NJB 2025/930:Rechtsmiddelenverbod. Verhuur van woonruimte. Servicekosten. In geschil is de hoogte van de servicekosten over 2019. Op verzoek van de huurders stelt de huurcommissie deze vast. Vervolgens beslist op vordering van de verhuurders de kantonrechter hierover. De verhuurders gaan in hoger beroep, maar worden daarin niet-ontvankelijk verklaard op grond van het rechtsmiddelenverbod van art. 7:262 lid 2 BW. Dat geldt indien de kantonrechter een beslissing heeft gegeven over ‘het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht’. In cassatie betogen de verhuurders dat deze zinsnede uit de wet slechts ziet op die soorten servicekosten die genoemd worden in het verzoek aan de huurcommissie. Hoge Raad: De wet onderscheidt vier categorieën vergoedingen, te weten (i) huurprijzen, (ii) kosten voor nutsvoorzieningen, (iii) servicekosten en (iv) de energieprestatievergoeding. De woorden ‘het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht’ moeten aldus worden opgevat dat zij betrekking hebben op elk van die vier categorieën vergoedingen waarover de huurcommissie voor een bepaald tijdvak om een uitspraak was verzocht. Niet van belang is of over elk van de kostenposten binnen die categorie ook een uitspraak van de huurcommissie was verzocht.