HR, 14-02-2020, nr. 19/02860
ECLI:NL:HR:2020:267
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-02-2020
- Zaaknummer
19/02860
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑02‑2020
ECLI:NL:HR:2020:267, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑02‑2020; (Cassatie)
- Vindplaatsen
NLF 2020/0561 met annotatie van Tom Noë
JOM 2020/65
FED 2020/75 met annotatie van M.H.W.N. Lammers
NTFR 2020/539 met annotatie van Mr. F.C. van der Bogt
FutD 2020-0455
Viditax (FutD) 2020021403
Beroepschrift 14‑02‑2020
Den Haag, 13 juni 2019
Hoge Raad
Postbus 20303
2500 EH Den Haag
Betreft: Zaaknummer SGR 18/ 7912 IB/PVV/ZVW In Cassatie
Geachte mevrouw/heer,
Bij deze wil ik in cassatie gaan tegen de zaaknummer hierboven. Sinds oktober 2018 ben ik met deze zaak bezig. Ik ben het niet eens met de uitspraak van de rechter, omdat er alleen wordt beoordeelt aan de hand van een 4 dagen te late beroepschrift.
Ik heb meerdere keren de belastingdienst toen brieven geschreven maar niemand wil de zaak inhoudelijk bekijken. Ik ben verwezen om in beroep te gaan bij de rechtbank. Dit heb ik gedaan, maar ook dit is afgewezen omdat mijn beroep 4 dagen te laat was ingediend.
Belastingdienst beweert dat ze in 2015 aanslag hebben opgelegd van ruim 12903 euro. Deze aanslag is niet door mij ontvangen omdat ik in 2012 geëmigreerd ben naar Turkije. Ik heb ook geen aangetekende brief of aanslag ontvangen. Pas in 2018 juli sturen ze een Dwangbevel waarin ze het bedrag vorderen. Deze brief heb ik wel gekregen en hiermee ben ik er achter gekomen dat de belastingdienst geen juiste aanslag heb opgelegd, omdat ik geen inkomen heb genoten in 2012.
Ik heb de boekhouder hierna gebeld en die zegt de aangifte wel ingediend te hebben tezamen met mijn partner toen. De aangifte is destijds tezamen met mijn partner ingediend, namens hem op een aangifte als partner zijnde. Hij krijgt helemaal geen aanslagen opgelegd en ik wel. Als zijn aangifte niet ontvangen zou zijn zou hij ook een aanslag moeten gehad hebben. Belastingdienst geeft aan dat zijn aangifte wel is ontvangen, dit betekent dat mijn aangifte ook ontvangen is.
Als ik in 2015 de aanslag wel had gehad, had ik natuurlijk wel zeker gereageerd. Het gaat niet om 10 of 20 euro, maar om bijna 13000,- euro. Dit kan je toch niet onbeantwoord laten liggen als je de brief gehad zou hebben. De belastingdienst zegt dat ze het wel hebben opgestuurd, maar bij mij is niks aangekomen ook kunnen ze mij niet aantonen dat dit aangekomen is. Nu hebben ze het over de verjaringstermijn en dat ze het niet meer kunnen aanpassen. Ook kunnen ze mij de geschatte inkomen niet aantonen omdat er geen inkomen is geweest . Als ik inkomen had gehad was dat ook bij de belastingdienst bekend. Maar ik heb geen inkomen genoten. De boekhouder heeft op 1 mei 2019 de belastingdienst geschreven waarvan vandaag ook zes weken voorbij is en geen antwoord op gegeven is. Als zij te laat zijn met reageren is er niks aan de hand, maar het mag mij niet overkomen. Ik ben een simpele huisvrouw die helemaal geen verstand hebt van dit soort zaken.
Omdat mijn beroepschrift 4 dagen te laat is ingediend, wordt er inhoudelijk niet eens bekeken of de aanslag wel klopt of niet en wordt er kort gezegd betaal maar 13000,- euro omdat belasting het niet meer kan terugdraaien.
Ik woon in Turkije en ben onlangs gescheiden en heb 2 kinderen en kan zeker geen 13000 toveren wat ook niet moet omdat het niet juist is. Als ik dat van de belastingdienst moet betalen wat ik niet heb en kan dan eis ik van ze mij de inkomen te geven wat ze beweren om de belasting daarover te betalen.
Ik wil u verzoeken om eerlijk behandeld te worden en in mijn recht wordt gesteld omdat ik geen inkomen heb genoten, waar ik zoveel belasting over moet betalen wat ik zeker niet kan betalen.
Zie bijlage voor de uitspraak.
Hoogachtend,
Uitspraak 14‑02‑2020
Inhoudsindicatie
Artikel 6:15 Awb, niet doorgezonden beroepschrift, beroep niet-ontvankelijk?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/02860
Datum 14 februari 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] , Turkije (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 27 mei 2019, nr. SGR 18/7912 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 22 maart 2019 betreffende een voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de voor dat jaar opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de klacht
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Met dagtekening 15 oktober 2018 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. Bij brief van 30 oktober 2018 heeft belanghebbende bij de Inspecteur bezwaar gemaakt tegen die uitspraak (hierna: de brief van 30 oktober 2018). Op 30 november 2018 heeft belanghebbende digitaal beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
2.1.2
De Rechtbank heeft geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. Het argument dat belanghebbende niets heeft gehoord naar aanleiding van de brief van 30 oktober 2018 laat onverlet dat in de uitspraak op bezwaar stond vermeld dat binnen zes weken beroep kon worden ingesteld, aldus de Rechtbank.
2.1.3
Het verzet van belanghebbende tegen het in 2.1.2 weergegeven oordeel is ongegrond verklaard.
2.2.1
Bij de beoordeling van de klacht tegen het in 2.1.3 vermelde oordeel is uitgangspunt, bij gebreke van aanwijzingen in de gedingstukken voor het tegendeel, dat de Rechtbank de brief van 30 oktober 2018 van belanghebbende aan de Inspecteur niet heeft aangemerkt als een bezwaarschrift dat in plaats van een beroepschrift is ingediend en als beroepschrift aan de Rechtbank had moeten worden doorgezonden (artikel 6:15 Awb).
2.2.2
Aan de inhoud van de brief van 30 oktober 2018 kon de Rechtbank niet voorbijgaan. Daarbij is van belang dat uit de gedingstukken blijkt dat de brief behoort tot de stukken die door zowel de Inspecteur als belanghebbende in beroep aan de Rechtbank zijn overgelegd. Deze brief laat geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende het niet eens is met de uitspraak op bezwaar van 15 oktober 2018. Artikel 6:15 Awb brengt mee dat de Inspecteur de brief van 30 oktober 2018 als beroepschrift had moeten aanmerken en als zodanig aan de Rechtbank had moeten doorzenden.
Het oordeel van de Rechtbank dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend is onbegrijpelijk, aangezien de brief van 30 oktober 2018 als beroepschrift had moeten worden behandeld. De klacht tegen de ongegrondverklaring van het verzet is gegrond.
2.3
Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, kan de bestreden uitspraak op verzet niet in stand blijven. De Hoge Raad kan het verzet afdoen. Het verzet dient gegrond te worden verklaard.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank van 27 mei 2019,
- verklaart het verzet tegen de uitspraak van de Rechtbank van 22 maart 2019 gegrond,
- verstaat dat die uitspraak vervalt en dat de Rechtbank het onderzoek voortzet in de stand waarin het zich bevond, en
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2020.