NJB 2025/654
Nietigheid uitspraak meervoudige kamer, art. 5 lid 2 RO: in casu was één van de personen die de uitspraak mee heeft gewezen, op het moment van de uitspraak niet als raadsheer-plv. beëdigd waardoor de benoeming van deze persoon nog niet was ingegaan, zodat het arrest van de meervoudige kamer niet door drie, maar door twee raadsheren is gewezen.
HR 18-03-2025, ECLI:NL:HR:2025:391
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18 maart 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, F. Posthumus
- Zaaknummer
23/04376
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:391, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑03‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:325, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑02‑2025
- Wetingang
(art. 5 RO)
Essentie
Nietigheid uitspraak meervoudige kamer, art. 5 lid 2 RO: in casu was één van de personen die de uitspraak mee heeft gewezen, op het moment van de uitspraak niet als raadsheer-plv. beëdigd waardoor de benoeming van deze persoon nog niet was ingegaan, zodat het arrest van de meervoudige kamer niet door drie, maar door twee raadsheren is gewezen.
Uitspraak
Inleiding
Het cassatiemiddel klaagt dat het arrest van het hof nietig is, omdat één van de personen die dit arrest heeft gewezen, op het moment van de uitspraak niet als raadsheer-plaatsvervanger beëdigd was, waardoor de benoeming van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.