HR, 11-06-2024, nr. 22/03449
ECLI:NL:HR:2024:731
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-06-2024
- Zaaknummer
22/03449
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:731, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑06‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:609
ECLI:NL:PHR:2024:609, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:731
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0122
Uitspraak 11‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Verduistering (art. 321 Sr) en witwassen (art. 420bis.1.a Sr) van geldbedrag (€ 189.485,75). Ontbrekende (pagina van) pleitnota in hoger beroep. Volledige versie van pleitnota die in p-v van tz. in h.b. is vermeld, ontbreekt bij stukken die aan HR zijn gezonden. N.a.v. een door raadsman o.g.v. art. 4.3.5.3 Procesreglement HR gedaan verzoek is bij hof nadere informatie ingewonnen. O.g.v. die informatie moet worden aangenomen dat volledige versie van die pleitnota niet meer beschikbaar zal komen. HR kan daardoor niet nagaan of op tz. andere verweren zijn gevoerd of uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht dan die in ’s hofs uitspraak zijn besproken. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03449
Datum 11 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 september 2022, nummer 21-005411-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn, omdat de volledige versie van de pleitnota die op de terechtzitting in hoger beroep door de raadsvrouw van de verdachte aan het hof is overgelegd, zich niet bij de stukken bevindt.
2.2
Volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord tot verdediging gevoerd. Het proces-verbaal houdt onder meer in:
“De raadsvrouw pleit overeenkomstig een op schrift gestelde pleitnota waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Deze pleitnota zal aan dit proces-verbaal worden gehecht.”
2.3
De volledige versie van de pleitnota die in het proces-verbaal is vermeld, ontbreekt bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden. Naar aanleiding van een door de raadsman op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden gedaan verzoek is bij het hof nadere informatie ingewonnen. Op grond van die informatie moet worden aangenomen dat de volledige versie van die pleitnota niet meer beschikbaar zal komen. De Hoge Raad kan daardoor niet nagaan of op de terechtzitting andere verweren zijn gevoerd of uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht dan die in de uitspraak van het hof zijn besproken. Het cassatiemiddel slaagt daarom.
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2024.
Conclusie 02‑04‑2024
Inhoudsindicatie
volgt
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03449
Zitting 2 april 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 15 september 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. verduistering en 2. witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. Daarnaast heeft het hof, kort gezegd, de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 191.591,15, en voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het tweede middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 september 2022 nietig is, aangezien de door de raadsvrouw bij die gelegenheid aan het hof overgelegde pleitnotities zich niet (meer) in volledige staat bij de stukken bevinden.
4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 september 2022 is aldaar door de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van haar pleitnotities die door haar aan het hof zijn overgelegd.
5. Van de in dit proces-verbaal vermelde pleitnotities ontbreekt de tweede pagina bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Overeenkomstig het Procesreglement heeft de raadsman van de verdachte bij brief van 19 april 2023 tijdig aan de rolraadsheer verzocht alsnog in het bezit te worden gesteld van een afschrift van de volledige versie van deze pleitnotities. Desgevraagd heeft de griffier van het hof bij brief van 28 april 2023 de Hoge Raad bericht dat er geen kopieën van de pleitnotities op het hof zijn aangetroffen.
6. Gelet hierop valt niet na te gaan of ter terechtzitting verweren zijn gevoerd of uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het, nu het blijkens bij het hof ingewonnen informatie onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
7. Gelet op het voorgaande, ben ik van mening dat bespreking van het eerste middel achterwege kan blijven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG