Hof Arnhem-Leeuwarden, 08-12-2020, nr. 200.279.870/01
ECLI:NL:GHARL:2020:10373
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
08-12-2020
- Zaaknummer
200.279.870/01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2020:10373, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 08‑12‑2020; (Hoger beroep, Tussenbeschikking)
Uitspraak 08‑12‑2020
Inhoudsindicatie
Zaak wordt door Hof naar de zitting verwezen omdat tot nu toe verzuimd is de bewindvoerder van de man als formele procespartij te betrekken bij een geschil over de kinderalimentatie.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.279.870/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 498404)
beschikking van 8 december 2020
in de zaak van
[verzoekster] ,
wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. P. Bosma te Almere,
en
[de bewindvoerder] ,
gevestigd te [B] ,
verder te noemen: de bewindvoerder,
in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van:
[de man] ,
wonende te [B] ,
verder te noemen: de man,
advocaat voorheen: mr. R.M. Bissumbhar te Barneveld,
thans geen advocaat gesteld.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (verder ook te noemen: de rechtbank), van15 april 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).
2. De procedure in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 16 juni 2020;
- een faxbericht van mr. Bissumbhar van 7 juli 2020;
- een journaalbericht van mr. Bissumbhar van 28 augustus 2020, waarin zij zich onttrekt als advocaat van de man.
2.2
De hierna te noemen minderjarige [de minderjarige] heeft bij brief van 24 september 2020 zijn mening over het verzoek in hoger beroep aan het hof kenbaar gemaakt.
3. De feiten
3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in]2004 (verder te noemen: [de minderjarige] ).
3.2
Bij beschikking van de (toenmalige) rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 november 2005 is bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2005 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met een bedrag van € 350,- per maand. Geïndexeerd naar 2019 bedraagt deze bijdrage (afgerond) € 442,- per maand.
3.3
Bij beschikking van 12 januari 2018 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, voor zover hier van belang, de goederen die (zullen) toebehoren aan de man onder bewind gesteld wegens zijn geestelijke of lichamelijke toestand, tot bewindvoerder benoemd [de bewindvoerder] , en bepaald dat deze uitspraak wordt ingeschreven in het centraal curatele- en bewindregister.
3.4
De man heeft de rechtbank op 26 februari 2020 verzocht zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te wijzigen en deze met ingang van 1 oktober 2019 te bepalen op € 49,- per maand. De vrouw heeft geen verweer gevoerd.
3.5
Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaard - bestreden beschikking van 15 april 2020 heeft de rechtbank het verzoek van de man toegewezen en de bij beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 november 2005 aan de man opgelegde kinderbijdrage gewijzigd en deze met ingang van 1 oktober 2019 bepaald op € 49,- per maand.
4. De omvang van het geschil
De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief heeft betrekking op de ontvankelijkheid van het inleidend verzoek en de tweede grief heeft betrekking op de hoogte van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 1 oktober 2019 vast te stellen op€ 297,- per maand , althans vast te stellen op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum die het hof juist acht.
5. De motivering van de beslissing
5.1
Bij brieven van 15 september 2020 heeft het hof de vrouw en de man bericht dat deze zaak zonder mondelinge behandeling zal worden afgedaan, op basis van de stukken in het dossier, tenzij het hof alsnog aanleiding zal zien om een mondelinge behandeling te bepalen. Het hof heeft de vrouw en de man in persoon in de gelegenheid gesteld om, indien zij toch een mondelinge behandeling wensen, dat uiterlijk 29 september 2020 aan het hof te berichten. Het hof heeft noch van de vrouw, noch van de man bericht ontvangen.
5.2
Het hof ziet aanleiding om terug te komen op het voornemen om deze zaak af te doen op basis van de stukken in het dossier.
5.3
Het hof constateert dat de man in eerste aanleg, als ook de rechtbank en vervolgens nu ook de vrouw in hoger beroep heeft nagelaten de bewindvoerder van de man in de procedure te betrekken. Tijdens het bewind komen het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen immers niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder, met inachtneming van de in de wet vermelde voorwaarden (artikel 1:438 leden 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte (artikel 1:441 lid 1 BW). De bewindvoerder treedt in een geding over een onder bewind gesteld goed dan ook op als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende (zie ook de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525 en de conclusie van de advocaat-generaal van 3 januari 2014 ECLI:NL:PHR:2014:105).
