Aanvankelijk was in het arrest als datum 26 maart 2020 als uitspraakdatum vermeld. Dit is bij herstelarrest van 14 mei 2020 rechtgezet.
HR, 06-04-2021, nr. 20/01218
ECLI:NL:HR:2021:400
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-04-2021
- Zaaknummer
20/01218
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:400, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑04‑2021; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:142
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2020:1406
ECLI:NL:PHR:2021:142, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑02‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:400
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑08‑2020
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2021-0085 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NJB 2021/1242
JIN 2021/69 met annotatie van Oort, C. van
RvdW 2021/457
NJ 2021/155
Uitspraak 06‑04‑2021
Inhoudsindicatie
Vordering tot tenuitvoerlegging. Rijden onder invloed, art. 8.2.a WVW 1994. Kon hof tul van eerder voorwaardelijk opgelegde straf gelasten, nu hof verdachte heeft vrijgesproken van tlgd. feit waarop vordering tul is gegrond (zaaksbeschadiging)? Art. 14g.1.1 (oud) en 14i.6 (oud) Sr, met ingang van 1-1-2020: art. 6:6:4.6, 6:6:21.1.a en 6:6:21.3 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2001:AB0609, inhoudende dat rechter andere beslissing op vordering tul kan geven dan die waartoe vordering strekt en dat rechterlijke beoordelingsvrijheid haar begrenzing vindt in grondslag van vordering. Evenals (thans vervallen) art. 14i.6 (oud) Sr maakt huidig art. 6:6:4.6 Sv het mogelijk dat OM wijziging brengt in vordering tul. Gelet hierop en nu wetsgeschiedenis van art. 6:6:4 en 6:6:21 Sv geen aanwijzing bevat dat wetgever heeft beoogd in zoverre inhoudelijk wijziging te brengen in hiervoor weergegeven rechtspraak, heeft ook t.a.v. huidig art. 6:6:21 Sv te gelden dat rechterlijke beoordelingsvrijheid op vordering tul haar begrenzing vindt in grondslag van vordering. Gelet hierop getuigt ’s hofs oordeel dat tul kon worden bevolen op de grond dat verdachte het in zaak B bewezenverklaarde feit (rijden onder invloed) heeft begaan van onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat hof heeft vastgesteld dat OM uitsluitend begaan van feit A (zaaksbeschadiging) aan vordering ten grondslag heeft gelegd. Volgt partiële vernietiging (t.a.v. beslissing op vordering tul) en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/01218
Datum 6 april 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 maart 2020, nummer 20-000766-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.H.S. Brinkman, advocaat te Heerlen, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 03-152544-16, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf heeft gelast, nu het hof de verdachte heeft vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 03-246369-17 tenlastegelegde feit waarop de vordering tot tenuitvoerlegging was gegrond.
2.2.1
De inhoud van de aan de Hoge Raad toegezonden stukken is voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.
2.2.2
Uit die stukken volgt - kort gezegd - dat het openbaar ministerie aan de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ten grondslag heeft gelegd dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan het feit dat is tenlastegelegd in de zaak met parketnummer 03-246369-17 (zaak A), te weten zaaksbeschadiging. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van dat feit, en hem veroordeeld voor een feit dat in eerste aanleg bij zaak A is gevoegd, te weten overtreding van artikel 8 lid 2, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (tenlastegelegd in de zaak met parketnummer 03-139796-17; zaak B).
2.2.3
De uitspraak van het hof houdt met betrekking tot de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging het volgende in:
“De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke taakstraf voor duur van 16 uren, subsidiair 8 dagen hechtenis, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Limburg van 24 februari 2017 onder parketnummer 03-152544-16. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde taakstraf dient te worden gelast.”
2.3.1
Tot 1 januari 2020 luidden de artikelen 14g en 14i van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), voor zover hier van belang, als volgt:
- artikel 14g lid 1, aanhef en onder 1°, Sr:
“Indien enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd kan de rechter na ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie (...),
1°. gelasten dat de niet ten uitvoer gelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.”
- artikel 14i lid 6 Sr:
“Gedurende het onderzoek kan het openbaar ministerie zijn ingediende vordering of conclusie en de veroordeelde zijn verzoek wijzigen.”
2.3.2
Als gevolg van de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82) met ingang van 1 januari 2020, zijn de onder 2.3.1 weergegeven bepalingen komen te vervallen. De relevante huidige wettelijke bepalingen luiden als volgt:
- artikel 6:6:4 lid 6 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“Het openbaar ministerie en de veroordeelde zijn bevoegd gedurende het onderzoek wijziging te brengen in de vordering of de conclusie, onderscheidenlijk het verzoek.”
- artikel 6:6:21 lid 1, aanhef en onder a, en lid 3 Sv:
“1. De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van:
a. de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden;
(...)
3. Een vordering als bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend indien het openbaar ministerie oordeelt dat de veroordeelde een gestelde voorwaarde of opgelegde maatregel niet naleeft of niet heeft nageleefd, en er niet met een waarschuwing kan worden volstaan.”
2.4.1
In HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0609 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen met betrekking tot de uitleg van artikel 14g lid 1 (oud) Sr:
“Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever met de woorden “na ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie” in de aanhef van het eerste lid van art. 14g Sr tot uitdrukking willen brengen dat de rechter een andere beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling kan geven dan die waartoe de vordering strekt. Nu in het zesde lid van art. 14i Sr is bepaald dat de ingediende vordering door het openbaar ministerie kan worden gewijzigd, moet als bedoeling van de wetgever worden aangenomen dat de hiervoor bedoelde rechterlijke beoordelingsvrijheid haar begrenzing vindt in de grondslag van de vordering.
Opmerking verdient dat noch art. 14i, zesde lid, Sr noch enige andere rechtsregel eraan in de weg staat dat die wijziging plaatsvindt gedurende het onderzoek in hoger beroep, terwijl deze, in aanmerking genomen dat art. 313 Sv hier niet van toepassing is verklaard, niet in schriftelijke vorm behoeft te worden gedaan.”
2.4.2
Evenals het - thans vervallen - artikel 14i lid 6 (oud) Sr, maakt het huidige artikel 6:6:4 lid 6 Sv het mogelijk dat het openbaar ministerie wijziging brengt in de vordering tot tenuitvoerlegging. Gelet hierop, en nu de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 6:6:4 Sv en 6:6:21 Sv geen aanwijzing bevat dat de wetgever heeft beoogd in zoverre inhoudelijk wijziging te brengen in de onder 2.4.1 weergegeven rechtspraak, heeft ook ten aanzien van het huidige artikel 6:6:21 Sv te gelden dat de rechterlijke beoordelingsvrijheid op de vordering tot tenuitvoerlegging haar begrenzing vindt in de grondslag van de vordering.
2.4.3
Gelet hierop getuigt het oordeel van het hof dat de tenuitvoerlegging kon worden bevolen op de grond dat de verdachte het in zaak B bewezenverklaarde feit heeft begaan van een onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat het openbaar ministerie uitsluitend het begaan van feit A aan de vordering ten grondslag heeft gelegd.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 24 februari 2017 (parketnummer 03-152544-16) opgelegde voorwaardelijke straf;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 april 2021.
Conclusie 16‑02‑2021
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Grondslag vordering tul voorwaardelijk opgelegde straf. Nu de verdachte door het hof is vrijgesproken van het tenlastegelegde in zaak A, waar de vordering betrekking op had, kon het hof de vordering niet toewijzen. De AG adviseert de HR de bestreden uitspraak te vernietigen, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, en de zaak terug te wijzen.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/01218
Zitting 16 februari 2021 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 27 maart 2020 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch vrijgesproken van de in de zaak met parketnummer 03-246369-17 onder 1 tenlastegelegde zaaksbeschadiging. In de zaak met parketnummer 03-139796-17 is de verdachte wegens ‘overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (555 microgram)’ veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis.1.Daarnaast heeft het hof de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 4 maanden. Het hof heeft voorts de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 16 uren subsidiair 8 dagen hechtenis. Die straf was opgelegd in de zaak met parketnummer 03-152544-16. Tot slot heeft het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken afgewezen. Die straf was opgelegd in een zaak met parketnummer 03-106726-16.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. B.H.S. Brinkman, advocaat te Heerlen, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing te geven op een gevoerd verweer ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de taakstraf van 16 uren die bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 24 februari 2017 onder parketnummer 03/152544-16 voorwaardelijk was opgelegd. In de toelichting wordt aangevoerd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 03/152544-16 in eerste aanleg en hoger beroep is ‘gekoppeld aan parketnummer 03/246369-17’. Nu het hof de verdachte heeft vrijgesproken van het feit dat onder parketnummer 03/246369-17 was tenlastegelegd, mocht het hof niet meer toekomen aan de beoordeling van de betreffende vordering tenuitvoerlegging. Het hof had het Openbaar Ministerie om die reden niet-ontvankelijk dienen te verklaren inzake de vordering tenuitvoerlegging, dan wel de vordering dienen af te wijzen.
4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) In eerste aanleg is aan de verdachte in de zaak met parketnummer 03-246369-17 een vernieling tenlastegelegd (hierna: zaak A);
(ii) In de zaak met parketnummer 03-139796-17 is aan de verdachte tenlastegelegd 1. rijden onder invloed en 2. het achteruit rijden zonder een personenauto voor te laten gaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht (hierna: zaak B);
(iii) Tevens heeft de officier van justitie een vordering na voorwaardelijke veroordeling gedaan in de zaak met parketnummer 03-152544-16. Daarin is vermeld:
‘Overwegende, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierboven genoemde proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een of meer strafbare feiten, zoals tenlastegelegd in de dagvaarding met parketnummer 03-246369-17.’2.;
(iv) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 21 februari 2018 blijkt dat de politierechter in het belang van het onderzoek de voeging heeft bevolen van de zaken A en B. Uit dat proces-verbaal blijkt niet dat de officier van justitie de grondslag van de vordering heeft uitgebreid tot de in zaak B tenlastegelegde feiten;
(v) De politierechter heeft de verdachte veroordeeld wegens de hem in zaak A onder 1 en zaak B onder 1 tenlastegelegde feiten en de tenuitvoerlegging gelast van de in de zaak met parketnummer 03-152544-16 voorwaardelijk opgelegde straf. Daarbij heeft de rechter overwogen, voor zover van belang:
‘Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.’;
(vi) De verdachte heeft vervolgens op 2 maart 2018 (onbeperkt) hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis;
(vii) Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 maart 2020 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het beroepen vonnis bevestigt. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de advocaat-generaal de grondslag van zijn vordering tot tenuitvoerlegging heeft uitgebreid tot het in zaak B onder 1 tenlastegelegde feit;
(viii) Blijkens het proces-verbaal van de betreffende terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een door hem overgelegde pleitnota. Deze houdt, voor zover voor beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
‘De verdediging verzoekt U EA College om het vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende verdachte vrij te spreken van de vernieling, de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren en de tul af te wijzen.’;
(ix) Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de in zaak A onder 1 tenlastegelegde zaaksbeschadiging en de verdachte veroordeeld wegens het in zaak B onder 1 tenlastegelegde. Het hof heeft de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 03-152544-16 toegewezen en daarbij het volgende overwogen:
‘De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke taakstraf voor duur van 16 uren, subsidiair 8 dagen hechtenis, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Limburg van 24 februari 2017 onder parketnummer 03-152544-16. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde taakstraf dient te worden gelast.’
5. Voor 1 januari 2020 waren bij de beoordeling van een vordering tot tenuitvoerlegging als de onderhavige de volgende wettelijke bepalingen van belang:
Art. 14a, eerste lid, Sr:
‘In geval van veroordeling tot gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, tot taakstraf of tot geldboete, kan de rechter bepalen dat de straf of een gedeelte daarvan niet zal worden tenuitvoergelegd.’
Art. 14c, eerste lid, Sr:
‘Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.’
Art. 14g, eerste lid, Sr:
‘Indien enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd kan de rechter, na ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie en onverminderd het bepaalde in artikel 14f,
1°. gelasten dat de niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd;
2°. al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden gelasten dat een gedeelte van de niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.’
Art. 14i, zesde lid, Sr:
‘Gedurende het onderzoek kan het openbaar ministerie zijn ingediende vordering of conclusie en de veroordeelde zijn verzoek wijzigen.’
6. In HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0609, NJ 2001/353 heeft Uw Raad omtrent art. 14g, eerste lid, Sr (oud) het volgende overwogen:
‘4.3. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever met de woorden "na ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie" in de aanhef van het eerste lid van art. 14g Sr tot uitdrukking willen brengen dat de rechter een andere beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling kan geven dan die waartoe de vordering strekt (vgl. Kamerstukken II 1914-1915, MvA 32.1., blz. 11). Nu in het zesde lid van art. 14i Sr is bepaald dat de ingediende vordering door het openbaar ministerie kan worden gewijzigd, moet als bedoeling van de wetgever worden aangenomen dat de hiervoor bedoelde rechterlijke beoordelingsvrijheid haar begrenzing vindt in de grondslag van de vordering. Opmerking verdient dat noch art. 14i, zesde lid, Sr noch enige andere rechtsregel eraan in de weg staat dat die wijziging plaatsvindt gedurende het onderzoek in hoger beroep, terwijl deze, in aanmerking genomen dat art. 313 Sv hier niet van toepassing is verklaard, niet in schriftelijke vorm behoeft te worden gedaan.’3.
7. In deze zaak hadden rechtbank en hof de zaken met parketnummers 13/067246-99 (zaak A) en 13/077040-99 (zaak B) gevoegd behandeld. De officier van justitie had de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf gevorderd in verband met het tenlastegelegde in zaak A. De advocaat-generaal had in hoger beroep het volgende standpunt ingenomen: ‘Als de grondslag van de vordering tenuitvoerlegging fungeert niet slechts de in eerste aanleg gevoegde zaak A; het gaat erom of de algemene voorwaarden zijn overtreden’. Het hof sprak de verdachte vrij van het tenlastegelegde in zaak A en wees de vordering tot tenuitvoerlegging toe. Uw Raad overwoog dat de advocaat-generaal de grondslag van de vordering tot tenuitvoerlegging had gewijzigd in die zin dat zij ‘mede is komen te berusten op de grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de strafbare feiten die in zaak B zijn tenlastegelegd’. Het hof kon daarvan uitgaand ‘zonder miskenning van enige rechtsregel de vordering tot tenuitvoerlegging toewijzen’.
8. Uit HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3348, NJ 2010/73 kan worden afgeleid dat Uw Raad niet in alle gevallen eist dat de advocaat-generaal de grondslag van de vordering expliciet uitbreidt. In deze zaak hadden rechtbank en hof de zaken met parketnummers 13/421846-06 (zaak A), 13/437106-07 (zaak B) en 15/630115-05 (zaak C) gevoegd behandeld. De vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf had zaak B als grondslag. De rechtbank had de verdachte veroordeeld wegens in de zaken A en C tenlastegelegde feiten en de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen hoewel – zoals de rechtbank expliciet overwoog - de verdachte was vrijgesproken van het tenlastegelegde in zaak B. De advocaat-generaal had in hoger beroep bevestiging gevorderd van het vonnis. Het hof veroordeelde de verdachte voor in de zaken A en C tenlastegelegde feiten en gelastte tevens de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke opgelegde straf. Uw Raad overwoog dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld ‘dat de Advocaat-Generaal bij de behandeling van de zaak in hoger beroep door bevestiging te vorderen van het vonnis van de Rechtbank (waarin de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging was gegrond op de bewezenverklaring in zaak A subsidiair en C onder 1) de grondslag van de vordering tot tenuitvoerlegging aldus heeft gewijzigd dat zij erop is komen te berusten dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de strafbare feiten die in de zaken A en C zijn tenlastegelegd’. Dat oordeel getuigde volgens Uw Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting.4.
9. Met de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen per 1 januari 2020 zijn de artikelen 14g en 14i Sr komen te vervallen.5.De voorschriften die de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf betreffen zijn sindsdien te vinden in het Zesde Boek van het Wetboek van Strafvordering. Hoofdstuk 5 regelt ‘Rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerlegging’. In verband met het middel zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang:
Art. 6:6:21, eerste lid onder a en derde lid, Sv:
‘1. De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van:
a. de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden; (…)
3. Een vordering als bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend indien het openbaar ministerie oordeelt dat de veroordeelde een gestelde voorwaarde of opgelegde maatregel niet naleeft of niet heeft nageleefd, en er niet met een waarschuwing kan worden volstaan.’
Art. 6:6:4, zesde lid, Sv:
‘Het openbaar ministerie en de veroordeelde zijn bevoegd gedurende het onderzoek wijziging te brengen in de vordering of de conclusie, onderscheidenlijk het verzoek.’
10. Bij deze wijziging was niet voorzien in overgangsrecht. Dat brengt mee dat de nieuwe regeling in deze zaak is toegepast.
11. Ook uit de nieuwe regeling volgt dat de rechter slechts op vordering van het openbaar ministerie bevoegd is tot het bevelen van de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf. De formulering van art. 6:6:21, eerste lid onder a en derde lid, Sv is niet geheel gelijkluidend aan die van art. 14g, eerste lid, Sr (oud), uit de wettekst en de memorie van toelichting blijkt evenwel niet dat beoogd is wijziging te brengen in de ‘grondslagfunctie’ van de vordering.6.De formulering van het nieuwe art. 6:6:4, eerste lid, Sv is ook niet geheel gelijkluidend aan art. 14i, zesde lid, Sr (oud) maar ook daar blijkt uit de memorie van toelichting niet dat beoogd is wijziging te brengen in deze grondslagfunctie.7.
12. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Uit het hiervoor onder 4 weergegeven overzicht volgt dat de verdachte in de zaak met parketnummer 03-246369-17 een vernieling is tenlastegelegd (zaak A). In de zaak met parketnummer 03-106726-16 is aan de verdachte tenlastegelegd 1. rijden onder invloed en 2. het achteruit rijden zonder een personenauto voor te laten gaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht (zaak B). Daarnaast heeft de officier van justitie een vordering na voorwaardelijke veroordeling gedaan in de zaak met parketnummer 03-152544-16. De grondslag van deze vordering was de verdenking in zaak A. De politierechter heeft beide zaken gevoegd behandeld. De verdachte is veroordeeld wegens de in zaak A tenlastegelegde vernieling en wegens het in zaak B tenlastegelegde rijden onder invloed. Daarbij is in de zaak met parketnummer 03-152544-16 de gevorderde tenuitvoerlegging gelast. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal bevestiging van het vonnis gevorderd. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de in zaak A tenlastegelegde vernieling en de verdachte veroordeeld wegens het in zaak B onder 1 tenlastegelegde rijden onder invloed. En het hof heeft, net als de politierechter, in de zaak met parketnummer 03-152544-16 de gevorderde tenuitvoerlegging gelast.
13. Nu de verdachte door het hof is vrijgesproken van het tenlastegelegde in zaak A, kon het hof de in de zaak met parketnummer 03-152544-16 gevorderde tenuitvoerlegging evenwel niet toewijzen. Dat zou slechts anders zijn indien het openbaar ministerie de vordering tot tenuitvoerlegging zou hebben gewijzigd, in die zin dat de vordering (mede) zou zijn komen te berusten op het tenlastegelegde in zaak B. Dat kan evenwel noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep worden afgeleid. Ik merk daarbij nog op dat een dergelijke wijziging van de grondslag van de vordering evenmin kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat de advocaat-generaal bevestiging van het vonnis heeft gevorderd, nu de politierechter slechts de tenuitvoerlegging heeft gelast, zich daarbij niet over de grondslag van de vordering heeft uitgelaten (en het tenlastegelegde in zaak A, waar de vordering tot tenuitvoerlegging aan is gekoppeld, had bewezenverklaard).
14. Dat brengt mee dat het middel slaagt. De vraag is of dat tot terugwijzing dient te leiden of dat Uw Raad de zaak zelf kan afdoen. Ik leid uit rechtspraak van Uw Raad af dat bij het slagen van een klacht over de last tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf (in beginsel) slechts deze beslissing wordt vernietigd.8.Vervolgens is regel dat wordt teruggewezen als het hof na terugwijzing een keus heeft.9.Uw Raad doet de zaak zelf af als het hof na terugwijzing geen keus zou hebben.10.In de onderhavige zaak zou de advocaat-generaal na cassatie alsnog de vordering tot tenuitvoerlegging kunnen wijzigen en daaraan tevens het in zaak B tenlastegelegde ten grondslag kunnen leggen; in dat geval zou het hof alsnog de keus hebben de vordering toe te wijzen. Ik begrijp uit rechtspraak van Uw Raad in gevallen waarin in de tenlastelegging een bestanddeel ontbreekt, dat bij de beslissing in cassatie rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat de tenlastelegging na terugwijzing wordt gewijzigd.11.In dat licht meen ik dat terugwijzing in de rede ligt.
15. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 03-152544-16, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑02‑2021
Voor de volledigheid merk ik op dat de officier van justitie ook een vordering na voorwaardelijke veroordeling heeft gedaan in de zaak met parketnummer 03-106726-16 (zoals ook blijkt uit hetgeen hiervoor onder 1 is opgenomen). Omdat de beslissing daarop voor de beoordeling van het middel niet van belang is, laat ik deze vordering verder buiten beschouwing.
In HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1874, NJ 2020/63 m.nt. Kooijmans overwoog Uw Raad dat van de in de geciteerde rechtsoverweging bedoelde ‘wijziging van de grondslag van de vordering’ sprake is ‘indien de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf alsnog komt te berusten op de niet-naleving van een andere voorwaarde dan waarop de ingediende vordering steunt. In het onderhavige geval zou daarvan sprake zijn indien de vordering alsnog zou komen steunen op een ander strafbaar feit waaraan de verdachte zich voor het einde van de proeftijd zou hebben schuldig gemaakt, dan het feit dat in de eerder ingediende vordering is vermeld.’
Zie ook nog HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:677, NJ 2019/196, waarin de grondslag van de vordering tot tenuitvoerlegging in eerste aanleg was uitgebreid.
Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82; zie voor de datum van inwerkingtreding het Besluit van 18 december 2019, Stb. 2019, 504.
Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 99-100.
Vgl. HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4387, NJ 2012/26. Indien Uw Raad een bestreden uitspraak ‘wat betreft de strafoplegging’ vernietigt, is de beslissing omtrent een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf daarin begrepen; vgl. HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, NJ 2014/42, rov. 4.2.
Vgl. HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1129; HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:677; HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3429, NJ 2010/71.
HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:710; HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4445, NJ 2011/93; HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4387, NJ 2012/26; HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6819, NJ 2004/311 m.nt. Mevis. Zie ook HR 5 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0123, NJ 1996/734 m.nt. Knigge, waarin Uw Raad ‘de betekening van de oproeping en de vordering van de Officier van Justitie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf nietig’ verklaarde, en daarover de noot onder 2.
In HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0095, NJ 1996/126 (Amsterdams experiment I) ontbraken de bestanddelen ‘opzettelijk’ en ‘wederrechtelijk’ in een bewezenverklaring die was gekwalificeerd onder art. 350 Sr. Uw Raad ontsloeg de verdachte ‘om proceseconomische redenen’ van alle rechtsvervolging aangezien het tenlastegelegde ‘noch op grond van art. 350 Sr noch op grond van enige andere wettelijke strafbaarstelling tot een veroordeling kan leiden’. Nadien trad op 2 november 1996 de Wet vormverzuimen (Stb. 1995, 441) in werking; sindsdien is art. 313 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing (vgl. thans art. 415, eerste lid, Sv). Uit (onder meer) HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:29 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:382 volgt dat Uw Raad thans terugwijst als in het bewezenverklaarde een bestanddeel ontbreekt. Zie over zelf afdoen in cassatie nader A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 101-103 en J. Hielkema, ‘Doel(matig) getroffen maar ook vernietigd?’, in: B.F. Keulen, G. Knigge en H.D. Wolswijk (red.), Pet af. Liber amicorum D.H. de Jong, Nijmegen: WLP 2007, p. 141-144, die nog signaleert dat Uw Raad ‘in de ‘minder klaarblijkelijke’ zaken waarschijnlijk een belangenafweging maakt’.
Beroepschrift 11‑08‑2020
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
De bestreden beslissing betreft:
Arrest Gerechtshof 's‑Hertogenbosch d.d. 27 maart 2020 onder parketnummer 20-000766-18
jegens:
[verdachte],
Geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
Wonende te [postcode] [woonplaats] aan de [adres]
Raadsman mr. B.H.S. Brinkman verklaart hierbij dat hij door [verdachte] bepaaldelijk is gevolmachtigd tot de indiening van deze cassatieschriftuur;
Schriftuur houdende middelen van cassatie.
Cassatiemiddel 1
Er is sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd of de niet-naleving zodanige nietigheid met zich meebrengt, in het bijzonder van artikel 359, tweede lid, Sv en/of artikel 359, derde lid, Sv juncto artikel 415 Sv.
Het Gerechtshof heeft verzuimd uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing te geven op een gevoerd verweer ten aanzien van de vordering ten uitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 24 februari 2017 onder parketnummer: 03/152544-16, te weten een taakstraf van 16 uren.
Het gerechtshof volgt de verdediging in haar arrest inzake de verzochte vrijspraak voor de zaak met parketnummer: 03/246369-17.
De vordering ten uitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 24 februari 2017 onder parketnummer: 03/152544-16, te weten een taakstraf van 16 uren is in eerste aanleg en hoger beroep gekoppeld aan parketnummer 03/246369-17.
Gelet op het feit dat het Gerechtshof verdachte in hoger beroep vrijspreekt van de feiten zoals ten laste gelegd onder parketnummer: 03/246369-17, zou het Gerechtshof niet meer toe mogen komen aan een beoordeling van de vordering ten uitvoerlegging.
Het Gerechtshof had het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dienen te verklaren inzake de vordering ten uitvoerlegging, danwel had de vordering dienen af te wijzen.
Het arrest is op dit punt onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd en in strijd met de wet.
Conclusie:
Naar het oordeel van verzoeker kan voormeld arrest niet in stand blijven en dient het te worden vernietigd, waarbij terug verwijzing van de zaak dient plaats te vinden opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, althans een voorziening getroffen dient te worden die U EA College in goede justitie vermeent te behoren.
Raadsman mr. B.H.S. Brinkman verklaart hierbij dat hij door [verdachte] bepaaldelijk is gevolmachtigd tot de indiening van deze cassatieschriftuur;
Heerlen, 11 augustus 2020
mr. B.H.S. Brinkman
raadsman