Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 oktober 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3257.
HR, 16-05-2025, nr. 24/00083
ECLI:NL:HR:2025:751
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-05-2025
- Zaaknummer
24/00083
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:751, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑05‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1152
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:3257
ECLI:NL:PHR:2024:1152, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:751
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑01‑2024
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2025/290
BPR-Updates.nl 2025-0040
JPF 2025/77 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
PFR-Updates.nl 2024-0253
JPF 2025/77 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
Uitspraak 16‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Art. 1:157 BW. Kan verzoek tot verlenging van alimentatietermijn bij inleidende verzoek tot toekenning van partneralimentatie worden gedaan?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/00083
Datum 16 mei 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het (deels voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,
hierna: de man,
advocaat: K. Aantjes,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het (deels voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,
hierna: de vrouw,
advocaat: M.S. van der Keur.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/01/354545 / FA RK 20-90 van de rechtbank Oost-Brabant van 5 november 2021;
b. de beschikking in de zaak 200.306.212/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 oktober 2023.
De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De vrouw heeft - deels voorwaardelijk - incidenteel cassatieberoep ingesteld.
De vrouw heeft verzocht het principale cassatieberoep te verwerpen. De man refereert zich ten aanzien van het middelonderdeel 12.3 van het incidentele cassatieberoep aan het oordeel van de Hoge Raad en heeft overigens geconcludeerd tot verwerping van het incidentele beroep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt zowel in het principale als in het incidentele cassatieberoep tot verwerping.
De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De man en de vrouw zijn in 1970 met elkaar gehuwd.
(ii) Zij zijn in de eerste helft van 2016 gescheiden van elkaar gaan wonen.
2.2
De man heeft op 10 januari 2020 echtscheiding verzocht. Voor zover in cassatie van belang heeft de vrouw in dit geding verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen van € 10.000,-- per maand voor de duur van tien jaar.
2.3
De rechtbank heeft de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de man € 8.857,-- per maand aan de vrouw dient te voldoen vanaf het moment dat de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand zal zijn ingeschreven. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatietermijn tot tien jaar afgewezen.
2.4
Het hof1.heeft voor zover het de partneralimentatie betreft de beschikking van de rechtbank vernietigd en bepaald dat de man aan de vrouw een partneralimentatie zal betalen van € 7.157,-- per maand in de periode van 31 maart 2022, de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven, tot en met 31 december 2022 en € 7.400,-- per maand met ingang van 1 januari 2023.
Het hof heeft de grief van de vrouw tegen de afwijzing van haar verzoek om op voorhand de termijn van betaling van partneralimentatie op grond van art. 1:157 lid 7 BW te verlengen, verworpen. Het heeft daartoe overwogen dat er geen wettelijke basis is voor het op voorhand verlengen van de alimentatietermijn op het moment dat de eerste definitieve vaststelling van de alimentatie plaatsvindt. De vrouw kan een dergelijk verzoek pas bij het verstrijken van de alimentatietermijn doen omdat alleen dan de op dat moment aanwezige relevante en actuele omstandigheden kunnen worden meegenomen in de afweging die art. 1:157 lid 7 BW voorschrijft. (rov. 5.29)
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
4.1
Onderdeel C van het middel klaagt dat onjuist is het oordeel van het hof in rov. 5.29 dat er geen wettelijke basis is voor het op voorhand verlengen van de alimentatietermijn op het moment dat de eerste definitieve vaststelling van de alimentatie plaatsvindt. Art. 1:157 lid 7 BW kent slechts een uiterste vervaldatum, waarna geen verzoek om een aanvullende alimentatietermijn meer kan plaatsvinden. De wet regelt echter niet vanaf welk moment op zijn vroegst een dergelijk verzoek kan worden ingediend, aldus het onderdeel.
4.2
Sinds 1 januari 2020 bepaalt art. 1:157 BW:
“1. Indien de rechter geen termijn heeft vastgesteld, eindigt de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaren.
(…)
7. Indien ongewijzigde handhaving van de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het eerste tot en met vierde lid bedoelde termijn, gelet op alle omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd van degene die recht heeft op die uitkering, kan de rechter op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. Het verzoek daartoe wordt ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging van de uitkering zijn verstreken. De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is.”
4.3
Wat betreft het moment waarop het verzoek tot verlenging van de alimentatietermijn kan worden ingediend, wijkt art. 1:157 lid 7 BW niet wezenlijk af van het voordien geldende art. 1:157 lid 5 (oud) BW, dat hieromtrent bepaalde:
“Het verzoek daartoe dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken.”
4.4
In de wetsgeschiedenis is destijds over deze termijn het volgende opgemerkt:
“De vraag of er grond is voor verlenging van de onderhoudsplicht na het verstrijken van de termijn van 12 jaar, kan door de rechter slechts worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden die zich op dat tijdstip voordoen. Het ligt dan ook voor de hand dat het verzoek tot verlenging wordt gedaan tegen de tijd dat de alimentatie als gevolg van het verstrijken van de termijn van 12 jaar zou eindigen. Van de rechter kan niet worden gevergd dat hij veel eerder een beslissing zou moeten nemen omtrent al dan niet verlenging. Hij zou dan moeten oordelen over een situatie die nog in de toekomst verscholen ligt. Dat zou slechts tot procederen uitlokken. Bovendien kan op deze wijze op de meest zorgvuldige wijze door de rechter aandacht worden geschonken aan de bijzondere omstandigheden van de alimentatiegerechtigde.”2.
4.5
De beslissing over verlenging van de alimentatietermijn vergt een beoordeling van de omstandigheden zoals deze zijn rond het einde van de alimentatietermijn. Daarom moet, overeenkomstig de hiervoor in 4.4 weergegeven toelichting, worden aangenomen dat een dergelijk verzoek niet reeds bij het inleidende verzoek tot toekenning van partneralimentatie kan worden gedaan, maar eerst in het zicht van het einde van de alimentatietermijn. Het onderdeel faalt dus.
4.6
De overige klachten van het middel zijn ingesteld onder de voorwaarde dat het principale cassatieberoep slaagt. Nu deze voorwaarde niet is vervuld, behoeven deze klachten geen behandeling.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale en in het incidentele cassatieberoep:
verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 16 mei 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑05‑2025
Conclusie 01‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Partneralimentatie. Behoeftebepaling volgens hofnorm toegestaan? Verzoek verlenging alimentatietermijn mogelijk bij eerste vaststelling alimentatie?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00083
Zitting 1 november 2024
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de man]
(hierna: de man)
tegen
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
1. Inleiding
1.1
In deze alimentatiezaak tussen gewezen echtgenoten, die zich afspeelt onder de Wet herziening partneralimentatie die vanaf 1 januari 2020 geldt,1.komt de man in zijn principaal cassatieberoep met een reeks motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof over de huwelijksgerelateerde behoefte en de aanvullende behoefte (behoeftigheid) van de vrouw alsmede de draagkracht van de man. Ook voert de man een rechtsklacht aan over de toepassing van de hofnorm.
1.2
Het hof heeft de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vastgesteld volgens de hofnorm, omdat een aanzienlijk deel van het gezinsinkomen (bestaande uit huurinkomsten) contant werd ontvangen en uitgaven veelal contant werden gedaan. Het uitgavenpatroon tijdens het huwelijk kan derhalve niet goed achteraf worden vastgesteld op basis van verificatoire bescheiden.
1.3
Het incidentele cassatieberoep van de vrouw stelt aan de orde de rechtsvraag of art. 1:157 lid 7 BW het mogelijk maakt dat een verzoek tot verlenging van de alimentatietermijn op grond van de hardheidsclausule reeds wordt gedaan ter gelegenheid van de eerste vaststelling van de partneralimentatie, of dat een dergelijk verzoek pas mogelijk is in het zicht van het verstrijken van de alimentatietermijn op grond van art. 1:157 lid 1 t/m 4 BW.
1.4
Tussen partijen is tevens een cassatieprocedure aanhangig over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, waarin ik heden ook concludeer (zaaknummer 24/00335).
2. Feiten en procesverloop
Feiten2.
2.1
De relevante feiten zijn als volgt.
(i) Partijen zijn op 28 december 1970 gehuwd na het sluiten van huwelijkse voorwaarden.
(ii) Partijen zijn in de eerste helft van 2016 gescheiden van elkaar gaan wonen.
(iii) Bij beschikking van 5 november 2021 heeft de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
(iv) De echtscheidingsbeschikking is op 31 maart 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Procesverloop3.
2.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de griffie van de rechtbank op 10 januari 2020, heeft de man verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
2.3
De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en op haar beurt verzocht, voor zover van belang, de man te veroordelen met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand partneralimentatie aan haar te betalen van € 10.000,- bruto per maand voor de duur van tien jaar.
2.4
De man heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandige verzoek van de vrouw.
2.5
Bij beschikking van 5 november 2021 heeft de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder heeft de rechtbank, voor zover van belang, beslist dat de man € 8.857,- per maand partneralimentatie aan de vrouw dient te betalen, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard voor wat betreft de partneralimentatie.
2.6
De man is hiervan in hoger beroep gekomen. Voor zover van belang, heeft de man het hof verzocht het verzoek van de vrouw ten aanzien van de partneralimentatie alsnog af te wijzen.
2.7
De vrouw heeft verweer gevoerd; zij heeft het hof verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn verzoeken ten aanzien van de partneralimentatie af te wijzen. Verder heeft de vrouw incidenteel hoger beroep ingesteld; zij heeft het hof verzocht, voor zover van belang, de beschikking van de rechtbank te vernietigen voor wat betreft haar behoefte, de vastgestelde bijdrage en de afwijzing van haar verzoek tot verlenging van de termijn voor partneralimentatie, en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de behoefte van de vrouw wordt vastgesteld op € 14.696,- netto per maand, en dat de man met ingang van 31 maart 2022 € 10.000,- bruto per maand partneralimentatie aan haar dient te betalen voor de duur van tien jaar.
2.8
De man heeft verweer gevoerd in het incidentele hoger beroep; hij heeft verzocht het hoger beroep van de vrouw ongegrond te verklaren en alle verzoeken van de vrouw af te wijzen.
2.9
Bij beschikking van 5 oktober 20234.(hierna: de bestreden beschikking) heeft het hof ’s-Hertogenbosch de beschikking van de rechtbank van 5 november 2021 vernietigd voor wat betreft de partneralimentatie en, opnieuw beschikkende, bepaald dat de man partneralimentatie zal betalen aan de vrouw van € 7.157,- per maand van 31 maart 2022 t/m 31 december 2022 en € 7.400,- per maand vanaf 1 januari 2023, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard voor wat betreft de met ingang van de datum van de beschikking verschuldigde alimentatietermijnen. De beslissing omtrent de terugbetaling van de door de vrouw teveel ontvangen partneralimentatie is aangehouden, evenals de beslissing over de proceskosten.
2.10
De man is tijdig5.in cassatie gekomen van de bestreden beschikking. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en – deels voorwaardelijk – incidenteel cassatieberoep ingesteld. De man heeft een verweerschrift in het incidentele cassatieberoep ingediend.
3. Bespreking van het principale cassatieberoep
3.1
Het cassatiemiddel in het principale beroep van de man bestaat uit tien onderdelen (I t/m X), waarin met verschillende rechts- en motiveringsklachten wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof over de huwelijksgerelateerde behoefte en de aanvullende behoefte (behoeftigheid) van de vrouw alsmede de draagkracht van de man.
3.2
In onderdeel I klaagt het middel dat het hof blijkens rov. 2.4 (overzicht van ingekomen stukken) ten onrechte niet in zijn oordeel heeft betrokken de brief van de man van 16 maart 2022 met bijlagen, waarin de man ingaat op het op de panden geleden verlies, de kosten van onderhoud, verbouwing, reparatie en renovatie van de panden, en de beweerdelijke beleggingen van de man. Als het hof deze brief met bijlagen in zijn oordeel had betrokken, had dit volgens het middel tot een andere beslissing moeten leiden, met name ten aanzien van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.
3.3
De klacht voldoet niet aan de op grond van art. 426a lid 2 Rv aan een cassatiemiddel te stellen eisen. Het middel vermeldt niet specifiek tegen welke overwegingen de klacht is gericht en waarom het oordeel van het hof in het licht van (welke stellingen uit) de brief van 16 maart 2022 onjuist of onbegrijpelijk is. Daarbij komt nog het volgende. Het middel stelt dat de brief van 16 maart 2022 in het geding in hoger beroep is gebracht, hetgeen zou moeten blijken uit de op die brief voor ontvangst afgegeven stempel door de Centrale Informatie. De brief van 16 maart 2022 met de voor ontvangst afgegeven stempel ontbreekt echter in het procesdossier dat de man heeft overgelegd. Weliswaar bevindt deze brief zich wel in het procesdossier dat de vrouw heeft overgelegd, maar daarop ontbreekt de door het middel genoemde voor ontvangst afgegeven stempel. Ik kan dan ook niet vaststellen dat de brief van 16 maart 2022 met bijlagen daadwerkelijk in het geding in hoger beroep is gebracht.
3.4
In onderdeel II klaagt het middel dat het oordeel van het hof in rov. 5.6 dat het de behoefte van de vrouw slechts kan vaststellen aan de hand van de hofnorm, rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is. Het hof zou hebben miskend dat de vrouw haar actuele behoefte zo concreet mogelijk met concrete gegevens had moeten stellen, toelichten en bewijzen, hetgeen zij zou hebben nagelaten. De vrouw heeft wat betreft het welstandsniveau en uitgavenpatroon van partijen tijdens het huwelijk slechts gesteld dat partijen in luxe leefden en dat alles mogelijk was. Verder is onbegrijpelijk, zo betoogt het middel, dat het hof in rov. 5.6 heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat een aanzienlijk deel van het gezinsinkomen (bestaande uit huurinkomsten) contant werd ontvangen en uitgaven veelal contant werden betaald, nu dit door geen van partijen is gesteld en de huurinkomsten door de zoon van partijen zijn geadministreerd in een boekhouding.
3.5
Voor een goed begrip geef ik het bestreden oordeel weer:
‘5.6. Het hof overweegt als volgt.
De hoogte van behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.
Het inkomen van de man tijdens het huwelijk van partijen bestond voornamelijk uit huurinkomsten uit panden. Tussen partijen is niet in geschil dat een aanzienlijk gedeelte van het gezinsinkomen (de huurinkomsten) contant werd ontvangen en uitgaven veelal contant werden betaald. Het is daarom moeilijk voor de vrouw aan te tonen waaraan (en in welke mate) het inkomen is besteed. De keuze van partijen om huurinkomsten contant te innen en vervolgens ook contant te besteden, leidt ertoe dat hun uitgavenpatroon tijdens het huwelijk niet goed achteraf op basis van verificatoire bescheiden kan worden vastgesteld. Het hof kan, gelet op deze omstandigheden, de behoefte slechts vaststellen aan de hand van de hofnorm. De grieven van de man falen in zoverre.’
3.6
Volgens vaste rechtspraak geldt dat de rechter bij het bepalen van de mede aan de welstand gerelateerde behoefte van de alimentatiegerechtigde rekening dient te houden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk, wat de kosten van levensonderhoud betreft, in redelijkheid aanspraak kan maken. De behoefte zal daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter moeten worden bepaald.6.
3.7
De huwelijksgerelateerde behoefte van de alimentatiegerechtigde kan in kaart worden gebracht door middel van een behoeftelijst, waarin alle (te verwachten) kosten van levensonderhoud worden opgesomd en zoveel mogelijk met stukken onderbouwd. In een poging een zo volledig mogelijk beeld te geven van alle (te verwachten) kosten van levensonderhoud, kan de behoeftelijst al snel overtrokken overkomen.7.In de praktijk leidt dit vrijwel altijd tot een betwisting van (onderdelen van) de behoeftelijst door de alimentatieplichtige. In geval van betwisting zal de rechter de opgevoerde (te verwachten) kosten van levensonderhoud op de behoeftelijst punt voor punt ter zitting met partijen moeten bespreken. Dit leidt in de praktijk nogal eens tot nodeloos escalerende discussies tussen partijen over, al dan niet geringe, individuele posten op de behoeftelijst.8.Het vaststellen van de huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van een behoeftelijst kan voor de rechter een arbeidsintensieve bezigheid zijn.9.
3.8
In verband met de bezwaren die kleven aan een behoeftelijst is in de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de hofnorm of 60%-norm. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen voor het uiteengaan, in voorkomend geval te verminderen met het eigen aandeel in de kosten van de kinderen. Dit bedrag wordt geacht beschikbaar te zijn geweest voor het levensonderhoud van beide partijen. Aangezien een alleenstaande duurder uit is dan een samenwoner, wordt de helft van dit te verdelen inkomen met 20% verhoogd. De behoefte kan derhalve worden gelijkgesteld aan 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen, in voorkomend geval te verminderen met het destijds voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen.10.In het Rapport Alimentatienormen 2024 wordt het gebruik van de hofnorm aanbevolen.11.
3.9
In HR 3 september 201012.is geoordeeld dat het hof, door 60% van het vroegere netto gezinsinkomen als (enige) maatstaf te hanteren voor het bepalen van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, heeft miskend dat de behoefte aan alimentatie in redelijkheid moet worden bepaald met inachtneming van alle door partijen aangevoerde relevante omstandigheden. In aansluiting hierop is in HR 6 juni 201413.geoordeeld dat een globale wijze van bepaling van de behoefte volgens de hofnorm geen dienst kan doen ter verwerping van het betoog van de man dat het uitgavenpatroon van partijen geen representatief beeld verschaft, omdat de behoefte zoveel mogelijk dient te worden bepaald aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud.
3.10
Deze rechtspraak leidt ertoe dat de (verwachte) kosten van levensonderhoud bepaald zullen moeten worden aan de hand van concrete gegevens die besloten liggen in de stellingen van partijen. Althans: ‘zoveel mogelijk’, overweegt de Hoge Raad in beide hiervoor genoemde uitspraken. Dit laat m.i. ruimte om terug te vallen op de hofnorm in gevallen zoals de onderhavige, waarin het voor de rechter niet mogelijk is gebleken op basis van het partijdebat de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan de hand van concrete gegevens te bepalen.14.De rechter doet er verstandig aan om in zijn beschikking te motiveren waarom hij de hofnorm in dit soort gevallen toepast. In welke andere gevallen de toepassing van de hofnorm in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad gerechtvaardigd is, valt buiten het bestek van de onderhavige zaak.
3.11
Anders dan het middel stelt heeft het hof in rov. 5.6 gehandeld binnen de – volgens vaste rechtspraak geldende – kaders voor het bepalen van de behoefte van de alimentatiegerechtigde.15.Het hof heeft – terecht – tot uitgangspunt genomen dat de behoefte van de vrouw zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens moet worden bepaald. In dit geval heeft het hof vastgesteld dat een aanzienlijk deel van het gezinsinkomen (bestaande uit huurinkomsten) contant werd ontvangen en uitgaven veelal contant werden betaald. Het is daarom moeilijk voor de vrouw, zo vervolgt het hof, om aan te tonen waaraan het inkomen is besteed. Hiermee geeft het hof aan dat het aan de vrouw is om haar behoefte te stellen en te onderbouwen, maar dat zij in dit geval daaraan niet kan voldoen. Het uitgavenpatroon tijdens het huwelijk kan in dit geval niet goed achteraf aan de hand van verificatoire bescheiden worden vastgesteld. De conclusie van het hof dat, gelet op deze omstandigheden, de behoefte van de vrouw slechts aan de hand van de hofnorm kan worden vastgesteld, geeft m.i. geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Overigens mocht het hof in dit verband voorbijgaan aan de stelling van de man dat de huurinkomsten zijn geadministreerd in een boekhouding van de zoon van partijen, omdat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat niet alle panden in beheer waren van de zoon.16.
3.12
Het middel bestrijdt ’s hofs overweging in rov. 5.6 dat tussen partijen niet in geschil is dat een aanzienlijk deel van het gezinsinkomen (de huurinkomsten) contant werd ontvangen en dat uitgaven veelal contant werden betaald, doch tevergeefs. Op zichzelf genomen voert het middel terecht aan dat nergens in de procestukken van de zijde van de man uitdrukkelijk wordt erkend dat de inkomsten en uitgaven tijdens het huwelijk grotendeels contant werden ontvangen c.q. betaald. Dat neemt niet weg dat het hof tot deze vaststelling heeft kunnen komen op grond van het partijdebat in eerste en tweede aanleg.Ik wijs op onder andere de volgende stellingen van de vrouw:- ‘De huur werd contant bij de achterdeur betaald, daar deed de vrouw de boodschappen van.’17.- ‘Het werd zwart verhuurd, dat was mijn portemonnee.’18.- ‘De huur kwam elke maand via de achterdeur contant bij mij binnen. Daar leefden we van.’19.- ‘De man haalde ook bij andere huurders contant de huur op. In de keukenla lag altijd geld.’20.Verder wijs ik op onder andere de volgende stellingen van de man:- ‘Hij is een contantenman.’21.- ‘Wel heeft de man gesteld dat hij er niet aan ontkwam om vaak met contante betalingen tewerken, omdat hij vaak werkte met mankrachten (meestal gepensioneerden) die slechts bereidwaren te werken tegen contante betalingen niet op naam.’22.- ‘Dat de man veel contant afrekent rechtvaardigt niet de conclusie dat de administratieonbetrouwbaar is, laat staan dat de man gerommeld heeft met facturen.’23.
3.13
De klachten van onderdeel II falen.
3.14
In onderdeel III keert de man zich tegen het oordeel van het hof in rov. 5.17 dat, in het kader van de aanvullende behoefte van de vrouw, geen rekening wordt gehouden met het feit dat de man de [woning] om niet in gebruik heeft gegeven aan de vrouw. Volgens het middel is deze redenering ondeugdelijk en verwart het hof de huwelijksgerelateerde behoefte met de aanvullende behoefte (behoeftigheid) van de vrouw. Dat de vrouw op deze manier om niet woont, betekent volgens het middel dat de behoeftigheid van de vrouw vermindert.
3.15
Anders dan het middel, zie ik niet dat het hof in rov. 5.17 of elders in de bestreden beschikking de huwelijksgerelateerde behoefte heeft verward met de aanvullende behoefte (behoeftigheid) van de vrouw. In rov. 5.17 brengt het hof de aanvullende behoefte van de vrouw in kaart, waarbij wordt nagegaan in hoeverre de vrouw in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. In dat verband houdt het hof rekening met het feitelijke inkomen van de vrouw (AOW-uitkering en ABP-pensioen). Dat inkomen strekt in mindering op de in rov. 5.14 vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw; wat overblijft levert de aanvullende behoefte van de vrouw op. Hierbij spelen de woonlasten van de vrouw geen rol, hetgeen verklaart waarom het hof bij het bepalen van de aanvullende behoefte geen rekening houdt met het feit dat de man een woning om niet in gebruik geeft aan de vrouw.
3.16
Voor zover met het middel zou worden aangenomen dat het om niet in gebruik geven van een woning aan de vrouw wel relevant is bij het bepalen van de aanvullende behoefte van de vrouw, kan dat de man nog steeds niet baten. Het hof mocht aan deze omstandigheid sowieso voorbijgaan nu de man heeft gesteld dat hij zich alle rechten voorbehoudt om de overeenkomst van bruikleen ter zake van de woning in de toekomst op te zeggen.24.
3.17
Onderdeel IV heeft betrekking op het oordeel van het hof in rov. 5.12 dat bij het bepalen van de exploitatiekosten van de panden, die in mindering strekken op de bruto huurinkomsten uit die panden, geen rekening wordt gehouden met de door de man opgevoerde kosten die normaliter voor rekening van de huurder moeten komen (zoals gas, water en licht), omdat de man deze kosten kan doorbelasten aan de huurders. Volgens het hof heeft de man zijn stelling dat hij deze kosten niet heeft doorbelast dan wel dat hij dit met de huurders niet was overeengekomen, niet onderbouwd.
3.18
Allereerst voert het middel (p. 3, onder 1) aan dat het bij het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte van de alimentatiegerechtigde gaat om wat tijdens het huwelijk door partijen werkelijk werd ontvangen en uitgegeven, en niet wat van partijen te dien aanzien verwacht had mogen worden. Het hof zou dit hebben miskend door te overwegen dat de man de kosten die normaliter voor rekening van de huurder moeten komen (zoals gas, water en licht) maar niet aan hen heeft doorbelast, aan de huurders had kunnen doorbelasten.
3.19
De klacht faalt. Bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen van de man tijdens het huwelijk (rov. 5.10 e.v.) is het hof in rov. 5.12 uitgegaan van ‘het netto besteedbaar inkomen dat partijen feitelijk genereerden tijdens het refertejaar, 2015’, waarbij het hof het (op het rapport van [deskundige] gebaseerde) standpunt van de vrouw dat de man een hogere bruto huur zou kunnen genereren – terecht – heeft verworpen. Het middel gaat uit van een verkeerde lezing van ’s hofs oordeel, waar het betoogt dat het hof bij de exploitatiekosten rekening heeft gehouden met de kosten voor gas, water en licht omdat de man deze kosten kan doorbelasten aan de huurders. Ik begrijp de overweging in rov. 5.12 aldus, dat, uitgaande van de gebruikelijke situatie waarin de kosten voor gas, water en licht worden doorbelast aan de huurder, het hof van oordeel is dat de man zijn stelling dat hij deze kosten niet heeft doorbelast dan wel dat hij dit met de huurders niet was overeengekomen, niet heeft onderbouwd. Dat oordeel is niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk.
3.20
Verder voert het middel (p. 3, onder 1a) aan dat het oordeel van het hof in rov. 5.12 om geen rekening te houden met de door de man opgevoerde kosten die normaliter voor rekening van de huurder moeten komen (zoals gas, water en licht), is ontleend aan het tweede rapport van [deskundige] , terwijl een duidelijk standpunt van de vrouw hierover ontbreekt. De vrouw zou hebben volstaan met de opmerking dat zij zich schaart achter de inhoud van het rapport; zij zou hebben nagelaten om duidelijk te maken op welke punten zij het rapport ten grondslag legt aan haar standpunt. Volgens het middel had het hof het tweede rapport van [deskundige] niet in zijn beoordeling mogen betrekken.
3.21
De klacht gaat eraan voorbij dat het oordeel van het hof over het doorbelasten van de kosten van gas, water en licht niet is gebaseerd op het tweede rapport van [deskundige] . Het hof heeft deze kosten niet betrokken als exploitatiekosten, omdat uitgaande van de gebruikelijke situatie waarin deze kosten worden doorbelast aan de huurder (zoals blijkt uit het tweede rapport van [deskundige] ), de man zijn stelling dat hij dat niet heeft gedaan dan wel dat hij dat met de huurders niet was overeengekomen, niet heeft onderbouwd. Daarbij komt nog het volgende. Voor zover in de stellingen van de vrouw in eerste en tweede aanleg al niet het standpunt besloten ligt dat bij de exploitatiekosten geen rekening moet worden gehouden met de door de man opgevoerde kosten voor gas, water en licht, geldt dat de man in zijn brief van 14 april 2023 expliciet heeft gereageerd op de in het tweede rapport van [deskundige] vermelde passage dat de kosten voor gas, water en licht doorbelast kunnen worden aan de huurders. Hieruit valt af te leiden dat ook in de visie van de man, de vrouw de genoemde passage in het tweede rapport van [deskundige] aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd.
3.22
Verder betoogt het middel (p. 4, onder 1b) dat het hof bij het in kaart brengen van de exploitatiekosten van de panden in rov. 5.12 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de brief van de man van 14 april 2023. In deze brief zou de man hebben onderbouwd waarom hij de kosten voor gas, water en licht niet heeft doorbelast en ook niet heeft kunnen doorbelasten aan de huurders. Bovendien zou het hof ten onrechte zijn voorbijgegaan aan het bewijsaanbod dat de man in dit verband heeft gedaan.
3.23
Ik stel het volgende voorop. In rov. 2.4 noemt het hof bij de ingekomen stukken de brief van de man van 14 april 2023 met bijlagen. Uit rov. 5.12 volgt dat het hof ook kennis heeft genomen van deze brief. Voor zover van belang, heeft de man in deze brief het volgende standpunt ingenomen:
‘ [deskundige] heeft in zijn rapport opgemerkt het niet terecht te vinden dat de energiekosten opgevoerd worden als kosten van verhuur. De man verzet zich tegen dat standpunt.
De man heeft een ruime vrijheid om te beslissen hoe hij zijn vermogen belegt. In die vrijheid heeft de man er voor gekozen om geen huurverhogingen door te voeren en geen kosten GWL met huurders te verrekenen. Zo (geen huurverhoging, geen afrekening GWL) is altijd het beleid geweest van de man evenals van de zoon bij het verhuren. Zo is dus ook altijd het beleid geweest tijdens de samenwoning van partijen. Dat er ook tijdens de samenwoning geen huurverhogingen en geen afrekeningen gwl plaatsvonden is te zien in de grootboekmutatiekaarten van [A] Beheer BV (= vennootschap van de [zoon] waarmee hij beheer over panden voerde) in de financiële ordners t/m 2017.
De man biedt op dit punt bewijs aan door middel van getuigenverhoor. De in de grootboekmutatiekaarten genoemde huurders van die jaren alsmede de [zoon] alsmede de man zelf kunnen deze jarenlange gang van zaken als getuigen bevestigen. (…)
De man voert dat beleid van verhuren aldus, omdat het om oude panden gaat en hij tevreden huurders wil houden en geen problemen wil oproepen met hen bijv. over de staat van het gehuurde. Daarnaast is het zo dat diverse appartementen geen eigen meter hebben en een afrekening in feite dus vrijwel ondoenlijk is (…).De man wijst op het beleid van de huurcommissie om het door de huurder verschuldigde bedrag voor gwl op een zeer laag bedrag vast te stellen indien verhuurder geen duidelijke specificatie die betrekking heeft op het individuele gebruik van de huurder, kan verstrekken. Dat zou betekenen dat de man nog een deel van ontvangen voorschotten aan huurders zou moeten terugbetalen. (…)’.
3.24
Het hof heeft in deze brief geen voldoende onderbouwing gelezen voor de stelling van de man dat hij de kosten voor gas, water en licht niet heeft doorbelast aan de huurders dan wel dat hij dit met de huurders niet was overeengekomen. In deze brief onderbouwt de man zijn stelling dat hij geen kosten voor gas, water en licht met de huurders verrekende/afrekende met een algemene verwijzing naar ‘de financiële ordners t/m 2017’. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof dit als een onvoldoende onderbouwing beschouwd, mede in aanmerking genomen de grote hoeveelheid (pagina’s aan) producties die de man heeft overgelegd.
3.25
Uitgaande van ’s hofs oordeel dat de man zijn stelling met betrekking tot de kosten voor gas, water en licht niet heeft onderbouwd, kon het hof voorbijgaan aan het bewijsaanbod van de man.
3.26
De klachten van onderdeel IV falen.
3.27
Onderdeel V keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 5.12 dat het niet onredelijk is om, in navolging van het rapport van [deskundige] , voor de kosten van onderhoud van de panden rekening te houden met een niet ongebruikelijke gemiddelde kostenafslag van 11% op de bruto huur, ofwel een bedrag van € 15.503,29 per jaar. Naar het middel betoogt is dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van de man over de kosten van onderhoud van de panden.
3.28
Het middel (p. 5 t/m 7, onder 1 t/m 6) wijst op stellingen van de man waaruit zou moeten blijken dat hij in 2015 een totaalbedrag van € 46.827,65 heeft uitgegeven voor de exploitatie van de panden. Het middel betoogt, naar mijn mening tevergeefs, dat het hof aan deze stellingen ten onrechte is voorbijgegaan.
3.29
In rov. 5.12 zet het hof uiteen waarom de berekening van de man met betrekking tot de exploitatiekosten niet wordt gevolgd: (i) de man heeft de bezwaren van de vrouw over de door de man gevoerde boekhouding en gevolgde berekeningswijze niet althans onvoldoende weerlegd; (ii) de door de man genoemde kosten zijn deels niet onderbouwd; (iii) facturen ontbreken; (iv) niet is te traceren waar de contanten voor grote bedragen die per kas worden betaald vandaan komen; en (v) kosten die normaliter voor rekening van de huurder moeten komen (gas, water en licht) worden door de man als kosten van de verhuurder vermeld. Hieruit volgt dat het hof de in het middel genoemde stellingen van de man in zijn oordeelsvorming heeft betrokken, maar deze, na te hebben afgezet tegen de betwisting door de vrouw, heeft verworpen. De motivering die het hof hiervoor geeft lijkt mij afdoende.25.
3.30
Voorts noemt het middel (p. 7, onder 7) dat de man in zijn brief van 14 april 2023 gemotiveerd heeft bestreden dat gerekend kan worden met de in het rapport van [deskundige] genoemde kostenafslag van 11%, dat deze berekening niet kan worden gemaakt zonder eerst de panden te hebben gezien, en dat bij deze berekening rekening moet worden gehouden met de staat van de panden. Verder noemt het middel dat de man bij brief van 17 april 2023 een e-mail met bijlagen in het geding heeft gebracht van [makelaar 1] (makelaar en gecertificeerd vastgoeddeskundige), waarin hij onder andere stelt dat de panden (in [plaats] ) oud zijn, zodat met veel hogere beheerskosten rekening moet worden gehouden dan in het rapport van [deskundige] wordt genoemd, en dat grote investeringen nodig zijn voor renovatie en verduurzaming van de panden. Het middel betoogt dat het hof de inhoud van deze brieven ten onrechte niet in zijn oordeelsvorming heeft betrokken.
3.31
De klacht faalt. Aangezien de brieven van 14 en 17 april 2023 geen onderbouwende stukken bevatten voor de stelling van de man dat van hogere exploitatiekosten voor de panden dient te worden uitgegaan, kon het hof aan de inhoud van deze brieven voorbijgaan. In deze brieven heeft het hof kennelijk geen (overtuigende) onderbouwing gezien van voormelde stelling van de man. Bovendien volgt uit de e-mail van [makelaar 1] dat zijn verklaring betrekking heeft op de actuele omstandigheden in 2023, terwijl het hof in het kader van de vaststelling van het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2015 de exploitatiekosten van de panden in dat jaar moest vaststellen.26.
3.32
Concluderend: het hof heeft de berekening van de man van de exploitatiekosten van de panden niet gevolgd en is, in navolging van het rapport van [deskundige] dat de vrouw ten grondslag heeft gelegd aan haar standpunt, uitgegaan van een niet ongebruikelijke gemiddelde kostenafslag van 11% op de bruto huur, ofwel een bedrag van € 15.503,29 per jaar. Dat oordeel is, gelet op het voorgaande, niet onbegrijpelijk.
3.33
De klachten van onderdeel V falen.
3.34
Onderdeel VI ziet op het oordeel van het hof in rov. 5.12 met betrekking tot het rendement uit de beleggingsportefeuille van de man. Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man in het jaar 2015 heeft het hof rekening gehouden met een rendement van € 1.320,- op jaarbasis. De klacht houdt in, kort gezegd, dat het hof heeft miskend dat de man verlies heeft geleden op zijn beleggingsportefeuille en dat het positief eindresultaat van de beleggingen in 2015 het gevolg is van een bijstorting van de man waarmee het hof geen rekening heeft gehouden.
3.35
De klacht faalt. Blijkens rov. 5.12 heeft het hof rekening gehouden met de bijstorting van de man. Volgens het hof betekent die bijstorting echter niet dat de man in 2015 verlies heeft geleden op zijn algehele beleggingsportefeuille. Ik begrijp dit oordeel aldus, dat, nu de man zelf geen inzicht heeft gegeven in het daadwerkelijk gerealiseerde rendement in 2015, het hof op basis van de IB-aangifte 2015 van de man is uitgegaan van een algehele waardevermeerdering van de aandelenportefeuille in 2015 met € 33.012,- om vervolgens op basis van een fictief rendement van 4% uit te komen op een bedrag van € 1.320,- op jaarbasis. Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het hof hierbij van oordeel geweest dat door de man niet inzichtelijk is gemaakt of en, zo ja, in hoeverre de algehele waardestijging het gevolg is geweest van de bijstorting van de man.
3.36
Onderdeel VII keert zich tegen rov. 5.21 waarin het hof de draagkracht van de man heeft vastgesteld. Het hof heeft vooropgesteld dat bij het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige het niet alleen aankomt op het inkomen dat hij verwerft maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te kunnen verwerven. Het hof heeft de man niet gevolgd in zijn standpunt dat de gemiddelde huurinkomsten uit de panden in de jaren 2020 t/m 2022 € 69.014,- per jaar bedragen. Vervolgens heeft het hof uiteengezet waarom de man in staat moet worden geacht om dezelfde huurinkomsten uit de panden te generen zoals hij dat tijdens de huwelijkse samenleving heeft gedaan. Op basis van de door de man gestelde huurinkomsten in 2015 (zie rov. 5.12) is het hof, na indexatie, uitgekomen op een bruto huuropbrengst van € 155.033,- per jaar.
3.37
Het middel (p. 8, onder 1) keert zich tegen de overweging van het hof (rov. 5.21) dat de man zijn stellingen over de staat van (onderhoud van) de panden en de daaraan door hem verbonden (financiële) gevolgen niet inzichtelijk heeft onderbouwd, en dat de stelling van de man dat niet alle panden verhuurd werden geen doel treft. Volgens het middel is het hof ten onrechte voorbijgegaan aan de stellingen van de man, kort gezegd, dat de panden wegens de slechte staat van onderhoud al geruime tijd niet zijn verhuurd, dat aanzienlijke investeringen nodig zijn om de panden weer verhuurbaar te maken terwijl de man daarvoor geen financiële middelen heeft, en dat bij verhuur van de panden (als gevolg van wetgeving inzake maximale huurprijzen) de huurinkomsten vele malen lager zullen zijn dan die waarvan het hof is uitgegaan. Deze stellingen van de man zouden zijn gebaseerd op verschillende bewijsstukken, zoals verklaringen van [architect], [makelaar 2] en [makelaar 1] en een aanschrijving bestuursdwang.
3.38
De klacht faalt. Uit rov. 5.21 leid ik af dat het hof, zonder alle stellingen en bewijsstukken van de man expliciet te benoemen, rekening heeft gehouden met het hiervoor weergegeven standpunt van de man. Het hof heeft de stellingen van de man beoordeeld en afgewezen. Zo overweegt het hof dat de man zijn stellingen over de staat van (onderhoud van) de panden niet inzichtelijk heeft onderbouwd. De man heeft slechts verwezen naar de in de ordners opgenomen stukken, maar die stukken verder niet toegelicht. Dat had wel voor de hand gelegen, omdat de vrouw het standpunt van de man (met verwijzing naar het rapport van [deskundige] ) gemotiveerd heeft weersproken.27.
3.39
De weging van de bewijsstukken die de man in het geding heeft gebracht (zie 3.37), is voorbehouden aan de feitenrechter; m.i. heeft het hof deze stukken niet onjuist op waarde gewogen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het hof van oordeel geweest dat deze stukken geen voldoende onderbouwing bieden voor het hiervoor weergegeven standpunt van de man. Hierbij is van belang dat de overgelegde stukken hetzij verouderd zijn en geen betrekking hebben op de periode 2022, hetzij beknopt zijn en geen onderbouwing bevatten van de daarin vermelde conclusies over de staat van onderhoud van de panden. Bovendien heeft de vrouw betwist dat de panden in slechte staat verkeren en niet worden verhuurd. Ook heeft zij aangevoerd dat het onwaarschijnlijk is dat de panden niet worden verhuurd, terwijl de man wel hoge kosten voor onderhoud van de panden aanvoert.28.
3.40
Voor zover het middel nog aanvoert dat het hof onvoldoende rekening heeft gehouden met de ruime beleidsvrijheid die de man heeft bij het verhuren van de panden, in het bijzonder zijn keuze om de gebruikerslasten niet volledig bij de huurders in rekening te brengen en geen huurverhoging door te voeren, geldt het volgende. Op zichzelf genomen betoogt het middel terecht dat de man als verhuurder van de panden een ruime vrijheid heeft ten aanzien van de huurvoorwaarden. Aan de andere kant geldt dat de man als alimentatieplichtige wel mag worden aangesproken op de keuzes die hij als verhuurder heeft gemaakt. Immers, bij het bepalen van de draagkracht van de man komt het niet alleen aan op het inkomen dat hij verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs te kunnen verwerven.29.Tegen deze achtergrond heeft het hof in rov. 5.21 terecht geoordeeld dat de keuzes die de man als verhuurder heeft gemaakt voor zijn rekening en risico komen.
3.41
Voorts klaagt het middel (p. 10, onder 2) dat het hof bij de draagkracht van de man ten onrechte is uitgegaan van de in het rapport van [deskundige] genoemde kostenafslag van 11%. Het middel voert hiervoor het volgende aan. Ook voor het jaar 2022 heeft de man een ordner met berekeningen van huurinkomsten en kosten overgelegd, waaruit blijkt dat in dat jaar de kosten (exclusief gas, water, licht en beheer) € 18.611,21 en de bruto huurinkomsten € 71.374,59 bedragen. Uitgaande van de in het rapport van [deskundige] genoemde onderhoudskosten van 5% van de bruto huurinkomsten bedragen de totale kosten dan € 26.362,86 (exclusief gas, water, licht en beheer). Het hof zou dit hebben miskend door in rov. 5.21 uit te gaan van € 155.033,- bruto huuropbrengsten en (11% van € 155.033,- =) € 17.053,63 exploitatiekosten voor het jaar 2022.
3.42
De klacht faalt. Het middel verzuimt de vindplaats in de processtukken te vermelden waaruit zou blijken dat de man in feitelijke instanties heeft aangevoerd en onderbouwd dat de kosten in 2022 € 26.362,86 bedragen. Een verwijzing naar een ‘ordner met berekeningen van huurinkomsten en kosten’ voor het jaar 2022 is daarvoor onvoldoende. Ook het hof heeft de man hierop afgerekend (rov. 5.21: ‘De man heeft zijn stellingen over …’ t/m ‘… weerlegd.’).
3.43
Voor zover het middel klaagt dat het hof de man ten onrechte niet heeft gevolgd in zijn stelling dat moet worden uitgegaan van € 71.374,59 aan huurinkomsten voor het jaar 2022, geldt het volgende. Dit standpunt van de man is gebaseerd op de gegevens die hij heeft aangereikt in de ordner over het jaar 2022. Het hof is in rov. 5.21 hieraan voorbijgegaan met de volgende motivering: ‘Hij heeft slechts verwezen naar de in de ordners opgenomen stukken, maar die stukken heeft hij niet nader toegelicht, zijn door de vrouw weersproken en door [deskundige] van commentaar voorzien dat hij niet althans onvoldoende heeft weerlegd.’ Dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk.
3.44
Het middel (p. 10, onder 3) bestrijdt voorts ‘s hofs overweging in rov. 5.21 dat van de man, die zich al decennia beroepsmatig met de verhuur van panden bezighoudt, verwacht mag worden dat hij in staat is langdurige leegstand te voorkomen. Het middel voert de volgende klacht aan. Gesteld noch gebleken is dat de man de panden beroepsmatig verhuurt. Het hof houdt geen rekening met de slechte staat van onderhoud van de panden en het ontbreken van middelen van de man om de panden in verhuurbare staat te brengen. Evenmin houdt het hof rekening met de leeftijd van de man (75 jaar).
3.45
Ook als met het middel wordt aangenomen dat de man niet beroepsmatig panden verhuurt, maar het privébeleggingen van de man betreft, blijft ’s hofs overweging overeind dat van de man als ervaren verhuurder – met een groot aantal panden in eigendom30.– de nodige inspanningen verwacht kunnen worden om huurinkomsten uit de panden te genereren teneinde te kunnen voldoen aan zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw. In zoverre faalt de klacht.
3.46
De klacht dat het hof geen rekening heeft gehouden met de slechte staat van onderhoud van de panden, betreft een herhaling van een eerdere klacht die faalt.31.
3.47
De klacht dat het hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het ontbreken van middelen van de man om de panden in verhuurbare staat te brengen, faalt eveneens. In rov. 5.21 heeft het hof vastgesteld dat de man blijkens zijn IB-aangifte 2021 een box 3-vermogen heeft van € 1.114.085,-. Kennelijk is de gedachte van het hof geweest, dat van de man als alimentatieplichtige verwacht mag worden dat hij (een deel van) zijn box 3-vermogen aanwendt (bijvoorbeeld door het verkopen van een of meer panden) om de panden in verhuurbare staat te brengen. Dat oordeel is alleszins begrijpelijk.
3.48
Ook de klacht dat het hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de leeftijd van de man faalt. Het middel noemt geen vindplaats waar de man deze stelling in feitelijke instanties zou hebben betrokken. Afgezien daarvan geldt het volgende. Nu de man ook nog op 75-jarige leeftijd panden in eigendom heeft, kan van hem verwacht worden, zo is kennelijk ’s hofs gedachte geweest, dat hij deze panden behoorlijk beheert of laat beheren om daaruit huurinkomsten te genereren met het oog op zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
3.49
Verder klaagt het middel (p. 11, onder 4) dat de overweging van het hof in rov. 5.21 dat een beperkte mate van leegstand reeds wordt verdisconteerd in de exploitatiekosten onbegrijpelijk is. Volgens het middel is algemeen bekend dat leegstand extra kosten met zich brengt. Bovendien zou het hof buiten de rechtsstrijd van partijen zijn getreden, omdat de vrouw noch [deskundige] in zijn rapport naar voren heeft gebracht dat een beperkte mate van leegstand wordt verdisconteerd in de exploitatiekosten.
3.50
De klacht faalt. Allereerst geldt dat het oordeel van het hof dat, in het kader van de draagkracht van de man, geen rekening wordt gehouden met extra kosten in verband met leegstand van de panden, is gebaseerd op de zelfstandige overweging dat van de man verwacht mag worden dat hij als ervaren verhuurder in staat is langdurige leegstand te voorkomen. Deze overweging houdt in cassatie stand.32.Verder geldt dat het hof niet buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, aangezien in het tweede rapport van [deskundige] (p. 1) – waar de vrouw naar heeft verwezen33.– rekening is gehouden met een correctie wegens leegstand.
3.51
De klachten van onderdeel VII falen.
3.52
Onderdeel VIII ziet op de overweging van het hof in rov. 5.21 met betrekking tot de AOW-uitkering van de man. Bij de berekening van de draagkracht van de man heeft het hof, onder verwijzing naar productie 22 bij de stukken van de man van 11 april 2023, rekening gehouden met een AOW-uitkering van € 26.792,- bruto per jaar. Volgens het middel is deze overweging onbegrijpelijk, omdat een AOW-uitkering voor een alleenstaande in 2024 ongeveer € 18.500,- bruto per jaar bedraagt. Het middel verwijst hiervoor naar de website van de rijksoverheid.
3.53
Uit productie 2234.van de man in hoger beroep (jaaropgave 2022 van de SVB) volgt dat de man in 2022 aan AOW-uitkering een bedrag van € 26.792,- heeft ontvangen. Bij de berekening van de draagkracht van de man mocht het hof van dit daadwerkelijk ontvangen bedrag uitgaan. Het middel vermeldt geen vindplaats in de processtukken waaruit zou blijken dat de man in feitelijke instanties heeft gesteld dat de AOW-uitkering in 2022 lager was of dat de AOW-uitkering in 2022 niet representatief was. De klacht faalt dan ook.
3.54
De klacht in onderdeel IX keert zich tegen rov. 5.26, waarin het hof overweegt dat het thans nog niet kan beoordelen of en in hoeverre van de vrouw gevergd kan worden dat zij het teveel aan alimentatie ontvangen bedrag aan de man dient terug te betalen. Het hof heeft de beslissing daarover aangehouden totdat in het kader van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen de financiële positie van partijen duidelijk is geworden. De klacht houdt in dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, nu de vrouw niet heeft aangevoerd dat een beslissing tot terugbetaling van te veel ontvangen alimentatie ingrijpende gevolgen voor haar zal hebben.
3.55
Nu het hof de alimentatie met ingang van een vóór zijn uitspraak (5 oktober 2023) gelegen datum (31 maart 2022) op een lager bedrag heeft vastgesteld (€ 7.157,- per maand van 31 maart 2022 t/m 31 december 2022 en € 7.400,- per maand vanaf 1 januari 2023) dan de rechtbank (€ 8.857,- per maand vanaf 31 maart 2022), rustte op het hof de verplichting om aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting voor de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard. Bij die beoordeling was het hof niet afhankelijk van een door de vrouw gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.35.Anders gezegd, het hof was gehouden om uit zichzelf te beoordelen of van de vrouw gevergd kan worden dat zij te veel ontvangen alimentatie aan de man dient terug te betalen.
3.56
Het hof heeft in rov. 5.26 ervoor gekozen om de beoordeling van een eventuele terugbetaling van te veel ontvangen alimentatie aan te houden totdat is beslist in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak tussen partijen die bij het hof aanhangig is onder zaaknummers 200.317.874/01 en 200.317.561/01.36.Nu de afloop in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak van invloed is op de financiële positie van partijen, kan ik de beslissing van het hof tot aanhouding van de zaak voor wat betreft een eventuele terugbetalingsverplichting van te veel ontvangen alimentatie goed volgen. De klacht is tevergeefs voorgesteld.
3.57
Onderdeel X betreft een voortbouwklacht en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
3.58
De slotsom is dat geen van de klachten van het principale cassatieberoep slaagt.
4. Bespreking van het incidentele cassatieberoep
4.1
De onderdelen A en B van het incidentele cassatieberoep van de vrouw zijn ingesteld onder de voorwaarde dat het principale cassatiemiddel van de man slaagt. Nu deze voorwaarde niet in vervulling is gegaan, behoeven de onderdelen A en B geen bespreking. Onderdeel C bevat een onvoorwaardelijke klacht.
4.2
In onderdeel C komt de vrouw op tegen rov. 5.29 van de bestreden beschikking, luidende als volgt:
‘Het hof overweegt als volgt.
Art. 1:157 lid 7 BW bepaalt dat, indien ongewijzigde handhaving van de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het eerste tot en met vierde lid bedoelde termijn, gelet op alle omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd van degene die recht heeft op die uitkering, de rechter op diens verzoek alsnog een termijn kan vaststellen. Het verzoek daartoe wordt ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging van de uitkering zijn verstreken. De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is.
Er is geen wettelijke basis voor het op voorhand reeds verlengen van de alimentatietermijn op het moment dat de eerste definitieve vaststelling van de alimentatie plaatsvindt. De vrouw kan een dergelijk verzoek pas bij het verstrijken van de alimentatietermijn aanvragen omdat alleen dan de op dat moment alle aanwezige relevante en actuele omstandigheden kunnen worden meegenomen in de afweging die art. 1:157 lid 7 BW voorschrijft. Grief 1 van de vrouw in incidenteel hoger beroep faalt dan ook.’
4.3
Het middel (p. 33, onder 1) klaagt dat het hof hiermee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het middel miskent het hof dat art. 1:157 lid 7 BW slechts een uiterste vervaldatum geeft voor het indienen van een verzoek om verlenging van de alimentatietermijn, maar niet regelt vanaf welk moment een dergelijk verzoek op zijn vroegst kan worden gedaan. In het middel wordt het standpunt ingenomen dat een verzoek om verlenging van de alimentatietermijn op grond van de hardheidsclausule van art. 1:157 lid 7 BW ook ter gelegenheid van de eerste vaststelling van de partneralimentatie kan worden gedaan.37.Ik deel dit standpunt niet en leg dat als volgt uit.