5.4
Ook door het hof is in eerste instantie miskend dat de bewindvoerder van de man als formele procespartij in de procedure had moeten worden betrokken (de brief met het voornemen tot schriftelijke afdoening is aan de man zelf verstuurd). Het hof ziet aanleiding om nu alsnog ambtshalve de bewindvoerder als formele procespartij in de procedure te betrekken. Het hof zal de griffier opdragen de bewindvoerder de processtukken toe te zenden en aan de bewindvoerder zal in het dictum van deze beschikking een verweertermijn worden verleend.
5.5
Het hof zal een mondelinge behandeling bepalen op dinsdag 26 januari 2021 om9.00 uur en daarvoor in het dictum van deze beschikking oproepen de vrouw en haar advocaat, de bewindvoerder en de man. Het hof tekent hierbij aan dat de mondelinge behandeling niet openbaar is en verzoekt een ieder zich tijdig te melden bij de informatiebalie in de centrale hal. De mondelinge behandeling dient vooral voor vragen aan de partijen zelf. In verband met de landelijke coronamaatregelen geldt dat indien sprake is van coronagerelateerde klachten, de mogelijkheid bestaat om op de zitting een skype/telehoren verbinding tot stand te brengen. Een verzoek daartoe dient zo spoedig mogelijk vóór de zitting schriftelijk aan het hof te worden gedaan (gericht aan de administratie, afdeling familie), voorzien van het daarvoor benodigde e-mailadres en een (mobiel) telefoonnummer. Ten behoeve van een goede procesvoering zullen daartoe de persoonsgegevens worden verwerkt in een registratiesysteem van het hof.
5.6
Zoals hiervoor overwogen is de bewindvoerder van de man de formele procespartij. Het staat de bewindvoerder uiteraard vrij de man te machtigen haar te vertegenwoordigen en om ter zitting zelf het woord te voeren. In dat geval verzoekt het hof de bewindvoerder daarvoor een machtiging te verlenen aan de man en deze aan het hof te doen toekomen.
5.7
Het hof vraagt partijen zich op de mondelinge behandeling tevens inhoudelijk uit te laten over de eerste grief van de vrouw over de ontvankelijkheid van de man in het inleidend verzoek.
5.8
Het hof is hierover voorshands (vooralsnog) van oordeel dat de man ontvankelijk is in zijn inleidend verzoek. Weliswaar is het verzoek niet ingediend door zijn bewindvoerder, maar de voormalige advocaat van de man heeft in zijn faxbericht aan het hof van 7 juli 2020 naar voren gebracht dat de man voor het indienen van het inleidend verzoek toestemming had van zijn bewindvoerder. Hoewel de bewindvoerder niet als formele procespartij in de bestreden beschikking staat vermeld, is het hof van oordeel dat de positie van de bewindvoerder in eerste aanleg wel voldoende was gewaarborgd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de strekking van hetgeen de Hoge Raad in voormelde prejudiciële beslissing heeft overwogen is dat het erom gaat dat de bewindvoerder de kans krijgt zich inhoudelijk te bemoeien met de zaken die het bewind aangaan. Dit laatste heeft naar het voorlopig oordeel van het hof voldoende kunnen plaatsvinden.
5.9
Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verstaat dat als formele procespartij (verweerder) in deze procedure wordt aangemerkt [de bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van de man;
draagt de griffier op om de processtukken zoals vermeld onder 2.1 alsnog te doen toekomen aan de bewindvoerder van de man;
verleent aan de bewindvoerder van de man een verweertermijn tot uiterlijk 5 januari 2021;
bepaalt een mondelinge behandeling op dinsdag 26 januari 2021 om 9.00 uur in het Paleis van Justitie, Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en roept hiervoor bij deze op de vrouw en haar advocaat, de man en de bewindvoerder van de man;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, M.P. den Hollander en C. Koopman, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 8 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.