HR, 05-01-2016, nr. 15/02554
ECLI:NL:HR:2016:10
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-01-2016
- Zaaknummer
15/02554
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:10, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 05‑01‑2016; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2468, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2015:2468, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 03‑11‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:10, Gevolgd
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2016-0047
Uitspraak 05‑01‑2016
Inhoudsindicatie
Herziening. Persoonsverwisseling. Aanvraag tot herziening gegrond.
Partij(en)
5 januari 2016
Strafkamer
nr. S 15/02554 H
SG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 7 november 2014, nummer 03/165592-14, ingediend door mr. L.N. Geerman, advocaat te Sittard, namens:
[aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. "opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.
2 De aanvraag tot herziening
2.1.
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2.
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en
onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat niet de aanvrager maar zijn tweelingbroer [betrokkene 1] de feiten heeft gepleegd.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvraag vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat de zaak zal worden berecht en afgedaan op de wijze als in art. 472, tweede lid, Sv is voorzien.
4. Beoordeling van de aanvraag
4.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
4.2.
Naar aanleiding van de aanvraag is op verzoek van de Advocaat-Generaal door de politie Limburg een onderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek zijn gerelateerd in een door [verbalisant] , brigadier van politie, eenheid Limburg, op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 15 oktober 2015, inhoudende:
"Op 1 augustus 2014 werd door het DOEN team Maastricht, [betrokkene 1] , geboren te [geboorteplaats] op [...] / [...] /1983 en wonende te [plaats] aan [a-straat 1] , aangehouden als verdacht van handel in harddrugs (zie bijlage 1). Ik, verbalisant, was op dat moment lid van het DOEN team. Een en ander werd toen gerelateerd in proces-verbaal nummer 2014083115. [betrokkene 1] legitimeerde zich middels een geldig Nederlands rijbewijs. De personalia, foto en vingerafdrukken van [betrokkene 1] werden vastgelegd in de Basisvoorziening Identiteitsvoorziening.
Ik, verbalisant, heb de foto van het rijbewijs van [betrokkene 1] , gezien. De foto op het rijbewijs kwam overeen met de aangehouden [betrokkene 1] .
Op 1 oktober 2015 heb ik, verbalisant, [betrokkene 1] , aangehouden voor de handel in harddrugs. [betrokkene 1] legitimeerde zich middels een Nederlandse identiteitskaart. De identiteitskaart werd op 5 januari 2015 afgegeven. De personalia van [betrokkene 1] werden vastgelegd in de Basisvoorziening Identiteitsvaststelling. Tevens werd een foto en werden vingerafdrukken genomen middels de identiteitszuil.
De persoon die op 1 oktober 2015 werd aangehouden is dezelfde persoon die op 1 augustus 2014 door het DOEN team werd aangehouden.
Door het Openbaar Ministerie werd in de zaak van 1 augustus 2014 [aanvrager] gedagvaard (zie bijlage 2). [aanvrager] is niet de persoon die op 1 augustus 2014 werd aangehouden."
4.3.
De inhoud van dat proces-verbaal geeft steun aan de stelling waarop de aanvraag berust, te weten dat in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening is gevraagd, sprake is geweest van een persoonsverwisseling.
4.4.
Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat de Politierechter, ware deze hiermee bekend geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.
5. Slotsom
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat hier sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, zodat de aanvraag gegrond is en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 januari 2016. Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Conclusie 03‑11‑2015
Inhoudsindicatie
Herziening. Persoonsverwisseling. Aanvraag tot herziening gegrond.
Nr. 15/02554 Zitting: 3 november 2015 | Mr. Vellinga Conclusie inzake: [aanvrager] |
1. Aanvrager van herziening is door de politierechter in de Rechtbank Limburg bij vonnis van 7 november 2014, parketnummer: 03-165592-14, wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, en 2. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, gepleegd op 1 augustus 2014, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis alsmede tot verbeurdverklaring als in het vonnis omschreven.
2. Namens de aanvrager heeft mr. L.N. Geerman, advocaat te Sittard, een aanvraag tot herziening van dit vonnis ingediend.
3. De aanvraag berust op de stelling dat aanvrager [aanvrager] bij bovengenoemd vonnis is veroordeeld ter zake van feiten die zijn gepleegd door zijn tweelingbroer [betrokkene 1] .
