NJB 2024/1422:Uitlokkingsverbod AIVD en Tallon-criterium: op grond van art. 41 lid 5 Wiv 2017 mag de natuurlijke persoon bij de uitvoering van de instructie als bedoeld in art. 41 lid 1 Wiv 2017 een (andere) persoon niet tot andere strafbare feiten brengen dan waarop het opzet van die (andere) persoon al tevoren was gericht. Dit voorschrift strekt mede tot bescherming van het eerlijk-procesrecht in art. 6 EVRM, zoals uitgelegd in o.a. EHRM 5 februari 2008 (Ramanauskas/Litouwen) en EHRM 15 oktober 2020 (Akbay e.a./Duitsland). In casu kon het hof – mede gelet op deze rechtspraak van het EHRM – oordelen dat niet is gebleken dat art. 41 lid 5 Wiv 2017 jegens een medeverdachte is geschonden en dat het gebruik voor het bewijs tegen de verdachte van de communicatie tussen die medeverdachte en de politieinfiltrant en de directe resultaten daarvan niet in strijd is met het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Daartoe telt onder meer mee dat hoewel de verslaglegging van het optreden van de AIVD niet volledig is te controleren, de verdediging in de gelegenheid is geweest de basis van het onderzoek – een ambtsbericht – en de veronderstelde inzet van de AIVD tijdens het parallelle onderzoek in zekere mate te toetsen en dat daarbij geen onregelmatigheden zijn gebleken. Verder heeft het hof geoordeeld dat uit de e-mails tussen die medeverdachte en twee heimelijke AIVD-agenten niet blijkt dat die medeverdachte door hen tot het voornemen tot het plegen van een aanslag is gebracht. Terroristische organisatie, art. 140a Sr: geldende kader is conform vaste rechtspraak over art. 140 Sr zoals blijkende uit HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969. In zijn algemeenheid is niet juist dat van ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven’ als bedoeld in art. 140a Sr pas sprake kan zijn als de organisatie het oogmerk had ‘om gedurende enige tijd’ meerdere terroristische misdrijven te plegen. Dat het oogmerk van de organisatie, aldus de verdediging, slechts was gericht was op één feitelijk gebeuren, staat in casu niet aan een veroordeling in de weg. Begin van uitvoering van pogingen tot doodslag met vuurwapen waarvan de verdachte niet wist dat dit vooraf door de politie onklaar was gemaakt met een technische aanpassing die niet met het blote oog waarneembaar was, art. 45 Sr: in casu kon het hof oordelen dat de gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van doodslag en dat van een ‘absoluut ondeugdelijke poging’ geen sprake is. Daartoe telt dat de verdachte – die veronderstelde dat het wapen functioneerde – in een tijdsbestek van zeven à acht seconden driemaal de trekker heeft overgehaald en daarbij het wapen gericht hield op één of meer leden van de DSI en dat de verdachte daartoe driemaal een ‘storingsreactie’ heeft uitgevoerd om de eventueel storende patroon uit te werpen, waardoor het wapen opnieuw doorgeladen werd. In het wapen was een gevuld patroonmagazijn aanwezig en zat een patroon in de kamer. De verdachte had het vuurwapen doorgeladen, maar het wapen deed het niet toen hij de trekker overhaalde.