Zie o.m. HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2981.
HR, 09-12-2014, nr. 13/05170
ECLI:NL:HR:2014:3544
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-12-2014
- Zaaknummer
13/05170
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:3544, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑12‑2014; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2259, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:2259, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑11‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3544, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑06‑2014
- Vindplaatsen
NJ 2015/26 met annotatie van
SR-Updates.nl 2014-0512
Uitspraak 09‑12‑2014
Inhoudsindicatie
Valse aangifte. Art. 188 Sr. HR herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:2011:BR2981 dat voor toepassing van art. 188 Sr voldoende is dat in de aangifte opzettelijk i.s.m. de waarheid, feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd. Het Hof heeft dit i.c. miskend. De omstandigheid dat verdachte toen zij aangifte deed het - i.s.m. de waarheid - heeft doen voorkomen “alsof zij nooit een relatie met X had gehad en - vanuit het niets - anderhalf jaar gestalkt werd” staat er niet aan in de weg dat daadwerkelijk sprake is geweest van het strafbare feit van belaging.
Partij(en)
9 december 2014
Strafkamer
nr. 13/05170
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 oktober 2013, nummer 23/005037-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat sprake is van het doen van een valse aangifte in de zin van art. 188 Sr.
2.2.1.
Overeenkomstig de tenlastelegging is bewezenverklaard dat de verdachte:
"op 19 januari 2011 te Amsterdam, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant] (agent van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland) opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van stalking."
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL13W3 2011015631-1 van 19 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (doorgenummerde pagina's 4 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Bij deze doe ik klachte van stalking en verzoek ik tot rechtsvervolging over te gaan. Sinds anderhalf jaar word ik stelselmatig lastiggevallen en gevolgd door een jongen die ik ken van vroeger. Deze jongen is genaamd [betrokkene]. Ik heb nooit een relatie gehad met [betrokkene]. Op een of andere manier denkt [betrokkene] dat ik een relatie met hem heb, maar dat is niet zo.
2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 22 november 2012.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 19 januari 2011 te Amsterdam een valse aangifte heb gedaan van een strafbaar feit (stalking).
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2013.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
U, voorzitter, vraagt mij waarom het mij zoveel moeite kostte de gehele waarheid te vertellen. Ik had het gevoel dat ik niet serieus zou worden genomen als ik vanaf het begin zou hebben gezegd dat ik met [betrokkene] een relatie had gehad."
2.2.3.
Het Hof heeft - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - voorts het volgende overwogen:
"De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft verweer gevoerd zoals weergegeven in zijn pleitnotities welke als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Kort en zakelijk weergegeven heeft de raadsman aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat de verdachte niet bij de aangifte heeft vermeld dat zij met [betrokkene] een relatie had of kort geleden die relatie had verbroken, de aangifte nog niet vals maakt.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
De verdachte heeft op 19 januari 2011 tegen [betrokkene] ([betrokkene]) aangifte van stalking gedaan. Vast staat dat de verdachte in het najaar van 2010 een aantal maanden met [betrokkene] voornoemd een relatie heeft gehad. Op 19 januari 2011, toen de verdachte aangifte deed, heeft zij het echter doen voorkomen alsof zij nooit een relatie met hem had gehad en - vanuit het niets - anderhalf jaar gestalkt werd. Mede gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte valse aangifte heeft gedaan."
2.2.4.
Art. 188 Sr luidt:
"Hij die aangifte of klacht doet dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie."
2.3.
De tenlastelegging is toegesneden op deze bepaling. Daarom moeten de in de tenlastelegging voorkomende woorden "aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan dezelfde in die bepaling voorkomende bewoordingen.
Art. 188 Sr heeft betrekking op het geval dat aangifte of klacht is gedaan van een strafbaar feit met de wetenschap dat dit feit in het geheel niet is gepleegd (vgl. HR 3 maart 1902, W 7735) met dien verstande dat voor toepassing van die bepaling voldoende is dat in de aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid, feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd (vgl. HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2981).
2.4.
Het Hof heeft dit miskend. Immers, de omstandigheid dat de verdachte toen zij aangifte deed het - in strijd met de waarheid - heeft doen voorkomen "alsof zij nooit een relatie met [[betrokkene]] had gehad en - vanuit het niets – anderhalf jaar gestalkt werd" staat niet eraan in de weg dat daadwerkelijk sprake kan zijn geweest van het strafbare feit van belaging.
2.5.
Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het eerste middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2014.
Conclusie 04‑11‑2014
Inhoudsindicatie
Valse aangifte. Art. 188 Sr. HR herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:2011:BR2981 dat voor toepassing van art. 188 Sr voldoende is dat in de aangifte opzettelijk i.s.m. de waarheid, feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd. Het Hof heeft dit i.c. miskend. De omstandigheid dat verdachte toen zij aangifte deed het - i.s.m. de waarheid - heeft doen voorkomen “alsof zij nooit een relatie met X had gehad en - vanuit het niets - anderhalf jaar gestalkt werd” staat er niet aan in de weg dat daadwerkelijk sprake is geweest van het strafbare feit van belaging.
Nr. 13/05170 Zitting: 4 november 2014 | Mr. Knigge Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 18 oktober 2013 verdachte wegens “aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel
4.1.
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, omdat het Hof het bewijs – in strijd met het bepaalde in art. 341 lid 4 Sv – uitsluitend heeft aangenomen op de opgaven van verdachte.
4.2.
Ten laste van verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:
“zij op 19 januari 2011 te Amsterdam, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant] (agent van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland) opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van stalking.”
4.3.
Het Hof heeft dienaangaande de volgende bewijsmiddelen gebezigd:
“1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL13W3 2011015631-1 van 19 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (doorgenummerde pagina's 4 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Bij deze doe ik klacht van stalking en verzoek ik tot rechtsvervolging over te gaan. Sinds anderhalf jaar word ik stelselmatig lastiggevallen en gevolgd door een jongen die ik ken van vroeger. Deze jongen is genaamd [betrokkene]. Ik heb nooit een relatie gehad met [betrokkene]. Op een of andere manier denkt [betrokkene] dat ik een relatie met hem heb, maar dat is niet zo.
2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 22 november 2012.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 19 januari 2011 te Amsterdam een valse aangifte heb gedaan van een strafbaar feit (stalking).
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2013.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
U, voorzitter, vraagt mij waarom het mij zoveel moeite kostte de gehele waarheid te vertellen. Ik had het gevoel dat ik niet serieus zou worden genomen als ik vanaf het begin zou hebben gezegd dat ik met [betrokkene] een relatie had gehad.”
4.4.
Anders dan de steller van het middel aanvoert, heeft het Hof het bewijs niet uitsluitend aangenomen op de opgaven van de verdachte. Immers, bewijsmiddel 1, dat een deel van het proces-verbaal van aangifte weergeeft en welk bewijsmiddel als steunbewijs kan worden aangemerkt, bevat geen opgave van de verdachte als bedoeld in art. 341 lid 4 Sv. Daarbij verdient opmerking dat hier niet de inhoud van de verklaring van de verdachte als redengevend feit wordt gebezigd, maar het feit dát zij die verklaring aflegde. Derhalve is in casu voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. Het middel kan dan ook niet tot cassatie leiden.
5. Het tweede middel
5.1.
Het middel klaagt dat ’s Hofs oordeel, dat met het enkele feit dat in de aangifte in strijd met de waarheid is gesproken over het bestaan van een relatie tussen verdachte en [betrokkene] reeds de voorwaarden voor strafbaarheid ingevolge art. 188 Sr zijn vervuld, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
5.2.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in aansluiting op haar als bewijsmiddel 3 gebezigde verklaring, nog onder meer het volgende verklaard:
“In het begin, toen we een relatie hadden, was het afgesproken als hij mij tegenkwam. Later niet meer. Hij wist mijn schooltijden. Ik ging via een omweg naar huis. Hij moest ophouden. Ik wilde dat het stopte. Hij heeft toen gedreigd met het vermoorden van mijn ouders. Hij was alleen verbaal gewelddadig.
De advocaat-generaal vraagt mij of juist is dat ik bij de politie heb verklaard dat het klopt dat ik een valse aangifte heb gedaan en dat ik nu zeg dat dat niet klopt. Ja, dat is juist. Ik zeg nu dat [betrokkene] mij wel degelijk stalkte. Ik heb alleen niet vanaf het begin gezegd dat ik een relatie met hem heb gehad. Een paar maanden, ik weet niet precies hoe lang.”
5.3.
Het Hof heeft in reactie op een door de raadsman van de verdachte gevoerd verweer het volgende overwogen:
“De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft verweer gevoerd zoals weergegeven in zijn pleitnotities welke als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Kort en zakelijk weergegeven heeft de raadsman aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat de verdachte niet bij de aangifte heeft vermeld dat zij met [betrokkene] een relatie had of kort geleden die relatie had verbroken, de aangifte nog niet vals maakt.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
De verdachte heeft op 19 januari 2011 tegen [betrokkene] ([betrokkene]) aangifte van stalking gedaan. Vast staat dat de verdachte in het najaar van 2010 een aantal maanden met [betrokkene] voornoemd een relatie heeft gehad. Op 19 januari 2011, toen de verdachte aangifte deed, heeft zij het echter doen voorkomen alsof zij nooit een relatie met hem had gehad en -vanuit het niets- anderhalf jaar gestalkt werd. Mede gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte valse aangifte heeft gedaan.”
5.4.
Het middel stelt de vraag aan de orde of in het kader van art. 188 Sr geldt dat een halve waarheid even erg is als een hele leugen. Volgens vaste jurisprudentie is voor de toepassing van art. 188 Sr voldoende dat in de aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd.1.Die jurisprudentie heeft betrekking op de vraag hoe expliciet de aangifte moet zijn, of vereist is dat alle bestanddelen van het strafbare feit worden genoemd en of de feiten uitdrukkelijk als een strafbaar feit moeten zijn gekwalificeerd. Op de vraag hoe groot de onwaarheid moet zijn, geeft die jurisprudentie geen antwoord.
5.5.
Art. 188 Sr stelt als eis dat de dader geweten moet hebben dat het feit waarvan hij aangifte doet, niet is gepleegd. Dat impliceert dat de aangifte betrekking moet hebben op een feit dat niet is gepleegd. Het enkele feit dat de aangifte gepaard is gegaan met onware mededelingen, maakt daarom nog niet dat die aangifte onder het bereik van het wetsartikel valt. Dat is eerst het geval als de gedebiteerde onwaarheden van dien aard zijn dat het feit waarop de aangifte betrekking heeft, niet is gepleegd. In die zin ook Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 3 op art. 188, waarin gewezen wordt op HR 3 maart 1902, W 7735. In dat arrest was tenlastegelegd en bewezenverklaard dat de verdachte wist dat het feit niet door de door hem genoemde persoon was gepleegd. Dat leidde tot ontslag van rechtsvervolging omdat de bewezenverklaring niet inhield dat het feit niet was gepleegd, zodat art. 188 Sr daarop niet van toepassing was.2.In dit opzicht verschilt art. 188 Sr van art. 268 Sr, waarin het doen van een valse aangifte tegen een bepaalde persoon is strafbaar gesteld. In dit opzicht verschilt art. 188 Sr ook van art. 207 Sr (meineed), dat iedere onder ede vertelde leugen strafbaar stelt. Doordat opsporingsambtenaren getuigen niet onder ede horen, leveren tegenover die ambtenaren afgelegde onware verklaringen alleen in bepaalde gevallen een strafbaar feit op.
5.6.
Gelet op het voorgaande lijkt de weerlegging van het verweer te getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is die weerlegging in elk geval niet begrijpelijk. Het Hof stelt vast dat de verdachte gelogen heeft over de relatie die zij had met [betrokkene] en dat daardoor ook onjuist is dat zij anderhalf jaar lang vanuit het niets door [betrokkene] gestalkt werd. Die onwaarheden brengen echter niet zonder meer mee dat van stalking geen sprake is geweest. Niet uitgesloten is immers dat de verdachte na het verbreken van de relatie in het najaar van 2010 tot aan de op 19 januari 2011 gedane aangifte wel degelijk door de verdachte werd belaagd. Dat de belaging waarop de aangifte betrekking had van kortere duur was dan verdachte stelde en voortsproot uit een verbroken relatie, wil dus niet zeggen dat die belaging niet is gepleegd. Het Hof had moeten onderzoeken of hetgeen van de aangifte overblijft als de daarin voorkomende onwaarheden ervan werden afgetrokken, te weinig is om van belaging te kunnen spreken. Als dat niet het geval is, staat niet vast dat het feit waarop de aangifte betrekking heeft, niet is gepleegd.
5.7.
Ik merk nog op dat de door het Hof voor het bewijs gebezigde verklaring die de verdachte in eerste aanleg aflegde (bewijsmiddel 2), het voorgaande niet anders maakt. Gezien zijn nadere bewijsoverweging heeft het Hof die verklaring, afgelegd door iemand die Noyon-Langemeijer-Remmelink er niet op zal hebben nageslagen, kennelijk niet aldus opgevat dat de verdachte daarin erkende zich aan het strafbare feit van art. 188 Sr schuldig te hebben gemaakt (die verklaring zou dan geen voor het bewijs bruikbare inhoud hebben gehad), maar slechts aldus dat de verdachte bekende bij haar aangifte te hebben gelogen. In die verklaring valt derhalve niet meer te lezen dan wat de verdachte ook in het derde bewijsmiddel verklaart, namelijk dat zij niet “de gehele waarheid” heeft gesproken. Zo gezien kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat de belaging waarop de aangifte betrekking had, niet was gepleegd en dat de verdachte dat wist.
5.8.
Het middel slaagt.
6. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑11‑2014
Vgl. HR 13 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC2913; NJ 1990/483. Hierin werd geoordeeld dat het feit waarop de aangifte betrekking had, niet was gepleegd. Dat een ander feit wel was gepleegd, maakte dat niet anders.
Beroepschrift 28‑06‑2014
De Hoge Raad der Nederlanden
Griffienummer: S 13/05170
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [rekwirante], geboren op [geboortedatum] 1990 en wonende aan de [adres] te [postcode] [woonplaats], rekwirante van cassatie van een haar betreffende uitspraak van het gerechtshof Amsterdam d.d. 18 oktober 2013.
Rekwirante van cassatie dient hierbij de navolgende middelen in:
Middel I:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder zijn de artikelen 188 Sr, 341, 350, 358, 359 en 415 Sv geschonden, doordat het gerechtshof, in strijd met het bepaalde in artikel 341 lid 4 Sv, het bewijs dat rekwirante het haar ten laste gelegde heeft begaan, uitsluitend heeft aangenomen op de opgaven van rekwirante zelf. De bewezen verklaring is derhalve onvoldoende met redenen omkleed waardoor het arrest aan nietigheid lijdt.
Toelichting:
1.
Uit de aanvulling op het verkort arrest blijkt dat het gerechtshof de volgende bewijsmiddelen tot bewijs van de bewezen verklaarde valse aangifte heeft gebezigd:
- 1.
Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL13W3 2011015631~1 van 19 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (doorgenummerde pagina's 4 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Bij deze doe ik klachte van stalking en verzoek ik tot rechtsvervolging over te gaan.
Sinds anderhalf jaar word ik stelselmatig lastiggevallen en gevolgd door een jongen die ik ken van vroeger. Deze jongen is genaamd [betrokkene]. Ik heb nooit een relatie gehad met [betrokkene]. Op een of andere manier denkt [betrokkene] dat ik een relatie met hem heb, maar dat is niet zo.
- 2.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 22 november 2012.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 19 januari 2011 te Amsterdam een valse aangifte heb gedaan van een strafbaar feit (stalking).
- 3.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2013.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
U, voorzitter, vraagt mij waarom het mij zoveel moeite kostte de gehele waarheid te vertellen. Ik had het gevoel dat ik niet serieus zou worden genomen als ik vanaf het begin zou hebben gezegd dat ik met [betrokkene] een relatie had gehad.
2.
Aldus bestaat het bewijs uitsluitend uit de opgaven van rekwirante, zonder dat van enig steunbewijs sprake is. Dit is in strijd met artikel 341 lid 4 Sv, het arrest lijdt mitsdien aan nietigheid.
Middel II:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder zijn de artikelen 188 Sr, 348, 349, 350, 358, 359 en 415 Sv geschonden, doordat
- —
de bewezenverklaring niet uit de bewijsvoering kan volgen, meer in het bijzonder niet omdat daardoor niet bewezen kan worden verklaard dat rekwirante opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte heeft gedaan van stalking en/of
- —
het gerechtshof in reactie op een door de verdediging gevoerd verweer blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het doen van aangifte dat een strafbaar feit is gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, nu het heeft overwogen dat rekwirante in strijd met de waarheid aangifte van stalking heeft gedaan mede gelet op het feit ‘dat zij het heeft doen (…) voorkomen alsof zij nooit een relatie met hem had gehad en — vanuit het niets — anderhalf jaar gestalkt werd’, waardoor het gerechtshof, door desalniettemin bewezen te verklaren wat is ten laste gelegd, de grondslag van die tenlastelegging heeft verlaten en/of
- —
het gerechtshof met deze overweging onvoldoende de redenen heeft opgegeven waarom het afwijkt van het niet anders dan als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan te merken verweer dat de enkele omstandigheid dat rekwirante niet bij de aangifte heeft vermeld dat zij met degene tegen wie zij aangifte deed een relatie had of kort gelden die relatie had verbroken, de aangifte nog niet vals maakt en/of
- —
de in het oordeel van het gerechtshof besloten liggende opvatting dat reeds het niet meedelen van het bestaan van een (eerdere) relatie met de persoon die rekwirante volgens de aangifte heeft gestalkt, de conclusie rechtvaardigt dat er sprake is van een valse aangifte, onvoldoende met redenen is omkleed.
Het arrest lijdt mitsdien aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Het gerechtshof heeft ten laste van rekwirante bewezen verklaard dat zij:
‘op 19 januari 2011 te Amsterdam, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant] (agent van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland) opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van stalking.’
2.
Namens rekwirante is door de raadsman in een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, neergelegd in de ter zitting van het gerechtshof d.d. 4 oktober 2013 overgelegde pleitnota, aangevoerd dat rekwirante ontkent dat de aangifte van stalking vals is en dat het enkele feit dat zij bij de aangifte niet heeft meegedeeld dat zij en degene tegen wie zij aangifte deed een relatie hebben gehad, die aangifte nog niet vals maakt. Aldus ontbreekt het bewijs dat rekwirante aangifte heeft gedaan van een feit waarvan zij wist dat het niet gepleegd was.
3.
Het gerechtshof heeft dit verweer verworpen. Daartoe heeft het overwogen:
‘De verdachte heeft op 19 januari 2011 tegen [betrokkene] ([betrokkene]) aangifte van stalking gedaan. Vast staat dat de verdachte in het najaar van 2010 een aantal maanden met [betrokkene] voornoemd een relatie heeft gehad. Op 19 januari 2011, toen de verdachte aangifte deed, heeft zij het echter doen voorkomen alsof zij nooit een relatie met hem had gehad en — vanuit het niets — anderhalf jaar gestalkt werd. Mede gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte valse aangifte heeft gedaan.’
4.
Uit het arrest noch uit de aanvulling daarop, kan blijken dat rekwirante bij haar aangifte onwaarheid zou hebben gesproken over iets anders dan de relatie met [betrokkene]. Weliswaar is als bewijsmiddel opgenomen de door rekwirante ter zitting van de rechtbank afgelegde verklaring dat zij ‘op 19 januari 2011 te Amsterdam een valse aangifte (heeft) gedaan van een strafbaar feit (stalking)’, maar uit deze verklaring blijkt niet waaruit die valsheid zou hebben bestaan en evenmin of rekwirante, die ter zitting in eerste aanleg niet werd bijgestaan door een raadsman, bij het afleggen van die verklaring wist waarover zij sprak, meer in het bijzonder of zij bekend was met de juridische betekenis van het doen van valse aangifte. Zo is uit haar verklaring niet op te maken of zij meende dat daaronder ook reeds viel het verzwijgen van de (eerdere) relatie met [betrokkene] of dat zij uitging van de door Uw Raad gebezigde definitie, te weten
‘dat in de aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid, feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd.’1.
Daarbij wordt opgemerkt dat de overige inhoud van de door rekwirante ter zitting van de politierechter afgelegde verklaring doet vermoeden dat zij er ten onrechte vanuit ging dat het verzwijgen van de (eerdere) relatie reeds een valse aangifte opleverde:
‘Ik heb die aangifte eigenlijk onder dwang gedaan. Maar ik voelde mij toen ik die laatste aangifte deed wel echt bedreigd. Ik ben thuis overgehaald om aangifte te doen. Ik durfde tijdens de aangifte niet helemaal de waarheid te zeggen. Het klopt als u zegt dat het niet netjes is geweest om een valse aangifte te doen, omdat het slachtoffer hierdoor in voorlopige hechtenis heeft gezeten.’
5.
Dit brengt met zich mee dat uit het arrest en de aanvulling daarop volgt dat het gerechtshof van oordeel is dat met het enkele feit dat in de aangifte in strijd met de waarheid is gesproken over het bestaan van een relatie tussen rekwirante en [betrokkene] reeds de voorwaarden voor strafbaarheid ingevolge artikel 188 Sr zijn vervuld. Dit oordeel geeft, indachtig de in noot 1 vermelde jurisprudentie, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het gerechtshof heeft daarmee de grondslag van de telastelegging verlaten.2.
6.
In zoverre Uw Raad mocht oordelen dat de grondslag van de tenlastelegging niet is verlaten, moet worden geoordeeld dat het enkele feit dat rekwirante niet de waarheid heeft gesproken over het bestaan van een (eerdere) relatie met [betrokkene] niet redengevend is voor de bewezen verklaring van het ten laste gelegde, meer in het bijzonder niet voor het verwijt dat zij ‘aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd’ en dat zij ‘ten overstaan van [verbalisant] (agent van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland) opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte heeft gedaan van stalking.’
7.
Bovendien heeft het gerechtshof, door te oordelen als het heeft gedaan, onvoldoende de redenen opgegeven waarom het is afgewezen van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het feit dat rekwirante bij de aangifte niet heeft meegedeeld dat zij en degene tegen wie zij aangifte deed een relatie hebben gehad, die aangifte nog niet vals maakt, althans het zijn in het oordeel besloten liggende opvatting dat reeds het niet meedelen van het bestaan van een (eerdere) relatie met de persoon die rekwirante volgens de aangifte heeft gestalkt, de conclusie rechtvaardigt dat er sprake is van een valse aangifte, onvoldoende met redenen omkleed.
8.
De bewezen verklaring is aldus onvoldoende met redenen waardoor het arrest aan nietigheid lijdt.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan de Amstel 326,1017 AR Amsterdam, die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Amsterdam, 28 juni 2014
J. Kuijper