4. Ter staving van de aanvraag zijn daarbij gevoegd een kopie van bovengenoemd vonnis, kopieën van processen-verbaal van politie, van twee rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut, van een kennisgeving van inbeslagneming en van de dagvaarding van aanvrager, alsmede kopieën van twee bladzijden uit het paspoort van aanvrager en van het rijbewijs van [betrokkene 1] .
5. Het vonnis waarvan herziening wordt verzocht is blijkens een zich in het dossier bevindende uittreksel justitieel documentatieregister d.d. 19 juni 2015 op 22 november 2014 onherroepelijk geworden.
6. Volgens de bij het verzoek overgelegde kopieën van identiteitsbewijzen is op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] geboren [aanvrager] (aanvrager) en is op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] eveneens geboren [betrokkene 1] .
7. Aanvrager was blijkens de kopie van de dagvaarding gedagvaard ter zake dat hij
“1
hij, op of omstreeks 1 augustus 2014, in de gemeente Maastricht,
opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 23,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 4,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een .materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij, op of omstreeks 1 augustus 2014,
in de gemeente Maastricht,
opzettelijk verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, ongeveer 1,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 2,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of
heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;”
8. Blijkens de kopieën van de processen-verbaal c.a. is op 1 augustus 2014 te Maastricht onder [betrokkene 1] aangetroffen 23,6 gram heroïne en 4,1 gram cocaïne. Voorts heeft hij blijkens die stukken op genoemde datum en plaats aan Jammaers verkocht en afgeleverd 1,9 gram cocaïne en 2,5 gram heroïne.
9. Aan het College van Procureurs-Generaal heb ik verzocht: onderzoek te doen verrichten naar de vraag wie de op 1 augustus 2014 door verbalisanten aangehouden verdachte is geweest. Daarbij heb ik aangegeven dat het onderzoek, voor zover mogelijk, onder meer zou moeten bestaan uit:
- een vergelijking van de destijds van de aangehouden persoon afgenomen vingerafdrukken, voor zover die beschikbaar zijn, met de vingerafdrukken van aanvrager;
- een vergelijking van de foto's van de aangehouden verdachte met de foto van de aanvrager op zijn paspoort (waarvan een kopie is gevoegd bij de aanvraag); en
- het doen horen van zowel de aanvrager als zijn tweelingbroer [betrokkene 1] .
10. Op 22 oktober 2015 ontving ik een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2015 met 2 bijlagen, opgemaakt door [verbalisant] , brigadier van politie Limburg. Dit proces-verbaal houdt het volgende in:
“Op 1 augustus 2014 werd door het DOEN team Maastricht, [betrokkene 1] , geboren te [geboorteplaats] op [...] / [...] /1983 en wonende te [plaats] aan [a-straat 1] , aangehouden als verdacht van handel in harddrugs (zie bijlage 1). Ik, verbalisant, was op dat moment lid van het DOEN team. Een en ander werd toen gerelateerd in proces-verbaal nummer 2014083115. [betrokkene 1] legitimeerde zich middels een geldig Nederlands rijbewijs. De personalia, foto en vingerafdrukken van [betrokkene 1] werden vastgelegd in de Basisvoorziening Identiteitsvoorziening.
Ik, verbalisant, heb de foto van het rijbewijs van [betrokkene 1] , gezien. De foto op het rijbewijs kwam overeen met de aangehouden [betrokkene 1] . Op 1 oktober 2015 heb ik, verbalisant, [betrokkene 1] , aangehouden voor de handel in harddrugs. [betrokkene 1] legitimeerde zich middels een Nederlandse identiteitskaart. De identiteitskaart werd op 5 januari 2015 afgegeven. De personalia van [betrokkene 1] werden vastgelegd in de Basisvoorziening Identiteitsvaststelling. Tevens werd een foto en werden vingerafdrukken genomen middels de identiteitszuil.
De persoon die op 1 oktober 2015 werd aangehouden is dezelfde persoon die op 1 augustus 2014 door het DOEN team werd aangehouden.
Door het Openbaar Ministerie werd in de zaak van 1 augustus 2014 [aanvrager] gedagvaard (zie bijlage 2). [aanvrager] is niet de persoon die op 1 augustus 2014 werd aangehouden.”
11. Uit de inhoud van dit proces-verbaal vloeit het ernstige vermoeden voort dat de politierechter, zou hij daarmee bekend zijn geweest, de aanvrager zou hebben vrijgesproken van hetgeen ten laste van hem is bewezenverklaard.
12. De aanvraag is derhalve gegrond.
13. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, voor zoveel nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG