de nationale wetgever of de nationale rechterlijke instanties om respectievelijk regels vast te stellen of de bestaande regels uit te leggen, rekening houdend met de beginselen van gelijkwaardigheid en van doeltreffendheid van het Unierecht.49.
77.
Indien daarentegen de uitlegging die ik voorsta volgens het nationale recht onmogelijk is, zoals de verwijzende rechter meent, en de Poolse wetgever de formulering van artikel 165, lid 2, kpc niet corrigeert, zouden de rechterlijke instanties op grond van vaste rechtspraak verplicht kunnen zijn50. het met het Unierecht strijdige gedeelte van de nationale regel buiten toepassing te laten. Ik herhaal dat de niet-toepassing van de betrokken regel slechts betrekking zou hebben op het exclusieve recht dat aan de aangewezen aanbieder is toegekend wat de gelijkwaardigheid van de indiening betreft (op het postkantoor of bij de rechterlijke instantie) van de gewone zendingen die zijn bestemd voor rechterlijke instanties.
78.
Vooraleer een verwijzende rechter in een geding als het onderhavige de nationale regel die in strijd is met een bepaling van richtlijn 97/67 buiten toepassing kan laten, nadat hij heeft vastgesteld dat het onmogelijk is deze uit te leggen in overeenstemming met het Unierecht, moeten twee voorwaarden zijn vervuld: a) die bepaling moet rechtstreekse werking kunnen hebben (waarnaar de verwijzende rechter in zijn tweede prejudiciële vraag verwijst), en b) een particulier moet zich daarop beroepen tegenover de staat die de betrokken nationale regel heeft vastgesteld (wat het voorwerp is van de derde prejudiciële vraag).
79.
In de rechtspraak wordt rechtstreekse werking toegekend aan de bepalingen van een richtlijn wanneer zij inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn. In dat geval kunnen particulieren zich voor de nationale rechter op die bepalingen beroepen tegenover de staat, wanneer deze hetzij heeft verzuimd de richtlijn binnen de termijn in nationaal recht om te zetten, hetzij dit op onjuiste wijze heeft gedaan.51.
80.
In dit verband zou, ten minste uit theoretisch oogpunt, kunnen worden aangenomen dat een bepaling als artikel 7, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 97/67, voor zover zij een verbod bevat om exclusieve of bijzondere rechten te verlenen of te handhaven, lijkt te voldoen aan de vereisten van nauwkeurigheid en onvoorwaardelijkheid. Dat verbod behoeft op zich geen verdere uitwerking door bijvoorbeeld de nationale wetgever.
81.
Gelet daarop en krachtens vaste rechtspraak52. zou de verwijzende rechter als orgaan van een lidstaat verplicht zijn om de door de Unieregels aan particulieren toegekende rechten te beschermen door de met richtlijn 97/67 strijdige nationale bepaling buiten toepassing te laten.
82.
De gedeeltelijke niet-toepassing van artikel 165, lid 2, kpc zou ertoe leiden dat gewone zendingen van processtukken die aan Poczta Polska worden toevertrouwd, dezelfde behandeling genieten wat de berekening van de termijnen betreft als die van de andere aanbieders. Door een dergelijke niet-toepassing van de litigieuze nationale regel wordt de door de verwijzende rechter genoemde gelijkheid tussen de aanbieders van postdiensten hersteld.
C. Derde prejudiciële vraag: het aanvoeren van de niet-overeenstemming van de nationale regel met richtlijn 97/67 door een staatsorgaan jegens een particulier
1. Opmerkingen van partijen
83.
De Poolse regering heeft evenmin opmerkingen gemaakt over deze vraag.
84.
De Commissie herinnert eraan dat rechterlijke instanties verplicht zijn tot conforme uitlegging. Zij moeten het gehele nationale recht in beschouwing nemen en dit zoveel mogelijk in het licht van de bewoordingen en van de doelstelling van de richtlijn uitleggen om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het daarmee beoogde doel, wat in voorkomend geval de verplichting inhoudt hun rechtspraak te wijzigen.53.
85.
Een dergelijke verplichting wordt begrensd door de algemene rechtsbeginselen en kan niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem54., noch om een particulier lasten op te leggen55. of hem rechten te ontnemen56.. Het staat aan de verwijzende rechter na te gaan of artikel 165, lid 2, kpc aldus moet worden opgevat dat het de gelijkheid van kansen van de aanbieders van postdiensten waarborgt.
86.
Gelet op de ernstige twijfels die de verwijzende rechter heeft geuit, meent de Commissie echter dat op grond van de aangehaalde rechtspraak een overheidsinstantie zich niet kan beroepen op artikel 7, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 97/67 om te ontsnappen aan de ongunstige gevolgen van de toepassing van een procedureregel, wanneer de andere procespartij een particulier is. Dat zou neerkomen op schending van het beginsel nemo auditur propriam turpitudinem allegans, aangezien die instantie, als emanatie van de staat, voordeel zou halen uit de onjuiste omzetting.
87.
Ten slotte wijst de Commissie op de mogelijkheid zowel om artikel 49 VWEU en artikel 106, lid 1, VWEU rechtstreeks toe te passen, indien de werkingssfeer van richtlijn 97/67 beperkter zou zijn dan die van de bepalingen van het primaire recht waaraan zij uitvoering geeft57., als om de incidentele gevolgen voor de particulier te aanvaarden, wat echter zou leiden tot een herziening van de rechtspraak over het gebrek aan omgekeerde verticale rechtstreekse werking.58.
2. Juridische beoordeling
88.
De (eventuele) rechtstreekse werking van artikel 7, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 97/67 wordt in casu niet aangevoerd door een particulier die zich jegens de staat wil beroepen op de door deze richtlijn toegekende rechten. Veeleer is het tegendeel het geval, zoals in de derde prejudiciële vraag wordt uiteengezet.
89.
Gelet op de inhoud van dat artikel kan het daarin opgenomen verbod hoogstens worden aangevoerd door andere aanbieders van postdiensten die concurrenten zijn van Poczta Polska. Daarentegen bevat het mijns inziens geen formulering waaruit kan worden afgeleid dat het een recht erkent dat voor de rechterlijke instanties rechtstreeks kan worden aangevoerd door gebruikers van postdiensten.
90.
Maar zelfs indien dat niet het geval zou zijn, is diegene die zich tracht te beroepen op de onverenigbaarheid van de met richtlijn 97/67 strijdige regel van nationaal procesrecht geen particulier die een vordering instelt tegen de staat, maar een overheidsinstantie (de KRUS), die door de verwijzende rechter wordt aangemerkt als ‘emanatie van een lidstaat’. Juist die overheidsinstantie, die het cassatieberoep heeft ingesteld, zou in voorkomend geval voordeel halen uit een tekortkoming in de regelgeving die aan de staat zelf kan worden aangerekend.
91.
In dat verband kan een instantie die duidelijk een overheidsorgaan is, niet vorderen dat een nationale rechterlijke instantie haar een gunstige (en in dezelfde mate voor een particulier ongunstige) rechtspositie toekent die voortvloeit uit de onverenigbaarheid van de nationale wettelijke regeling, die door deze rechterlijke instantie buiten toepassing zou moeten worden gelaten, met de bepalingen van een richtlijn.
V. Conclusie
92.
Gelet op een en ander geeft ik het Hof in overweging de vragen van de Sąd Najwyższy als volgt te beantwoorden:
- ‘1)
Artikel 7, lid 1, eerste volzin, juncto artikel 8 van richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst, dient in die zin te worden uitgelegd dat:
- —
een lidstaat de zendingen in de loop van gerechtelijke procedures aldus mag organiseren dat enkel de afgifte van aangetekende zendingen op de kantoren van de aanbieder die is aangewezen om de universele dienst te leveren, wordt gelijkgesteld met de indiening ervan bij de rechterlijke instanties.
- —
het zich verzet tegen een regel van nationaal recht die als datum van geldige indiening van via gewone zending verzonden processtukken de dag van de afgifte ervan op een postkantoor van de aanbieder van de universele dienst erkent, met uitsluiting van de andere aanbieders van postdiensten.
- 2)
Een overheidsinstantie die wordt aangemerkt als ‘emanatie van de staat’ kan niet vorderen dat een nationale rechterlijke instantie haar ten nadele van een particulier een gunstige rechtspositie toekent die voortvloeit uit de onverenigbaarheid van een nationale bepaling, die door deze rechterlijke instantie buiten toepassing zou moeten worden gelaten, met de bepalingen van een richtlijn.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑11‑2018
Oorspronkelijke taal: Spaans.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PB 1998, L 15, blz. 14). Zij is gewijzigd bij richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 (PB 2008, L 52, blz. 3).
