HR, 05-12-2014, nr. 14/03967
ECLI:NL:HR:2014:3520
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
05-12-2014
- Zaaknummer
14/03967
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:3520, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 05‑12‑2014; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1864, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:1864, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 10‑10‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3520, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 05‑12‑2014
Partij(en)
5 december 2014
Eerste Kamer
nr. 14/03967
LH/JG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/09/12/43 R van de rechtbank Den Haag van 28 maart 2014;
b. de arresten in de zaak 200.144.782/01 van het gerechtshof Den Haag van 26 juni 2014 en 29 juli 2014.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 29 juli 2014 heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 24 oktober 2014 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 5 december 2014.
Conclusie 10‑10‑2014
Inhoudsindicatie
Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging, art. 350 lid 3 Fw. Boedelachterstand en nieuwe schulden, verwijtbaarheid.
Partij(en)
14/03967
Mr. L. Timmerman
Zitting 10 oktober 2014
Conclusie inzake:
[verzoekster],
verzoekster tot cassatie
1. Feiten en procesverloop
1.1
Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2012 is ten aanzien van verzoekster tot cassatie (“[verzoekster]”) de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
1.2
De schuldsaneringsregeling is op voordracht van de rechter-commissaris tussentijds beëindigd bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 maart 2014.
1.3
De schuldsaneringsregeling is tussentijds beëindigd (ex art. 350 lid 3, sub c en d Fw) op de grond dat [verzoekster] haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en nieuwe schulden en een (geringe) boedelachterstand heeft laten ontstaan. Niet valt in te zien (aldus de rechtbank) waarom de nieuw ontstane schulden (met name energierekeningen) niet verwijtbaar zouden zijn ontstaan. De rechtbank overweegt voorts dat sterk de indruk bestaat dat [verzoekster] haar financiële situatie nog altijd niet onder controle heeft en dat het een zorgelijke ontwikkeling is dat [verzoekster] probeert haar kleinkinderen in huis te nemen met het oog op de daarbij behorende financiële voordelen. Een verlenging van de schuldsaneringsregeling acht de rechtbank, ten slotte, niet aan de orde omdat gehele aflossing, ook na verlenging, niet aannemelijk is.
1.4
[verzoekster] is van het vonnis van de rechtbank bij het hof Den Haag in hoger beroep gekomen.
1.5
In hoger beroep heeft [verzoekster] betoogd dat de nieuwe schulden haar niet toe te rekenen en niet te verwijten zijn en dat de tekortkoming niet ernstig genoeg is voor een tussentijdse beëindiging van de regeling. Voorts heeft [verzoekster] aangevoerd dat zij de pleegzorg over haar vier kleinkinderen op zich heeft genomen en daarom een aanzienlijk bedrag aan pleegzorgvergoeding verwacht te krijgen, waarmee zij haar – door de inwonende kinderen verhoogde – energieschulden kan afbetalen. Zij is in afwachting van een uitspraak van de rechtbank over toekenning van de pleegzorgvergoeding.
De bewindvoerder heeft verklaard dat, behalve het ontstaan van de nieuwe schulden, het nakomen van de verplichtingen vlekkeloos verloopt. In geval [verzoekster] daadwerkelijk een omvangrijke pleegoudertoeslag krijgt, adviseert de bewindvoerder het hof om [verzoekster] de schuldsaneringsregeling met eventuele verlenging af te laten maken. Omdat de pleegoudertoeslag niet wordt meegenomen in de berekening van het vrij te laten bedrag, kan deze (aldus de bewindvoerder) mede worden gebruikt om de nieuwe schulden af te lossen.
Gelet op het voorgaande heeft het hof bij tussenarrest van 26 juni 2014 de zaak aangehouden teneinde [verzoekster] en de bewindvoerder in de gelegenheid te stellen om over de pleegoudertoeslag nadere inlichtingen te verschaffen.
1.6
Bij eindarrest van 29 juli 2014 heeft het hof voornoemd vonnis van de rechtbank bekrachtigd, op grond van het hiernavolgende.
1.7
Na de aanhouding heeft de bewindvoerder aangevoerd dat er voorlopig niets bekend is over de toekenning van de pleegoudervergoeding, dat na een ‘incident’ een bewijs van goed gedrag is ingetrokken en dat de huidige vergoeding van jeugdzorg is stopgezet. Op basis hiervan adviseert de bewindvoerder nu om het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen, maar refereert zij zich ook aan een ander oordeel.
[verzoekster] heeft na de aanhouding naar voren gebracht dat ter zake van de verklaring van geen bezwaar/omtrent het gedrag een beroepsprocedure loopt en dat een uitspraak wordt verwacht op 18 augustus 2014. Zij heeft daarom een nadere aanhouding van de onderhavige zaak verzocht.
1.8
Het hof oordeelt (in rov. 4 en 6 van zijn eindarrest) op grond van de (ook na de aanhouding) overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting dat [verzoekster] zich niet tot het uiterste heeft ingespannen om aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling te voldoen. Er is onvoldoende aannemelijk gemaakt (aldus het hof) dat de nieuw ontstane schulden aan [verzoekster] niet verwijtbaar zijn althans dat deze nog binnen de termijn van de schuldsanering kunnen worden ingelopen. Het hof neemt hiertoe in aanmerking:
- dat uit twee stukken van de Stichting Jeugdformaat (van 22 oktober 2013 en van 20 november 2013) blijkt dat een benodigde verklaring van geen bezwaar niet is afgegeven en dat de screening negatief is;
- dat geheel onduidelijk is op welke gronden de weigering van de verklaring van geen bezwaar berust en welke bezwaren [verzoekster] tegen de weigering heeft opgeworpen;
- dat de door het hof verzochte informatie (waaronder de uitspraak van de rechtbank omtrent de pleegoudervergoeding) niet is verschaft en er geen duidelijkheid is gekomen over de pleegoudervergoeding;
- dat er geen concrete en spoedige vooruitzichten op toewijzing van de pleegoudervergoeding zijn;
- dat de bewindvoerder melding heeft gemaakt van een ‘incident’, waardoor ook de huidige vergoeding van jeugdzorg is ingetrokken; en, ten overvloede,
- dat op de (eventueel nog te ontvangen) pleegoudervergoeding geen beslag kan worden gelegd, zodat het [verzoekster] vrijstaat om te zijner tijd hiermee aan haar schuldeisers een buitengerechtelijk akkoord aan te bieden, zodat zij op die manier mogelijk van haar schulden wordt bevrijd.
1.9
[verzoekster] is van voornoemd eindarrest bij verzoekschrift, op 6 augustus 2014 per fax bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen en dus tijdig, in cassatie gekomen.
1.10
Naderhand is gebleken dat het verzoekschrift in cassatie niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad (zoals, voor het instellen van beroep in cassatie in schuldsaneringszaken, voorgeschreven in art. 361 lid 3 Fw). Dit verzuim is, nadat daartoe gelegenheid was gegeven door de griffie van de Hoge Raad, hersteld doordat een exemplaar van hetzelfde verzoekschrift binnen een termijn van 14 dagen alsnog door een advocaat bij de Hoge Raad is ondertekend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het middel klaagt dat het hof heeft nagelaten te motiveren waarom [verzoekster] verwijtbaar heeft gehandeld. Het middel verwijst naar de door [verzoekster] ingenomen stelling dat zij niet verwijtbaar heeft gehandeld en naar hetgeen zij in dit verband heeft aangevoerd. Energieleveranciers hanteren (aldus [verzoekster]) voorschotbedragen, waarvan de hoogte niet door de gebruiker beïnvloed kan worden, zodat [verzoekster] geen verwijt kan worden gemaakt van de hoogte van deze bedragen. Evenmin kan haar verweten worden dat de definitieve nota’s hoger zijn uitgevallen dan de voorschotbedragen, omdat (aldus nog steeds [verzoekster]) zij daar geen invloed op heeft.
Voorts klaagt het middel dat het hof met zijn overwegingen omtrent de pleegoudervergoeding buiten de kaders van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) is getreden door “de verwijtbaarheid uit het verleden aan de aflossingsmogelijkheden in de toekomst” te koppelen. Bovendien (aldus het middel) is het hof voorbijgegaan aan de verklaring van de bewindvoerder dat, behalve het ontstaan van de nieuwe schulden, het nakomen van de verplichtingen vlekkeloos verloopt.
Ten slotte klaagt het middel dat de motivering van het hof dat “omdat de uitspraak van 18 augustus nog niet bekend is, verzoekster wel verwijtbaar gehandeld [zal] hebben”, niet in stand kan blijven.
2.2
Het middel kan niet slagen. Het hof moest beoordelen of er sprake is van omstandigheden, die een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling rechtvaardigen. Vast is komen te staan dat [verzoekster] nieuwe schulden en een boedelachterstand heeft laten ontstaan. In dit verband heeft het hof in aanmerking genomen het verweer van [verzoekster] dat de energieschulden het gevolg zijn van de bij haar ingetrokken kleinkinderen en dat zij deze schulden met de te verwachten pleegoudervergoeding zal kunnen afbetalen. Aldus zal [verzoekster] alsnog aan haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen kunnen voldoen. Vervolgens blijkt echter (na aanhouding van de zaak) dat de voor de pleegoudervergoeding benodigde verklaring van geen bezwaar om onduidelijke redenen aan [verzoekster] geweigerd is, dat de screening door de Stichting Jeugdformaat negatief is, dat er geen zicht is op toekenning van de pleegoudervergoeding en dat als gevolg van een ‘incident’ ook de huidige vergoeding van jeugdzorg is ingetrokken. Het oordeel van het hof dat gezien deze omstandigheden [verzoekster] zich niet tot het uiterste heeft ingespannen om aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling te voldoen, is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
2.3
De door het middel aangevoerde klachten stuiten alle op het voorgaande af.
Ten overvloede merk ik op dat de door het middel aangehaalde verklaring van de bewindvoerder achterhaald is. Na de aanhouding heeft de bewindvoerder immers een andersluidende verklaring afgelegd (voorlopig niets bekend over de toekenning van de pleegoudervergoeding, geen bewijs van goed gedrag na een ‘incident’ en vergoeding van jeugdzorg stopgezet) en vervolgens geadviseerd om het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden