Zoals in de toelichting op het middel wordt opgemerkt is in dit proces-verbaal abusievelijk vermeld dat het betrekking heeft op een terechtzitting op 31 januari 2011 in plaats van op 31 januari 2012. Ik wijs op het verkort proces-verbaal, dat wel spreekt van 31 januari 2012 alsmede op de in eerstgenoemd proces-verbaal genoemde datum van uitspraak, 14 februari 2012.
HR, 25-06-2013, nr. 12/04399
ECLI:NL:HR:2013:71
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-06-2013
- Zaaknummer
12/04399
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:71, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 25‑06‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:54, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:54, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑04‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:71, Gevolgd
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2013-0299
Uitspraak 25‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Getuigenverzoeken. 1. Het ttz. gedane verzoek tot het horen van de getuige X is een verzoek tot het horen van getuigen a.b.i. art. 315 i.v.m. art. 328 Sv, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Het p-v van de tz. in h.b. noch het bestreden arrest houdt een beslissing in op het verzoek tot het horen van X als getuige. Dat verzuim heeft ex art. 330 i.v.m. art. 415 Sv nietigheid tot gevolg. 2. Nu het ttz. gedane verzoek om Y als getuige te horen erop was gegrond dat deze persoon in het opsporingsonderzoek met stelligheid heeft verklaard aan welke gelaatskenmerken hij de in zijn verklaring bedoelde persoon heeft herkend, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat deze verklaring in zoverre als een “gemankeerde waarneming” moet worden aangemerkt en voor het overige aan het bewijs kan bijdragen.
Partij(en)
25 juni 2013
Strafkamer
nr. 12/04399
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 februari 2012, nummer 22/002620-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Bewezenverklaring
2.1.
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij op 24 oktober 2010 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een horecagelegenheid aan de West-Kruiskade heeft weggenomen 500 euro of daaromtrent, toebehorende aan [betrokkene 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld bestond uit het [betrokkene 1] toevoegen van de woorden: "Geld, geld, geld" en daarbij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dreigend een mes voorhouden."
2.2.
Deze bewezenverklaring steunt onder meer op bewijsmiddelen die in de aanvulling als bedoeld in art. 365a Sv als volgt zijn weergegeven:
"(9) Een proces-verbaal van aangifte d.d. 24 oktober 2010 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17DO 2010343718-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1-3):
Als de op 24 oktober 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
Ik ben de eigenaar van horecagelegenheid "[A]" gevestigd aan de West Kruiskade te Rotterdam. Op zondag 24 oktober 010 omstreeks 1.30 uur was ik samen met [betrokkene 2] aanwezig in "[A]". Er kwam een man binnen met een zwarte wollen bivakmuts over zijn hoofd. In zijn hand had hij een mes. De man liep naar de achterzijde van de toonbank. Hij had een geel plastic tasje vast. Ik hoorde de man zeggen: "Geld, geld, geld". De man zei tegen mij dat ik geld vanuit de kassa in de gele plastic tas moest stoppen. Toen al het geld in de plastic zak zat liep de man de winkel uit.
Ik ben achter de man aangerend. Ik zag dat hij de West-Kruiskade te Rotterdam op liep en ter hoogte van Night Town overstak naar de andere kant. Ik zag dat de man ter hoogte van de Bram Ladage linksaf het Kuisplein te Rotterdam op sloeg. Ik zag dat de man ter hoogte van de bouwplaats op het Kruisplein de bivakmuts van zijn hoofd trok. Op de hoek West-Kruiskade/Kruisplein ben ik de man uit het oog verloren. Ik zag vanaf daar dat de man vanaf he gebouw "Weena Point" langs de fietsrekken in de richting van de bushalte van de nachtbussen liep.
De man had een negroïde uiterlijk en was ongeveer 1.80 meter lang. Ik denk dat de man ongeveer € 500,- à € 600,- heeft weggenomen.
(10) Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 oktober 2010 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17DO 201034718-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 14-15):
als de op 28 oktober 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:
Afgelopen zondag was ik met [betrokkene 1]. Hij is de eigenaar van "[A]". Er kwam een man met een zwarte muts en een mes in zijn hand binnen. De man wees mij direct aan met het mes, waarop ik naar achter sprong. De man liep door achter de toonbank waar [betrokkene 1] stond. Hij zei tegen [betrokkene 1] dat hij geld uit de kassa wilde hebben. Ik hoorde hem zeggen dat [betrokkene 1] het geld in een plastic tas moest doen. De man is de winkel uitgerend en [betrokkene 1] is achter de man aangerend. De man had een negroïde uiterlijk en was ongeveer 1.80 meter lang en droeg een donkere muts op zijn hoofd."
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1.
Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het ter terechtzitting gedane verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige.
3.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 januari 2012 houdt het volgende in:
"De voorzitter doet mededeling van de volgende bij het hof binnengekomen stukken:
- de faxbrief van de raadsman gericht aan het gerechtshof te 's-Gravenhage en het ressortsparket te 's-Gravenhage d.d. 30 augustus 2011, onder mee inhoudende het verzoek tot het horen als getuigen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2];
- een brief van de advocaat-generaal aan de raadsman d.d. 9 januari 2012, onder meer inhoudende dat de advocaat-generaal het getuigenverzoek afwijst.
(...)
De raadsman verzoekt het hof voorts, overeenkomstig zijn brief d.d. 30 augustus 2011, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen. De raadsman voert in aanvulling op de genoemde brief aan dat het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het belang een angstige getuige een confrontatie met de verdachte te besparen."
3.3.
Voorts houdt het proces-verbaal van die terechtzitting het volgende in:
"Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsman mede dat hij er geen bezwaar tegen heeft als het hof bij arrest een beslissing op zijn verzoeken neemt."
3.4.
Het onder 3.2 weergegeven verzoek is een verzoek tot het horen van getuigen als bedoeld in art. 315 in verbinding met art. 328 Sv, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. In weerwil van de door de Voorzitter ter terechtzitting van 31 januari 2012 kennelijk gedane mededeling, houdt noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest een beslissing in op het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige. Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg.
3.5.
Het middel is terecht voorgesteld.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1.
Het middel klaagt dat het Hof het ter terechtzitting gedane verzoek tot het horen van [betrokkene 2] als getuige op ontoereikende gronden heeft afgewezen.
4.2.
De onder 3.2 genoemde brief van 30 augustus 2011 houdt het volgende in:
"Namens mijn cliënt, [verdachte], verzoek ik u de navolgende personen in de bovengenoemde strafzaak in hoger beroep als getuigen te doen horen:
[betrokkene 1]
[betrokkene 2]
(...)
Cliënt geeft er de voorkeur aan de getuigen ter zitting te horen, aangezien hij hen enkele vragen zou willen stellen en bovendien wenst hij met de getuigen te worden geconfronteerd om te bezien of en in hoeverre zij de dader in hem herkennen, nu uit hun verklaringen blijkt dat zij, althans een van hen, de dader zouden kennen uit hun buurt."
4.3.
Het bestreden arrest houdt het volgende in:
"Verzoek verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte het hof ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde verzocht "voor zover nodig" [betrokkene 2] als getuige ter terechtzitting te horen nu deze getuige heeft verklaard dat hij zeker weet dat hij de overvaller zou herkennen als hij hem nog eens zou zien.
Het hof wijst het verzoek af omdat de noodzakelijkheid om de getuige te horen niet is gebleken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de getuige [betrokkene 2] op 28 oktober 2010 bij de politie heeft verklaard dat de overvaller, een negroïde man was van ongeveer 1.80 meter, donkere randen om zijn ogen, kleine neus, erg uitgedroogde lippen en een muts op zijn hoofd had waardoor alleen de ogen, mond en neus zichtbaar waren. Volgens [betrokkene 2] zou de overvaller ongeveer 30 seconden binnen zijn geweest. [betrokkene 2] verklaarde: "Ik denk dat ik weet wie de man is. Ik denk dat ik hem herken als een Hindoestaanse Surinaamse man die 1 of 2 keer bij ons in de winkel is geweest." Aangever [betrokkene 1] heeft verklaard dat de man een zwarte wollen bivakmuts over zijn hoofd had, dat hij de man achter na is gerend toen deze de winkel verliet en dat hij heeft gezien dat de man ter hoogte van de bouwplaats op het Kruisplein de bivakmuts van zijn hoofd trok. In het dossier bevindt zich een bijlage bij het proces-verbaal in deze zaak (nummer PL17DO 2010343718) met foto's van de muts die de verdachte op heeft gehad.
Foto 2 toont dat alleen voor de ogen een uitsparing is gemaakt, zodat de getuige [betrokkene 2] onmogelijk de neus en mond van de overvaller kan hebben gezien. Het vermoeden van [betrokkene 2] de overvaller te kunnen herkennen als een
'Hindoestaanse Surinaamse man' is daarmee gegrond op een gemankeerde waarneming. Nu ook ter zitting door het hof - in overeenstemming met het standpunt van de verdachte te dien aanzien - vastgesteld kon worden dat de verdachte niet is te typeren als een 'Hindoestaanse Surinaamse' man, doch veeleer als negroïde, is de noodzakelijkheid van het verhoor ter zitting van aangever [betrokkene 2] het hof niet gebleken."
4.4.
Nu het ter terechtzitting gedane verzoek om [betrokkene 2] als getuige te horen erop was gegrond dat deze persoon in het opsporingsonderzoek met stelligheid heeft verklaard aan welke gelaatskenmerken hij de in zijn verklaring bedoelde persoon heeft herkend, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat deze verklaring in zoverre als een "gemankeerde waarneming" moet worden aangemerkt en voor het overige aan het bewijs kan bijdragen.
4.5.
Het middel slaagt.
5. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het derde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 25 juni 2013.
Conclusie 23‑04‑2013
Inhoudsindicatie
Getuigenverzoeken. 1. Het ttz. gedane verzoek tot het horen van de getuige X is een verzoek tot het horen van getuigen a.b.i. art. 315 i.v.m. art. 328 Sv, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Het p-v van de tz. in h.b. noch het bestreden arrest houdt een beslissing in op het verzoek tot het horen van X als getuige. Dat verzuim heeft ex art. 330 i.v.m. art. 415 Sv nietigheid tot gevolg. 2. Nu het ttz. gedane verzoek om Y als getuige te horen erop was gegrond dat deze persoon in het opsporingsonderzoek met stelligheid heeft verklaard aan welke gelaatskenmerken hij de in zijn verklaring bedoelde persoon heeft herkend, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat deze verklaring in zoverre als een “gemankeerde waarneming” moet worden aangemerkt en voor het overige aan het bewijs kan bijdragen.
Nr. 12/04399 Zitting: 23 april 2013 | Mr. Vellinga Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1. en 2. telkens “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
2. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat het Hof niet heeft beslist op het verzoek [betrokkene 1] als getuige te horen.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 januari 20121.houdt in dat verdachtes raadsman volhardt in zijn bij faxbrief van 30 augustus 2011 gedaan verzoek [betrokkene 1]2.als getuige te horen.
6. Het middel slaagt.
7. Het tweede middel houdt in dat het Hof het verzoek om de getuige [betrokkene 2] te horen heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen omdat het Hof daarbij is vooruitgelopen op de inhoud van de door de getuige af te leggen verklaring.
8. Het Hof heeft bedoeld verzoek afgewezen op de navolgende, in zijn arrest vermelde gronden:
“Verzoek verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte het hof ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde verzocht "voor zover nodig" [betrokkene 2] als getuige ter terechtzitting te horen nu deze getuige heeft verklaard dat hij zeker weet dat hij de overvaller zou herkennen als hij hem nog eens zou zien.
