Maandag 30 april 2012 was een erkende feestdag in de zin van artikel 3 lid 1 Algemene termijnenwet (Atw). Ingevolge artikel 1 lid 1 Atw wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Amtshalve merk ik op dat de op 20 april 2012 verzonden nota griffierecht (m.i. ten onrechte) 3 mei 2012 als uiterste betaaldatum aanmerkt. Nu verzoeker hierop geen beroep doet en overigens de betaling eerst na 3 mei 2012 is verricht, behoeft dit geen gevolg te hebben.
HR, 10-08-2012, nr. 12/01783
ECLI:NL:HR:2012:BW8295
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
10-08-2012
- Zaaknummer
12/01783
- Conclusie
Mr. F.F. Langemeijer
- LJN
BW8295
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BW8295, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 10‑08‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW8295
ECLI:NL:HR:2012:BW8295, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 10‑08‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW8295
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑04‑2012
- Vindplaatsen
Conclusie 10‑08‑2012
Mr. F.F. Langemeijer
Partij(en)
12/01783
Mr. F.F. Langemeijer
- 8.
juni 2012 (incident griffierecht)
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
[Verweerster]
1.
Bij een op 2 april 2012 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie beroep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 januari 2012 met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
2.
Ingevolge art. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) behoorde verzoeker ervoor zorg te dragen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift was bijgeschreven op de rekening van de griffier van de Hoge Raad dan wel ter griffie van de Hoge Raad was gestort. De wettelijke betalingstermijn liep af op 1 mei 2012.1.
3.
De griffie heeft geconstateerd dat het verschuldigde griffierecht (€ 302,-) niet tijdig is voldaan. Aan verzoeker is op 10 mei 2012 een aanmaning verstuurd. Hem is bij brief van 11 mei 2012 de gelegenheid geboden zich ter rolzitting van 25 mei 2011 over de te late betaling uit te laten. Het verschuldigde griffierecht is op 14 mei 2012 ontvangen. Bij akte van 25 mei 2012 heeft de advocaat van verzoeker zich over de te late betaling uitgelaten.
4.
Verzoeker heeft het griffierecht niet tijdig voldaan. Toepassing van het bepaalde in art. 427b Rv in verbinding met art. 282a lid 2 Rv brengt mee dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. De advocaat door wie partijen in cassatie in alle gevallen worden vertegenwoordigd, moet op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure in cassatie zonder meer geacht worden op de hoogte te zijn van de termijn voor betaling en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan de overschrijding daarvan2..
5.
Op grond van art. 282a lid 4 Rv kan de rechter het bepaalde in het tweede lid buiten toepassing laten indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepaling, gelet op het belang van een procespartij bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de zgn. 'hardheidsclausule'). Bij akte heeft de advocaat zich over de termijnoverschrijding uitgelaten. Daarover heeft hij niet méér gesteld dan dat het griffierecht was voldaan vóórdat de aanmaning was ontvangen en dat de termijn van betaling is overschreden ten gevolge van het feit dat een eerdere betalingsopdracht door de bank niet was uitgevoerd. Voor zover in deze stelling al een beroep op de hardheidsclausule kan worden gelezen, faalt dat beroep. De gestelde omstandigheid dat een betalingsopdracht niet door de (eigen) bank is uitgevoerd komt voor rekening en risico van de betalingsplichtige3..
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑08‑2012
Vgl. HR 4 november 2011 (LJN: BU3348), NJ 2012/170 m.nt. H.B. Krans, JBPr 2012/19 m.nt. M.A.J.G. Janssen en HR 4 november 2011 (LJN: BQ7045), NJ 2012/171 m.nt. H.B. Krans, rov. 3.2; HR 23 maart 2012 (LJN: BV3409).
De memorie van toelichting noemt weliswaar 'fouten bij de administratieve verwerking van de betaling of een computerstoring' als mogelijke aanleiding tot toepassing van de hardheidsclausule, maar heeft het oog op fouten of een storing 'bij de gerechtelijke instantie of de bankinstelling waar de gerechtelijke instantie een rekening houdt' (MvT, 2008/09, 31 758 nr. 3, blz. 18).
Uitspraak 10‑08‑2012
Partij(en)
10 augustus 2012
Eerste Kamer
12/01783
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. W.G.H. Janssen,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Verzoeker tot cassatie zal hierna worden aangeduid als de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
- a.
de beschikking in de zaak FA RK 06-5523 van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 november 2008;
- b.
de beschikking in de zaak 200.024.213/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 januari 2012.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het door de man verschuldigde griffierecht is op 14 mei 2012 door de Hoge Raad ontvangen.
Aan de advocaat van de man is verzocht zich schriftelijk uit te laten over de vraag waarom het griffierecht niet binnen de wettelijke betalingstermijn is bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad en de rechtsgevolgen daarvan.
De advocaat van de man heeft zich bij akte van 25 mei 2012 over de te late betaling uitgelaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal, kan de man niet worden ontvangen in zijn beroep.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 10 augustus 2012.
Beroepschrift 03‑04‑2012
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
[de man], wonende te [woonplaats] hierna verder tevens te noemen de man, in deze zaak woonplaats kiezende te Leiden aan de Herengracht nr. 50, 2312 LE, ten kantore van mr. W.G.H.Janssen, die in deze door hem in deze zaak tot zijn advocaat wordt gesteld.
De cassatie is gericht tegen:
[de vrouw], wonende te [woonplaats], hierna verder tevens te noemen de vrouw; Voor de vrouw treedt in rechte op mr. K.E.H. Rueb-Braakman, advocaat te Leiden;
- 1.
De man heeft kennis genomen van de beschikking van het Gerechtshof te 's‑Gravenhage d.d. 4 januari 2012 gewezen onder kenmerk 200.024.213/01;
- 2.
Bij deze beschikking werd de bestreden beschikking van de Rechtbank d.d. 3 februari 2009 deels vernietigd en werd door het Gerechtshof een deels afwijkende beschikking afgegeven;
- 3.
De man kan zich niet verenigen met de beschikking van het Gerechthof te 's‑Gravenhage d.d. 4 januari 2012 en komt hierbij tegen deze beschikking in cassatie;
De man ontwikkelt hieronder zijn cassatiemiddelen en wenst te bestrijden dat het Gerechtshof bij een juiste toepassing van het recht tot haar beslissing had kunnen komen nu het Gerechtshof in haar beschikking meerdere aannames heeft gedaan alsmede meerdere feiten terzijde heeft gelegd op basis waarvan gesteld dient te worden dat er sprake is van een ernstige schending van het recht en een onjuiste toepassing van het recht op grond waarvan de beschikking niet in stand kan blijven en er derhalve een nieuwe beschikking dient te worden gewezen door ofwel Uw Hoge Raad zelve ofwel een door Uw Raad aan te wijzen Gerechtshof;
Alvorens de cassatiemiddelen te ontwikkelen stelt de man nadrukkelijk dat hem niets verweten kan worden in deze scheidingsprocedure; De man heeft ten gevolge van het feit dat hij bij de voorlopige voorzieningen (naar zijn mening geheel ten onrechte via justitie het recht om zijn woning te bewonen is ontzegd) de woning heeft verlaten zich geheel op het standpunt gesteld dat het aan de vrouw is om rekening en verantwoording te geven en te vragen en bij het nemen van beslissingen om aan de man zijn medewerking te vragen en deze zo nodig in rechte af te dwingen;
De vrouw heeft zulks nimmer gedaan, heeft geheel zelfstandig en zonder enig overleg met de man beslissingen genomen en acht zulks naderhand terecht en heeft hierbij — ten onrechte — het Gerechtshof aan haar zijde getroffen nu het Gerechtshof in haar beschikking er klaarblijkelijk van uitgaat dat de door de vrouw genomen beslissingen juist zijn en dus als feiten moeten worden geaccepteerd;
De man acht zulks volstrekt onjuist nu hij steeds heeft aangegeven dat de door de vrouw genomen beslissingen eenzijdige beslissingen zijn die — nu de vrouw niet eenzijdig heeft te beslissen — jegens de man niet in stand kunnen blijven;
Zo acht de man het niet juist — en zal hij hieromtrent zijn grieven ontwikkelen — dat:
- —1—
er geen enkele verantwoording van de vrouw is verkregen met betrekking tot het door de man gevoerde kort geding en het in dit kort geding gewezen vonnis waarin is beslist dat de vrouw een bedrag ad 100.000 € onder de notaris diende te storten; Hier is door de vrouw bij zowel de rechtbank als het Gerechtshof niet op ingegaan en zowel de Rechtbank als het Hof heeft deze post terzijde gesteld;
Zulks is eenvoudig weg niet te begrijpen en het Gerechtshof had hieromtrent in ieder geval een beslissing moeten nemen dan wel moeten motiveren waarom hier op geen enkele wijze is ingegaan; De vrouw heeft immers — en zulks is herhaaldelijk gemeld — grote sommen geld in juni 2006 overgemaakt naar bankrekeningen waar de man niet aan kon komen;
- —2—
de vrouw een claim bij de Gemeente Leiden eenzijdig heeft afgedaan; Partijen hadden tegen de Gemeente leiden een procedure tot vergoeding van schade lopen;
Toen de man — nadat de vrouw de man strafrechtelijk had laten betichten van het plegen van huiselijk geweld — gedwongen werd zich niet meer in de echtelijke woning te begeven heeft de vrouw eenzijdig zonder op enige wijze hiervan melding te maken(!) de claim met de gemeente afgehandeld en de betaling in ontvangst genomen; Zulks had nooit zo mogen plaatsvinden en het is niet juist dat zowel de rechtbank als het gerechtshof voorbij gegaan zijn aan het feit dat de man zich op het standpunt stelt dat de vrouw dit niet had mogen doen en zij derhalve jegens hem aansprakelijk is voor de benadeling die er op grond hiervan heeft plaatsgevonden; Hiervan staat los het feit dat de vrouw eerst na lang aandringen van de zijde van de man in de procedure bij de rechtbank heeft toegegeven dat zij een schikking heeft getroffen met de gemeente Leiden;
- —3—
de vrouw zelfstandig de auto's in de verkoop heeft gedaan;
- —4—
de vrouw zelfstandig de boot in de verkoop heeft gedaan;
- —5—
de vrouw, ondanks nadrukkelijke afspraken bij de rechtbank over het feit hoe en op welke wijze de woning zou worden getaxeerd, de taxatie geheel op eigen wijze heeft laten verrichten zonder dat daarbij de man en de advocaat van de man aanwezig zijn geweest; Het is evident duidelijk dat de aanwezigheid van partijen nodig was voor de uitleg met betrekking tot de huur-verhuur mogelijkheden en de daarbij te stellen huurprijzen en waarden van de litigieuze onroerende zaak; Door zulks doelbewust terzijde te zetten heeft de vrouw zich opnieuw schuldig gemaakt jegens de man aan het niet conform de afspraken afwikkelen van de boedelscheiding en de Rechtbank en vervolgens het Gerechthof hadden de vrouw hierin niet mogen volgen;
- —6—
de man in de gevoerde procedures in feite niet de mogelijkheden heeft om zich te verdedigen nu hij financieel niet in staat is de hiermede gepaard gaande kosten te voldoen ten gevolge van het feit dat de vrouw alle activa heeft en de man op geen enkele wijze enige ondersteuning heeft; De man legt derhalve hierbij naast de beschikking van het Gerechtshof een door hem opgestelde weergave van conclusies over met het verzoek deze hier als herhaald en ingelast te beschouwen;
De man voert hiertoe navolgende cassatiemiddelen/grieven aan:
—a—
het Gerechtshof heeft in haar beschikking blijk gegeven van een onjuiste toepassing van het recht op grond waarvan schending van het recht dient te worden aan genomen doordat ten onrechte is gesteld dat het deskundige rapport (de taxatie van de echtelijke woning) als in rechte juist en acceptabel dient te worden beoordeeld voor de verdeling van de waarde van de woning en hiermede het oordeel van de Rechtbank in eerste instantie onderstrepend
Immers:
Het Gerechtshof te 's‑Gravenhage heeft in haar arrest het appel van de man met betrekking tot het feit dat de waardering van de echtelijke woning met de daarbij horende verhuurde units niet heeft plaatsgevonden op de wijze die partijen nadrukkelijk bij de rechtbank waren overeengekomen en dat deze waardering derhalve niet in stand kon blijven gepasseerd en de waardering als juist geaccepteerd;
Zulks is voor de man onbegrijpelijk;
Nog los van de uitkomst van de waardering blijft staan dat partijen dienen uit te voeren hetgeen in en bij de rechter nadrukkelijk is overeengekomen;
Hierbij past niet een eigenmachtig optreden van de vrouw en het nadien alsnog accepteren en accorderen van de uitkomst van deze eigenhandige actie van de vrouw door de rechtbank en vervolgens het Gerechtshof;
—b—
het Gerechtshof heeft met een miskenning van het recht hetgeen een onjuiste toepassing van het recht inhoudt ten onrechte de huurpenningen van de onroerende zaak gedurende de periode van de scheiding aan de vrouw toegescheiden (zulks met terzijde stelling van de stelling van de rechtbank) en heeft ten onrechte aan haar stelling geen vergoeding in de zin van een rente verplichting gekoppeld aan de zijde van de vrouw aan wier de onroerende zaak per peildatum en de opbrengsten eveneens per peildatum zijn toebedeeld
Immers:
De rechtbank heeft in haar beschikking terecht- naar de mening van de man — geoordeeld dat de huurinkomsten van de gezamenlijke verhuurde units op jaarbasis tussen partijen dient te worden verdeeld tot aan de datum waarop de betreffende onroerende zaak notarieel wordt toegescheiden aan een van de partijen met betaling van het aan de andere partij toekomende geldbedrag;
Het gaat niet aan om de toescheiding per peildatum te laten plaatsvinden en te beoordelen dat de huurpenningen na de peildatum aan de vrouw toekomen terwijl de man nog geen enkele betaling voor zijn deel heeft gehad. Dit is ook logies om reden dat bij een lang uitstel van de uiteindelijk notarieel vast te leggen toe scheiding en afrekening het de vrouw is die middels alle inkomsten uit de onroerende zaak (die deels aan haar ex-echtgenoot toebehoort) in feite gelden kan opsparen die zij vervolgens gebruikt om de man uit te kopen. Met andere woorden: er ontstaat alsdan een situatie dat de man wordt uitgekocht met deels zijn eigen gelden.
—c—
het Gerechtshof heeft ten onrechte de eigenhandig door de vrouw gedane dan wel niet gedane zaken geaccordeerd terwijl de man hiertegen (het betreft de afwikkeling van de claim met de gemeente, het niet voldoen aan het gerechtelijk vonnis in kort geding tot het deponeren van 100.000 € onder de notaris in verband met aanwezige contanten, het eigenhandig verkopen van auto en boot alsmede het niet verantwoorden van de opbrengsten van het gezamenlijk bezit in onroerend goed) overduidelijk bezwaar heeft gemaakt en heeft aangegeven dat zulks niet kan en zeer zeker niet mag worden geaccepteerd en alleen met de opmerking ‘het is nu eenmaal zo ‘mag worden goedgepraat;
Immers:
De man is van mening dat de vrouw in het begin van de scheiding overduidelijk aangifte jegens zijn persoon heeft gedaan in verband met het feit dat hij huislijk geweld jegens de vrouw zou hebben gepleegd; Voor de man staat vast dat de vrouw dit heeft gedaan teneinde te bewerkstelligen dat zij met betrekking tot de komende boedelscheiding alle touwtjes in handen zou hebben. Dit is ook gelukt maar wil nog niet zeggen dat de vrouw — zonder overleg en toestemming van de man — kan overgaan tot het nemen van allerlei beslissingen met betrekking tot de boedelbestanddelen die zij onder haar beheer heeft.
4.
De man verzoekt Uw Raad dan ook — nu de cassatiemiddelen naar de mening van de man — dienen te leiden tot de conclusie dat heroverwogen dient te worden op welke basis de boedelscheiding dient plaats te vinden, in cassatie te beslissen dat deze zaak dient te worden verwezen naar ofwel het Gerechtshof te 'Gravenhage ofwel een ander Gerechtshof teneinde te bezien of en op welke wijze de boedelscheiding dient te worden geeffectueerd dan wel deze zaak zelf af te doen;
Concluderend verzoekt de man Uw Hoge Raad de beschikking van het Gerechtshof d.d 4 januari 2012 te vernietigen nu deze naar zijn mening niet in stand kan blijven en derhalve in cassatie dient te worden vernietigd met terug verwijzing van de procedure naar het Gerechtshof te 's‑Gravenhage dan wel naar een Hove hetwelk Uw Hoge Raad juist zal vinden teneinde te bezien of en op welke wijze de verdeling van en de beoordeling en waardering van de boedel dient plaats te vinden, kosten rechtens.
Leiden, 3 april 2012
advocaat
mr. W.G.H.Janssen