HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. P.A.M. Mevis en HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:81, NJ 2023/150, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR, 27-05-2025, nr. 23/01881 B
ECLI:NL:HR:2025:804
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-05-2025
- Zaaknummer
23/01881 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:804, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑05‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:123
ECLI:NL:PHR:2025:123, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:804
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑01‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0186
Uitspraak 27‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op geldbedragen, 2 horloges en motor onder klager t.z.v. verdenking van witwassen. Proportionaliteit en subsidiariteit van voortzetting beslag. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2023:128 m.b.t. vraag wanneer rechter blijk moet geven van onderzoek naar vraag of voortzetting van beslag in overeenstemming is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en (als dat het geval is) welke eisen moeten worden gesteld aan motivering van zijn beslissing. Namens klager is naar voren gebracht dat (uitgaande van de door OM gehanteerde bedragen bij teruggave onder zekerheidsstelling) waarde van inbeslaggenomen voorwerpen € 67.775 bedraagt, terwijl conservatoir beslag is gelegd met oog op oplegging van schadevergoedingsmaatregel van € 38.000. Rb heeft beklag, ook v.zv. dat erop berust dat geen redelijke verhouding bestaat tussen waarde van inbeslaggenomen voorwerpen en te verwachten hoogte van eventuele schadevergoedingsmaatregel, ongegrond verklaard. Gelet op wat namens klager, mede onder verwijzing naar de door OM genoemde waarde van inbeslaggenomen voorwerpen, is aangevoerd, was Rb gehouden blijk te geven van onderzoek of voortzetting van beslag in overeenstemming is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Rb heeft echter, door te volstaan met overweging dat “stelling dat waarde van inbeslaggenomen goederen de hoogte van mogelijke schadevergoedingsmaatregel zal overstijgen, mede gelet op karakter van onderzoek in raadkamer, op zichzelf geen reden (is) om beslag op te heffen”, onvoldoende concreet blijk gegeven van zo’n onderzoek. V.zv. Rb hierbij van oordeel is geweest dat summier karakter van onderzoek in raadkamer eraan in de weg staat dat dergelijk onderzoek naar verhouding tussen waarde van inbeslaggenomen voorwerpen en te verwachten hoogte van eventuele betalingsverplichting plaatsvindt, heeft zij miskend wat is vooropgesteld. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01881 B
Datum 27 mei 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag van 28 maart 2023, nummer RK 22/016071, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat S.W.M. Stevens bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking van de rechtbank en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat het beslag niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
2.2.1
De rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot teruggave van diverse op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) inbeslaggenomen goederen, behandeld in raadkamer. Volgens het proces-verbaal van die behandeling heeft de raadsvrouw van de klager daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Op 1 september 2021 heeft de Officier van Justitie een machtiging conservatoir beslag gevorderd bij de Rechter Commissaris.
Tot op heden heb ik geen beslissing in het dossier aangetroffen inhoudende dat de machtiging conservatoir beslag is verleend.
Het bedrag waarvoor recht van verhaal zal worden uitgeoefend gaat volgens de vordering van de Officier van Justitie een bedrag van € 38.000,-- niet te boven.
Onder cliënt is inbeslag genomen: waarde
- Geld 50 euro biljetten 21.000,-- Geld 180,-- Een horloge, goudkleurig, merk Rolex Oyster Perpetua 30.000,--- Een horloge, zilverkleurig, merk Rolex Oyster Perpetua 8.500,--- Een motorfiets, merk BMW, type R1200 GS Adventure,voorzien van het [kenteken] 8.000,--- Broche 95,--
Namens [klager] is verzocht om teruggave van de inbeslag genomen goederen. Met brief van 12 oktober 2022 (bijlage) heeft de Officier van Justitie bepaald dat tegen zekerheidsstelling goederen kunnen worden teruggegeven.
De waarde van de goederen is vermeld op de bijlage (en aangegeven hierboven).
Conclusie: De waarde van de in beslag genomen goederen overtreft verre het bedrag waar het conservatoir beslag op is gelegd.
(...)
MEER SUBSIDIAIR verzoekt [klager] om gedeeltelijke opheffing van het beslag:
Het horloge zal niet in waarde verminderen, maar de motor wel.
Het geldbedrag heeft [klager] nodig voor de uitoefening van zijn onderneming.
Om die reden verzoekt [klager] om teruggave van de motor en het geldbedrag.
Onder justitie blijft dan de twee Rolex - horloges totaal met een waarde van € 38.500, te weten het bedrag waarvoor conservatoir beslag is gelegd.”
2.2.2
Volgens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer heeft de raadsvrouw van de klager daar verder aangevoerd:
“De klager heeft de in beslag genomen gelden en de opbrengst van de motor nodig voor de uitoefening voor de exploitatie van zijn schoonheidssalons. Daarbij komt dat de waarde van de motor door het langdurige beslag significant is gedaald en het niet langer proportioneel is als deze onder beslag blijft, zonder dat enig zicht is op een inhoudelijke behandeling van de zaak. In ieder geval is de voortduring van het beslag op meer dan 38.000 euro niet proportioneel. In die zin kan de schade worden beperkt.”
2.2.3
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe in haar beschikking van 28 maart 2023 overwogen:
“Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak te treden.
Vaststaat dat op 26 oktober 2021 een aantal goederen onder de klager in beslag is genomen. Uit het dossier volgen aanwijzingen dat op 2 maart 2021 een betaling van € 38.000,- is verricht bij [A] BV met een gestolen pinpas. De klager is een van de bestuurders van [A] . Op camerabeelden is gezien dat de klager betrokken was bij de pintransactie. De klager heeft verklaard dat hij erbij aanwezig was toen de koper van de mondkapjes deze ophaalde, echter straalde de telefoon van de klager op dat moment niet aan bij een zendmast in de buurt. Ook is geverbaliseerd over verdachte overboekingen door de klager naar rekeningnummers van [medeverdachte] .
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, de machtiging van de rechter-commissaris van 3 september 2021 en de overige inhoud van het dossier, het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in het onderhavige geval een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Aangezien de inbeslaggenomen goederen in zoverre kunnen strekken tot zekerheid van de nakoming van zodanige verplichtingen, dient het klaagschrift in beginsel ongegrond te worden verklaard. De stelling dat de waarde van de inbeslaggenomen goederen de hoogte van een mogelijke schadevergoedingsmaatregel zal overstijgen, is – mede gelet op het karakter van het onderzoek in raadkamer – op zichzelf geen reden om het beslag op te heffen. In de persoonlijke omstandigheden zoals door de klager naar voren gebracht, namelijk de waardedaling van de motor en het belang van zijn onderneming, ziet de rechtbank thans onvoldoende aanleiding aan te nemen dat de voortduring van het beslag in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag ongegrond verklaren.”
2.3.1
De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek. Bij een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv kan de rechter daarnaast gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek als door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en).
2.3.2
De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag. (Vgl. HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, rechtsoverwegingen 2.4.1 en 2.4.2.)
2.4.1
Uit wat onder 2.2.1 en 2.2.2 is weergegeven, volgt dat namens de klager naar voren is gebracht dat – uitgaande van de door het openbaar ministerie gehanteerde bedragen bij een teruggave onder zekerheidsstelling – de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen € 67.775 bedraagt, terwijl het conservatoire beslag is gelegd met het oog op de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel van € 38.000. De rechtbank heeft het beklag, ook voor zover dat erop berust dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele schadevergoedingsmaatregel, ongegrond verklaard.
2.4.2
Gelet op wat namens de klager, mede onder verwijzing naar de door het openbaar ministerie genoemde waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen, is aangevoerd, was de rechtbank gehouden blijk te geven van een onderzoek of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank heeft echter, door te volstaan met de overweging dat “de stelling dat de waarde van de inbeslaggenomen goederen de hoogte van een mogelijke schadevergoedingsmaatregel zal overstijgen, mede gelet op het karakter van het onderzoek in raadkamer, op zichzelf geen reden (is) om het beslag op te heffen”, onvoldoende concreet blijk gegeven van zo’n onderzoek. Voor zover de rechtbank hierbij van oordeel is geweest dat het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer eraan in de weg staat dat een dergelijk onderzoek naar de verhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting plaatsvindt, heeft zij miskend wat onder 2.3 is vooropgesteld.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2025.
Conclusie 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag, beslag ex art. 94a Sv op geldbedragen van in totaal € 21.180,-, twee Rolex-horloges en BMW-motor. Rechtbank heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting t.a.v. proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag i.v.m. gestelde wanverhouding tussen waarde van de in beslag genomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de betalingsverplichting. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01881 B
Zitting 18 maart 2025
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de klager
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 28 maart 2023 het klaagschrift ex art. 552a Sv strekkende tot teruggave van een deel van de onder klager in beslag genomen goederen, ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. S.W.M. Stevens, advocaat in Den Haag, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel bevat de klacht dat de rechtbank geen blijk heeft gegeven onderzoek te hebben verricht naar de vraag of in verband met de gestelde wanverhouding tussen de waarde van de in beslag genomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van een eventuele betalingsverplichting, voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Hiermee zou de rechtbank blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans haar beslissing onbegrijpelijk en/of ontoereikend hebben gemotiveerd.
3.2
3.3
Het namens de klager tegen de inbeslagneming ingediende klaagschrift houdt onder meer in:
“26. Echter, de waarde van de inbeslag genomen goederen overstijgt ruimschoots de hoogte van het litigieuze bedrag. Om die reden is een beslag van meer dan € 38.000,-- niet langer geëigend in relatie tot de verdenking.”
3.4
Volgens het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer van 14 maart 2023 heeft de raadsvrouw van de klager het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Het bedrag waarvoor recht van verhaal zal worden uitgeoefend gaat volgens de vordering van de Officier van Justitie een bedrag van € 38.000,-- niet te boven.
[…]
Namens [klager] is verzocht om teruggave van de inbeslag genomen goederen. Met brief van 12 oktober 2012 (bijlage ) heeft de Officier van Justitie bepaald dat tegen zekerheidsstelling goederen kunnen worden teruggegeven.
De waarde van de goederen is vermeld op de bijlage (en aangegeven hierboven).
Conclusie: De waarde van de in beslag genomen goederen overtreft verre het bedrag waar het conservatoir beslag op is gelegd.”
3.5
Volgens het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer van 14 maart 2023 heeft de raadsvrouw van de klager in aanvulling hierop onder meer het volgende aangevoerd:
“In ieder geval is de voortduring van het beslag om meer dan 38.000 euro niet proportioneel. In die zin kan de schade worden beperkt.”
3.6
Bij de stukken van het geding bevindt zich de brief van de officier van justitie van 12 oktober 2012, waarnaar in de pleitnota wordt verwezen. Deze brief houdt onder meer in:
“Geachte [klager] ,
Als reactie op uw verzoek tot teruggave van de in de bijlage genoemde voorwerpen, deel ik u mede dat het OM bereid is deze tegen betaling van een zekerheidstelling, ex artikel 118a Sv, aan u terug te geven. Per voorwerp is een bedrag vermeld waartegen zekerheid kan worden gesteld.
Het totaal bedrag van € 46.595,00 dient te worden bijgeschreven op ING Bank bankrekening [rekeningnummer 1] ten name van [naam] te [plaats] , onder vermelding van Zekerheidstellen op verzoek verdachte en 09-134593-21.
[…]
PV-/Dpnr Vlgnr Aantal Voorwerp Waarde
2021047262 2 1 STK 1 STK goude horloge met blauwe wijzerplaat € 30.000,00
(Omschrijving: PL1500-2021047262-2670227, Goud, Merk: Rolex)
2021047262 3 1 STK 1 STK zilver met oude horloge met witte € 8.500,00
wijzerplaat
(Omschrijving: PL1500-2021047262-2670215, Zilver, Merk: Rolex)
2021047262 1 1 STK 1 STK Motorfiets € 8.000,00
(Omschrijving: PL1500-2021047262-2621407, 55mjnp, Kleur: Wit, Merk: Bmw, Chassisnr: [0001] , Bouwjaar 2017)
2021047262 7 1 PR 1 PR goudkleurige broche met zwarte steentjes € 95,00
(Omschrijving: PL1500-2021047262-2671257, Goud)”
3.7
De beschikking van de rechtbank van 28 maart 2023, waarbij het beklag ongegrond is verklaard, houdt onder meer in:
“Het standpunt van klager
De klager heeft primair verzocht om teruggave van de volgende goederen:
- € 140,- (2x50 euro biljet, 2x5 euro biljet, 1x10 euro biljet, 1x20 euro biljet);
- € 40,- (8x5 euro biljet);
- € 21.000,-(3x bundel 50 eurobiljetten);
- Rolex zilver- en goudkleurig;
- Rolex goud en blauwkleurig;
- Motor merk BMW.
Primair stelt de klager dat hij eigenaar is van de goederen, deze op een legale wijze zijn verkregen, en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave van de goederen verzet. Subsidiair stelt de klager dat de waarde van de inbeslaggenomen goederen ruimschoots de hoogte van het litigieuze bedrag van € 38.000,- overstijgt. Om die reden is beslag van meer dan €38.000,- niet proportioneel. De klager heeft de in beslag genomen gelden en de opbrengst van de motor nodig voor de uitoefening van zijn beroep en bedrijf. Daarbij komt dat de waarde van de motor door het langdurige beslag significant is gedaald en het niet langer proportioneel is als deze onder beslag blijft, zonder dat enig zicht is op een inhoudelijke behandeling van de zaak.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. De klager wordt verdacht van witwassen en op de goederen ligt conservatoir beslag tot verhaal van een slachtoffermaatregel.
Het oordeel van de rechtbank
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak te treden.
Vaststaat dat op 26 oktober 2021 een aantal goederen onder de klager in beslag is genomen. Uit het dossier volgen aanwijzingen dat op 2 maart 2021 een betaling van € 38.000,- is verricht bij [A] BV met een gestolen pinpas. De klager is een van de bestuurders van [A] . Op camerabeelden is gezien dat de klager betrokken was bij de pintransactie. De klager heeft verklaard dat hij erbij aanwezig was toen de koper van de mondkapjes deze ophaalde, echter straalde de telefoon van de klager op dat moment niet aan bij een zendmast in de buurt. Ook is geverbaliseerd over verdachte overboekingen door de klager naar rekeningnummers van medeverdachte [medeverdachte] .
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, de machtiging van de rechter-commissaris van 3 september 2021 en de overige inhoud van het dossier, het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in het onderhavige geval een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Aangezien de inbeslaggenomen goederen in zoverre kunnen strekken tot zekerheid van de nakoming van zodanige verplichtingen, dient het klaagschrift in beginsel ongegrond te worden verklaard. De stelling dat de waarde van de inbeslaggenomen goederen de hoogte van een mogelijke schadevergoedingsmaatregel zal overstijgen, is - mede gelet op het karakter van het onderzoek in raadkamer - op zichzelf geen reden om het beslag op te heffen. In de persoonlijke omstandigheden zoals door de klager naar voren gebracht, namelijk de waardedaling van de motor en het belang van zijn onderneming, ziet de rechtbank thans onvoldoende aanleiding aan te nemen dat de voortduring van het beslag in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag ongegrond verklaren.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”
3.8
De Hoge Raad heeft in twee beschikkingen van 31 januari 2023 zijn eerdere rechtspraak over de beoordeling door de beklagrechter of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit bijgesteld. Deze beschikkingen houden onder meer in:1.
“2.4.1 De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. (Vgl. bijvoorbeeld HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:247 en Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) 7 november 2019, nr. 32644/09 (Apostolovi/Bulgarije), overweging 103.)Bij een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv kan de rechter daarnaast gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek als door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). (Vgl. HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9890, HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3722 en EHRM 17 mei 2016, nr. 38359/13 (Džinić/Kroatië), overweging 80.)
2.4.2
De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.
[…]
2.4.5
Als de beklagrechter naar aanleiding van zijn hiervoor in 2.4.1 bedoelde onderzoek oordeelt dat voortzetting van het beslag in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, verklaart hij het beklag gegrond en geeft hij de daarmee overeenkomende last als bedoeld in artikel 552a lid 10 Sv.”
3.9
Hieruit volgt dat twee vormen van proportionaliteit van het beslag kunnen worden onderscheiden. Ten eerste kan – zowel bij beslag op grond van art. 94 Sv als bij beslag op grond van art. 94a Sv – sprake zijn van disproportionaliteit tussen de persoonlijke belangen van de klager en de belangen van het voortduren van het beslag. Ten tweede kan – alleen ten aanzien van beslag op grond van art. 94a Sv – sprake zijn van disproportionaliteit tussen de waarde van de in beslag genomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en).
3.10
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat de klager zich subsidiair op het standpunt heeft gesteld dat de waarde van de in beslag genomen goederen ruimschoots de hoogte van het litigieuze bedrag van € 38.000,- overstijgt en dat om die reden beslag van meer dan € 38.000,- niet proportioneel is. Dit betekent dat sprake is van een geval waarin de rechter gehouden kan zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of de voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
3.11
Uit de bestreden beschikking blijkt dat de rechtbank heeft onderzocht of het beslag in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit gelet op de persoonlijke belangen van de betrokkene. De rechtbank heeft geoordeeld dat zij in de persoonlijke omstandigheden zoals door de klager naar voren gebracht, onvoldoende aanleiding ziet aan te nemen dat de voortduring van het beslag in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Over deze beslissing wordt in cassatie niet geklaagd.
3.12
Ten aanzien van de proportionaliteit van het beslag vanwege een wanverhouding tussen de waarde van de in beslag genomen goederen en de te verwachten hoogte van de betalingsverplichting(en), heeft de rechtbank slechts overwogen dat “[d]e stelling dat de waarde van de in beslag genomen goederen de hoogte van een mogelijke schadevergoedingsmaatregel zal overstijgen, […] – mede gelet op het karakter van het onderzoek in raadkamer – op zichzelf geen reden [is] om het beslag op te heffen”.
3.13
In het licht van wat ik onder 3.8 heb vooropgesteld, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Wanneer de beklagrechter naar aanleiding van een onderzoek naar de proportionaliteit vanwege het betoog van of namens de klager dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de in beslag genomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en), oordeelt dat voortzetting van het beslag in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, dient hij het beklag gegrond te verklaren en de daarmee overeenkomende last als bedoeld in art. 552a lid 10 Sv te geven.2.Dat de waarde van de in beslag genomen goederen de hoogte van een mogelijke schadevergoedingsmaatregel overstijgt is dan ook wel degelijk een reden om het beslag op te heffen.
3.14
Ik meen overigens dat wanneer de rechtbank – los van de zojuist genoemde onjuiste rechtsopvatting – zou hebben geoordeeld dat zij in dit geval niet gehouden was de proportionaliteit en de subsidiariteit van de voortzetting van het beslag te onderzoeken, dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk zou zijn. Daarbij wijs ik erop dat de verdediging haar betoog over de waarde van de in beslag genomen goederen heeft onderbouwd met een brief van het openbaar ministerie van 12 oktober 2022, waaruit blijkt dat het openbaar ministerie de waarde van de in beslag genomen goederen – nog los gezien van het inbeslaggenomen geldbedrag - begroot op meer dan € 38.000,-.
3.15
Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van de rechtbank en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑03‑2025
HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.4.5 en HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:81, NJ 2023/150, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.4.5.
Beroepschrift 08‑01‑2024
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Griffienummer: 23/01881 B
SCHRIFTUUR HOUDENDE
EEN MIDDEL VAN CASSATIE
Van: mr. S.W.M. Stevens
Dossiernummer: 2621339
Inzake:
[klager],
verzoeker tot cassatie van een door de rechtbank Den Haag op 28 maart 2023, onder raadkamernummer 22-0167071 (parketnummer 09/143593-21), gewezen beschikking.
Middel
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat uit de bestreden beschikking niet kan worden afgeleid dat de rechtbank in verband met de gestelde wanverhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van een eventuele betalingsverplichting een onderzoek heeft verricht naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat het oordeel van de rechtbank getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of ontoereikend gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is.
2. Toelichting
2.1.
Onder klager is beslag gelegd op verschillende goederen op de voet van art. 94a Sv. Namens klager is een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend waarin wordt verzocht het beslag op te heffen en de teruggave van de inbeslaggenomen goederen te gelasten. In het klaagschrift alsmede ter raadkamerzitting d.d. 14 maart 2023 in de rechtbank Den Haag heeft de raadsvrouw van klager, mr. Aalmoes, aangevoerd dat de totale waarde van verschillende onder klager inbeslaggenomen goederen het bedrag waarvoor conservatoir beslag mag worden gelegd ruimschoots overtreft.
2.2.
Klager heeft in raadkamer een duidelijk overzicht gegeven van de waarde van de inbeslaggenomen goederen (€ 60.5756), welke waarde overigens mede is gebaseerd op door het Openbaar Ministerie verstrekte informatie. Immers heeft overleg plaatsgehad met het openbaar ministerie, waarbij zijdens het openbaar ministerie kenbaar is aangegeven ten aanzien van welk bedrag de verdediging zekerheid diende te stellen.1. De verdediging heeft de totale waarde afgezet tegen het door het Openbaar Ministerie geschatte verhaalsbedrag (€ 38.000).
2.3.
Blijkens de aan de rechtbank overhandigde pleitaantekeningen heeft de raadsvrouw van klager in raadkamer het volgende aangevoerd:
- •
‘Het bedrag waarvoor recht van verhaal zal worden uitgeoefend gaat volgens de vordering van de Officier van Justitie een bedrag van € 38.000,-- niet te boven.
• Onder cliënt is inbeslag genomen:
— Geld 50 euro biljetten
21.000,--
— Geld
180,-
— Een horloge, goudkleurig, merk Rolex Oyster Perpetua.
30.000,--
— Een horloge, zilverkleurig, merk Rolex Oyster Perpetua;
8.500,--
— Een motorfiets, merk BMW, type R1200 GS Adventure, voorzien van het kenteken [kenteken]
8.000,--
— Broche
95,--
(…)De waarde van de goederen is vermeld op de bijlage (en aangegeven hierboven).
Conclusie: de waarde van de in beslag genomen goederen overtreft verre het bedrag waar het conservatoir beslag op is gelegd.(…)
MEER SUBSIDIAIR verzoekt [klager] om gedeeltelijke opheffing van het beslag : Het horloge zal niet in waarde verminderen, maar de motor wel.
Het geldbedrag heeft [klager] nodig voor de uitoefening van zijn onderneming. Om die reden verzoekt [klager] om teruggave van de motor en het geldbedrag. Onder justitie blijft dan de twee Rolex — horloge totaal met een waarde van € 38.500,--, te weten het bedrag waarvoor conservatoir beslag is gelegd.’
2.4.
De rechtbank verklaarde het beklag evenwel ongegrond en overwoog daartoe als volgt:
‘De rechtbank is van oordeel dat, gelet op voorgaande, de machtiging van de rechter-commissaris van 3 september 2021 en de overige inhoud van het dossier, het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in het onderhavige geval een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Aangezien de in beslaggenomen goederen in zoverre kunnen strekken tot zekerheid van de nakoming van zodanige verplichtingen, dient het klaagschrift in beginsel ongegrond te worden verklaard. De stelling dat de waarde van de inbeslaggenomen goederen de hoogte van de mogelijke schadevergoedingsmaatregel zal overstijgen, is — mede gelet op het karakter van het onderzoek in raadkamer-op zichzelf geen reden om het beslag op te heffen. In de persoonlijke omstandigheden zoals de klager naar voren gebracht, namelijk de waardedaling van de motor en het belang van zijn onderneming ziet de rechtbank thans onvoldoenden aanleiding aan te nemen dat de voortduring van het beslag in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.’