PB 2004, L 134, blz. 114.
Richtlijn van de Commissievan 16 november 2006 betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven en de financiële doorzichtigheid binnen bepaalde ondernemingen (PB 2006, L 318, blz. 17).
Dz.U. nr. 43, volgnr. 296, zoals gewijzigd (Dz.U. 2016, volgnr. 1822) (hierna: ‘kpc’). Volgens de verwijzingsbeslissing is de huidige versie van artikel 165, lid 2, kpc overeenkomstig artikel 1, punt 1, van de ustawa z dnia 13 czerwca 2013 r. o zmianie ustawy — Kodeks postępowania cywilnego [wet van 13 juni 2013 tot wijziging van de wet — wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Dz.U. 2013., volgnr. 880)] van kracht sinds 17 augustus 2013. De verwijzing in deze bepaling naar de ‘aangewezen aanbieder’ werd op 1 januari 2013 ingevoerd overeenkomstig de ustawa z dnia 23 listopada 2012 r. — Prawo pocztowe (postwet van 23 november 2012; Dz.U. 2012, volgnr. 1529; hierna: ‘postwet’).
Volgens de verwijzingsbeslissing stemt de rechtspraak van de Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen) over artikel 83, lid 3, van de ustawa z dnia 30 sierpnia 2002 r. — Prawo o postępowaniu przed sądami administracyjnymi; jednolity tekst (wet van 30 augustus 2002 — wetboek van bestuursprocesrecht, geconsolideerde versie, Dz.U. 2016, volgnr. 718, zoals gewijzigd), met een soortgelijke inhoud als artikel 165, lid 2, kpc, overeen met de heersende civiele rechtspraak. Als voorbeeld wordt de beslissing van 19 oktober 2015 (I OPS 1/15) aangehaald, die niettemin een afwijkende opvatting bevatte die pleitte voor het in aanmerking nemen van het Unierecht.
In de beslissingen van 23 oktober 2015 (V CZ 40/15), 17 maart 2016 (V CZ 7/16) en 6 juli 2016 (II PZ 14/16) is geoordeeld dat de nationale bepaling in strijd was met artikel 7, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 97/67, aangezien zij een bevoordeling handhaaft die de aangewezen aanbieder verzekert van extra inkomsten. In een andere beslissing, van 16 november 2016 (III PZP 5/16), is opgemerkt dat er ernstige twijfel bestond over de verenigbaarheid van die bepaling met het Unierecht en werd erop gewezen dat wetgevend optreden geboden was.
Punten 10 en 11 van haar schriftelijke opmerkingen.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (‘de betekening en de kennisgeving van stukken’), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (PB 2007, L 324, blz. 79).
Punten 16-18 van haar schriftelijke opmerkingen.
Arrest van 12 december 2013 (C-327/12, EU:C:2013:827).
Besluit C(2015) 8236 van de Commissie van 26 november 2015: Staatssteunregeling SA.38869 (2014/N) — Polen ‘Aan Poczta Polska toegekende compensatie voor de nettokosten van de in de jaren 2013–2015 aangegane universeledienstverplichting’ (hierna: ‘besluit van 2015’), met name punten 53 en 72. Tegen het besluit van 2015 is thans beroep ingesteld bij het Gerecht (zaken T-282/16 en T-283/16).
Zij vermeldt het arrest van 12 december 2013, SOA Nazionale Costruttori (C-327/12, EU:C:2013:827, punt 42), en de conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón in die zaak (EU:C:2013:530, punten 32 en 33), en de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Ambulanz Glöckner (C-475/99 P, EU/C/2001:284, punt 86).
Zij verwijst naar het arrest van 16 november 2016, DHL Express (Austria) (C-2/15, EU:C:2016:880, punt 20), en de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in die zaak (EU:C:2016:168, punt 42).
De verwijzende rechter vraagt niet of de nationale regel onder de categorie van de exclusieve rechten kan vallen.
Mededeling van de Commissie over de toepassing van de mededingingsregels op de postsector en over de beoordeling van bepaalde overheidsmaatregelen met betrekking tot postdiensten (98/C 39/02) (PB 1998, C 39, blz. 2; hierna: ‘mededeling over de postdiensten’).
Punt 3 van het besluit van 2015.
Te weten: in artikel 1, punt 6, onder b), van richtlijn 2002/77/EG van de Commissie van 16 september 2002 betreffende de mededinging op de markten voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (PB 2002, L 249, blz. 21); artikel 1, punt 4, van richtlijn 2008/63/EG van de Commissie van 20 juni 2008 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur (PB 2008, L 162, blz. 20), en artikel 4, lid 3, van richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van richtlijn 2004/17/EG (PB 2014, L 94, blz. 243).
Dat wordt door de Poolse regering bevestigd in haar antwoord op het verzoek van het Hof tot verstrekking van informatie: ‘overeenkomstig artikel 17 van de [postwet] heeft het door een postkantoor van de aangewezen aanbieder uitgereikt bewijs van de afgifte van een aangetekende zending […], de waarde van officieel document’.
Zie punt 53 van het besluit van 2015: ‘Granting official power only to confirmations issued by the USP is not only intended to guarantee certainty of postal operations in terms of registered letters, but also means that a delivery made within a legally prescribed time limit may affect the recipient's legal situation. The indirect benefits on account of the official power of postal stamp become apparent when the sender of a registered item chooses the services of PP because of this aspect, while (s)he would choose another operator if all operators had this right. The benefit is estimated on the basis of market research for individual and institutional clients […]’.
Het besluit van 2015 (punt 72) raamde die inkomsten op x miljoen euro, waarbij het cijfer in de gepubliceerde versie om redenen van vertrouwelijkheid is weggelaten.
Ik laat het aspect ‘binnen hetzelfde geografische gebied’ buiten beschouwing, dat hier niet relevant is aangezien het voordeel betrekking heeft op het volledige nationale grondgebied.
Richtlijn 2014/25.
Voor zover zij voldoen aan de vereisten van artikel 71, leden 2 en 3, van de postwet.
Volgens het schriftelijke antwoord van de Poolse regering is dit bepaald in artikel 3, lid 1, onder f), van de rozporządzenie Ministra Administracji i Cyfryzacji z dnia 25 listopada 2013 r. w sprawie konkursu na operatora pocztowego wyznaczonego do świadczenia usług powszechnych (verordening van de minister van Bestuurszaken en Digitalisering van 25 november 2013 inzake de aanbesteding voor de selectie van de aanbieder van postdiensten die wordt aangewezen om de universele dienst te leveren (Dz.U. 2013, volgnr. 1466; MAiC-verordening).
Cursivering van mij.
De formulering ervan is bijna identiek in andere officiële talen: ‘ne portent pas atteinte au droit des États membres’ in het Frans; ‘shall be without prejudice to Member States’ right to' in het Engels; ‘lasciano impregiudicato il diritto degli Stati membri’ in het Italiaans; ‘Artikel 7 berührt nicht das Recht der Mitgliedstaaten’ in het Duits, en ‘O artigo 7.o não prejudica o direito de os Estados-membros’ in het Portugees.
Bijvoorbeeld arrest van 3 september 2014, Deckmyn en Vrijheidsfonds (C-201/13, EU:C:2014:2132, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie de artikelen 8 en 9 — voorlopers van de huidige artikelen 7 en 8 — van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de postdiensten in de Gemeenschap en voor de verbetering van de kwaliteit van de dienst [COM(95) 227 def.; PB 1995, C 322, blz. 22], blz. 27 en 28.
Overweging 15 van het voorstel voor een richtlijn.
Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de postdiensten in de Gemeenschap en voor de verbetering van de kwaliteit van de dienst [COM(95) 227 def., blz. 28 (destijds artikel 9)].
Wetgevingsresolutie houdende advies van het Europees Parlement inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de postdiensten in de Gemeenschap en voor de verbetering van de kwaliteit van de dienst [COM(95) 227] (PB 1996, C 152, blz. 20).
Wijziging van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de gemeenschappelijke binnenmarkt van postdiensten en voor de verbetering van de kwaliteit van de dienst [COM(96) 412 def.] (PB 1996, C 300, blz. 4).
Gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 25/97, door de Raad vastgesteld op 29 april 1997 met het oog op de aanneming van richtlijn 97/-/EG van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PB 1997, C 188, blz. 9), blz. 23.
Zie overweging 11 van richtlijn 2008/6.
