WFR 2024/32
De vennootschapsbelastingplicht van lichamen
Dr. J.H.M. Arts, datum 22-01-2024
- Datum
22-01-2024
- Auteur
Dr. J.H.M. Arts1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS941890:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Vennootschapsbelasting / Belastingplichtige
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
Hans Arts is verbonden aan de Universiteit Maastricht.
Zie voor commentaren op het wetsvoorstel G.K. Fibbe & A.J.A. Stevens, ‘Wetsvoorstel Fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen’, WFR 2023/267, en J.P. Boer, ‘Kwalificatie van (niet-)vergelijkbare buitenlandse rechtsvormen: enkele overpeinzingen’, NTFR 2023/1714.
Zie het voorgestelde art. XVIII lid 2 Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen, Kamerstukken II 2023/2024, 36245, nr. 2.
Zie het voorgestelde art. XVIII Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen, Kamerstukken II 2023/2024, 36245, nr. 2.
Zie het voorgestelde art. XVIII lid 2 Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen, Kamerstukken II 2023/2024, 36245, nr. 2.
HR 24 november 1976, nr. 17.998, ECLI:NL:HR:AX3276, BNB 1978/13.
HR 27 februari 2009, nr. 43.388, ECLI:NL:HR:2009:BH4085, BNB 2009/120.
Zie evenwel hierna onder 8 Fondsen voor gemene rekening.
Zie art. LXXIII, Wet tot vaststelling van de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5 van de Invoeringswet Boek 2 nieuw B.W., Stb. 1976, 229. Deze wet is ingevolge het Koninklijk Besluit van 22 juli 1976, Stb. 1976, 342, op 26 juli 1976 in werking getreden.
Art. 2 lid 6 Wet Vpb 1969, tot 2022 art. 2 lid 5 Wet Vpb 1969, jo. art. 2 lid 1 onder a, b en c Wet Vpb 1969.
Art. 2 lid 1 onder e en g Wet Vpb 1969 jo. art. 2 lid 5 Wet Vpb 1969, tot 2022 art. 2 lid 4 Wet Vpb 1969.
Zie het in 2022 voor internetconsultatie gepubliceerde Voorontwerp van wet fiscaal gedeelte personenvennootschappen.
Art. 1.11 Wet IB 2001 en art. 1a Wet Vpb 1969, alsmede wat betreft een aanmerkelijk belang art. 4.5b Wet IB 2001 en art. 4.6 onderdeel f Wet IB 2001.
Zie HR 24 januari 2020, nr. 19/03341, ECLI:NL:HR:2020:115, BNB 2020/165, r.o. 3.7.3. De Hoge Raad verwijst daarbij naar HR 18 november 1998, nr. 31.756, ECLI:NL:HR:1998:BI5819, BNB 1999/35.
Zie HR 18 november 1998, nr. 31.756, ECLI:NL:HR:1998:BI5819, BNB 1999/35.
HR 24 januari 2020, nr. 19/03341, ECLI:NL:HR:2020:115, BNB 2020/165
HR 24 januari 2020, nr. 19/03341, ECLI:NL:HR:2020:115, BNB 2020/165, r.o. 3.7.3.
Zie HR 10 januari 1968, nr. 837, ECLI:NL:HR:1968:AC8776, BNB 1968/81 en NJ 1968, 134. Zie ook Rb. Almelo 28 december 2005, nr. 70347 / HA ZA 05-345, ECLI:NL:RBALM:2005:AU9917.
Zie hierover ook J.P. Boer, ‘Kwalificatie van (niet-)vergelijkbare buitenlandse rechtsvormen: enkele overpeinzingen’, NTFR 2023/1714.
Door de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen zijn open commanditaire vennootschappen en andere vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal vanaf 2025 niet langer vennootschapsbelastingplichtig. De vennootschapsbelastingplicht van lichamen wordt daardoor in principe beperkt tot rechtspersonen. De belastingplicht van buitenlandse rechtsvormen wordt vanaf 2025 vastgesteld door middel van de rechtsvormvergelijkingsmethode. In deze bijdrage wordt voorgesteld om voor de vennootschapsbelastingplicht van lichamen vanaf 2025 uit te gaan van rechtspersoonlijkheid. De rechtsvormvergelijkingsmethode is dan niet nodig. Hierdoor wordt de wetgeving vereenvoudigd en de kans op hybridemismatches door kwalificatieverschillen voor de belastingplicht verminderd.