2.5.
De rechtbank overwoog in de kern dat de stelling dat de waarde van de inbeslaggenomen goederen de hoogte van de mogelijke schadevergoedingsmaatregel zal overstijgen, op zichzelf geen reden is het beslag op te heffen.
2.6.
De rechtbank gaat er hiermee aan voorbij dat een rechter evenwel gehouden kan zijn blijk te geven van een onderzoek naar de proportionaliteit en subsidiariteit van een beslag in geval van het ontbreken van een redelijke verhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting in verband waarmee wordt beoogd een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen.
2.7.
In dit verband zij gewezen op de uitspraak van het EHRM in de zaak Džinić v. Croatia. Džinić.2. In de zaak die leidde tot deze uitspraak was in feitelijke aanleg beslag gelegd op onroerend goed tot bewaring van het recht tot verhaal voor een op te leggen ontnemingsmaatregel. Džinić klaagde bij het EHRM onder meer over de disproportionaliteit tussen de waarde van het gelegde beslag en het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat het beslag de waarde van de eventuele ontnemingsmaatregel ruimschoots oversteeg.
2.8.
Onder het kopje ‘Proportionality of the interference’ benadrukte het EHRM dat moet worden bezien of een ‘fair balance’ bestaat tussen de vereisten van de ‘general interest of the community’ en de noodzaak tot het beschermen van de fundamentele rechten van het individu (rov. 67). Het had, aldus het EHRM, op de weg van de bevoegde gerechten gelegen om te beoordelen en te beargumenteren of was voldaan aan de vereisten om tot conservatoir beslag over te gaan, maar ook of de aard en de reikwijdte van dat beslag proportioneel waren (rov. 70). Laatstgenoemde beoordeling had niet plaatsgevonden.
2.9.
Het EHRM oordeelde, kort gezegd, dat het betwiste conservatoire beslag — hoewel in beginsel rechtsgeldig en gerechtvaardigd — in stand was gehouden zonder een oordeel over de proportionaliteit van de waarde van de beslagen goederen versus het mogelijke ontnemingsbedrag. Daarmee werd niet voldaan aan het vereiste van een ‘fair balance’, als gevolg waarvan art. 1 Eerste Protocol EVRM was geschonden.
2.10.
Uw Raad overwoog bij uitspraak van 31 januari 2023, onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van het EHRM, als volgt (onderstreping raadsvrouwe):3.
‘Proportionaliteit en subsidiariteit
2.4.1
De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. (Vgl. bijvoorbeeld HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:247 en Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) 7 november 2019, nr. 32644/09 (Apostolovi/Bulgarije), overweging 103.)
Bij een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv kan de rechter daarnaast gehouden zijn blijk te geven van zo'n onderzoek als door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). (Vgl. HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9890, HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010: BJ3722 en EHRM 17 mei 2016, nr. 38359/13 (Džinić/Kroatië), overweging 80.)’
2.4.2
De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en — als dat het geval is — welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken — en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen — kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.
2.4.3
Mede in verband met de beoordeling door de rechter of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit mag van het openbaar ministerie worden verlangd dat het, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, in de beklagprocedure informatie verschaft over het beslag en over de onderliggende strafzaak of ontnemingsprocedure. In geval van conservatoir beslag gaat het daarbij in het bijzonder om de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting in verband waarmee wordt beoogd een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen. Omdat tijdens de raadkamerprocedure het onderzoek in de strafzaak en/of de ontnemingszaak veelal nog loopt, zal het openbaar ministerie in de regel alleen een voorlopige en globale uitspraak kunnen doen over de hoogte van de te vorderen betalingsverplichting.
2.4.4
Als de beklagrechter van oordeel is dat hij over onvoldoende gegevens beschikt voor de beoordeling van het klaagschrift, brengt de onderzoekstaak van de beklagrechter met zich dat hij zich nader laat informeren. De beklagrechter kan daarvoor op grond van artikel 23 lid 1 Sv aan het openbaar ministerie het bevel geven om stukken over te leggen. Zo nodig houdt de rechter daartoe het onderzoek in raadkamer aan. Het openbaar ministerie is op grond van artikel 23 lid 5 Sv gehouden de hiervoor bedoelde stukken aan de rechter over te leggen. Laat het openbaar ministerie dat achterwege, dan kan de beklagrechter die omstandigheid betrekken bij de beoordeling van het klaagschrift. (Vgl. HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:376, rechtsoverwegingen 3.3.2–3.3.3.)