4.4
Gelet op de datum van het inleidende verzoekschrift van de man (10 januari 2020) wordt de onderhavige zaak bestreken door de op 1 januari 2020 in werking getreden Wet herziening partneralimentatie.38.Met deze wet is onder andere beoogd om de duur van de partneralimentatie van maximaal twaalf jaren onder de voorheen geldende wetgeving (art. 1:157 lid 4 (oud) BW) terug te brengen tot in beginsel vijf jaren. In het gewijzigde art. 1:157 lid 1 BW is tot uitgangspunt genomen dat, indien de rechter geen termijn heeft vastgesteld, de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud na echtscheiding van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaren. Deze verkorting van de duur van partneralimentatie is als volgt toegelicht:
‘Een maximale termijn van twaalf jaar wordt als onrechtvaardig ervaren en weerhoudt ex-partners ervan om na een scheiding het eigen leven op te pakken. Bovendien is de lange alimentatieduur niet bevorderlijk voor de economische zelfstandigheid van de alimentatiegerechtigde. Tot slot kan de huidige maximale duur zorgen voor strijd en onvrede tussen de ex-partners, wat de kans op procedures en vechtscheidingen vergroot.’39.
4.5
Op het uitgangspunt in het gewijzigde art. 1:157 lid 1 BW wordt in de leden 2 t/m 4 van dit artikel een aantal uitzonderingen gemaakt voor bijzondere gevallen die leiden tot een langere duur van de partneralimentatie dan vijf jaren. In de onderhavige zaak gaat het om de meer algemene uitzondering in het zevende lid van art. 1:157 BW, de hardheidsclausule. Het zevende lid luidt als volgt:
‘Indien ongewijzigde handhaving van de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het eerste tot en met vierde lid bedoelde termijn, gelet op alle omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd van degene die recht heeft op die uitkering, kan de rechter op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. Het verzoek daartoe wordt ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging van de uitkering zijn verstreken. De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is.’
4.6
In de wetgeving vóór 1 januari 2020 kwam de hardheidsclausule ook voor, maar dan in andere bewoordingen. Zie het vijfde lid van art. 1:157 (oud) BW:
‘Indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, kan de rechter op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken. De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is.’
4.7
Aan een beroep op de hardheidsclausule van art. 1:157 lid 5 (oud) BW werden hoge eisen gesteld.40.Dit had tot gevolg dat een beroep op de hardheidsclausule in de wetgeving vóór 1 januari 2020 vaak niet slaagde.41.
4.8
4.9
Bij amendement van de leden Van Nispen en Van Toorenburg is een wijziging in art. 1:157 lid 6 BW van het wetsvoorstel voorgesteld, waarmee is beoogd het strenge toetsingskader van art. 1:157 lid 5 (oud) BW te versoepelen.43.Dit amendement is overgenomen in het wetsvoorstel,44.hetgeen heeft geleid tot de huidige tekst van art. 1:157 lid 7 BW. Hiermee is de maatstaf voor de beoordeling van een beroep op de hardheidsclausule in de nieuwe wetgeving versoepeld.
4.10
Ten aanzien van het tijdstip waarop een verzoek tot verlenging van de alimentatietermijn uiterlijk moet worden gedaan, heeft art. 1:157 BW (op een redactioneel punt na)45.geen wijziging ondergaan. Zowel volgens art. 1:157 lid 7 BW als art. 1:157 lid 5 (oud) BW geldt dat een verlengingsverzoek op grond van de hardheidsclausule wordt ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging van de uitkering zijn verstreken. Dit betreft een vervaltermijn waarbinnen een verzoek tot verlenging van de alimentatietermijn uiterlijk moet worden ingediend.
4.11
Art. 1:157 BW, zowel in de voormalige als de huidige versie, geeft niet aan wanneer een verzoek tot verlenging van de alimentatietermijn op grond van de hardheidsclausule op zijn vroegst kan worden ingediend.
4.12
In de parlementaire geschiedenis van art. 1:157 lid 5 (oud) BW is aandacht besteed aan de vraag op welk moment een verlengingsverzoek op grond van de hardheidsclausule kan worden gedaan. Ik wijs op de volgende passage uit de memorie van toelichting:
‘De vraag of er grond is voor verlenging van de onderhoudsplicht na het verstrijken van de termijn van 12 jaar, kan door de rechter slechts worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden die zich op dat tijdstip voordoen. Het ligt dan ook voor de hand dat het verzoek tot verlenging wordt gedaan tegen de tijd dat de alimentatie als gevolg van het verstrijken van de termijn van 12 jaar zou eindigen. Van de rechter kan niet worden gevergd dat hij veel eerder een beslissing zou moeten nemen omtrent al dan niet verlenging. Hij zou dan moeten oordelen over een situatie die nog in de toekomst verscholen ligt. Dat zou slechts tot procederen uitlokken. Bovendien kan op deze wijze op de meest zorgvuldige wijze door de rechter aandacht worden geschonken aan de bijzondere omstandigheden van de alimentatiegerechtigde.’46.
4.13
In lijn met deze toelichting zou ik menen dat de aard van de hardheidsclausule zich verzet tegen het door het middel verdedigde standpunt dat een verzoek om verlenging van de alimentatietermijn op grond van de hardheidsclausule op een eerder moment dan in het zicht van het einde van de in art. 1:157 lid 1 t/m lid 4 BW genoemde alimentatietermijn kan worden gedaan. Bij de beoordeling van een verlengingsverzoek zal de rechter rekening moeten houden met alle omstandigheden van het geval ten tijde van zijn beslissing, om te voorkomen dat de beslissing niet voldoet aan de actuele behoefte van de alimentatiegerechtigde en de actuele draagkracht van de alimentatieplichtige. Het door het middel verdedigde standpunt zou ertoe leiden dat de rechter bij de beoordeling van een verlengingsverzoek dat is gedaan ter gelegenheid van de eerste vaststelling van de partneralimentatie, vooruit zou moeten lopen op omstandigheden in de toekomst, die aan wijziging onderhevig kunnen zijn.
4.14
Dit geldt ook wanneer bij de eerste vaststelling van de partneralimentatie al duidelijk is dat de alimentatiegerechtigde niet in staat zal zijn in de voor hem geldende alimentatietermijn economische zelfstandigheid te verwerven, bijvoorbeeld omdat de onderhoudsgerechtigde volledig arbeidsongeschikt of ernstig chronisch ziek is geraakt, zodanig dat van meet af aan vrijwel zeker vaststaat dat hij na afloop van de alimentatietermijn niet in zijn eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.47.Nog daargelaten dat niet kan worden uitgesloten dat de financiële situatie van de alimentatiegerechtigde in de toekomst zou kunnen verbeteren, bijvoorbeeld door het verkrijgen van een erfenis, is het lastig te voorspellen of de draagkracht van de alimentatieplichtige toereikend zal zijn om de alimentatie voor de toekomst, in de verlengde periode, te blijven betalen.
4.15
Indien (onverhoopt) met het middel zou moeten worden aangenomen dat een verzoek tot verlenging van de alimentatietermijn op grond van de hardheidsclausule wel mogelijk is bij de eerste vaststelling van de partneralimentatie, geldt dat het de rechter vrij staat om het verlengingsverzoek af te wijzen omdat hij zich onvoldoende in staat acht om te beoordelen of ongewijzigde handhaving van de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in art. 1:157 lid 1 t/m 4 BW bedoelde termijn, gelet op alle omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd van de alimentatiegerechtigde. Het nadeel van deze benadering is dat zij, in de woorden van de hiervoor aangehaalde memorie van toelichting, tot procederen zal uitlokken.
4.16
Dit brengt mij tot de conclusie dat art. 1:157 lid 7 BW zich ertegen verzet dat op een eerder moment dan in het zicht van het einde van de alimentatietermijn bedoeld in art. 1:157 lid 1 t/m 4 BW een verzoek tot verlenging van de alimentatietermijn op grond van de hardheidsclausule wordt gedaan, omdat de rechter anders niet met inachtneming van alle actuele omstandigheden aan de zijde van zowel de alimentatiegerechtigde (behoefte) als de alimentatieplichtige (draagkracht) kan beoordelen of ongewijzigde handhaving van de beëindiging van de alimentatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd van de alimentatiegerechtigde.
4.17
Gelet op het voorgaande heeft het hof in rov. 5.29 naar mijn mening terecht geoordeeld dat geen wettelijke basis aanwezig is voor het op voorhand reeds verlengen van de alimentatietermijn op het moment dat de eerste definitieve vaststelling van de alimentatie plaatsvindt. De daartegen gerichte klacht van het middel faalt.
4.18
Verder klaagt het middel (p. 34, onder 2) dat, als het oordeel van het hof zou inhouden dat het verzoek om de alimentatietermijn op grond van de hardheidsclausule op voorhand te verlengen in dit geval niet toewijsbaar is, dat oordeel onjuist of onbegrijpelijk is. Het hof gaat immers niet in, zo betoogt het middel, op de inhoudelijke argumenten die de vrouw heeft aangevoerd waaruit zou blijken dat op voorhand de alimentatietermijn met vijf jaar verlengd dient te worden.
4.19
Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof is in rov. 5.29 niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verlengingsverzoek van de vrouw op grond van de hardheidsclausule in art. 1:157 lid 7 BW, omdat dat verzoek in de visie van het hof pas kan worden gedaan bij (of, zo voeg ik daaraan toe, in het zicht van) het verstrijken van de alimentatietermijn op grond van art. 1:157 lid 1 BW.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping, zowel in het principale als in het incidentele cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑11‑2024
Wet herziening partneralimentatie, Stb. 2019, 283.
De feiten zijn ontleend aan rov. 3.2 t/m 3.5 van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3257.
Zie rov. 2.1 t/m 2.6 van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2023 en rov. 1.1 t/m 1.7 van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 5 november 2021.
Hof ’s-Hertogenbosch 5 oktober 2023, zaaknummer 200.306.212/01. Op dezelfde datum heeft het hof ook een beschikking afgegeven in de zaken met nummers 200.317.874/01 en 200.317.561/01 (ECLI:NL:GHSHE:2023:3258) over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen. Tegen die beschikking is ook cassatieberoep ingesteld, waarin ik vandaag eveneens conclusie neem (zaaknummer 24/00335).
De procesinleiding is op 5 januari 2024 via het webportaal ingediend ter griffie van de Hoge Raad.
Zie o.a. HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM2379, NJ 2004/140, rov. 3.4; HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050, NJ 2010/473, rov. 3.4; HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1336, NJ 2014/298, rov. 3.4.
M.J.A van Mourik, L.C.A. Verstappen & W. Burgerhart, Handboek Scheiding deel B, 2020/6.6.6; M.L.C.C. Lückers, Alimentatieverplichtingen (Monografieën (echt)scheidingsrecht, deel 4), 2020/5.1.1, p. 35.
Rapport Alimentatienormen 2024, p. 16; M.L.C.C. Lückers, ‘Stellen, betwisten en uitleggen in alimentatiezaken’, EB 2024/52, p. 139; W.D. Kolkman e.a., Alimentatie van nu. Acceptatie van alimentatie in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen, 2021, p. 61.
A.N. Labohm, ‘Wet herziening partneralimentatie door de bril van de rechter’, EB 2019/81, p. 184; K.M. Braun/J.M. de Groot, ‘Reactie op aanbevelingen voor het berekeningssysteem van partneralimentatie in het rapport Alimentatie van nu’, FJR 2021/42, p. 189.
Zie Asser/Kolkman & Salomons 1-II 2023/643; Rapport Alimentatienormen 2024, p. 16.
Rapport Alimentatienormen 2024, p. 11.
HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050, NJ 2010/473, rov. 3.4.
HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1336, NJ 2014/298, rov. 3.5.2.
In dezelfde zin A-G Langemeijer in zijn conclusie, nr. 2.16, voor HR 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:312, RvdW 2018/343.
Zie 3.6 van mijn conclusie.
Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 26 april 2023, p. 5.
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 7 mei 2021, p. 6.
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 7 mei 2021, p. 6.
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 26 april 2023, p. 3.
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 26 april 2023, p. 5.
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 26 april 2023, p. 8.
Appelschrift, p. 18.
Verweerschrift in incidenteel appel, p. 23.
Zie rov. 5.17 van de bestreden beschikking en p. 4 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 26 april 2023.
Overigens heeft de man in dit verband nog aangevoerd dat hij niet verplicht was een administratie van zijn box 3-inkomen bij te houden omdat hij geen onderneming voerde. Het hof is hieraan terecht voorbijgegaan: op de alimentatieplichtige rust de verplichting om zijn financiële positie inzichtelijk te maken (rov. 5.12).
Overigens merk ik nog op dat de verklaring van [makelaar 1] alleen betrekking heeft op de panden in [plaats] , terwijl de man ook panden in andere plaatsen heeft (zie o.a. IB-aangifte 2018, productie 42, eerste aanleg, zijdens de man).
Zie o.a. verweerschrift tevens houdende incidenteel appel, nr. 11.
Zie verweerschrift tevens houdende incidenteel appel, nr. 11.
Zie bijvoorbeeld HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:311, NJ 2023/97, rov. 3.4.
Zie o.a. IB-aangifte 2018 (productie 42, eerste aanleg, zijdens de man); overzicht van panden met WOZ-waarde (productie 50, eerste aanleg, zijdens de man); proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 7 mei 2021, p. 2-3.
Zie 3.37 t/m 3.39 van mijn conclusie.
Zie 3.44 en 3.45 van mijn conclusie.
Zie het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel, nrs. 9 en 10.
In het productieoverzicht bij V6-formulier van 11 april 2023 zijdens de man per abuis aangeduid als productie 23.
HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1081, RvdW 2020/786, rov. 3.2.2.
Tegen de beslissing van het hof in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak is door de man cassatieberoep ingesteld. Heden concludeer ik ook in die zaak (zaaknummer 24/00335).
Dit standpunt wordt ook verdedigd door R. van Coolwijk, ‘Wet herziening partneralimentatie door de bril van een advocaat’, FJR 2019/44, p. 206 en C. Verfuurden, ‘Partneralimentatie in 2020’, Advocatenblad 2020/1.24, p. 58.
Wet van 18 juli 2019 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van enige andere wetten in verband met de herziening van het stelsel van partneralimentatie, Stb. 2019, 283. Op grond van art. V van deze wet blijft art. 1:157 (oud) BW van toepassing op een uitkering tot levensonderhoud, die voor 1 januari 2020 door de rechter is vastgesteld of tussen partijen is overeengekomen, en op een verzoek tot vaststelling of wijziging van een uitkering tot levensonderhoud, indien het inleidende verzoekschrift is ingediend voor 1 januari 2020.
Zie HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3928, NJ 2009/136, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3.1-3.3.2.
Zie o.a. S.F.M. Wortmann, Groene Serie Personen- en familierecht, art. 1:157 BW, aant. 30; M.C. Appünn, ‘Wet stelselherziening partneralimentatie – wat staat ons te wachten op 1 januari 2020’, VFP 2019/81, p. 5.
Art. 1:157 lid 5 BW (oud) BW bepaalt: ‘(…) Het verzoek daartoe dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken. (…)’. Art. 1:157 lid 7 BW bepaalt: ‘(…) Het verzoek daartoe wordt ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging van de uitkering zijn verstreken. (…)’.
Het voorbeeld is ontleend aan de toelichting bij het amendement van de leden Van Nispen en Van Toorenburg, Kamerstukken II 2018-2019, 34 231, nr. 15, p. 2.
Beroepschrift 05‑01‑2024
PROCESINLEIDING (verzoekzaak) IN CASSATIE BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Verzoeker tot cassatie is: [de man], wonende te [woonplaats], te dezer zake domicilie kiezende te Rijswijk ZH aan de Haagweg nr. 108 (2282 AE), ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. K. Aantjes, die ten deze tot advocaat bij de Hoge Raad wordt aangewezen om hem in cassatie te vertegenwoordigen en als zodanig wordt gesteld (art. 426a Rv);
Verweerster in cassatie is: [de vrouw], wonende te ([postcode]) [woonplaats], aan de [adres], in de vorige instantie van deze zaak uitdrukkelijk domicilie gekozen hebbende te Hengelo, aan de Demmersweg 41 — 14 (7556 BN), ten kantore van haar advocaat mr. M. van Vliet;
Verzoeker stelt hierdoor beroep in cassatie in tegen de beschikking van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch op 5 oktober 2023 onder zaaknummer 200.306.212/01 tussen partijen gewezen en richt zich tegen die beschikking met het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, door te overwegen en op grond daarvan te beslissen als in voormeld arrest weergegeven, zulks om de navolgende, mede in onderlinge samenhang te lezen redenen:
I
Dit middelonderdeel richt zich tegen rov. 2.4, waarin het hof verzuimt de brief met producties HB 6 t/m HB 10 d.d. 16 maart 2022 zijdens de man te benoemen en in zijn oordeel te betrekken. Dat deze het hof heeft bereikt, blijkt uit het op die brief door de Centrale Informatie voor ontvangst afgegeven stempel. In die brief wordt gemotiveerd en gedocumenteerd ingegaan op het op de panden geleden verlies, de kosten van onderhoud, verbouwingen, reparaties en renovaties, alsmede de beweerdelijke beleggingen door de man. Het hof heeft die brief met bijlagen ten onrechte niet in zijn oordeel betrokken, terwijl als het dat wel zou hebben gedaan, zulks tot een ander oordeel had moeten nopen, met name voor wat betreft de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw als de draagkracht van de man.
II
Dit middelonderdeel richt zich tegen r.o. 5.6 (en 5.14), waarin het hof, zakelijk weergegeven, heeft overwogen dat het de behoefte van de vrouw slechts kan vaststellen aan de hand van de hofnorm (en deze heeft vastgesteld op het naar 2022 geïndexeerde bedrag van € 7.655,00 netto per maand). Die overweging is rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, met voorbijgaan aan ter zake essentiële stellingen van de man.
Nadere uitwerking en toelichting
1.
In hoger beroep heeft de man er in meerdere grieven1. erover geklaagd, dat de vrouw haar stellingen over haar behoefte niet heeft gemotiveerd en evenmin heeft onderbouwd. Het hof heeft miskend, dat de vrouw haar actuele behoefte zo concreet mogelijk met concrete gegevens had moeten stellen en toe te lichten en te bewijzen, hetwelk de vrouw heeft nagelaten. Zo heeft zij wat betreft het welstandsniveau en het uitgavepatroon slechts gesteld
- —
dat partijen in luxe leefden;2.
- —
dat partijen in luxe leefden en dat alles kon.3.
Meer dan dat heeft zij niet gesteld, noch onderbouwd. Het door haar in hoger beroep genoemde bedrag van € 13.000,00 per maand is een slag in de lucht.
Uitgangspunt is (zoals het hof blijkens de eerste volzinnen van r.o. 5.6 ook heeft onderkend) dat de hoogte van de behoefte van de vrouw mede is gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk, dat er bij de bepaling van de hoogte van de behoefte rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden en dat dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavepatroon in diezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd en dat de behoefte daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten — en gelet op de welstand redelijke — kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. Het hof heeft zich echter niet aan deze (toch ook door hem zelf weergegeven) regelen gehouden.
2.
Onbegrijpelijk is de overweging (in r.o. 5.6) dat tussen partijen niet in geschil is dat een aanzienlijk gedeelte van het gezinsinkomen (huurinkomsten) contant werd ontvangen en uitgaven veelal contant werden betaald (en dat de keuze van partijen om huurinkomsten contant te innen en vervolgens ook contant te besteden, ertoe leidt dat hun uitgavenpatroon tijdens het huwelijk niet goed achteraf op basis van verificatoire bescheiden kan worden vastgesteld). In de eerste plaats is door geen van partijen gesteld dat de huurinkomsten tijdens het samenwonen contant werden ontvangen. Bovendien werden de huurinkomsten in de jaren door de zoon geadministreerd in een boekhouding (waarover hieronder nader). Over de huurinkomsten en de hoogte daarvan tijdens de samenwoning van partijen bestond en bestaat dus geen discussie tussen partijen. Daarnaast wil het feit dat mogelijk huurinkomsten contant werden ontvangen, nog niet zeggen dat ook de privé-uitgaven contant werden gedaan. Dat laatste is evenmin door een van partijen gesteld.
III
Dit middelonderdeel richt zich tegen r.o. 5.17, waarin het hof heeft overwogen en beslist dat het geen rekening houdt met het feit dat de man de woning aan de [a-straat 01] te [a-plaats]4. om niet aan de vrouw in gebruik heeft gegeven. De redengeving is ondeugdelijk — het hof verwart de huwelijksgerelateerde behoefte met de behoeftigheid van de vrouw. Bovendien laat het feit dat de vrouw aldus gratis woont geen andere conclusie toe, dan dat dat haar behoeftigheid vermindert/
IV
Dit middelonderdeel richt zich tegen r.o. 5.12, waarin het hof, zakelijk weergegeven (onder meer) heeft overwogen dat het hof geen rekening houdt met de kosten die normaliter voor rekening van de huurder moeten komen, zoals gas, water en licht, omdat de man deze kosten kan doorbelasten aan de huurders en dat de man de stelling dat hij dat niet heeft gedaan, dan wel dat hij met de huurders dat niet was overeengekomen, niet heeft onderbouwd. Deze overweging is rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, met voorbijgaan aan ter zake essentiële stellingen van de man.
Nadere uitwerking en toelichting
1.
R.o. 5.12 is een overweging in het kader van de behoefte. Dan gaat het dus om wat in het refertejaar 2015 werkelijk werd ontvangen en uitgegeven en niet wat van partijen te dien aanzien verwacht had mogen worden. Het hof heeft dat miskend door te overwegen dat de man de kosten van gas, water en licht aan de huurders ‘kan doorbelasten’.
1.a.
In hoger beroep heeft de vrouw een tweede rapport van [deskundige] in het geding gebracht, waarin deze stelde dat de man de kosten van gas, water en licht zou kunnen doorberekenen aan de huurders. De vrouw heeft daaromtrent zelf niets expliciet gesteld, maar volstaan5. met de opmerking dat het standpunt en de bevindingen van [deskundige] als de hare te lezen en als herhaald en ingelast moesten worden beschouwd.6. Als producties in het geding worden gebracht, zal de betreffende partij echter niet alleen moeten aangeven, wat die producties inhouden en waarom op die producties acht zou moeten worden geslagen, maar bovendien ontslaat dat de betreffende partij niet van de verplichting om in het betreffende processtuk zelf de voor de beslissing van belang zijnde feiten op deugdelijke wijze naar voren te brengen, met andere woorden: te voldoen aan haar stel- en substantiëringsplicht (art. 21 Rv.). Zie ook HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008: BE7628, waarin de Hoge Raad (in r.o. 4.2.3) heeft overwogen en beslist:
‘4.2.3
De (appel)rechter dient een op zichzelf ter zake dienend verweer in zijn beoordeling te betrekken — in hoger beroep: binnen de in het appelexploot getrokken grenzen en met inachtneming van de devolutieve werking van het appel — indien dit verweer redelijkerwijs kenbaar is voor de wederpartij en de rechter.
Met verweer dat is gevoerd in een bij conclusie of akte overgelegde productie zal rekening moeten worden gehouden, indien uit de conclusie of akte, mede in verband met de eerdere gedingstukken, voldoende kenbaar is dat de betrokken partij de inhoud van die productie mede als verweer naar voren wil brengen en uit de productie voldoende duidelijk blijkt welk verweer aldus wordt gevoerd.’
Het moet dan ook wel gaan om behoorlijk ontwikkelde en onderbouwde stellingen, waarvan de relevantie dadelijk duidelijk moet zijn, met name ook in voldoende mate voor de wederpartij onder de aandacht moet zijn gebracht (vgl. § 48 van de conclusie van A-G Huydecoper vóór dit arrest). Zoals mr Hammerstein het heeft verwoord in zijn conclusie voor HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1767, onder randnr. 9:
‘De wederpartij moet zich naar behoren kunnen verweren en behoeft er geen genoegen mee te nemen dat in een processtuk de inhoud van de bijlagen als herhaald en ingelast wordt beschouwd. Daarmee wordt de procedure een grabbelton waaruit naar believen argumenten kunnen worden geput. Beide partijen moeten duidelijke en kenbare gronden aanvoeren voor de positie die zij innemen. Ik verwijs naar artikel 111 Rv, tweede lid, aanhef en onder d, en naar uw arrest van 10 juli 2009.7. De dagvaarding bevat de eis en de gronden daarvan. Artikel 149 lid 1 Rv schrijft voor dat de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen die in het geding te zijner kennis zijn gekomen of gesteld. Hieruit vloeit voort dat een partij een duidelijk en kenbaar beroep moet doen op rechtsfeiten. De rechter behoeft niet een eigen onderzoek te doen naar hetgeen in de overgelegde producties is neergelegd dan voor zover daarnaar in de processtukken duidelijk wordt verwezen. Dat de rechter dat met enige welwillendheid moet doen en ruimte moet laten, lijkt mij juist. Dat is hier niet de kwestie waarom het draait. Voor diepgaande beschouwingen over dit onderwerp verwijs ik naar het proefschrift van De Bock.8.’
Aan die eisen is in casu niet voldaan en het hof had het tweede rapport van [deskundige] dan ook niet in zijn beoordeling mogen betrekken.
1.b.
In zijn brief aan het hof van 14 april 2023 heeft de man gereageerd op het (tweede) rapport van [deskundige]. In de laatste alinea op pagina 6 heeft de man uitgelegd dat en waarom hij de kosten van gas, water en licht niet doorbelast en ook niet heeft kunnen doorbelasten aan de huurders, in verband met de slechte staat van onderhoud van de woningen. Op pagina 6, laatste alinea en pagina 7 heeft de man (onbetwist) gesteld dat er ook in 2015 geen kosten zijn doorberekend aan de huurders en dat zulks is te zien op de door de man overgelegd grootboekkaarten uit de door de zoon van partijen bijgehouden administratie (die het beheer voerde in 2015), waaruit blijkt dat er van de huurders geen vergoedingen voor gas, water en licht werden ontvangen, en voorts bewijs aangeboden door middel van het horen als getuigen van de op die grootboekkaarten genoemde huurders, de zoon van de man en de man zelf. In de ordner van het jaar 2015 heeft de man bewijsstukken (door hem betaalde facturen) overgelegd, waaruit blijkt dat de man in 2015 een bedrag van € 10.218,83 aan gas, water en licht heeft betaald. Dat de man die facturen heeft betaald, is door de vrouw niet betwist. Op pagina 7, bovenaan heeft hij aangegeven dat de diverse appartementen geen eigen meter hebben en het doorbelasten van gas, water en licht daardoor feitelijk ondoenlijk is, met verwijzing naar het beleid van de huurcommissie om het door de huurder verschuldigde bedrag voor gas, water en licht op een zeer laag bedrag vast te stellen indien de verhuurder geen duidelijke specificatie die betrekking heeft op het individuele gebruik van de huurder kan verstrekken. Ten onrechte heeft het hof met deze stellingen geen rekening gehouden, terwijl, indien het dat wel zou hebben gedaan, zulks tot een ander oordeel had moeten leiden. Daarmee is door de man (tevens) in voldoende mate onderbouwd, waarom hij de kosten van gas, water en licht niet heeft doorbelast en ook niet heeft kunnen doorbelasten, hetgeen ook raakt aan hetgeen het hof omtrent de draagkracht van de man (r.o. 5.21 e.v.) heeft overwogen, welke overwegingen reeds om die reden niet in stand kunnen blijven. Daarenboven heeft de man ter zake uitdrukkelijk getuigenbewijs aangeboden,9. hetgeen door het hof ten onrechte is gepasseerd. En tenslotte heeft de vrouw in het geheel niet betwist dat de man de kosten van gas, water en licht niet heeft doorbelast.
V
Dit middelonderdeel richt zich (eveneens) tegen r.o. 5.12, waarin het hof, zakelijk weergegeven, heeft overwogen dat het het niet onredelijk acht om, in navolging van [deskundige], voor de kosten van onderhoud van de panden rekening te houden met een niet ongebruikelijk gemiddelde kostenafslag op de bruto huur van 11%, ofwel een bedrag van € 15.503,29 per jaar (en dat dit betekent dat het hof in 2015 uitgaat van een bedrag van € 125.435,71 aan huurinkomsten). Deze overweging is onbegrijpelijk, met voorbijgaan aan ter zake essentiële stellingen van de man.
Nadere uitwerking en toelichting
1.
In de ordner van het jaar 2015 heeft de man bewijsstukken (door hem betaalde facturen) overgelegd, waaruit blijkt dat de man in 2015 een bedrag van € 10.218,83 aan gas, water en licht heeft betaald. Dat de man die facturen heeft betaald, is door de vrouw niet betwist.
2.
De man heeft onbetwist gesteld10. dat hij in 2015 voor een bedrag van ruim € 15.500 rente heeft betaald aan de Rabobank, zijnde de voldoening van een schuld op de kredietrekening, waarvan een bedrag van € 6.273,21 is toegerekend aan de exploitatie van de panden (en de rest als rente voor de echtelijke woning). De vrouw heeft dat niet betwist, sterker, zij heeft zich op het standpunt gesteld11. dat de man de betreffende rekening van de Rabobank gebruikte voor het beheer van zijn panden. Ten onrechte heeft het hof met die rente geen rekening gehouden (en daaraan zelfs geen overweging gewijd).
3.
Daarnaast heeft de man uitdrukkelijk gesteld12. dat hij een schuld had aan het Restauratiefonds waarvoor hij in 2015 een bedrag van € 4.647,60 heeft betaald, waarvan hij ook bewijsstukken in het geding heeft gebracht.13. Ook dat is door de vrouw niet betwist en ten onrechte heeft het hof daarmee geen rekening gehouden (en daar ook geen overweging aan gewijd).
4.
Daarenboven heeft de man stukken overgelegd,14. waaruit blijkt dat de man in 2015 een bedrag van € 5.959,24 heeft betaald aan gemeentelijke belastingen over de panden. Ook dat is door de vrouw niet betwist. Ten onrechte heeft het hof dat niet in zijn overwegingen betrokken (en daar ook geen overweging aan gewijd).
5.
Daarnaast heeft de man bewijsstukken overgelegd15., 16. waaruit blijkt dat de zoon in 2015 een bedrag van € 6.821,46 voor beheersvergoeding heeft verrekend met de huur. Ook dat is door de vrouw niet betwist. Ten onrechte heeft het hof dat niet in zijn overwegingen betrokken (en daar ook geen overweging aan gewijd).
6.
Daarnaast heeft de man een bedrag van € 45.899,69 opgevoerd voor onderhoudskosten in het jaar 2015.17. [deskundige] heeft in zijn tweede rapport aangegeven18. dat de man in 2015 de onderhoudskosten voor een bedrag van € 12.907,31 met een factuur heeft de onderhoudskosten voor een bedrag van € 12.907,31 met een factuur heeft onderbouwd, zodat voor 2015 ten minste rekening had moeten worden gehouden met onderhoudskosten tot dat bedrag.
Aldus heeft het hof ten onrechte geen rekening gehouden met de navolgende uitgaven in 2015:
rente en aflossing voor de panden | € 10.920,81 |
beheersvergoeding zoon | 6.821,46 |
gemeentelijke belastingen | 5.959,24 |
kosten van gas, water en licht | 10.218,83 |
onderhoudskosten, ten minste | 12.907,31 |
Totaal | € 46.827,65 |
hetgeen dus aanmerkelijk meer is dan de som van € 15.503,29 waarmee het hof rekening heeft willen houden.
7.
In de brief aan het hof van 14 april 2023 heeft de man uitdrukkelijk en gemotiveerd bestreden,19. dat gerekend kan worden met 11% kostenafslag, zoals door [deskundige] benoemd. Uitdrukkelijk is gesteld dat een dergelijke berekening niet gemaakt en conclusie niet getrokken kunnen worden zonder de panden gezien te hebben en zonder rekening te houden met de ouderdom van de panden en de staat daarvan. Bij brief van 17 april 2023 heeft de man als productie 31 HB een e-mail met bijlagen in het geding gebracht, van de hand van de heer [makelaar 1], makelaar te [b-plaats] en gecertificeerd vastgoeddeskundige en onder meer vastgoedbeheerder, waarin de heer [makelaar 1] (zoals in voornoemde brief is aangegeven) heeft aangegeven:
- —
dat hij de panden in [b-plaats] kent;
- —
dat het om oude panden gaat die gesplitst zijn wat volgens de huidige bouwbesluiteisen (ivm energie en brandwerendheid) grote bouwkundige investeringen met zich brengt.
- —
dat voor deze oude panden niet met het Flux programma gerekend kan worden
- —
dat los daarvan met veel hogere beheerskosten rekening gehouden moet worden als door Mr [deskundige] wordt gedaan en dat professionele huurders dergelijke ouder panden veelal niet meer aannemen
- —
dat ook met ca € 500 per pand per jaar rekening gehouden moet worden als kosten van wederverhuur
- —
dat geen van de panden een energielabel heeft, hetgeen formeel een vereiste is voor verhuur en dat handhaving wordt voorbereid met forse boetes hierop.
- —
dat grote investeringen nodig zijn voor renovatie en verduurzaming
- —
dat verkoop op dit moment een zeer onaantrekkelijke positie lijkt
Daarenboven is in voornoemde brief aangegeven dat hetgeen de heer [makelaar 1] heeft geschreven over het ontbreken van een energielabel voor de panden in [b-plaats], ook geldt voor de panden buiten [b-plaats] (met verwijzing naar productie HB33). Ten onrechte heeft het hof dat alles niet in zijn oordeel betrokken (en er ook geen overweging aan gewijd) terwijl, als het dat wel zou hebben gedaan, zulks tot een ander oordeel had moeten nopen.
VI
Dit middelonderdeel richt zich (evenzeer) tegen r.o. 5.12, waarin het hof, zakelijk weergegeven, heeft overwogen dat het geen rekening houdt met het rendement uit de beleggingsportefeuille en uitgaat van een waardevermeerdering in 2015 van € 33.012,00 en, met een fictief rendement van 4% rekent, hetgeen afgerond neerkomt op € 1.320,0 op jaarbasis. Deze overweging is onbegrijpelijk, met voorbijgaan aan ter zake essentiële stellingen van de man.
Nadere uitwerking en toelichting
1.
De man heeft bij brief van 17 maart 2021 als productie 41 een overzicht met betrekking tot zijn beleggingen overgelegd, waaruit volgt dat in 2015 is begonnen met een waarde van beleggingen van € 57.587,37, dat de man in dat jaar € 63.545,80 heeft bijgestort, dat er een verlies is geleden van € 30.502,86, dat er een bedrag van € 31,00 aan kosten is gerekend en dat aldus de totale eindwaarde in dat jaar uitkomt op € 90.599,31. Ten onrechte heeft het hof geen rekening gehouden met voornoemde bijstorting. Anders dan het hof heeft overwogen is er aldus geen sprake van een waardevermeerdering van € 33.012,00, maar een verlies van € 30.502,86.
VII
Dit middelonderdeel richt zich tegen r.o. 5.21, waarin het hof, samengevat weergegeven, heeft overwogen dat de man zijn stellingen over de staat van (onderhoud van) de panden en de daar door hem aan verbonden (financiële) gevolgen, niet inzichtelijk heeft onderbouwd, dat de stelling van de man dat niet alle panden zijn verhuurd, geen doel treft, omdat in een overspannen woningmarkt waarvan thans al jaren sprake is, van leegstand geen sprake hoeft te zijn, en dat een beperkte mate van leegstand reeds verdisconteerd is in de exploitatiekosten en het hof dan ook met extra kosten in verband met leegstand geen rekening houdt, waaruit het hof concludeert dat de man in staat moet worden geacht om dezelfde huurinkomsten te genereren zoals hij dat tijdens de huwelijkse samenleving heeft gedaan. Deze overwegingen zijn rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, met voorbijgaan aan ter zake essentiële stellingen van de man.
Nadere uitwerking en toelichting
1.
Verwezen wordt allereerst naar hetgeen hiervóór ten aanzien van de behoefte is aangevoerd. In het verweerschrift in eerste aanleg, pagina's 22 e.v., heeft de man uitvoerig uiteengezet dat sprake is van een drastische terugloop en leegstand en wat de reden daarvoor is. Aangegeven is onder meer, dat in de jaren 2017 en 2018 slechts zeer geringe inkomsten zijn gegenereerd, in het jaar 2019 een verlies en ook de jaren daarna een verlies laten zien. De situatie van de panden en de verhuur is slecht en de man heeft daaruit dan ook geen inkomsten. Wegens de slechte staat waarin de panden verkeren, zijn deze al geruime tijd niet verhuurd, waarvan de man bewijsstukken A t/m D bij brief aan het hof van 3 april 2023 heeft overgelegd en toegelicht (bewijsstuk C aanvullend bij brief van 11 april 2023). Zoals daarin aangegeven, zijn de panden onverhuurbaar en zijn aanzienlijke investeringen nodig om deze verhuurbaar te maken, waarvoor de financiële middelen ontbreken. De man heeft als productie 8 een rapport van architect [architect] overgelegd, die de staat van de verschillende panden heeft opgenomen en heeft bevestigd dat deze onverhuurbaar zijn wegens de slechte staat van onderhoud. Betreffende de appartementen in Tilburg zijn aanpassingen c.q. verbeteringen noodzakelijk in verband met brandveiligheid en instortingsgevaar. Overgelegd is als productie 9 een aanschrijving met aankondiging bestuursdwang om de aanpassingen/gebreken aan te brengen/te herstellen. Het geld daarvoor ontbreekt. De panden zijn daarnaast matig tot slecht geïsoleerd en voldoen niet meer aan de daaraan te stellen eisen. Daarnaast heeft de man een rapport van makelaar [makelaar 2] overgelegd,20. die de panden eveneens heeft bezocht en heeft bericht dat de leegstaande panden onverhuurbaar zijn wegens de slechte staat. Tevens is verwezen naar de mail met bijlagen van makelaar [makelaar 1], overgelegd bij brief van 14 april 2023 als productie HB 31 (hiervoor genoemd), waarin deze heeft aangegeven dat hij de panden in [b-plaats] kent, dat het erg oude panden zijn, dat de leegstaande panden gerenoveerd en verduurzaamd moeten worden, hetgeen hij inschat op minimaal € 40.000,00 per appartement. Anders dan [deskundige], die de panden helemaal niet heeft bezien, heeft makelaar [makelaar 2] de panden bezocht en berekend wat op grond van de huidige wetgeving omtrent huurprijzen de maximaal redelijke huurprijzen voor de panden zouden zijn (de gebreken weggedacht, dus uitgaande van de fictie dat deze wel verhuurbaar zouden zijn). De panden (althans de meeste daarvan) staan nu leeg. Als de man deze weer zou verhuren (hypothetisch, want deze zijn nu onverhuurbaar) krijgt de man met die maximaal redelijke huurprijzen te maken en komt hij vele malen lager uit dan de totale huurinkomsten die het hof bij de draagkracht als uitgangspunt heeft genomen.21. Voorts heeft de man (onbetwist) gesteld dat de man tijdens de samenwoning van partijen hetzelfde beleid (nl. van het niet doorvoeren van kosten en de huurverhogingen) heeft gevoerd en dat beleid heeft voortgezet,22. en dat de man een ruime beleidsvrijheid heeft hoe hij zijn vermogen belegt (in dit verband: verhuren, maar het niet doorvoeren van kosten en huurverhogingen), waarvoor de man een alleszins plausibele reden had en heeft, namelijk de slechte stat van onderhoud van de panden en het desondanks trachten huurders te behouden (waar hij zelf nota bene ook financieel nadeel van ondervindt).23. Ten onrechte heeft het hof dat alles niet in zijn overweging betrokken, terwijl, als het dat wel zou hebben gedaan, zulks tot een ander oordeel had moeten nopen. Het hof heeft aan die stellingen (ten onrechte) geheel geen aandacht heeft en daar geen woord aan heeft gewijd, en is in tegendeel (evenzeer ten onrechte) uitgegaan van dezelfde huurinkomsten als in 2015, ook nog eens geïndexeerd, waarbij het hof (eveneens ten onrechte) geen rekening houdt met de door [makelaar 2] genoemde maximaal redelijke huurprijzen (zonder te overwegen waarom niet). Anders dan het hof heeft overwogen, heeft de man ter onderbouwing van de (slechte) staat van de panden niet slechts onderbouwd met voornoemde rapportages van deskundigen(waarbij voornoemde rapportages overigens niet in ordners waren opgenomen; die ordners bevatten de door de man alsnog samengestelde administratie). [deskundige] heeft die rapportages — anders dan het hof overweegt — niet van commentaar voorzien; daarbij heeft [deskundige] geen van de panden zelf gezien.
2.
Ook met betrekking tot de draagkracht gaat het hof ten onrechte uit van de door [deskundige] genoemde afslag van 11%. Verwezen zij allereerst naar het voorgaande met betrekking tot de behoefte. Voorts: ook voor het jaar 2022 heeft de man een ordner met berekeningen van huurinkomsten en kosten overgelegd,24. op dezelfde wijze als hij dat voor het jaar 2015 heeft gedaan, gestaafd van bewijstukken. Daarmee heeft de man aangetoond, dat de kosten exclusief onderhoud, exclusief gas, water en licht en exclusief kosten van beheer bedragen:
WOZ, gemeentelijke belastingen c.a. | € 5.432,19 | |
Rente en aflossing Restauratiefonds | 4.628,04 | |
Rente Rabo | 4.038,13 | |
tezamen | 8.666,17 | |
Verzekering Centraal Beheer | 4.512,75 | |
Totaal | 18.611,21 |
Het bedrag van € 18.611,21 bestaat dus uit door de man bewezen (exclusief gas, water, licht, kosten van onderhoud en kosten van beheer). Volgens het rapport van [deskundige]25. bedragen de onderhoudskosten 5% van de bruto huur. De man heeft met stukken onderbouwd gesteld dat de bruto huur in 2022 € 71.374,59 bedroeg,26. maar het hof gaat (ten onrechte en onbegrijpelijk) uit van een bruto huur in 2022 van € 155.033,00. Als daarvan al zou moeten worden uitgegaan uitgegaan, bedragen de onderhoudskosten € 7.751,65 (5%). De totale kosten komen dan uit op € 18.711,21 + € 7.751,65 = € 26.362,86, wat een aanmerkelijk hogere som is dan het bedrag waar het hof van uitgaat, namelijk € 17.053,63 (11% van € 155.033,00) en daar komen de kosten van gas, water en licht en de kosten van beheer dus nog bij.
3.
Onbegrijpelijk is de overweging (in r.o. 5.21) aan het eind van de tweede alinea ‘Van de man, die zich al decennialang beroepsmatig met verhuur van panden bezig houdt, mag worden verwacht dat hij in staat is langdurige leegstand te voorkomen’. Verwezen wordt allereerst naar het voorgaande. Voorts is gesteld noch anderszins gebleken dat de man panden beroepsmatig verhuurt: tussen partijen is in confesso dat het een privébelegging betreft — deze werden ook belast in box 3 en niet in box 1. Ook hier houdt het hof ten onrechte geen rekening met de slechte staat van onderhoud met de panden en dat de man geen middelen heeft om deze deugdelijk te onderhouden en in goede verhuurbare man geen middelen heeft om deze deugdelijk te onderhouden en in goede verhuurbare staat te brengen. Evenmin houdt het hof (en evenzeer ten onrechte) geen rekening met de leeftijd van de man — hij is inmiddels 75 jaar oud. Van een jonge ondernemer mag wellicht worden gevergd wat het hof van de man verlangt, maar niet
4.
Onbegrijpelijk is de overweging (nog steeds: in r.o. 5.21) op p. 12 van de beschikking, tweede alinea, laatste twee volzinnen:
‘Bovendien wordt een beperkte mate van leegstand reeds verdisconteerd in de exploitatiekosten. Met extra kosten in verband met leegstand houdt het hof dan ook geen rekening.’
Zulks is op zichzelf onbegrijpelijk, omdat van algemene bekendheid is dat leegstand extra kosten met zich brengt27. en is bovendien noch door de vrouw, noch door [deskundige] gesteld, waarmee het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden.
VIII
Dit middelonderdeel richt zich (eveneens) tegen r.o. 5.21, waarin het hof heeft overwogen rekening te houden met een AOW-uitkering van de man in 2022 van € 26.792,00 bruto per jaar. Die overweging is onbegrijpelijk (en berust op een kennelijke vergissing). Een AOW-uitkering voor een alleenstaande bedraagt heden ten dage (2024) immers ongeveer € 18.500,00 bruto per jaar.28.
IX
Rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is de overweging aan het slot van r.o. 5.26 dat het hof thans nog niet kan beoordelen of en in hoeverre van de vrouw gevergd kan worden dat zij het bedrag aan teveel ontvangen partneralimentatie aan de man dient terug te betalen. Door de vrouw is immers op dat punt immers geen beroep gedaan op ingrijpende gevolgen voor het geval zij zou worden gehouden de teveel betaalde alimentatie terug te betalen en is het hof aldus buiten de rechtsstrijd van partijen getreden.
X
Gegrondbevinding van (een van) voornoemde middelonderdelen vitieert tevens hetgeen het hof overigens heeft overwogen en dan met name doch niet uitsluitend r.o. 5.17, 5.18 en voorts (in r.o. 5.21) dat het hof van oordeel is dat de man redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich opnieuw het oorspronkelijke inkomen te gaan verwerven en de vrouw dit ook van hem kan vergen en het hof derhalve uitgaat van een inkomen van € 137.979,00 uit vermogen en € 26.792,00 uit AOW-uitkering, r.o. 5.24, r.o. 5.25, r.o. 5.30, 6 en 7.
Mitsdien:
het de Hoge Raad der Nederlanden behage te vernietigen de tussen partijen op 5 oktober 2023 onder zaaknummer 200.306.212/01 door het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch gewezen beschikking, met zodanige verdere voorziening als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Rijswijk, 5 januari 2024
Advocaat [A07813]
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 05‑01‑2024
O.m. grief 1d, met verwijzing naar zijn verweerschrift in eerste aanleg van 27 april 2021, pag. 12, 5e alinea
Verzoekschrift van 20 april 2021, pag. 2, onderaan.
Proces-verbaal van 7 mei 2021, pag. 6, 1e alinea, slot
Een monument — zie https://www.monumenten.nl/monument/517036.
Pag. 3 verweerschrift/incidenteel appel van 3 mei 2022, tweede alinea van onderen.
Ook in eerste aanleg heeft zij t.a.v. het eerste rapport van [deskundige] zelf niets expliciet aangevoerd; zie haar aanvullend verzoekschrift van 20 april 2021, par. 35 t/m 37 (pp. 10 en 11).
NJ 2010/128 met noot van H.J. Snijders
R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, Tilburg 2011
Voornoemde brief van 14 april 2023, p. 6, laatste alinea.
Verweerschrift man tegen zelfstandig verzoek d.d. 29 juni 2020, par. 17 laatste alinea op p. 13 (op p. 18 komt een tweede randnummer 17 voor; bij de nummering van de alinea's is iets niet goed gegaan — na nr. 21 springt deze terug naar nr. 16, maar dat terzijde); brief man 15 maart 2021 met berekening inkomen van onder meer het jaar 2015, met verwijzing naar de berekening en de bewijsstukken in de ordner over het jaar 2015, in welke berekening bedoelde rente als kosten is gerekend. Zie ook grief 2, p. 17/18 beroepschrift man. Zie ook de beschikking van de rechtbank van 5 november 2021, r.o. 3.3.16, waarin de rechtbank bevestigt dat de man ter berekening van zijn inkomen onder meer gegevens heeft overgelegd die zien op rente. Zie tenslotte ook de op dezelfde dag tussen dezelfde partijen onder zaaknummer 200.317.874/01 gegeven beschikking van het hof 's‑Hertogenbosch, p. 11, par. 8, waarin het hof vaststelt dat de man de rentekosten van het krediet in zijn jaarlijkse overzichten van de huuropbrengst heeft opgenomen.
Aanvullend verweerschrift vrouw d.d. 16 juli 2021, p. 2, eerste alinea; verweerschrift/incidenteel appel vrouw d.d. 3 mei 2022, par. 98, alwaar de vrouw stelt dat de kredietrekening bij Rabobank feitelijk een zakelijke rekening van de man betrof. Zie ook in par. 100, tweede alinea, waar de vrouw verwijst naar de verklaring van [deskundige] dat de man de rekening zakelijk heeft gebruikt.
Brief man 15 maart 2021 met berekening inkomen van onder meer het jaar 2015, met verwijzing naar berekening en bewijsstukken in de ordner over 2015, in welke berekening bedoelde rente en aflossing als kosten zijn gerekend. Zie ook de beschikking van de rechtbank van 5 november 2021, r.o. 3.3.16, waarin de rechtbank bevestigt dat de man ter berekening van zijn inkomen onder meer gegevens heeft overgelegd die zien op het restauratiefonds.
Ordner over het jaar 2015, blad achter jaarblad en achter tabbladen 4 en 5, blad achter jaarblad en achter tabblad 3, waarnaar in de brief van 15 maart 2021 is verwezen.
Ordner over het jaar 2015, waarnaar in de brief van 15 maart 2021 is verwezen.
Grootboekkaart uit de door de zoon gevoerde administratie in de ordner van het jaar 2015, tabblad 1.
Zeer overzichtelijk aangeleverd:— achter tabblad 1: de grootboekkaart uit de administratie van de vennootschap van de zoon, welke vennootschap het beheer voerde;— achter tabblad 2: opsomming van onderhoudskosten, waarbij de bijbehorende bonnen, facturen, opnames geldautomaat etc. zijn overgelegd;— achter tabblad 3: kosten water; alle bankafschriften zijn in ordner bijgevoegd;— achter tabblad 4: rente en aflossing Restauratiefonds;— achter tabblad 5: jaaroverzicht Restauratiefonds en jaaroverzicht Rabobank 2015 met daarin vermeld het bedrag van de betaalde rente.
Wederom in de ordner over het jaar 2015.
Prod. 5 bij verweerschrift/incidenteel appel vrouw, p. 3, 3e alinea.
Pag. 4, laatste alinea, waarin abusievelijk is verwezen naar prod. HB 27, waarmee kennelijk prod. HB 31 is bedoeld.
V-formulier d.d. 3 april 2023, prod. HB 15.
Zie de brief aan het hof van 14 april 2023, p. 3, tweede alinea, alsmede p. 5 ad C en de pleitnota van mr Mol, p. 2 onder ‘Draagkracht’, 5e alinea.
Brief aan het hof van 14 april 2023, p.1 onderaan en p. 2 bovenaan en p. 6, tweede alinea van onderaf, en p. 7 bovenaan.
Zie p. 6 en 7 van de brief van 14 april 2023.
Het jaar 2022 is van belang, omdat de alimentatie dat jaar ingaat.
Prod. 5 verweer/incidenteel appel vrouw, p. 6, derde alinea.
In de ordner over 2022 achter tabblad 1. In combinatie daarmee heeft mr Mol in diens brief aan het hof van 03-04-2023 uitgebreid, gestaafd met producties, de leegstand van de panden toegelicht. Zie verder ook diens brief aan het hof van 14 april 2023 pag. 7, 3e en 4e alinea en diens pleitnota (kort) pag. 2, 3e alinea van onderen.
Bij leegstand is er meer kans op méér achterstallig onderhoud, vandalisme, brand, diefstal en oneigenlijk gebruik. Zie bijvoorbeeld https://ogwijzer.nl/artikelen/kosten-en-opbrengsten-bij-leegstand-vastgoed/#:~:text=Bij%20leegstand%20is%20er%20meer,als%20u%20preventiemaatregelen%20heeft%20genomen.