1. Inleiding
Op 19 september 2023 (Prinsjesdag) heeft de regering twee wetsvoorstellen ingediend voor een aanpassing van de subjectieve belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Het betreft het voorstel Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen en het voorstel Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling. Beide wetsvoorstellen zijn inmiddels aangenomen door het parlement. De Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen bevat ook een wijziging van de omschrijving van de inhoudingsplichtigen voor de dividendbelasting en de bronbelasting.
Ik zal in deze bijdrage de regeling voor de vaststelling van de subjectieve belastingplicht voor de vennootschapsbelasting bespreken. Ik pleit voor het aanknopen bij het bezit van rechtspersoonlijkheid als criterium voor het zijn van belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting in plaats van de nu ingevoerde regeling. Ik meen dat zo een aanzienlijke vereenvoudiging van de wetgeving kan worden bereikt met minder kans op kwalificatieverschillen in de subjectieve belastingplicht voor de vennootschapsbelasting tussen Nederland en andere landen. De wijzigingen met betrekking tot de inhoudingsplichtigen voor de dividendbelasting en bronbelasting laat ik buiten beschouwing. De omschrijving van de inhoudingsplichtigen voor de dividendbelasting en bronbelasting kan, als mijn voorstel wordt gevolgd, in lijn daarmee worden aangepast.
Ik begin met een bespreking van de in de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen opgenomen regeling van de subjectieve belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Hierna ga ik in op de in art. 2 lid 1 onder b AWR gegeven omschrijving van lichamen voor de belastingheffing. Vervolgens zet ik mijn voorstel voor de subjectieve belastingplicht van lichamen uiteen. Ik besteed aan de subjectieve belastingplicht van doelvermogens en van fondsen voor gemene rekening afzonderlijk aandacht. Ik sluit ten slotte af met een samenvatting.
2. Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen
De Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen wijzigt de subjectieve belastingplicht van lichamen.2 Als gevolg van de wet zullen vanaf 2025 open commanditaire vennootschappen en andere vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid met een in aandelen verdeeld kapitaal niet langer zelf aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn.3 Er is voorzien in overgangsrecht dat geldt voor het jaar 2024.4 Daarnaast wordt in de wet vastgelegd wanneer voor de belastingheffing in Nederland lichamen naar buitenlands recht (buitenlandse rechtsvormen) zelf belastingplichtig zijn (fiscaal niet transparant zijn) en wanneer hun winst of inkomen bij de deelgerechtigden in hun vermogen wordt belast (ze fiscaal transparant zijn). Ook deze wijziging treedt vanaf 2025 in werking.5 Met de wijzigingen wordt beoogd om het aantal hybridemismatches als gevolg van een verschil in kwalificatie van de subjectieve belastingplicht van lichamen tussen Nederland en andere landen zo veel mogelijk te beperken.6
Voor de vaststelling van de zelfstandige belastingplicht van lichamen naar buitenlands recht wordt thans de rechtsvormvergelijkingsmethode gebruikt. Het buitenlandse lichaam wordt vergeleken met lichamen naar Nederlands recht. De winst of het inkomen van het buitenlandse lichaam wordt in Nederland op dezelfde wijze in de belastingheffing betrokken als die van een lichaam naar Nederlands recht met een vergelijkbare rechtsvorm. Omdat deze rechtsvormvergelijkingsmethode niet in alle gevallen voldoet, wordt zij nu aangevuld met twee aanvullende methoden: de vaste methode en de symmetrische methode. De vaste methode houdt in dat een lichaam naar buitenlands recht waarvan de rechtsvorm niet vergelijkbaar is met die van een lichaam naar Nederlands recht en dat in Nederland is gevestigd, altijd wordt aangemerkt als een zelfstandig belastingplichtig lichaam voor de vennootschapsbelasting (niet-transparant lichaam). De symmetrische methode geldt voor lichamen naar buitenlands recht waarvan de rechtsvorm niet vergelijkbaar is met die van een lichaam naar Nederlands recht en die niet in Nederland gevestigd zijn. Zij zijn voor de belastingheffing in Nederland zelfstandig belastingplichtig (niet-transparant) indien zij dat ook zijn voor de belastingheffing van de staat waarvan zij inwoner zijn.7
De subjectieve belastingplicht voor de vennootschapsbelasting van open commanditaire vennootschappen en andere vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal eindigt vanaf 2025 door de afschaffing van het toestemmingsvereiste. Indien een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid een in aandelen verdeeld kapitaal heeft, is zij thans zelf vennootschapsbelastingplichtig. Een vennootschap heeft volgens het arrest HR 24 november 1976, BNB 1978/13,8 een in aandelen verdeeld kapitaal wanneer haar vennootschappelijk kapitaal geheel of gedeeltelijk is verdeeld in gelijke of evenredige aandelen, voor de vervreemding waarvan niet de toestemming van alle vennoten is vereist. Aan dit laatste wordt voldaan als niet alle vennoten toestemming behoeven te geven aan een vennoot om zijn aandeel (aandelen) in de vennootschap aan een derde te vervreemden.9 Geldt het toestemmingsvereiste, dan is een vennootschap besloten en is zij niet zelf vennootschapsbelastingplichtig, ook als zij een vennootschappelijk kapitaal heeft dat geheel of gedeeltelijk in gelijke of evenredige aandelen (participaties) is verdeeld. De Hoge Raad heeft het criterium voor de beoordeling wanneer sprake is van een andere vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, die zelf belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting, ontleend aan de omschrijving van een open commanditaire vennootschap in art. 2 lid 3 onder c AWR. Op grond van art. 2 lid 3 onder f AWR worden de commanditaire participaties in een open commanditaire vennootschap voor de belastingheffing gelijkgesteld met aandelen. Door de rechtspraak van de Hoge Raad geldt voor open commanditaire vennootschappen en andere vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid met een in aandelen verdeeld kapitaal hetzelfde criterium voor het zelf belastingplichtig zijn. Het onderscheid dat tot nu toe bestaat tussen maat- en vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid die zelf vennootschapsbelastingplichtig zijn (open, niet-transparant), en maat- en vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid die niet zelf vennootschapsbelastingplichtig zijn (besloten, transparant) verdwijnt vanaf 2025 door het vervallen van het toestemmingsvereiste. Vanaf 2025 zijn hierdoor personenvennootschappen naar Nederlands recht (maatschappen, vennootschappen onder firma en commanditaire vennootschappen) in geen geval meer zelf vennootschapsbelastingplichtig.10
Voor de omschrijving van de vennootschapsbelastingplicht kan daarom vanaf 2025 worden volstaan met: ‘rechtspersonen’. Afhankelijk van hun vestigingsplaats zijn rechtspersonen dan in Nederland aan de vennootschapsbelasting onderworpen als binnenlandse of buitenlandse belastingplichtigen. De wettelijke regeling van de rechtsvormvergelijkingsmethode is niet nodig. Door aan te knopen bij het bezit van rechtspersoonlijkheid als primair criterium voor de subjectieve belastingplicht voor de vennootschapsbelasting kan de zelfstandige belastingplicht van lichamen aanzienlijk eenvoudiger worden geregeld dan zoals nu is opgenomen in de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen. Ik werk dit hierna verder uit.
3. De definitie van lichamen voor de belastingheffing
3.1 Inleiding
Lichamen moeten worden onderscheiden van rechtspersonen. ‘Lichamen’ is een aanduiding voor alle rechtssubjecten die geen natuurlijke personen (individuen) zijn.11 Het kan gaan om groepen van individuen of afgescheiden vermogens. Niet alle lichamen die in het recht als subject worden erkend, zijn rechtspersoon. Alleen lichamen van een type waaraan in de wet rechtspersoonlijkheid is toegekend, zijn rechtspersonen. Of een lichaam een rechtspersoon is, hangt daardoor enkel af van een formeel criterium.
Voor de belastingheffing is in art. 2 lid 1 onder b AWR omschreven wat onder lichamen wordt verstaan. Volgens deze bepaling zijn lichamen voor de belastingheffing:
verenigingen en andere rechtspersonen;
maat- en vennootschappen;
ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen;
doelvermogens.
Hieronder ga ik nader in op deze omschrijving. Daarbij behandel ik niet ‘doelvermogens’. Die komen hierna afzonderlijk in hoofdstuk 5 aan bod.
3.2 Verenigingen en andere rechtspersonen
De huidige tekst van art. 2 lid 1 onder b AWR geldt sinds de invoering van Boek 2 BW in 1976.12 Onder ‘verenigingen en andere rechtspersonen’ vallen in de eerste plaats de in Boek 2 BW geregelde privaatrechtelijke rechtspersonen. Het gaat om gewone verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, naamloze vennootschappen (nv’s), besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (bv’s) en stichtingen. Met uitzondering van stichtingen gaat het om groepen van individuen die rechtspersoonlijkheid bezitten. Daarbij zijn coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen lichamen van het type vereniging en nv’s en bv’s van het type vennootschap. Stichtingen zijn afgescheiden vermogens die rechtspersoonlijkheid bezitten.