2.4.5
Als de beklagrechter naar aanleiding van zijn hiervoor in 2.4.1 bedoelde onderzoek oordeelt dat voortzetting van het beslag in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, verklaart hij het beklag gegrond en geeft hij de daarmee overeenkomende last als bedoeld in artikel 552a lid 10 Sv.’
2.11.
Er moet dus een ‘fair balance’, een redelijke verhouding, bestaan tussen de vereisten van de maatschappij en de noodzaak tot het beschermen van de fundamentele rechten van het individu. Die balans wordt niet gevonden indien het individu een persoonlijke en excessieve last moet dragen. Het systeem moet daarom procedurele waarborgen kennen. Dat is de reden waarom de bevoegde nationale gerechten in Džinić/Kroatië hadden moeten beoordelen en beargumenteren of niet alleen voldaan was aan de vereisten om tot conservatoir beslag over te gaan, maar ook of de aard en de reikwijdte van dat beslag proportioneel waren.4.
2.12.
Uit voornoemde rechtspraak valt af te leiden dat indien de verdediging onderhouwt dat het beslag de waarde van een eventueel op te leggen (slachtoffer)maatregel ruimschoots overstijgt, van de rechter een actieve rol mag worden verwacht. De rechtbank dient dan minstgenomen onderzoek te doen om de proportionaliteit van het beslag te toetsen.
2.13.
De verdediging heeft zowel bij klaagschrift als ter zitting aandacht gevraagd voor de wanverhouding tussen de waarde van hetgeen in beslag is genomen en de hoogte van de eventueel op te leggen maatregel als bedoeld in art. 36f Sr. Zij heeft daarbij gemotiveerd aangegeven welke waarden de beslagen goederen vertegenwoordigen en gesteld dat deze de mogelijke hoogte van een betalingsverplichting verre te boven gaat. Bovendien heeft zij gewezen op het tijdsverloop sinds de inbeslagname.
2.14.
De officier van justitie heeft de waarde van de beslagen goederen niet weersproken en is ook overigens niet op het verweer ingegaan. Uit het schriftelijk standpunt volgt hieromtrent niet meer dan dat de goederen niet retour mogen omdat er ‘slachtofferbeslag’ op rust (opmerking raadsvrouwe: kennelijk ter hoogte van € 38.000).
2.15.
De rechtbank overwoog dat de naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden onvoldoende aanleiding geven om aan te nemen dat de voortduring van het beslag in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, en kwam tot een ongegrondverklaring van het klaagschrift. Daarmee heeft de rechtbank een onjuiste toets gehanteerd.
2.16.
Hetgeen namens klager is aangevoerd had de rechtbank, gelet op de concrete onderbouwing en indringendheid daarvan, moeten nopen een onderzoek te verrichten naar de vraag of de voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit, waarbij de rechtbank bij de beoordeling van het beklag het tijdsverloop had dienen mee te wegen. Een dergelijk onderzoek is in deze zaak ten onrechte achterwege gebleven.
2.17.
Gelet op het voorgaande geeft het oordeel van de rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is in elk geval onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
2.18.
De beschikking kan niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. S.W.M. Stevens, advocaat te Den Haag, die verklaart dat klager haar daartoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.
S.W.M. Stevens
Den Haag, 8 januari 2024
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 08‑01‑2024
Zie bijlage bij de pleitaantekeningen van mr. Aalmoes.
EHRM 17 mei 2016, 38359/13 (Džinić/Kroatië).
HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:81, NJ 2023/150 m.nt. Mevis.
N. Gonzalez Bos en E.M. Witjens, ‘Een kritische bespreking van de proportionaliteit van conservatoir beslag’, NJB 2018/2152.