Het hof wijst het verzoek af omdat de noodzakelijkheid om de getuige te horen niet is gebleken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de getuige [betrokkene 2] op 28 oktober 2010 bij de politie heeft verklaard dat de overvaller, een negroïde man was van ongeveer 1.80 meter, donkere randen om zijn ogen, kleine neus, erg uitgedroogde lippen en een muts op zijn hoofd had waardoor alleen de ogen, mond en neus zichtbaar waren. Volgens [betrokkene 2] zou de overvaller ongeveer 30 seconden binnen zijn geweest. [betrokkene 2] verklaarde: "Ik denk dat ik weet wie de man is. Ik denk dat ik hem herken als een Hindoestaanse Surinaamse man die 1 of 2 keer bij ons in de winkel is geweest." Aangever [betrokkene 1] heeft verklaard dat de man een zwarte wollen bivakmuts over zijn hoofd had, dat hij de man achter na is gerend toen deze de winkel verliet en dat hij heeft gezien dat de man ter hoogte van de bouwplaats op het Kruisplein de bivakmuts van zijn hoofd trok. In het dossier bevindt zich een bijlage bij het proces-verbaal in deze zaak (nummer PL17DO 2010343718) met foto's van de muts die de verdachte op heeft gehad. Foto 2 toont dat alleen voor de ogen een uitsparing is gemaakt, zodat de getuige [betrokkene 2] onmogelijk de neus en mond van de overvaller kan hebben gezien. Het vermoeden van [betrokkene 2] de overvaller te kunnen herkennen als een 'Hindoestaanse Surinaamse man' is daarmee gegrond op een gemankeerde waarneming. Nu ook ter zitting door het hof - in overeenstemming met het standpunt van de verdachte te dien aanzien - vastgesteld kon worden dat de verdachte niet is te typeren als een 'Hindoestaanse Surinaamse' man, doch veeleer als negroïde, is de noodzakelijkheid van het verhoor ter zitting van aangever [betrokkene 2] het hof niet gebleken.”
9. Het Hof heeft aan de afwijzing van het verzoek de veronderstelling ten grondslag gelegd dat de getuige wel moet terugkomen op zijn verklaring dat hij de overvaller heeft herkend als een Hindoestaanse Surinaamse man die een of twee keer bij hem in de winkel is geweest. Deze veronderstelling is gebaseerd op hetgeen de aangever [betrokkene 1] heeft verklaard over de bivakmuts die de overvaller over zijn hoofd had en de zich in het dossier bevindende foto’s van de muts die de verdachte op heeft gehad.
10. Door uit te gaan van de veronderstelling dat de getuige terug moet komen op hetgeen hij heeft verklaard over de herkenning van de overvaller is het Hof vooruitgelopen op hetgeen de getuige zal verklaren. Dat is niet geoorloofd. Weliswaar is het horen van een getuige niet noodzakelijk als op voorhand vaststaat dat hij niet ter zake kan verklaren, bijvoorbeeld omdat hij ter plaatse niet aanwezig is geweest, maar dat gaat niet zover dat er op grond van de verklaring van een andere getuige en foto’s in het dossier vanuit mag worden gegaan dat de getuige moet terugkomen op hetgeen hij over herkenning van de persoon van de overvaller heeft verklaard en derhalve horen van de getuige – zoals het Hof kennelijk heeft geoordeeld - zinloos is. Of de getuige inderdaad zal terugkomen op zijn verklaring moet immers maar worden afgewacht. Daar komt in het onderhavige geval nog bij dat het Hof voor het bewijs heeft gebezigd dat de getuige de overvaller heeft herkend als een man met een negroïde uiterlijk (bewijsmiddel 10). Dat roept immers de vraag op hoe de getuige dat kan hebben gezien als juist is, zoals het Hof veronderstellenderwijs heeft aangenomen, dat het hoofd van de overvaller bedekt was met een bivakmuts die alleen voor de ogen een uitsparing bevatte. De afwijzing van het verzoek is derhalve niet verenigbaar met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.
11. Terzijde merk ik op dat het belang van de ontkennende verdachte bij het horen van de getuige evident is, omdat hij niet een Hindoestaanse Surinaamse man is maar een man met een negroïde uiterlijk.
12. Het middel slaagt.
13. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.
14. Verdachte, die gedetineerd is, heeft op 17 februari 2012 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 12 september 2012 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden.
15. Het middel is terecht voorgedragen.
16. Het middel kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.3.
17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑04‑2013
Het proces-verbaal van de terechtzitting spreekt over [betrokkene 1], In het arrest wordt hij genoemd [betrokkene 1] (p. 9 van het arrest en in bewijsmiddel 9 en 10), terwijl hij in de tenlastelegging en bewezenverklaring ook wordt genoemd [betrokkene 1].
HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, rov. 3.5.3.