Naast de in Boek 2 BW genoemde rechtspersonen vallen onder ‘verenigingen en andere rechtspersonen’ in de zin van art. 2 lid 1 onder b AWR privaatrechtelijke rechtspersonen die niet in Boek 2 BW geregeld zijn, zoals de vereniging van eigenaars die is geregeld in Boek 5 BW. Op grond van art. 5:124 lid 1 BW is een vereniging van eigenaars een rechtspersoon. Hierop zijn de bepalingen van Boek 2 BW beperkt van toepassing.13
Onder ‘verenigingen en andere rechtspersonen’ vallen ook de in art. 2:1 BW genoemde publiekrechtelijke rechtspersonen en de in art. 2:2 BW genoemde kerkgenootschappen. Voorts zijn rechtspersonen naar Nederlands recht alle lichamen die op grond van een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid bezitten, zoals openbare lichamen op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Deze bezitten op grond van art. 8 lid 1 Wet gemeenschappelijke regelingen rechtspersoonlijkheid. Zij zijn aan te merken als publiekrechtelijke rechtspersonen in de zin van art. 2:1 lid 2 BW. Hetzelfde geldt voor de open universiteit en de openbare universiteiten en academische ziekenhuizen die op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) rechtspersoonlijkheid bezitten.14
Verenigingen en andere rechtspersonen in de zin van art. 2 lid 1 onder b AWR zijn niet alleen rechtspersonen naar Nederlands recht, maar ook naar buitenlands recht. Of een lichaam naar buitenlands recht een rechtspersoon is, wordt bepaald door het op dat lichaam toepasselijke privaatrecht. Het kan dus zijn dat een lichaam naar buitenlands recht een rechtspersoon is, ook al heeft het een rechtsvorm waaraan naar Nederlandse recht geen rechtspersoonlijkheid toekomt.
In art. 2 lid 2 onder a AWR is nog bepaald dat onder verenigingen in art. 2 lid 1 onder b AWR ook worden begrepen samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid die met een vereniging gelijk kunnen worden gesteld. Met betrekking tot deze uitbreiding zij opgemerkt dat ook verenigingen zonder statuten die in een notariële akte zijn opgenomen, rechtspersoonlijkheid bezitten.15 Het betekent dat samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid die met een vereniging gelijk te stellen zijn, niet veel voor zullen komen. Hierbij moet voor ogen gehouden worden dat het moet gaan om samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid die met een vereniging gelijk te stellen zijn; samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid die als vennootschappen zijn aan te merken, vallen niet onder de uitbreiding van art. 2 lid 2 onder a AWR. Dit zijn ‘maat- en vennootschappen’ in de zin van art. 2 lid 1 onder b AWR.
3.3 Maat- en vennootschappen
Maat- en vennootschappen in de zin van art. 2 lid 1 onder b AWR zijn zowel personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, zoals naar Nederlands recht de maatschap, de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap als vennootschappen met rechtspersoonlijkheid, zoals de bv en de nv. Wat het kenmerk van een vennootschap is, is te vinden in art. 7A:1655 BW dat de definitie van ‘maatschap’ bevat. Het luidt: ‘Maatschap is eene overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen.’ Onder maat- en vennootschappen in de zin van art. 2 lid 1 onder b AWR vallen ook vennootschappen naar buitenlands recht met en zonder rechtspersoonlijkheid. Vennootschappen met rechtspersoonlijkheid vallen zowel onder ‘verenigingen en andere rechtspersonen’ als ‘maat- en vennootschappen’ in de zin van art. 2 lid 1 onder b AWR.
3.4 Ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen
Art. 2 lid 1 onder b AWR merkt ook ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen aan als lichamen voor de belastingheffing. De kwalificatie houdt verband met de regeling van de belastingplicht van ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen vóór de inwerkingtreding van de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen. Deze wet geldt voor boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2016.16 Tot 2016 waren publiekrechtelijke rechtspersonen als zodanig niet vennootschapsbelastingplichtig. Hadden zij activiteiten die vielen onder een van de omschrijvingen in art. 2 lid 3 Wet Vpb 1969 (tekst 2015), dan was er sprake van een onderneming van een publiekrechtelijke rechtspersoon die als subject voor de vennootschapsbelasting werd aangemerkt. Sinds de inwerkingtreding van de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen zijn publiekrechtelijke rechtspersonen zelf subjectief belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting indien zij een onderneming drijven, en niet meer de door hen gedreven ondernemingen. De vermelding van ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen in art. 2 lid 1 onder b AWR is daardoor achterhaald.
4. De vennootschapsbelastingplicht van lichamen na het vervallen van het toestemmingsvereiste
4.1 De omschrijving van de belastingplichtige lichamen voor de vennootschapsbelasting vanaf 2025
De afschaffing van het toestemmingsvereiste brengt mee dat vanaf 2025 maat- en vennootschappen in de zin van art. 2 lid 1 onder b AWR in beginsel niet langer vennootschapsbelastingplichtig zijn. De vennootschapsbelastingplicht is dan beperkt tot verenigingen en andere rechtspersonen in de zin van art. 2 lid 1 onder b AWR. Daarnaast kunnen nog doelvermogens vennootschapsbelastingplichtig zijn. Zie hoofdstuk 5 hierna. De kwalificatie in art. 2 lid 1 onder b AWR van ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen als lichamen is, zoals hierboven onder 3.4 uiteengezet, door de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen achterhaald. Deze lichamen in de zin van art. 2 lid 1 onder b AWR kunnen daarom nu geen belastingplichtige meer zijn voor de vennootschapsbelasting.
Doordat vanaf 2025 maat- en vennootschappen in beginsel niet langer vennootschapsbelastingplichtig zijn, kan zowel bij de omschrijving van de binnenlandse belastingplichtige lichamen als van de buitenlandse belastingplichtige lichamen worden volstaan met ‘rechtspersonen’. Dit zijn dan verenigingen en andere rechtspersonen in de zin van art. 2 lid 1 onder b AWR naar Nederlands recht en naar buitenlands recht. Deze omschrijving van de belastingplichtige lichamen kan dan nog worden aangevuld met fondsen voor gemene rekening en doelvermogens. Dit zijn lichamen die geen rechtspersoon zijn. Voorts kan een uitbreiding van de belastingplichtige lichamen met maat- en vennootschappen naar buitenlands recht die geen rechtspersoon zijn, gewenst zijn indien deze voor de belastingheffing in hun vestigingsstaat niet transparant zijn. Ten slotte moeten omgekeerde hybride lichamen nog worden genoemd als lichamen die binnenlands belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting kunnen zijn. Het gaat dan om in Nederland gevestigde maat- en vennootschappen naar Nederlands recht en naar buitenlands recht zonder en met rechtspersoonlijkheid die voldoen aan de omschrijving in art. 2 lid 12 Wet Vpb 1969 (tekst 2023) en die niet al op een andere grond vennootschapsbelastingplichtig zijn.
Het is niet nodig om afgezonderde particuliere vermogens in de zin van art. 2.14a Wet IB 2001 afzonderlijk als belastingplichtige lichamen te noemen. Het gaat bij een afgezonderd particulier vermogen in alle gevallen om een afgescheiden vermogen dat óf een rechtspersoon óf een doelvermogen is. Worden ook in Nederland gevestigde doelvermogens genoemd als lichamen die voor de vennootschapsbelasting binnenlands belastingplichtig kunnen zijn indien zij een onderneming drijven, dan is de vermelding van afgezonderde particuliere vermogens als binnenlandse belastingplichtigen overbodig.
Wordt volstaan met de omschrijving ‘rechtspersonen’ als belastingplichtige lichamen voor de vennootschapsbelasting, dan wordt ook voorkomen dat rechtspersonen naar Nederlands recht die in art. 2 Wet Vpb 1969 niet als binnenlandse belastingplichtigen zijn genoemd, niet vennootschapsbelastingplichtig zijn. In de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen is, anders dan tot nu toe, geen restbepaling opgenomen. Een restbepaling is naar mijn mening wenselijk, ook als mijn voorstel voor de omschrijving van de belastingplicht niet wordt gevolgd.
4.2 De vennootschapsbelastingplicht van rechtspersonen vanaf 2025
Een rechtspersoon staat wat betreft het vermogensrecht met een natuurlijke persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit, luidt art. 2:5 BW. Dit brengt voor de belastingheffing mee dat een rechtspersoon niet transparant is. Hetzelfde geldt voor rechtspersonen naar buitenlands recht. Het is daarom niet nodig om uitdrukkelijk in de belastingwet te bepalen dat een rechtspersoon niet transparant is. In de wet moet enkel worden bepaald wanneer hij transparant is.
Rechtspersonen zijn in Nederland als binnenlandse belastingplichtigen aan de vennootschapsbelasting onderworpen indien zij in Nederland gevestigd zijn. Voor rechtspersonen naar Nederlands recht geldt daarbij de vestigingsplaatsfictie.17 Rechtspersonen naar buitenlands recht zijn in Nederland als binnenlandse belastingplichtigen aan de vennootschapsbelasting onderworpen indien zij feitelijk in Nederland gevestigd zijn. Voor nv’s, bv’s, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen naar Nederlands recht, alsmede stichtingen en verenigingen naar Nederlands recht die woningbouwcorporatie zijn,18 geldt daarnaast de ondernemingsfictie19 waardoor deze steeds voor hun gehele winst aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn. Hetzelfde geldt voor vergelijkbare rechtspersonen naar buitenlands recht die binnenlands belastingplichtig zijn. Andere in Nederland gevestigde rechtspersonen naar Nederlands en buitenlands recht zijn slechts aan de vennootschapsbelasting onderworpen indien en voor zover zij een onderneming drijven. Het gaat dan om stichtingen en verenigingen die geen woningbouwcorporatie zijn, andere privaatrechtelijke rechtspersonen, kerkgenootschappen en publiekrechtelijke rechtspersonen.20 Drijven deze rechtspersonen geen onderneming, dan wordt hun inkomen niet bij hen belast. Het wordt dan ook niet toegerekend aan deelgerechtigden in hun vermogen of andere bij hen belanghebbenden, tenzij de rechtspersoon is aan te merken als een afgezonderd particulier vermogen in de zin van art. 2.14a Wet IB 2001. In dit geval worden het inkomen en het vermogen van de rechtspersoon toegerekend aan de in art. 2.14a Wet IB 2001 aangewezen natuurlijke personen. Het gaat dan om afgescheiden vermogens die rechtspersoonlijkheid bezitten. Naar Nederlands recht kan een stichting een rechtspersoon zijn die een afgezonderd particulier vermogen is.
Door de vestigingsplaatsfictie van art. 2 lid 5 Wet Vpb 1969 kunnen enkel rechtspersonen naar buitenlands recht buitenlands belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting. Zij moeten dan Nederlands inkomen genieten zoals omschreven in art. 17 lid 3 Wet Vpb 1969 jo. art. 17a Wet Vpb 1969.
Rechtspersonen kunnen voor de belastingheffing in het buitenland transparant zijn. De vraag is of dit voor de belastingheffing in Nederland gevolgd moet worden. Naar mijn mening moet daarvoor primair gekeken worden naar de behandeling voor de belastingheffing in de staat welks privaatrecht op hen van toepassing is. Wordt een rechtspersoon op grond van de rechtsvorm in die staat voor de belastingheffing als een transparant lichaam beschouwd, dan moet dit ook voor de belastingheffing in Nederland gevolgd worden, zelfs wanneer hij in Nederland gevestigd is. Is de rechtspersoon gevestigd in een andere staat dan de staat welks privaatrecht op hem van toepassing is, en wordt hij voor de belastingheffing in die staat niet als een transparant lichaam beschouwd, dan moet hier voor de belastingheffing in Nederland bij aangesloten worden. Voor de belastingheffing van een rechtspersoon in Nederland is aldus primair bepalend de fiscale behandeling in de staat welks privaatrecht op hem van toepassing is. Is de rechtspersoon in een andere staat gevestigd en wijkt de fiscale behandeling in deze staat af van die welks privaatrecht op hem van toepassing is, dan moet voor de belastingheffing in Nederland de fiscale behandeling in de vestigingsstaat gevolgd worden.
