Procestaal: Duits
HvJ EU, 21-04-2016, nr. C-572/14
ECLI:EU:C:2016:286
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
21-04-2016
- Magistraten
R. Silva de Lapuerta, A. Arabadjiev, C.G. Fernlund, S. Rodin, E. Regan
- Zaaknummer
C-572/14
- Conclusie
H. Saugmandsgaard Øe
- Roepnaam
Austro-Mechana
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2016:286, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 21‑04‑2016
ECLI:EU:C:2016:90, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 17‑02‑2016
Uitspraak 21‑04‑2016
R. Silva de Lapuerta, A. Arabadjiev, C.G. Fernlund, S. Rodin, E. Regan
Partij(en)
In zaak C-572/14,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hooggerechtshof, Oostenrijk) bij beslissing van 18 november 2014, ingekomen bij het Hof op 11 december 2014, in de procedure
Austro-Mechana Gesellschaft zur Wahrnehmung mechanisch-musikalischer Urheberrechte GmbH
tegen
Amazon EU Sàrl,
Amazon Services Europe Sàrl,
Amazon.de GmbH,
Amazon Logistik GmbH,
Amazon Media Sàrl,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta (rapporteur), kamerpresident, A. Arabadjiev, C. G. Fernlund, S. Rodin en E. Regan, rechters,
advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,
griffier: K. Malacek, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 november 2015,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Austro-Mechana Gesellschaft zur Wahrnehmung mechanisch-musikalischer Urheberrechte GmbH, vertegenwoordigd door A. Feitsch en M. Walter, Rechtsanwälte,
- —
Amazon EU Sàrl, Amazon Services Europe Sàrl, Amazon.de GmbH, Amazon Logistik GmbH en Amazon Media Sàrl, vertegenwoordigd door U. Börger et M. Kianfar, Rechtsanwälte,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Segoin en D. Colas als gemachtigden,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,
- —
de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Scharf en M. Wilderspin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 februari 2016,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), en van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Austro-Mechana Gesellschaft zur Wahrnehmung mechanisch-musikalischer Urheberrechte GmbH (hierna: ‘Austro-Mechana’) en Amazon EU Sàrl, Amazon Services Europe Sàrl, Amazon.de GmbH, Amazon Logistik GmbH en Amazon Media Sàrl (hierna gezamenlijk: ‘Amazon’) over de bevoegdheid van de Oostenrijkse rechterlijke instanties om kennis te nemen van een rechtsvordering inzake de betaling van de vergoeding die volgens de Oostenrijkse regelgeving verschuldigd is voor de verrichting waarbij dragers voor het opnemen van beeld en geluid in het verkeer worden gebracht.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 44/2001
3
Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 44/2001, dat is opgenomen in afdeling 1, met als opschrift ‘Algemene bepalingen’, van hoofdstuk II van die verordening, luidt:
‘Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.’
4
Artikel 5, punten 1 en 3, van deze verordening, dat deel uitmaakt van afdeling 2, met als opschrift ‘Bijzondere bevoegdheid’, van hoofdstuk II van die verordening, bepaalt:
‘Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
- 1)
- a)
ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
[…]
[…]
- 3)
ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’.
Richtlijn 2001/29
5
Artikel 2 van richtlijn 2001/29, met als opschrift ‘Reproductierecht’, luidt:
‘De lidstaten voorzien ten behoeve van:
- a)
auteurs, met betrekking tot hun werken,
- b)
uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen,
- c)
producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen,
- d)
producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het origineel en de kopieën van hun films, en
- e)
omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen via de ether of per draad plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen, in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.’
6
Artikel 5 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Beperkingen en restricties’, bepaalt in lid 2:
‘De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op het in artikel 2 bedoelde reproductierecht stellen ten aanzien van:
[…]
- b)
de reproductie, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon voor privégebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen waarbij rekening wordt gehouden met het al dan niet toepassen van de in artikel 6 bedoelde technische voorzieningen op het betrokken werk of het betrokken materiaal;
[…]’
Oostenrijks recht
7
§ 42 van het Urheberrechtsgesetz (auteurswet) van 9 april 1936 (BGBl. 111/1936), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie ervan (hierna: ‘UrhG’), bepaalt:
- ‘1.
Eenieder mag van een werk losse reproducties op papier of een vergelijkbare drager maken voor eigen gebruik.
- 2.
Eenieder mag van een werk losse reproducties op andere dragers dan die bedoeld in het eerste lid maken voor eigen gebruik of voor onderzoeksdoeleinden, voor zover dat gerechtvaardigd is voor niet-commerciële doeleinden. […]
[…]’
8
In § 42b UrhG is bepaald:
- ‘1.
Indien van een werk dat op de radio is uitgezonden, ter beschikking is gesteld van het publiek of op een voor commerciële doeleinden vervaardigde beeld- of geluidsdrager is vastgelegd, gezien de aard ervan kan worden verwacht dat het overeenkomstig § 42, leden 2 tot en met 7, wordt gereproduceerd voor eigen of privégebruik door middel van vastlegging op een beeld- of geluidsdrager, heeft de auteur recht op een billijke vergoeding (vergoeding voor blanco cassettes) wanneer dragers in het binnenland voor commerciële doeleinden en onder bezwarende titel in het verkeer worden gebracht; als dragers worden aangemerkt onbespeelde beeld- of geluidsdragers die voor dergelijke reproducties geschikt zijn, of andere beeld- of geluidsdragers die hiervoor zijn bestemd.
[…]
- 3.
De volgende personen dienen deze vergoeding te betalen:
- 1)
wat de vergoeding voor blanco cassettes en voor apparaten betreft, degene die de dragers dan wel het reproductieapparaat vanuit een in het binnen- of buitenland gelegen plaats als eerste voor commerciële doeleinden en onder bezwarende titel in het verkeer brengt; […]
[…]
- 5.
Vergoedingen als bedoeld in de leden 1 en 2 kunnen uitsluitend door collectieve beheersorganisaties worden opgeëist.
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9
Austro-Mechana is een collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten die onder meer tot taak heeft de in § 42b, lid 1, UrhG bedoelde ‘billijke vergoeding’ te innen.
10
Amazon, waarvan de maatschappelijke zetel zich in Luxemburg en in Duitsland bevindt, behoort tot een internationale groep die via internet producten verkoopt, waaronder dragers als bedoeld in deze bepaling. Volgens Austro-Mechana brengt Amazon dergelijke dragers in Oostenrijk voor het eerst in het verkeer, zodat zij gehouden is deze vergoeding te betalen.
11
Het geding tussen partijen betreft de vraag of de Oostenrijkse rechterlijke instanties krachtens artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 internationaal bevoegd zijn om kennis te nemen van de rechtsvordering van Austro-Mechana die ertoe strekt van Amazon de betaling van die vergoeding te verkrijgen.
12
Het beroep van Austro-Mechana is door de rechter van eerste aanleg verworpen wegens het ontbreken van internationale bevoegdheid.
13
De verwerping van dit beroep is in hoger beroep bevestigd op grond dat het geding tussen Austro-Mechana en Amazon niet onder artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 valt.
14
Austro-Mechana heeft bij het Oberste Gerichtshof (hooggerechtshof, Oostenrijk) beroep in ‘Revision’ ingesteld, waarbij zij deze rechterlijke instantie verzoekt om deze bepaling toe te passen.
15
Daarop heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Is de vordering tot betaling van een ‘billijke compensatie’ op grond van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn [2001/29], die naar Oostenrijks recht bestaat jegens ondernemingen die dragers in het binnenland als eerste bedrijfsmatig onder bezwarende titel in het verkeer brengen, een vordering uit ‘onrechtmatige daad’ in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening [nr. 44/2001]?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
16
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een vordering strekkende tot betaling van een vergoeding als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die verschuldigd is krachtens een nationale regeling waarbij artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 wordt uitgevoerd, onder het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ in de zin van deze verordening valt.
17
Vooraf zij eraan herinnerd dat het vaste rechtspraak is dat lidstaten die de in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 neergelegde uitzondering op het reproductierecht voor het kopiëren voor privégebruik (zogenaamde uitzondering ‘voor het kopiëren voor privégebruik’) in hun nationale recht invoeren, overeenkomstig die bepaling inzonderheid dienen te voorzien in de betaling van een billijke compensatie aan de rechthebbenden op het uitsluitende reproductierecht (zie arrest van 5 maart 2015, Copydan Båndkopi, C-463/12, EU:C:2015:144, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18
De lidstaten hebben een ruime beoordelingsmarge om de verschillende aspecten van het stelsel van billijke compensatie te omschrijven, voor zover de bepalingen van die richtlijn deze kwestie niet nader regelen. Met name is het aan de lidstaten om te bepalen wie deze compensatie moet betalen en om de vorm, de voorwaarden en de hoogte ervan vast te stellen (zie arrest van 5 maart 2015, Copydan Båndkopi, C-463/12, EU:C:2015:144, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19
Het stelsel waarop de billijke compensatie berust, alsook de wijze waarop deze vergoeding is geconcipieerd en de hoogte ervan, houden verband met de schade die de rechthebbenden op een uitsluitend reproductierecht lijden doordat hun beschermde werken zonder hun toestemming worden gekopieerd voor privégebruik. In dit verband heeft die compensatie tot doel deze rechthebbenden schadeloos te stellen en moet zij worden beschouwd als de vergoeding van de schade die zij lijden (zie in die zin arresten van 21 oktober 2010, Padawan, C-467/08, EU:C:2010:620, punt 40; 16 juni 2011, Stichting de Thuiskopie, C-462/09, EU:C:2011:397, punt 24; 11 juli 2013, Amazon.com International Sales e.a., C-521/11, EU:C:2013:515, punt 47; 10 april 2014, ACI Adam e.a., C-435/12, EU:C:2014:254, punt 50, en 5 maart 2015, Copydan Båndkopi, C-463/12, EU:C:2015:144, punt 21).
20
Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 aan een lidstaat die de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik in zijn nationale recht heeft ingevoerd, een resultaatsverplichting oplegt die inhoudt dat deze staat gehouden is om overeenkomstig zijn territoriale bevoegdheid de daadwerkelijke inning te verzekeren van de billijke compensatie ter vergoeding van de schade die de rechthebbenden op het uitsluitende reproductierecht lijden doordat op het grondgebied van die staat woonachtige eindgebruikers beschermde werken reproduceren (zie in die zin arresten van 16 juni 2011, Stichting de Thuiskopie, C-462/09, EU:C:2011:397, punten 34 tot en met 36, 39 en 41, en 11 juli 2013, Amazon.com International Sales e.a., C-521/11, EU:C:2013:515, punten 32 en 57 tot en met 59).
21
Het Hof heeft deze bepaling weliswaar aldus uitgelegd dat in beginsel de persoon die de rechthebbende op een uitsluitend reproductierecht schade heeft berokkend — te weten degene die een beschermd werk heeft gereproduceerd voor privégebruik zonder vooraf toestemming te vragen aan deze rechthebbende — verplicht is deze schade te vergoeden door de compensatie te bekostigen die aan die rechthebbende zal worden betaald (zie arresten van 11 juli 2013, Amazon.com International Sales e.a., C-521/11, EU:C:2013:515, punt 23, en 10 april 2014, ACI Adam e.a., C-435/12, EU:C:2014:254, punt 51), maar het heeft tevens aanvaard dat het de lidstaten — gelet op de praktische moeilijkheden om particuliere gebruikers te identificeren en hen te verplichten de rechthebbenden op het uitsluitende reproductierecht de schade te vergoeden die zij hun berokkenen — vrijstaat om met het oog op de financiering van de billijke compensatie een ‘vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik’ in te voeren die niet door de betrokken particulieren dient te worden betaald, maar door de personen die over installaties, apparaten en dragers voor digitale reproductie beschikken en deze daartoe rechtens of feitelijk ter beschikking stellen van particulieren of reproductiediensten aan hen verlenen. In het kader van een dergelijk stelsel dienen de personen die over die installaties, apparaten en dragers beschikken, de vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik te betalen (zie met name arresten van 11 juli 2013, Amazon.com International Sales e.a., C-521/11, EU:C:2013:515, punt 24, en 5 maart 2015, Copydan Båndkopi, C-463/12, EU:C:2015:144, punt 23).
22
Dienaangaande heeft het Hof gepreciseerd dat, aangezien dat stelsel de betalingsplichtigen in staat stelt het bedrag van de vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik door te berekenen in de prijs van de terbeschikkingstelling van die installaties, apparaten en dragers of in de prijs van de reproductiedienstverlening, de last van de vergoeding uiteindelijk wordt gedragen door de particuliere gebruiker die deze prijs betaalt, hetgeen voldoet aan het vereiste ‘rechtvaardige evenwicht’ tussen de belangen van de rechthebbenden op het uitsluitende reproductierecht en die van de gebruikers van beschermd materiaal (zie arresten van 16 juni 2011, Stichting de Thuiskopie, C-462/09, EU:C:2011:397, punt 28, en 11 juli 2013, Amazon.com International Sales e.a., C-521/11, EU:C:2013:515, punt 25).
23
Dit geldt ook voor het stelsel dat tot stand is gebracht door de Republiek Oostenrijk, die gekozen heeft voor de invoering van de in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 neergelegde uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik, welk stelsel het Hof reeds heeft onderzocht in zijn arrest van 11 juli 2013, Amazon.com International Sales e.a. (C-521/11, EU:C:2013:515)
24
In het bij § 42b UrhG ingevoerde stelsel voor de financiering van de billijke compensatie als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 komt de vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik ten laste van degene die vanuit een in het binnen- of buitenland gelegen plaats voor commerciële doeleinden en onder bezwarende titel dragers in het verkeer brengt die geschikt zijn voor reproductie (zie arrest van 11 juli 2013, Amazon.com International Sales e.a., C-521/11, EU:C:2013:515, punt 26).
25
Zoals in punt 22 van het onderhavige arrest is opgemerkt, stelt een dergelijk stelsel de betalingsplichtigen in beginsel in staat het bedrag van deze vergoeding door te berekenen in de verkoopprijs van die dragers, zodat de last van de vergoeding overeenkomstig het vereiste van een ‘rechtvaardig evenwicht’ uiteindelijk wordt gedragen door de particuliere gebruiker die deze prijs betaalt, ervan uitgaande dat deze gebruiker de uiteindelijke ontvanger is (zie arrest van 11 juli 2013, Amazon.com International Sales e.a., C-521/11, EU:C:2013:515, punt 27).
26
Voorts is op grond van § 42b, lid 5, UrhG degene die de vergoeding kan opeisen, niet de rechthebbende op het uitsluitende reproductierecht, maar een collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten, in casu Austro-Mechana.
27
Wat de vraag betreft of de Oostenrijkse rechterlijke instanties bevoegd zijn om kennis te nemen van de vordering van Austro-Mechana strekkende tot betaling van de in § 42b UrhG bedoelde vergoeding, zij eraan herinnerd dat hoofdstuk II, afdeling 2, van verordening nr. 44/2001 — in afwijking van het in artikel 2, lid 1, van deze verordening neergelegde fundamentele beginsel dat de rechterlijke instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft, bevoegd verklaart — een aantal bijzondere bevoegdheden regelt, waaronder die van artikel 5, punt 3, van die verordening (zie arresten van 16 mei 2013, Melzer, C-228/11, EU:C:2013:305, punt 23; 3 oktober 2013, Pinckney, C-170/12, EU:C:2013:635, punt 24; 5 juni 2014, Coty Germany, C-360/12, EU:C:2014:1318, punt 44, en 22 januari 2015, Hejduk, C-441/13, EU:C:2015:28, punt 17).
28
Zo bepaalt artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad in een andere lidstaat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.
29
De in deze bepaling neergelegde bijzondere bevoegdheidsregel moet autonoom en strikt worden uitgelegd (zie arresten van 28 januari 2015, Kolassa, C-375/13, EU:C:2015:37, punt 43, en 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C-352/13, EU:C:2015:335, punt 37).
30
In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de bevoegdheidsregel van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 berust op het bestaan van een bijzonder nauwe samenhang tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, op grond waarvan het omwille van een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze laatste bevoegd zijn (zie arresten van 16 mei 2013, Melzer, C-228/11, EU:C:2013:305, punt 26; 3 oktober 2013, Pinckney, C-170/12, EU:C:2013:635, punt 27; 5 juni 2014, Coty Germany, C-360/12, EU:C:2014:1318, punt 47; 22 januari 2015, Hejduk, C-441/13, EU:C:2015:28, punt 19, en 28 januari 2015, Kolassa, C-375/13, EU:C:2015:37, punt 46).
31
Ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad is de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, immers normaal gesproken het best in staat om uitspraak te doen, met name omdat de afstand geringer is en de bewijsvoering gemakkelijker (zie arresten van 25 oktober 2012, Folien Fischer en Fofitec, C-133/11, EU:C:2012:664, punt 38; 16 mei 2013, Melzer, C-228/11, EU:C:2013:305, punt 27; 18 juli 2013, ÖFAB, C-147/12, EU:C:2013:490, punt 50, en 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C-352/13, EU:C:2015:335, punt 40).
32
Volgens de rechtspraak van het Hof omvat het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ alle vorderingen die ertoe strekken een verweerder aansprakelijk te stellen en die geen verband houden met een ‘verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van artikel 5, punt 1, onder a), van verordening nr. 44/2001 (zie arresten van 27 september 1988, Kalfelis, 189/87, EU:C:1988:459, punten 17-18; 13 maart 2014, Brogsitter, C-548/12, EU:C:2014:148, punt 20, en 28 januari 2015, Kolassa, C-375/13, EU:C:2015:37, punt 44).
33
In de eerste plaats dient dus te worden onderzocht of de vordering van Austro-Mechana strekkende tot betaling van de in § 42b UrhG bedoelde vergoeding verband houdt met een ‘verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van deze bepaling.
34
Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat de sluiting van een overeenkomst geen voorwaarde vormt voor de toepassing van artikel 5, punt 1, van verordening nr. 44/2001 (zie arrest van 28 januari 2015, Kolassa, C-375/13, EU:C:2015:37, punt 38).
35
Ook al vereist artikel 5, punt 1, onder a), van verordening nr. 44/2001 niet dat een overeenkomst is gesloten, voor de toepassing van deze bepaling moet er niettemin een verbintenis bestaan, aangezien de rechterlijke bevoegdheid volgens die bepaling wordt vastgesteld op basis van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Derhalve mag het begrip ‘verbintenissen uit overeenkomst’ in de zin van die bepaling niet aldus worden opgevat dat het ziet op een situatie waarin geen sprake is van enige door een partij jegens een andere partij vrijwillig aangegane verbintenis (zie arrest van 14 maart 2013, Česká spořitelna, C-419/11, EU:C:2013:165, punt 46).
36
Bijgevolg is voor de toepassing van de in voormeld artikel 5, punt 1, onder a), neergelegde bijzondere bevoegdheidsregel voor verbintenissen uit overeenkomst vereist dat een door een persoon jegens een andere persoon vrijwillig aangegane juridische verplichting kan worden aangewezen waarop de vordering van de verzoeker is gebaseerd (zie arresten van 14 maart 2013, Česká spořitelna, C-419/11, EU:C:2013:165, punt 47, en 28 januari 2015, Kolassa, C-375/13, EU:C:2015:37, punt 39).
37
In het hoofdgeding is Amazon de verplichting om aan Austro-Mechana de vergoeding te betalen als bedoeld in § 42b UrhG, waarmee wordt beoogd artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 uit te voeren, niet vrijwillig aangegaan. Deze verplichting is haar opgelegd door het Oostenrijkse recht wegens het voor commerciële doeleinden en onder bezwarende titel in het verkeer brengen van dragers die geschikt zijn voor de reproductie van beschermde werken of beschermd materiaal.
38
De vordering van Austro-Mechana strekkende tot betaling van die vergoeding heeft dan ook geen betrekking op een ‘verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van artikel 5, punt 1, onder a), van verordening nr. 44/2001.
39
In de tweede plaats dient te worden vastgesteld of een vordering als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen in de zin van de in punt 32 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
40
Dat is het geval wanneer aan de verweerder een ‘schadebrengend feit’ in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 kan worden toegerekend.
41
Voor het ontstaan van niet-contractuele aansprakelijkheid is namelijk vereist dat een causaal verband kan worden aangetoond tussen de schade en het schadeveroorzakende feit (zie arresten van 30 november 1976, Bier, 21/76, EU:C:1976:166, punt 16, en 5 februari 2004, DFDS Torline, C-18/02, EU:C:2004:74, punt 32).
42
In casu strekt de door Austro-Mechana ingestelde vordering tot schadeloosstelling voor het nadeel dat zij ondervindt doordat Amazon in gebreke blijft de in § 42b UrhG bedoelde vergoeding te betalen.
43
In dit verband zij eraan herinnerd dat de in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 bedoelde ‘billijke compensatie’ volgens de in punt 19 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak tot doel heeft auteurs schadeloos te stellen voor het feit dat hun beschermde werken zonder hun toestemming zijn gekopieerd voor privégebruik, zodat deze compensatie moet worden beschouwd als de vergoeding van de schade die zij lijden door een dergelijke zonder hun toestemming vervaardigde kopie.
44
De niet-inning door Austro-Mechana van de in § 42b UrhG bedoelde vergoeding vormt dus een schadebrengend feit in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001.
45
Dat deze ‘billijke compensatie’ in het Oostenrijkse stelsel voor de financiering daarvan niet moet worden betaald aan de rechthebbenden op een uitsluitend reproductierecht, die zij beoogt schadeloos te stellen, maar aan een collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten, is in dit opzicht niet van belang.
46
Zoals in punt 26 van dit arrest is opgemerkt, kunnen volgens § 42b, lid 5, UrhG namelijk alleen collectieve beheersorganisaties voor auteursrechten de in deze bepaling bedoelde vergoeding opeisen. Derhalve kan in dat stelsel enkel Austro-Mechana als collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten in Oostenrijk deze vergoeding opeisen.
47
Gelet op met name de in punt 21 van dit arrest aangehaalde rechtspraak staat het feit dat Amazon geen eindgebruiker is die beschermde werken voor privégebruik heeft gereproduceerd, er evenmin aan in de weg dat de in § 42b, lid 1, UrhG bedoelde vergoeding in het stelsel waarin het Oostenrijkse recht voorziet, ten laste komt van Amazon.
48
Voorts kan weliswaar worden ingestemd met de stelling van Amazon dat het in het verkeer brengen van dragers als zodanig geen ongeoorloofde handeling is en dat de vervaardiging van reproducties voor privégebruik door middel van dergelijke dragers een door het Oostenrijkse recht toegelaten handeling is aangezien de Republiek Oostenrijk heeft besloten de in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 neergelegde uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik in te voeren, maar dit neemt niet weg dat het Oostenrijkse recht — overeenkomstig deze bepaling — voor de vervaardiging van deze kopieën voor privégebruik als voorwaarde stelt dat de rechthebbenden een ‘billijke compensatie’ ontvangen, te weten in casu de vergoeding die is vastgesteld in § 42b, lid 1, UrhG.
49
Met haar vordering verwijt Austro-Mechana Amazon niet dat zij op het Oostenrijkse grondgebied dragers in het verkeer heeft gebracht, maar wel dat zij de op haar krachtens het UrhG rustende verplichting om de voornoemde vergoeding te betalen niet is nagekomen.
50
De vordering van Austro-Mechana strekt er dus toe een verweerder aansprakelijk te stellen, aangezien deze vordering is gebaseerd op een schending door Amazon van de bepalingen van het UrhG waarbij haar die verplichting wordt opgelegd, en aangezien deze schending bovendien een onrechtmatige daad vormt waardoor Austro-Mechana schade lijdt.
51
Bijgevolg valt die vordering onder artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001.
52
Indien het in het hoofdgeding aan de orde zijnde schadebrengende feit zich in Oostenrijk heeft voorgedaan of zich aldaar kan voordoen, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, zijn de rechterlijke instanties van deze lidstaat dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering van Austro-Mechana.
53
Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een vordering strekkende tot betaling van een vergoeding die verschuldigd is krachtens een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij het in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 vastgestelde stelsel van ‘billijke compensatie’ wordt toegepast, onder het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ in de zin van artikel 5, punt 3, van deze verordening valt.
Kosten
54
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een vordering strekkende tot betaling van een vergoeding die verschuldigd is krachtens een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij het stelsel van ‘billijke compensatie’ wordt toegepast dat is vastgesteld in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, onder het begrip‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’in de zin van artikel 5, punt 3, van deze verordening valt.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑04‑2016
Conclusie 17‑02‑2016
H. Saugmandsgaard Øe
Partij(en)
Zaak C-572/141.
Austro-Mechana Gesellschaft zur Wahrnehmung mechanisch-musikalischer Urheberrechte Gesellschaft mbH
tegen
Amazon EU Sàrl,
Amazon Services Europe Sàrl,
Amazon.de GmbH,
Amazon Logistik GmbH,
Amazon Media Sàrl
[verzoek van het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
I — Inleiding
1.
Bij beslissing van 18 november 2014, ingekomen bij het Hof op 11 december 2014, heeft het Oberste Gerichtshof een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 12, blz. 1) en artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10).
2.
Deze vraag is gesteld in het kader van een geschil tussen Austro-Mechana Gesellschaft zur Wahrnehmung mechanisch musikalischer Urheberrechte Gesellschaft mbH (hierna: ‘Austro-Mechana’) en Amazon EU Sàrl, Amazon Services Europe Sàrl, Amazon.de GmbH, Amazon Logistik GmbH en Amazon Media Sàrl (hierna, samen: ‘Amazon EU e.a.’) over de internationale bevoegdheid van de Oostenrijkse gerechten om kennis te nemen van een rechtsvordering waarmee Austro-Mechana van Amazon EU e.a. betaling vordert van de vergoeding die naar Oostenrijks recht verschuldigd is voor de verrichting waarbij dragers voor het eerst op nationaal grondgebied in het verkeer worden gebracht.
II — Toepasselijke bepalingen
A — Recht van de Unie
1. Verordening nr. 44/2001
3.
Verordening nr. 44/2001 is ingetrokken bij artikel 80 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L351, blz. 1). Deze laatste verordening is ingevolge artikel 81, tweede alinea, ervan echter pas van toepassing per 10 januari 2015. Aangezien de procedure in het hoofdgeding vóór die datum heeft plaatsgevonden, moet op het onderhavige geval verordening nr. 44/2001 worden toegepast.
4.
Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 44/2001, opgenomen in afdeling 1, met het opschrift ‘Algemene bepalingen’, van hoofdstuk II, bepaalt:
‘Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.’
5.
Artikel 5, punten 1 en 3, van voormelde verordening, dat deel uitmaakt van afdeling 2, ‘Bijzondere bepalingen’, van hoofdstuk II van die verordening, bevat de volgende bepalingen:
‘Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
- 1)
- a)
ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
[…]
- 3)
ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’.
2. Richtlijn 2001/29
6.
Artikel 2 van richtlijn 2001/29, met het opschrift ‘Reproductierecht’, luidt:
‘De lidstaten voorzien ten behoeve van:
- a)
auteurs, met betrekking tot hun werken,
- b)
uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen,
- c)
producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen,
- d)
producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het origineel en de kopieën van hun films, en
- e)
omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen via de ether of per draad plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen,
in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.’
7.
Artikel 5 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Beperkingen en restricties’, bepaalt in lid 2:
‘De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op het in artikel 2 bedoelde reproductierecht stellen ten aanzien van:
[…]
- b)
de reproductie, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon voor privégebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen waarbij rekening wordt gehouden met het al dan niet toepassen van de in artikel 6 bedoelde technische voorzieningen op het betrokken werk of het betrokken materiaal.
[…]’
B — Oostenrijks recht
8.
§ 42 van het Urheberrechtsgesetz (Oostenrijkse wet op het auteursrecht) van 9 april 1936 (BGBl. 111/1936), in de versie die op het hoofdgeding van toepassing is (hierna: ‘UrhG’), bepaalt:
- ‘1.
Eenieder mag van een werk losse reproducties op papier of op een vergelijkbare drager maken voor eigen gebruik.
- 2.
Eenieder mag van een werk losse reproducties op andere dragers dan die bedoeld in het eerste lid maken voor eigen gebruik of voor onderzoeksdoeleinden, voor zover dat gerechtvaardigd is om niet-commerciële doeleinden.[…]
[…]’
9.
§ 42b UrhG bepaalt:
- ‘1.
Indien van een werk dat op de radio is uitgezonden, ter beschikking is gesteld van het publiek of op een voor handelsdoeleinden vervaardigde beeld- of geluidsdrager is vastgelegd, gezien de aard ervan kan worden verwacht dat het wordt gereproduceerd voor eigen of privégebruik door middel van vastlegging op een beeld- of geluidsdrager overeenkomstig § 42, leden 2 tot en met 7, heeft de auteur recht op een passende vergoeding (‘vergoeding voor blanco cassettes’) wanneer dragers in het binnenland bedrijfsmatig onder bezwarende titel in het verkeer worden gebracht; als dragers worden aangemerkt onbespeelde beeld- of geluidsdragers die voor dergelijke reproducties geschikt zijn, of andere beeld- of geluidsdragers die hiervoor zijn bestemd.
[…]
- 3.
De volgende personen dienen deze vergoeding te betalen:
- 1)
wat de vergoeding voor blanco cassettes en voor apparaten betreft, degene die de dragers dan wel de apparaten vanuit een in het binnen- of buitenland gelegen plaats als eerste bedrijfsmatig onder bezwarende titel in het verkeer brengt; […]
[…]
- 5.
Vergoedingen als bedoeld in de leden 1 en 2 kunnen uitsluitend door auteursrechtenorganisaties worden gevorderd.
[…]’
III — Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10.
Austro-Mechana is een collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten naar Oostenrijks recht. Zij heeft onder meer tot taak de in § 42 UrhG bedoelde vergoeding te innen. De verwijzende rechterlijke instantie preciseert dat dit artikel ertoe strekt uitvoering te geven aan het in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 bedoelde vereiste van een billijke vergoeding.
11.
Amazon is een internationale groep die boeken, muziek en andere producten op internet in de handel brengt. Van de vijf in het hoofdgeding gedaagde ondernemingen van die groep zijn er drie in Luxemburg gevestigde vennootschappen naar Luxemburgs recht en twee in Duitsland gevestigde vennootschappen naar Duits recht. Geen van die vennootschappen heeft een zetel of een vestiging in Oostenrijk. Austro-Mechana heeft voor de verwijzende rechterlijke instantie aangevoerd dat die vennootschappen samenwerken wanneer dragers voor het eerst in Oostenrijk in het verkeer worden gebracht, zodat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van de in § 42b UrhG bedoelde vergoeding.
12.
Austro-Mechana heeft voor de verwijzende rechterlijke instantie verklaard dat Amazon EU e. a. in Oostenrijk opslagmedia in het verkeer brengt die ingebouwd zijn in mobiele telefoons die geschikt zijn om muziek af te spelen of die kunnen worden gebruikt voor de uitbreiding van de opslagcapaciteit van dergelijke telefoons. Austro-Mechana heeft Amazon EU e.a. verzocht haar daarvoor de in § 42b UrhG bedoelde vergoeding te betalen. Om het haar door Amazon EU e.a. uit hoofde van die vergoeding verschuldigde bedrag te kunnen bepalen heeft Austro-Mechana deze laatste verzocht, haar de relevante boekhouding te verstrekken betreffende de opslagmedia die Amazon EU e.a. in Oostenrijk sinds 1 oktober 2010 in het verkeer hebben gebracht.
13.
In dit stadium van de procedure in het hoofdgeding draait het geschil tussen partijen uitsluitend om de vraag of de Oostenrijkse gerechten internationaal bevoegd zijn om kennis te nemen van de rechtsvordering waarmee Austro-Mechana Amazon EU e.a. aanspreekt tot betaling van de in § 42b UrhG bedoelde vergoeding.
14.
Austro-Mechana heeft voor de verwijzende rechterlijke instantie aangevoerd dat volgens de rechtspraak van het Hof het recht op een billijke vergoeding in de zin van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 strekt ter vergoeding van de ‘schade’ die de houder van het auteursrecht of naburig recht (hierna: ‘houder’) lijdt doordat reproducties voor privégebruik worden gemaakt. De rechtsvordering van Austro-Mechana is dan ook een vordering uit onrechtmatige daad waarop artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 van toepassing is en de Oostenrijkse gerechten zijn internationaal bevoegd om er kennis van te nemen.
15.
Amazon EU e. a. voeren aan dat artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 alleen van toepassing is wanneer verbintenissen uit onrechtmatige daad het voorwerp van de vordering zijn, hetgeen niet het geval is met de verplichting tot betaling van de vergoeding van § 42b UrhG, die ertoe strekt de houders een vergoeding toe te kennen voor bepaalde door de wet toegestane handelingen — het maken van reproducties voor privégebruik — die derogeren aan het exclusieve recht van de houder.
16.
Bij beslissing van 30 april 2014 heeft het Handelsgericht Wien de argumenten van Amazon EU e.a. aanvaard en de vordering van Austro-Mechana wegens gebrek aan internationale bevoegdheid afgewezen.
17.
In hoger beroep heeft het Oberlandesgericht Wien bij beslissing van 26 juni 2014 de afwijzende beslissing op het beroep van Austro-Mechana bevestigd met de volgende overwegingen. Om te beginnen rust op Amazon EU e.a. een door de wet opgelegde vergoedingsplicht. Vervolgens wordt de door de houder geleden schade niet veroorzaakt door het gedrag van Amazon EU e. a., maar door het gedrag van derden die de door Amazon EU e. a. op de markt gebrachte dragers gebruiken voor het maken van kopieën voor privégebruik. Tot slot is dat gebruik van de door Amazon EU e. op de markt gebrachte dragers voor het maken van reproducties voor privégebruik niet verboden. Bijgevolg valt de vordering van Austro-Mechana niet onder artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001.
18.
Austro-Mechana heeft tegen de beslissing van het Oberlandesgericht Wien beroep in Revision ingesteld bij de verwijzende rechterlijke instantie.
19.
Met de verklaring dat de uitlegging van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 niet dermate voor de hand liggend was dat iedere redelijke twijfel was uitgesloten, heeft het Oberste Gerichtshof, overwegende dat zijn beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Is de vordering tot betaling van een ‘billijke compensatie’ op grond van artikel 5, lid 2, onder b, van richtlijn [2001/29], die naar Oostenrijks recht bestaat jegens ondernemingen die dragers in het binnenland als eerste bedrijfsmatig onder bezwarende titel in het verkeer brengen, een vordering uit ‘onrechtmatige daad’ in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening [nr. 44/2001]?’
IV — Procedure voor het Hof
20.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 11 september 2008 ter griffie van het Hof ingeschreven.
21.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Austro-Mechana, Amazon EU e.a., de Oostenrijkse, de Franse, de Italiaanse, en de Finse regering en de Europese Commissie.
22.
Ter terechtzitting van 26 november 2015 zijn in hun opmerkingen gehoord de vertegenwoordigers van Austro-Mechana, van Amazon EU e.a. , van de Finse regering en van de Commissie.
V — Onderzoek van de prejudiciële vraag
A — Inleidende opmerkingen
23.
Met haar prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat onder de materie ‘onrechtmatige daad’ in de zin van die bepaling mede valt een rechtsvordering strekkende tot betaling van de billijke vergoeding bedoeld in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, die naar nationaal recht verschuldigd is door ondernemingen die dragers voor het eerst bedrijfsmatig onder bezwarende titel op de nationale markt in het verkeer brengen.
24.
In dit stadium van het hoofdgeding betreft het geschil tussen partijen uitsluitend de toepasselijkheid van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 op de door Austro-Mechana tegen Amazon EU e.a. ingediende vordering.
25.
Als ik mij niet vergis is in de bij het Hof ingediende opmerkingen door niemand betwist dat indien artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 op de door Austro-Mechana tegen Amazon EU e.a. ingediende vordering van toepassing is, de Oostenrijkse gerechten internationaal bevoegd zijn er kennis van te nemen als ‘gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’ in de zin van die bepaling.
26.
Partijen die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend verschillen dan ook enkel van mening over de volgende vraag: heeft de vordering van Austro-Mechana tegen Amazon EU e.a. betrekking op een verbintenis ‘uit onrechtmatige daad’ in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001?
27.
Alvorens deze vraag te beantwoorden lijkt het mij zinvol, de uitzonderingsregeling voor de kopie voor privégebruik van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 uiteen te zetten. Het is namelijk van belang, met nauwkeurigheid vast te stellen wat de rechtsgevolgen zijn van het besluit van een lidstaat om die uitzondering toe te passen, om te bepalen of een rechtsvordering wegens niet-nakoming van de verplichting tot betaling van de billijke vergoeding betrekking heeft op een verbintenis ‘uit onrechtmatige daad’.
B — De uitzonderingsregeling voor de kopie voor privégebruik van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29
28.
De uitzondering voor de kopie voor privégebruik is een uitzondering op het — in beginsel — exclusieve recht van reproductie van de houder, neergelegd in artikel 2 van richtlijn 2001/29.
29.
Krachtens artikel 5, lid 2, sub b, van diezelfde richtlijn kunnen de lidstaten namelijk beperkingen of restricties op dit reproductierecht stellen voor reproducties door een natuurlijke persoon voor privégebruik zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk (hierna: ‘kopieën voor privégebruik’ of ‘privékopieën’), mits de houder een billijke vergoeding ontvangt.
30.
In dit stadium moeten met nauwkeurigheid de rechtsgevolgen van de invoering van de uitzondering voor kopieën voor privégebruik worden bepaald, aangezien de Oostenrijkse wetgever die uitzondering heeft vastgelegd in de § 42 en 42b UrhG.
31.
Onder de ‘gewone’ regeling van artikel 2 van richtlijn 2001/29 heeft de houder het exclusieve recht, de reproductie van door het auteursrecht of een aanverwant recht beschermde werken of andere voorwerpen vallende onder een van de in dat artikel bedoelde categorieën (hierna: ‘beschermde werken of voorwerpen’) toe te staan of te verbieden. Hiermee gaat samen dat de gebruiker niet mag overgaan tot reproductie van beschermde werken of voorwerpen zonder toestemming van de houder. In geval van schending van die verplichting kan de houder de gebruiker aanspreken tot vergoeding van de door de niet-toegestane reproductie toegebrachte reële schade. Volgens vaste rechtspraak van het Hof valt een dergelijke vordering onder artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001.2.
32.
Wanneer de ‘uitzonderings’regling van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 wordt toegepast in het nationale recht van een lidstaat, komen het exclusieve recht van reproductie van de houder en de daarmee gepaard gaande verplichting van de gebruiker om de beschermde werken niet te reproduceren, te vervallen voor de kopie voor privégebruik. Zoals in alle bij het Hof ingediende opmerkingen uiteen is gezet, heeft de gebruiker onder die regeling het recht, beschermde werken of voorwerpen voor privégebruik te kopiëren, nu dat uitdrukkelijk is toegestaan. Tegelijkertijd kan de houder niet meer zijn exclusieve reproductierecht inroepen om het maken van kopieën voor privégebruik te verbieden.
33.
Als compensatie voor het verval van het exclusieve reproductierecht van de houder en van de verplichting van de gebruiker, zich van reproductie van de beschermde werken of voorwerpen te onthouden, creëert artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 echter een nieuw recht ten gunste van de houder door te verlangen dat deze een ‘billijke compensatie’ ontvangt.
34.
Het Hof heeft geoordeeld dat aangezien degene die voor privégebruik een reproductie van een beschermd werk vervaardigt zonder vooraf toestemming te vragen aan de houder van het uitsluitende reproductierecht, die houder benadeelt, in beginsel die persoon het met die reproductie gepaard gaande nadeel dient te vergoeden door de billijke vergoeding die aan die houder zal worden betaald te bekostigen.3.
35.
Door de invoering in het nationale recht van een lidstaat van de uitzondering voor de kopie voor privégebruik als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 wordt een rechtsverhouding dus vervangen door een andere:
- —
het exclusieve reproductierecht van de houder en de verplichting van de gebruiker zich van reproductie van de beschermde werken of voorwerpen te onthouden, vervallen voor de privékopie, en
- —
als compensatie heeft de houder recht op een billijke vergoeding en dient de gebruiker die billijke vergoeding in beginsel te betalen.
36.
In die zin heeft het Hof geoordeeld dat de billijke vergoeding de houder schadeloos moet stellen voor de kopie voor privégebruik van zijn beschermde werk of voorwerp, zodat zij moet worden beschouwd als de vergoeding van de door de auteurs ten gevolge van dat door hen niet toegestane kopiëren geleden schade.4.
37.
Onder de door de Oostenrijkse wetgever ingevoerde regeling, die aan de orde was in het arrest Amazon.com International Sales e.a.(C-521/11, EU:C:2013:515), is het recht van de gebruiker om kopieën voor privégebruik te maken vastgelegd in § 42 UrhG. De verplichting tot betaling van een billijke vergoeding is neergelegd in § 42b, lid 1, UrhG, waarin is bepaald dat ‘de auteur recht heeft op een redelijke vergoeding (vergoeding voor blanco cassettes)’.
