Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.
HR, 11-07-2025, nr. 24/02417
24/02417
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-07-2025
- Zaaknummer
24/02417
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1127, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑07‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:2791
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑07‑2025
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025071108
NDFR Nieuws 2025/1111
FutD 2025-1408
NTFR 2025/1181 met annotatie van mr. E.D. Postema
V-N 2025/33.27 met annotatie van Redactie
NLF 2025/1527 met annotatie van Lukas Hendriks
FED 2025/79 met annotatie van P. van der Wal
Belastingblad 2025/315 met annotatie van J.M.J.F. Jansen
BNB 2025/105 met annotatie van A.O. Lubbers
Uitspraak 11‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Formeel belastingrecht, Artikel 2 lid 3 BPB, artikel 8:75 Awb (Hoofdstuk 8 Titel 8.2 Afdeling 8.2.6 Awb Uitspraak), Afwijken van forfaitaire tarief, afzien van toekenning proceskostenvergoeding.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/02417
Datum 11 juli 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 mei 2024, nrs. BK-23/300 tot en met BK-23/302, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 21/8305, SGR 21/8308 en SGR 22/385) betreffende aan belanghebbende in rekening gebrachte aanmaningskosten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door N.G.A. Voorbach, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Uitgangspunten in cassatie
Het Hof heeft de invorderingsambtenaar van de gemeente Den Haag veroordeeld in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, die door het Hof zijn gesteld op in totaal € 1.185. Dit bedrag is tot stand gekomen doordat het Hof twee punten heeft toegekend voor de kosten in bezwaar à € 310 (wegingsfactor 0,5) en twee punten voor de kosten in beroep en hoger beroep à € 875 (wegingsfactor 0,5).
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel betoogt dat het Hof in het hiervoor in onderdeel 2 vermelde oordeel ten onrechte voor de waarde per punt voor de bezwaarfase is uitgegaan van € 310. Het middel slaagt op de gronden vermeld in rechtsoverwegingen 5.8.1, 5.8.2 en 6.3 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
3.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.3
De Hoge Raad stelt de vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar vast op € 647, uitgaande van het door het Hof vastgestelde aantal punten en de door het Hof toegepaste wegingsfactor 0,5 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt.1.
4. Proceskosten
4.1
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4.2
Over de toekenning door de bestuursrechter van een vergoeding voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, overweegt de Hoge Raad ten overvloede als volgt.
4.3
Op grond van artikel 8:75, lid 1, Awb is de bestuursrechter bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter. Het gaat niet alleen erom dat de kosten zelf redelijk moeten zijn, maar ook dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk moet zijn.2.Een integrale vergoeding van de kosten die aan deze zogenoemde dubbele redelijkheidstoets voldoen, heeft de wetgever echter niet beoogd.3.De proceskostenvergoedingen zijn naar de bedoeling van de wetgever slechts bedoeld als een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten.4.De wetgever achtte het verder een te grote werklast voor de bestuursrechter als in ieder individueel geval een beoordeling op grond van de dubbele redelijkheidstoets zou moeten plaatsvinden.5.
4.4
Met het oog op deze doelstellingen zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) nadere regels opgenomen over de kosten waarop de veroordeling betrekking kan hebben en de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Ter zake van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn tarieven opgenomen in de bijlage bij het Besluit. Op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit kan de rechter in bijzondere omstandigheden naar boven of naar beneden afwijken van die tarieven, of afzien van toekenning van een proceskostenvergoeding. Daarvoor is niet vereist dat het gaat om een situatie die zich zelden voordoet. Voldoende is dat het omstandigheden betreft die naar hun aard bijzonder zijn. De rechter die toepassing geeft aan artikel 2, lid 3, van het Besluit, dient deze beslissing te motiveren.6.
4.5
Bij zijn beslissing om artikel 2, lid 3, van het Besluit toe te passen kan de rechter in aanmerking nemen dat de vergoedingen op grond van het Besluit, zoals hiervoor in 4.4 vermeld, het karakter hebben van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten.7.Ook indien rekening wordt gehouden met de terughoudendheid die bij de toepassing van deze bepaling is geboden, kan de rechter daarom aanleiding vinden tot toepassing daarvan, door toekenning van een lagere vergoeding, indien vasthouden aan het forfaitaire puntensysteem van het Besluit zou leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft.8.
4.6
Verder staat het de rechter vrij om met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit in het geheel geen proceskostenvergoeding toe te kennen indien het inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand in de omstandigheden van het geval niet redelijk is. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien het gaat om herstel van een evidente rekenfout die met een eenvoudige melding kan worden hersteld.9.Ook kan daarvan sprake zijn indien, zoals in de bezwaarprocedure in dit geval, het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. Dat kan anders zijn indien de beslissing die daarover in de voorliggende zaak wordt genomen, ook van belang kan zijn voor de beslissing in andere – al dan niet toekomstige – zaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar alleen voor zover deze uitspraak betrekking heeft op de vergoeding van de kosten van belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar,
- veroordeelt de invorderingsambtenaar van de gemeente Den Haag in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 647 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.814 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑07‑2025
Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 151 en 153.
Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 151-152, en nr. 6, blz. 58.
Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 153.
HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7913, rechtsoverweging 3.2, en HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3865, rechtsoverweging 3.4.
Vgl. HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415, rechtsoverweging 3.5.2.
Vgl. HR 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2794, rechtsoverweging 2.4.4.
Beroepschrift 11‑07‑2025
Onderwerp cassatieberoepschrift
Edelhoogachtbaar college,
Tot mij wendde zich [X] (hierna: belanghebbende) woonachtig aan […] te [Z] met het verzoek haar bij te staan in diens procedure tegen de invorderingsambtenaar (en de heffingsambtenaar) van de gemeente Den Haag (hierna: de heffingsambtenaar).
Het griffierecht kunt u ten laste brengen van onze rekening-courant (debiteurnummer […]).
Het cassatieberoepschrift richt zich tegen de uitspraak van het Hof Den Haag d.d. 22 mei 2024, BK-23/300 tot en met BK-23/302 (productie 1).
Middel I
1.
Schending van het recht en/of verkeerde toepassing van het recht, i.h.b. art. I van de Grondwet althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming tot nietigheid leidt dan wel schending van het in artikel 8:77 Awb vervatte motiveringsvereiste.
Toelichting
1.
Ten onrechte heeft het Hof Den Haag de waarde per punt vastgesteld op € 310.00 voor de fase in bezwaar. Dit tarief is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zie in dit verband de conclusie van Koopman van 1 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:235, waarin Koopman1. adviseerde:
‘5.15
Ik ben geneigd de onderbouwing van de twee tarieven voor de bezwaarfase voldoende te achten om de toetsing aan het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel te doorstaan. Die onderbouwing biedt mijns inziens voldoende houvast om het tariefverschil van onderdeel B2 van de bijlage bij het BPB te kunnen toetsen aan het discriminatieverbod. Terzijde merk ik op dat dit in zekere zin een ‘left-handed compliment’ is. Ik prijs de onderbouwing omdat hij voldoet aan de formele rechtsbeginselen van zorgvuldigheid en motivering, maar hierna zal blijken dat diezelfde onderbouwing mij brengt tot het nog ernstiger verwijt dat de regeling strijdig is met het grondwettelijk discriminatieverbod. (…)
5.21
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van onderdeel B2 van de bijlage bij het BPB leid ik af dat de besluitgever het tariefverschil heeft gebaseerd op de veronderstelling dat de kosten in belasting- en premiezaken voor de bezwaarfase (gemiddeld genomen) lager zijn dan het destijds voor overige zaken vastgestelde forfaitaire tarief. Deze veronderstelling is gebaseerd op gegevens van de Belastingdienst waarmee het forfaitaire tarief in belasting- en premiezaken uitvoerig is onderbouwd. Ik meen dat, op basis van de gegevens toegelicht in de antwoorden van de minister van Justitie, deze veronderstelling zo realistisch is dat de besluitgever deze op zichzelf bezien in redelijkheid aan het voor belasting- en premiezaken geldende tarief ten grondslag mocht leggen. Maar daarmee is niet verklaard waarom het tarief voor die overige zaken zoveel hoger is. Er wordt namelijk alleen een verschil verondersteld en verklaard tussen de gemiddelde werkelijke kosten in belasting- en premiezaken en het forfait in overige zaken. Daarmee is echter niet duidelijk waarom een verschil wordt verondersteld tussen de gemiddelde werkelijke kosten in belasting- en premiezaken en de gemiddelde werkelijke kosten in overige zaken. De gemiddelde kosten in overige gevallen zijn, voor zover uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt, niet nader bekeken. Zonder onderzoek is het forfait dat gold in beroep en hoger beroep overgenomen. De gehanteerde veronderstelling laat de mogelijkheid open dat in de overige gevallen het forfait (veel) hoger is dan de gemiddelde kosten. Niet wordt onderbouwd waarom in belasting- en premiezaken dan niet ook dat (veel hogere) forfait wordt toegepast. De stelling in de nota van toelichting inhoudende dat er thans geen gegevens voorhanden zijn of aanwijzingen bestaan dat in verband met de werkelijke kosten in andere belangrijke sectoren van het bestuursrecht een ander (lager) tarief is geboden, is wat mij betreft te summier. Ik meen daarom dat er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het verschil in behandeling.
5.22
Hiervoor in 5.14 van deze conclusie heb ik met enige goede wil in de onderbouwing van het tarief gelezen dat de Minister bedoelde te zeggen dat de andere bestuursrechtelijke bezwaarprocedures niet strekten tot ‘(herstel van) administratieve fouten en door de inspecteur aangebrachte correcties op posten’. Ik vraag mij echter af of dit een redelijke aanname is. Zal een bezwaarprocedure tegen een niet (geheel) toegekende aanvraag voor de een of andere vergunning niet ook vaak neerkomen op het herstel van administratieve fouten of tot het terugdraaien van door het bestuursorgaan aangebrachte wijzigingen ten opzichte van de aanvraag? En ligt het voorts niet erg voor de hand dat in het overige bestuursrecht het opstellen van een bezwaarschrift ook ‘meestal geschiedt door een adviseur die al bekend is met het dossier’ omdat hij of zij al betrokken is geweest bij de aanvraag of bij het indienen van zienswijzen? En ten slotte: is het redelijk te veronderstellen dat ‘administratiekantoren en (medewerkers van) belastingconsulenten en belastingadvieskantoren’ die in de bezwaarfase van een fiscaal geschil rechtsbijstand verlenen goedkoper zijn dan degenen die in overige bestuursrechtelijke geschillen hun cliënt bijstaan in de bezwaarfase? Afgezien van de no-cure-no-pay-praktijk, kan ik mij hierbij weinig voorstellen. Ik meen daarom dat ook bij een welwillende lezing de onderbouwing van het tariefverschil tekort schiet.
5.23
Het middel van belanghebbende wordt naar mijn mening terecht voorgesteld. De vervolgvraag is welke consequentie daaraan verbonden moet worden. (…)
5.29
Mijn voorkeur gaat echter niet uit naar een beslissing langs laatstgenoemde lijn, omdat deze lijn belanghebbende — die terecht een beroep doet op art. 1 Grondwet — afhoudt van een eenvoudig te verlenen rechtsherstel, bestaande uit toepassing van het algemene tarief.
5.31
Al met al meen ik dat het beroep van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard, de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd en de proceskostenvergoeding moet worden vastgesteld met inachtneming van het tarief in onderdeel B2 punt 2 van de bijlage bij het BPB.’
2.
Anders dan het Hof overwoog, is de vraag of belanghebbende rechten kan ontlenen aan een advies van de Hoge Raad niet van belang. De rechtsvraag die ter beantwoording voor haar lag, luidde: is het onderscheid in procespuntwaarde in overeenstemming met het discriminatieverbod? Het Hof is op deze vraag niet ingegaan. Hierin wordt gesteld dat de lagere procespuntwaarde in strijd is met het discriminatieverbod, waarbij de conclusie van de A-G ter ondersteuning wordt aangevoerd. Het Hof heeft dit miskend.
3.
Ik concludeer tot cassatie vanwege de ontoereikende motivering van het Hof, alsmede dat het Hof blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting inzake art. 1 van de Grondwet. Uw Raad kan de zaak in mijn optiek zelf afdoen.
II. Petitum
Alles overwegende verzoekt belanghebbende uw Raad;
- —
de uitspraak waarvan cassatie te vernietigen;
- —
de zaak terug te verwijzen dan wel zelf af te doen;
- —
te bepalen dat verweerder het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt;
- —
verweerder te veroordelen in de kosten die in deze procedure redelijkerwijs zijn gemaakt, waaronder door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 11‑07‑2025