Zoals advocaat-generaal Mengozzi terecht opmerkt in zijn conclusie in de zaak DHL Express (Austria) (C-2/15, EU:C:2016:168, punt 42).
Mededeling over de postdiensten, punt 5.2.
Volgens de overwegingen 11 tot en met 13 van richtlijn 2008/6.
Arrest van 8 november 2012, Evropaïki Dynamiki/Commissie (C-469/11 P, EU:C:2012:705, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hoewel het betrekking heeft op termijnen in het kader van de beroepsprocedures van het Unierecht, kan deze redenering mijns inziens worden toegepast op de nationale rechtsstelsels, waarvan de nationale tradities in dat verband ongetwijfeld als inspiratiebron hebben gediend.
Gewone postzendingen bieden niet dezelfde waarborgen (onder meer de waarborg met betrekking tot de datum waarop zij bij de aanbieder zijn afgegeven) als aangetekende zendingen, waarvan de bewijzen van afgifte de waarde hebben van officieel document. Zij kunnen dus niet voldoen aan de vereisten van openbare orde met betrekking tot gerechtelijke procedures.
Ter terechtzitting heeft de Poolse regering bevestigd dat die aanbieders ook aangetekende zendingen mogen verzenden, maar zonder het voordeel van artikel 165, lid 2, kpc te genieten.
Artikel 4, lid 2, van richtlijn 97/67, in de door richtlijn 2008/6 gewijzigde versie.
Arrest van 9 maart 1978, Simmenthal (106/77, EU:C:1978:49, punt 16).
Zie arrest van 10 april 2008, Marks & Spencer (C-309/06, EU:C:2008:211, punt 61).
Zij verwijst naar de arresten van 10 december 1991, Merci convenzionali Porto di Genova (C-179/90, EU:C:1991:464, punt 23), en 19 mei 1993, Corbeau (C-320/91, EU:C:1993:198, punten 16–19).
Die uitbreiding steunt volgens de verwijzende rechter op ‘beginselen die overeenkomen met de beginselen uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 juni 2007 in de gevoegde zaken C-231/06 tot en met C-233/06, Jonkman (EU:C:2007:373)’, dit wil zeggen beginselen betreffende het verbod van discriminatie.
In de punten 31–33 van de verwijzingsbeslissing legt de verwijzende rechter uit hoe het volgens de heersende rechtspraak niet mogelijk is ‘dat artikel uit te leggen in overeenstemming met het Unierecht’.
De Poolse regering heeft in haar antwoord op de vragen van het Hof verklaard dat de postwet (artikel 17) de ‘waarde van officieel document’ alleen toekent aan het bewijs van afgifte van aangetekende zendingen die door de aangewezen aanbieder worden verzonden en dat ‘het gebruik van aangetekende zendingen de gebruikelijke en gangbare wijze van verzending van processtukken via de aangewezen aanbieder is. Die vorm waarborgt (anders dan gewone zendingen) dat kan worden aangetoond dat de afzender de procestermijnen heeft nageleefd’.
Zie arrest van 27 juni 2018, Diallo (C-246/17, EU:C:2018:499, punten 58 en 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 6 september 2012, Philips Electronics UK (C-18/11, EU:C:2012:532, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 15 januari 2014, Association de médiation sociale (C-176/12, EU:C:2014:2, punt 31).
Arrest van 6 september 2012, Philips Electronics UK (C-18/11, EU:C:2012:532, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zij verwijst naar de arresten van 13 november 1990, Marleasing (C-106/89, EU:C:1990:395, punt 8); 15 januari 2014, Association de médiation sociale (C-176/12, EU:C:2014:2, punt 38), en 19 april 2016, DI (C-441/14, EU:C:2016:278, punt 33).
Zie arresten van 15 januari 2014, Association de médiation sociale (C-176/12, EU:C:2014:2, punt 39), en 19 april 2016, DI (C-441/14, EU:C:2016:278, punt 32).
Arrest van 26 september 1996, Arcaro (C-168/95, EU:C:1996:363, punt 42).
Arrest van 15 januari 2014, Association de médiation sociale (C-176/12, EU:C:2014:2, punt 36).
Overeenkomstig overweging 41 van richtlijn 97/67, welke richtlijn van toepassing is onverminderd de regels van het Verdrag.
Zij verwijst onder meer naar het arrest van 26 september 2000, Unilever (C-443/98; EU:C:2000:496, punt 51).