38.
Ik beklemtoon echter dat onder die regeling de vergoeding van § 42b UrhG niet rechtstreeks door de gebruiker die privékopieën maakt aan de betrokken houder wordt betaald.
39.
In de eerste plaats is niet de houder van wiens beschermd werk of voorwerp privékopieën worden gemaakt de schuldeiser van de in § 42b UrhG bedoelde vergoeding. Ingevolge § 42b, lid 5, UrhG moet de vergoeding namelijk worden betaald aan een collectieve beheersorganisatie. Austro-Mechana, collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten, maakt in het hoofdgeding op basis van die bepaling aanspraak op deze vergoeding.
40.
In de tweede plaats is niet de gebruiker die die voor privégebruik kopieën van het beschermde werk of voorwerp maakt debiteur van de vergoeding van § 42b UrhG. Ingevolge § 42b, lid 3, UrhG is die vergoeding verschuldigd door de personen die met een commercieel oogmerk tegen betaling dragers voor het eerst op nationaal grondgebied op de markt brengen. Op basis van deze bepaling zijn Amazon EU e. a. in het hoofdgeding gedagvaard op grond dat zij beweerdelijk in mobiele telefoons ingebouwde dragers waarmee muziek kan worden weergegeven of de opslagcapaciteit van dergelijke telefoons kan worden uitgebreid in Oostenrijk in het verkeer brengen.
41.
Dit aspect van de Oostenrijkse regeling is door het Hof onderzocht in het arrest Amazon.com International Sales e.a. (C-521/11, EU:C:2013:515).
42.
Het Hof heeft in herinnering gebracht dat in beginsel de persoon die kopieën voor privégebruik maakt de billijke vergoeding die aan de houder zal worden afgedragen dient te bekostigen.5.
43.
Volgens vaste rechtspraak kunnen de lidstaten echter, gelet op de praktische moeilijkheden om de particuliere gebruiker te identificeren en hem te verplichten de houder van het uitsluitende reproductierecht te vergoeden voor de schade die hij hem berokkent, met het oog op de financiering van de billijke compensatie een ‘vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik’ invoeren die niet door de betrokken particulier dient te worden betaald, maar door de persoon die over installaties, apparaten en dragers voor digitale reproductie beschikt en deze installaties, apparaten en dragers daartoe juridisch of feitelijk ter beschikking stelt van de particulier of aan hem reproductiediensten verleent. In het kader van een dergelijk stelsel dient de persoon die over die installaties, apparaten en dragers beschikt de vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik te betalen.6.
44.
Het Hof heeft voorts gepreciseerd dat, aangezien dat stelsel het de betalingsplichtige mogelijk maakt het bedrag van de vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik door te berekenen in de prijs van de terbeschikkingstelling van die installaties, apparaten en informatiedragers of in de prijs voor de reproductiedienstverlening, de last van de vergoeding uiteindelijk wordt gedragen door de privégebruiker die deze prijs betaalt, hetgeen voldoet aan het vereiste van een ‘rechtvaardig evenwicht’ tussen de belangen van de houder van het uitsluitende reproductierecht en die van de gebruiker van beschermd materiaal.7.
45.
Aangaande meer in het bijzonder het bij § 42b UrhG ingevoerde stelsel heeft het Hof verklaard dat de vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik ten laste komt van degene die bedrijfsmatig onder bezwarende titel dragers die geschikt zijn voor reproductie in het verkeer brengt.8.
46.
Volgens het Hof maakt een dergelijk stelsel het de belastingplichtige in beginsel mogelijk het bedrag van deze vergoeding door te berekenen in de verkoopprijs van de dragers die geschikt zijn voor reproductie, zodat de last van de vergoeding, overeenkomstig het vereiste van een ‘rechtvaardig evenwicht’, uiteindelijk wordt gedragen door de privégebruiker die deze prijs betaalt, ervan uitgaande dat deze gebruiker de uiteindelijke ontvanger is.9.
47.
Het ‘financiële circuit’ zoals dat voortvloeit uit § 42b UrhG impliceert dus vier categorieën acteurs en kan kort worden weergegeven als volgt.
48.
De verkoper die dragers die voor het maken van privékopieën worden gebruikt voor het eerst op nationaal grondgebied in het verkeer brengt is formeel gehouden de ‘vergoeding voor blanco cassettes’ te betalen.
49.
Die verkoper kan de kosten van die vergoeding echter in de verkoopprijs van die dragers doorberekenen, zodat de gebruiker die privékopieën maakt, die vergoeding indirect financiert wanneer hij de betrokken drager aanschaft.
50.
Die vergoeding, die ertoe strekt de houder schadeloos te stellen voor het feit dat kopieën voor privégebruik worden gemaakt, dient door de verkoper van de drager te worden betaald aan een vennootschap die auteursrechten collectief beheert zoals Austro-Mechana in het hoofdgeding. Volgens de verwijzende rechterlijke instantie heeft deze laatste namelijk onder meer tot taak de in § 42b UrhG bedoelde vergoeding te innen.
51.
Tegen de achtergrond van deze wettelijke context moet worden onderzocht of de vordering van Austro-Mechana tegen Amazon EU e.a., die ertoe strekt betaling van de vergoeding van § 42b UrhG te verkrijgen, onder artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 valt.
C — Toepasselijkheid van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001
52.
Volgens artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad in een andere lidstaat worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.
53.
Over deze bepaling en over artikel 5, lid 3, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen voor de toetreding van nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: ‘Executieverdrag’), waarvoor zij in de plaats is gekomen, bestaat uitvoerige rechtspraak.10.
54.
Deze bijzonderebevoegdheidregel is een afwijking van het in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 44/2001 neergelegde fundamentele beginsel dat personen met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat ongeacht hun nationaliteit voor de gerechten van die lidstaat worden opgeroepen.
55.
Aangezien de bevoegdheid van de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, een bijzonderebevoegdheidsregel vormt, moet er een strikte uitlegging aan worden gegeven die niet verder gaat dan de door die verordening uitdrukkelijk voorziene gevallen.11.
56.
Volgens vaste rechtspraak strekt het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. no 44/2001 zich uit tot iedere vordering die ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen en die geen verband houdt met een ‘verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van artikel 5, punt 1, sub a, van die verordening.12.
57.
Gelet op die rechtspraak moet om te beginnen worden onderzocht of een rechtsvordering die ertoe strekt betaling te verkrijgen van de billijke vergoeding van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, zoals die in het hoofdgeding, betrekking heeft op een ‘verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van artikel 5, punt 1, onder a), van verordening nr. 44/2001.13. Indien dat niet het geval is moet vervolgens worden nagegaan of een dergelijke vordering kan worden gezien als een vordering die ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen.14.
1. De vordering in het hoofdgeding heeft geen betrekking op een ‘verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van artikel 5, punt 1, onder a), van verordening nr. 44/2001
58.
Ingevolge artikel 5, punt 1, onder a, van verordening nr. 44/2001 kan een persoon met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst in een andere lidstaat worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.
59.
Volgens vaste rechtspraak vereist artikel 5, punt 1, onder a), van verordening nr. 44/2001 niet dat een overeenkomst is gesloten, maar moet er voor de toepassing van dit artikel wel een verbintenis zijn, aangezien de rechterlijke bevoegdheid op grond van deze bepaling wordt bepaald door de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Bijgevolg is voor de toepassing van de bijzonderebevoegdheidsregel van die bepaling vereist dat er sprake is van een vrijwillig aangegane verbintenis van een persoon jegens een andere waarop de vordering van de verzoeker is gebaseerd.15.
60.
In het hoofdgeding is de verplichting tot betaling van een billijke vergoeding neergelegd in § 42b UrhG, die uitvoering geeft aan het vereiste van een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29. Gezien de wettelijke grondslag ervan is die betalingsverplichting niet vrijwillig door Amazon EU e.a. jegens Austro-Mechana aangegaan in de zin van bovenbedoelde rechtspraak, maar is zij door de Oostenrijkse wetgever opgelegd aan de verkoper van de drager toen hij uitvoering heeft gegeven aan de mogelijkheid van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29.
61.
Bijgevolg heeft een rechtsvordering strekkende tot betaling van de in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 bedoelde billijke vergoeding, zoals ingediend in het hoofdgeding, geen betrekking op een ‘verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van artikel 5, punt 1, onder a), van verordening nr. 44/2001, zoals Austro Mechana, de Franse regering en de Commissie in hun schriftelijke opmerkingen terecht hebben opgemerkt.
2. De vordering in het hoofdgeding strekt ertoe ‘een verweerder aansprakelijk te stellen’
62.
Om te bepalen of de rechtsvordering van Austro-Mechana betrekking heeft op een verbintenis ‘uit onrechtmatige daad’ in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001, moet overeenkomstig de in punt 56 van de onderhavige conclusie in herinnering gebrachte rechtspraak nog worden vastgesteld of sprake is van een ‘vordering die ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen’.
63.
Met Austro-Mechana, de Franse, de Italiaanse en de Oostenrijkse regering en de Commissie ben ik van oordeel dat de vordering van Austro-Mechana ertoe strekt Amazon EU e.a. aansprakelijk te stellen en dus betrekking heeft op een verbintenis ‘uit onrechtmatige daad’ in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001.
64.
Om te beginnen breng ik in herinnering dat artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 gelet op de bewoordingen ervan een grote gevarieerdheid aan aansprakelijkheden omvat.16.
65.
Bovendien kent artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 de bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad toe aan het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Uit die formulering kan worden afgeleid dat een vordering wegens onrechtmatige daad noodzakelijkerwijs gebaseerd moet zijn op een schadebrengend feit.
66.
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad een oorzakelijk verband tussen de schade en het feit waaruit die schade is voortgekomen moet kunnen worden aangetoond.17. Ook heeft het verklaard dat het schadeveroorzakend feit en het intreden van de schade alle voor het ontstaan van de aansprakelijkheid noodzakelijke elementen vertegenwoordigen.18.
67.
Uit het voorgaande volgt dat een ‘vordering die ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen’ in de zin van de in punt 56 van de onderhavige conclusie in herinnering gebrachte rechtspraak gebaseerd moet zijn op een schadebrengend feit, dat wil zeggen een feit dat wordt toegerekend aan de verweerder en waarvan wordt beweerd dat het een ander schade heeft berokkend.
68.
Het lijdt volgens mij nauwelijks twijfel dat de vordering van Austro-Mechana in het hoofdgeding op een dergelijk schadebrengend feit is gebaseerd.
69.
De vordering van Austro Mechana is immers gebaseerd op de nieuwe verbintenis die is ontstaan met de invoering door de Oostenrijkse wetgever van de uitzondering voor de privékopie, te weten de verplichting tot betaling van een billijke vergoeding genaamd ‘vergoeding voor blanco cassettes’.19.
70.
In het hoofdgeding legt § 42b UrhG deze verplichting op aan de verkoper die dragers die voor het maken van privékopieën kunnen worden gebruikt voor het eerst op de markt brengt, zoals Amazon EU e.a. dat beweerdelijk doen, ten gunste van Austro Mechana, vennootschap voor het collectieve beheer van auteursrechten.20.
71.
Hieruit volgt dat indien komt vast te staan dat Amazon EU e. a. de dragers inderdaad voor het eerst op de markt hebben gebracht, het feit dat Amazon EU e.a. de vergoeding van §1 42b UrhG niet betalen, Austro-Mechana schade berokkent doordat zij de ‘vergoeding voor blanco cassettes’ niet ontvangt.
72.
Naar mijn oordeel volgt uit het voorgaande dat het aan de vordering van Austro-Mechana ten grondslag liggende schadebrengende feit in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 hierin bestaat dat Amazon EU e.a. opzettelijk of door nalatigheid de vergoeding van § 42b UrhG niet hebben betaald en daardoor schade hebben berokkend aan Austro Mechana.
73.
Deze uitlegging vindt naar mijn oordeel steun in de in punt 36 van de onderhavige conclusie genoemde rechtspraak, volgens welke de billijke vergoeding juist tot doel heeft de houder schadeloos te stellen voor het feit dat zonder zijn toestemming kopieën voor privégebruik worden gemaakt van zijn beschermde werken of voorwerpen.
74.
Deze rechtspraak hoeft enkel te worden aangepast aan de context van het hoofdgeding, aangezien die vergoeding volgens § 42b UrhG niet rechtstreeks aan de houder moet worden betaald, maar aan een vennootschap voor collectief beheer van auteursrechten zoals in casu Austro Mechana. De schade die wordt berokkend door de eventuele weigering om de vergoeding te betalen wordt dus geleden door Austro Mechana en daardoor indirect door de houder.
75.
Volgens mij raakt die situatie de kern van de materie onrechtmatige daad, aangezien de weigering om de vergoeding van § 42b UrhG te betalen, indruist tegen de Oostenrijkse wetgeving en schade berokkent aan Austro-Mechana.
76.
Ik zou niettemin willen antwoorden op een aantal argumenten van Amazon EU e. a. en van de Finse regering, die betogen dat de vordering van Austro-Mechana niet onder artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 valt.
77.
Amazon EU e.a. hebben allereerst betoogd dat de enige handeling die voor de vaststelling van de internationale bevoegdheid van de Oostenrijkse rechters relevant is de verhandeling van mobiele telefoons op Oostenrijks grondgebied is, hetgeen geen onrechtmatige daad in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 is.
78.
Vervolgens, aldus Amazon EU e. a., vormt de verplichting tot betaling van de billijke vergoeding een verplichting tot betaling van een vergoeding voor wettelijk toegestane reproductie en niet een verplichting om voor onrechtmatige handelingen te betalen. Een vordering tot betaling van die billijke vergoeding strekt er dan ook niet toe ‘een verweerder aansprakelijk te stellen’ in de zin van de in punt 56 van de onderhavige conclusie genoemde rechtspraak.
79.
Amazon EU e.a. hebben opgemerkt dat de billijke vergoeding bedoeld in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 niet verschuldigd is op grond van een inbreuk op een recht van de houder, aangezien deze ingevolge § 42 UrhG niet meer gerechtigd is het maken van privékopieën te verbieden of toe te staan.
80.
Uiteraard kan niet worden betwist dat het op de markt brengen van mobiele telefoons en de privékopieën bedoeld in § 42 UrhG rechtmatige handelingen zijn op Oostenrijks grondgebied. De rechtmatigheid van die handelingen impliceert echter niet dat de eventuele niet-nakoming door Amazon EU e.a. van de verplichting tot betaling van de vergoeding van § 42b UrhG eveneens rechtmatig is.
81.
Meer in het bijzonder merken Amazon EU e.a. weliswaar terecht op dat de verplichting zich van het maken van privékopieën te onthouden is vervallen, maar dat argument kan niet baten omdat de vordering van Austro-Mechana is gebaseerd op schending van de ‘vervangende’ verbintenis, te weten de betaling van de vergoeding van § 42b UrhG op het moment waarop dragers in Oostenrijk voor het eerst op de markt worden gebracht.
82.
Er is naar mijn oordeel geen reden om uit te sluiten dat niet-nakoming van die verplichting tot vergoeding tot ‘aansprakelijkheid van een verweerder’ kan leiden en dus onder artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 kan vallen, want zij vormt een schadebrengend feit in de zin van die bepaling dat wil zeggen een feit dat wordt toegerekend aan de verweerder (Amazon EU e.a.) en waarvan wordt beweerd dat het schade heeft berokkend aan een ander (Austro-Mechana).
83.
Uit een en ander volgt volgens mij dat de argumenten van Amazon EU e.a. ongegrond zijn.
84.
In haar schriftelijke opmerkingen geeft de Finse regering te kennen dat er geen causaal verband bestaat tussen het schadebrengende feit en de schade waarop de vordering van Austro-Mechana in het hoofdgeding is gebaseerd, zoals artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 vereist. Volgens de Finse regering strekt die vordering ertoe een wettelijk vastgelegde vergoeding te innen van ondernemingen die dragers op de markt brengen, terwijl de door de houders geleden schade niet wordt veroorzaakt door die ondernemingen, maar door particulieren die die dragers gebruiken om beschermde werken of voorwerpen te kopiëren.
85.
Dienaangaande kan worden volstaan met vast te stellen dat het causaal verband tussen de beweerde weigering van Amazon EU e.a. om de vergoeding van § 42b UrhG te betalen en de beweerde schade van Austro-Mechana is vastgesteld door de Oostenrijkse wetgever zelf. Zo bepaalt § 42b, lid 5, UrhG dat die vergoeding niet rechtstreeks aan de houder moet worden betaald, maar aan een vennootschap voor collectief beheer van auteursrechten zoals Austro-Mechana, waardoor de schade die ontstaat bij eventuele weigering om de vergoeding te betalen wordt geleden door deze laatste en niet rechtstreeks door de houder.
86.
Zoals uiteengezet in punt 72 van de onderhavige conclusie bestaat het aan de vordering van Austro-Mechana ten grondslag liggende schadebrengende feit hierin dat Amazon EU e.a. opzettelijk of door nalatigheid de vergoeding van § 42b UrhG niet hebben betaald en daarmee schade hebben berokkend aan Austro-Mechana.
87.
Ter terechtzitting heeft de Finse regering nog opgemerkt dat het toepassingsgebied van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 zich niet kan uitstrekken tot rechtmatige handelingen in verband met privékopieën.
88.
In dit verband houdt de door mij voorgestane uitlegging in dat onder het toepassingsgebied van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 niet vallen rechtmatige handelingen in verband met privékopieën, maar iedere niet-nakoming van de verplichting de vergoeding van § 42b UrhG te betalen.
89.
Ik voeg hieraan toe dat deze uitlegging niet afdoet aan het feit dat overeenkomstig het bepaalde in § 42 UrhG gemaakte privékopieën rechtmatig zijn. Ingevolge dat artikel is voor rechtmatigheid van de privékopie niet vereist dat de verplichting tot betaling van de vergoeding van § 42b UrhG wordt nagekomen.
90.
Uit het voorgaande volgt dat een rechtsvordering die ertoe strekt betaling van de billijke vergoeding als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 te verkrijgen, zoals de vordering in het hoofdgeding, een vordering is ‘die ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen’ in de zin van de in punt 56 van de onderhavige conclusie in herinnering gebrachte rechtspraak.
D — Praktische gevolgen
91.
Ik heb uiteengezet waarom naar mijn oordeel een rechtsvordering die ertoe strekt betaling van de in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 bedoelde billijke vergoeding te verkrijgen, zoals de vordering in het hoofdgeding, geen betrekking heeft op een ‘verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van artikel 5, punt 1, onder a), van verordening nr. 44/200121. en een vordering is die ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen.22. Overeenkomstig de in punt 56 van de onderhavige conclusie in herinnering gebrachte rechtspraak valt een dergelijke vordering dus onder de materie ‘onrechtmatige daad’ in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001.
92.
Dit brengt mee dat de Oostenrijkse rechters internationaal bevoegd zijn om er kennis van te nemen indien het schadebrengende feit — het is aan de verwijzende rechter om dit te bepalen — zich voordoet of zich kan voordoen op het grondgebied van de Republiek Oostenrijk.23.
93.
De internationale bevoegdheid van de Oostenrijkse rechters in het hoofdgeding zou overigens stroken met het doel van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001. Zo heeft het Hof reeds gepreciseerd dat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich dreigt voor te doen normaliter het best in staat om uitspraak te doen, vooral omdat de afstand geringer is en de bewijsvoering gemakkelijker.24.
VI — Conclusie
94.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Oberste Gerichtshof te beantwoorden als volgt:
Artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat onder de materie ‘onrechtmatige daad’ in de zin van die bepaling mede valt een rechtsvordering strekkende tot betaling van de redelijke vergoeding bedoeld in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, die naar nationaal recht verschuldigd is door ondernemingen die dragers voor het eerst bedrijfsmatig onder bezwarende titel op de nationale markt in het verkeer brengen.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑02‑2016
Oorspronkelijke taal: Frans.
Zie onder meer arresten Pinckney (C-170/12, EU:C:2013:635, punt 47), Hi Hotel HCF (C-387/12, EU:C:2014:215, punt 40) en Hejduk (C-441/13, EU:C:2015:28, punt 38).
Zie arresten Amazon.com International Sales e.a. (C-521/11, EU:C:2013:515, punt 23), ACI Adam e.a. (C-435/12, EU:C:2014:254, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en Copydan Båndkopi (C-463/12, EU:C:2015:144, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arresten VG Wort e.a. (C-457/11 à C-460/11, EU:C:2013:426, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en ACI Adam e.a. (C-435/12, EU:C:2014:254, punt 50).
Arrest Amazon.com International Sales e.a. (C-521/11, EU:C:2013:515, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak); zie ook de recentere arresten ACI Adam e.a. (C-435/12, EU:C:2014:254, punt 51), en Copydan Båndkopi (C-463/12, EU:C:2015:144, punt 22).
Arrest Amazon.com International Sales e.a. (C-521/11, EU:C:2013:515, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak); zie in die zin ook de recentere arresten ACI Adam e.a. (C-435/12, EU:C:2014:254, punt 52), en Copydan Båndkopi (C-463/12, EU:C:2015:144, punt 23).
Arrest Amazon.com International Sales e.a. (C-521/11, EU:C:2013:515, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak citée); zie in die zin ook de recentere arresten ACI Adam e.a. (C-435/12, EU:C:2014:254, punt 52) en Copydan Båndkopi (C-463/12, EU:C:2015:144, punt 53).
Arrest Amazon.com International Sales e.a. (C-521/11, EU:C:2013:515, punt 26).
Arrest Amazon.com International Sales e.a. (C-521/11, EU:C:2013:515, punt 27).
Ik herinner eraan dat de door het Hof met betrekking tot de bepalingen van het Executieverdrag gegeven uitlegging ook geldt voor de bepalingen van verordening nr. 44/2001, wanneer de bepalingen van deze twee instrumenten als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd. Dat is het geval met de punten 1, onder a), en 3, van artikel 5 van die verordening ten opzichte van respectievelijk de punten 1 en 3 van artikel 5 van het Executieverdrag (arrest Brogsitter, C-548/12, EU:C:2014:148, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie onder meer arresten Kronhofer (C-168/02, EU:C:2004:364, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak) (over de uitlegging van artikel 5, punt 3, van het Executieverdrag); Pinckney (C-170/12, EU:C:2013:635, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en Hi Hotel HCF (C-387/12, EU:C:2014:215, punt 26).
Zie onder meer arresten Kalfelis (189/87, EU:C:1988:459, punt 17) (over de uitlegging van artikel 5, punt 3, van het Executieverdrag); Brogsitter (C-548/12, EU:C:2014:148, punt 20), en Kolassa (C-375/13, EU:C:2015:37, punt 44).
Zie punten 58–61 van de onderhavige conclusie.
Zie punten 62–90 van de onderhavige conclusie.
Zie onder meer arresten Engler (C-27/02, EU:C:2005:33, punten 50 en 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak) over de uitlegging van artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag; Česká spořitelna (C-419/11, EU:C:2013:165, punten 46 en 47), en Kolassa (C-375/13, EU:C:2015:37, punt 39).
Zie in die zin arrest Bier (21/76, EU:C:1976:166, punt 18) over de uitlegging van artikel 5, punt 3, van het Executieverdrag.
Arresten Bier (21/76, EU:C:1976:166, punt 16) (over de uitlegging van artikel 5, punt 3, van het Executieverdrag), en DFDS Torline (C-18/02, EU:C:2004:74, punt 32).
Arrest Kronhofer (C-168/02, EU:C:2004:364, punt 18).
Zie punten 33–37 van de onderhavige conclusie.
Zie punten 38–40 van de onderhavige conclusie.
Zie punten 58–61 van de onderhavige conclusie.
Zie punten 62–90 van de onderhavige conclusie.
Ik herinner eraan dat volgens vaste rechtspraak de uitdrukking ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’ in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001, zowel doelt op de plaats waar de schade is ingetreden als op de plaats van de gebeurtenis die de oorzaak van de schade vormt, zodat de verweerder naar keuze van de eiser voor het gerecht van de ene dan wel van de andere plaats kan worden opgeroepen [zie onder meer arresten Bier (21/76, EU:C:1976:166, punt 24) (over de uitlegging van artikel 5, punt 3, van het Executieverdrag); Kronhofer (C-168/02, EU:C:2004:364, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak ) en Hejduk (C-441/13, EU:C:2015:28, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
Zie onder meer arresten Folien Fischer en Fofitec (C-133/11, EU:C:2012:664, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en Melzer (C-228/11, EU:C:2013:305, punt 27).