Ik merk hierbij op dat dit ook geldt voor rechtspersonen naar Nederlands recht. Wordt aan personenvennootschappen (maatschappen, vennootschappen onder firma en commanditaire vennootschappen) in het nieuwe personenvennootschapsrecht rechtspersoonlijkheid toegekend, zoals voorgesteld, dan zijn zij als rechtspersonen in beginsel zelf aan de vennootschapsbelasting onderworpen. De bedoeling is echter dat zij, zoals nu, fiscaal transparant blijven.21 Dit moet dan uitdrukkelijk in de wet geregeld worden. In Nederland gevestigde personenvennootschappen naar Nederlands recht zijn dan in Nederland niet zelf aan de vennootschapsbelasting onderworpen. Of in dit geval een personenvennootschap naar Nederlands recht zelf in het buitenland aan een belasting naar de winst onderworpen is, hangt af van de buitenlandse belastingwetgeving. Is de personenvennootschap feitelijk gevestigd in een staat die haar, vanwege de rechtspersoonlijkheid onder het nieuwe personenvennootschapsrecht, voor een door hem geheven winstbelasting niet als een transparant lichaam beschouwt, dan is zij voor deze belasting in die staat zelf belastingplichtig. Aldus ontstaat een verschil in de kwalificatie voor de belastingplicht in Nederland en in het buitenland: voor de belastingheffing in Nederland is de personenvennootschap transparant; voor de belastingheffing in het buitenland niet. Dit zou kunnen worden opgelost doordat Nederland personenvennootschappen naar Nederlands recht die in een andere staat zelf als binnenlandse belastingplichtigen aan een belasting naar de winst onderworpen zijn, voor zijn belastingheffing ook als niet-transparant beschouwt. Het kwalificatieverschil kan zich onder het nieuwe personenvennootschapsrecht ook voordoen bij buitenlandse belastingplicht in een andere staat. Dit is het geval als een in Nederland gevestigde personenvennootschap naar Nederlands recht, die in Nederland transparant is, in een andere staat voor door haar aldaar behaalde inkomsten zelf als buitenlandse belastingplichtige wordt aangemerkt. In dit geval is het niet aan Nederland om het verschil in kwalificatie voor de belastingplicht op te lossen. Wordt verder aan personenvennootschappen in het nieuwe personenvennootschapsrecht rechtspersoonlijkheid toegekend maar blijven zij fiscaal transparant, dan zijn zij toch aan de vennootschapsbelasting onderworpen ingeval zij kwalificeren als omgekeerde hybride lichamen in de zin van art. 2 lid 12 Wet Vpb 1969 (tekst 2023).
4.3 De vennootschapsbelastingplicht van maat- en vennootschappen vanaf 2025
Maat- en vennootschappen naar Nederlands recht zijn door de afschaffing van het toestemmingsvereiste vanaf 2025 niet meer zelf aan de vennootschapsbelasting onderworpen. Zij zijn vanaf 2025 fiscaal steeds transparant, behoudens het geval van een vennootschap die kwalificeert als een omgekeerd hybride lichaam in de zin van art. 2 lid 12 Wet Vpb 1969 (tekst 2023).
Voor maat- en vennootschappen naar buitenlands recht zonder rechtspersoonlijkheid geldt hetzelfde als voor maat- en vennootschappen naar Nederlands recht. Ook zij zijn voor de belastingheffing in Nederland in beginsel transparant, tenzij het een vennootschap is die is aan te merken als een omgekeerd hybride lichaam. Betreft het echter een maat- of vennootschap die voor de belastingheffing in de staat welks privaatrecht op haar van toepassing is, als een niet-transparant lichaam wordt behandeld, dan moet dit voor de belastingheffing in Nederland worden gevolgd. Dit geldt ook als de maat- of vennootschap in Nederland gevestigd is.
Maat- en vennootschappen naar buitenlands recht die rechtspersoonlijkheid bezitten, zijn, omdat zij rechtspersoon zijn, voor de belastingheffing in Nederland in beginsel wel vennootschapsbelastingplichtig. Dit is anders, zoals hiervoor onder 4.2 betoogd, indien zij voor de belastingheffing in de staat welks privaatrecht op hen van toepassing is, dan wel in de staat waarin zij gevestigd zijn, als transparante lichamen worden beschouwd.
Voor vennootschappen naar buitenlands recht, zowel met als zonder rechtspersoonlijkheid, kan voor de belastingheffing in de staat welks privaatrecht op haar van toepassing is, een keuzeregime bestaan. De voor die belastingheffing gemaakte keuze moet dan voor de belastingheffing in Nederland gevolgd worden. Deze keuzemogelijkheid bestaat evenwel niet voor de belastingheffing in Nederland bij vennootschappen naar buitenlands recht die feitelijk in Nederland gevestigd zijn. Voor de belastingheffing in Nederland moet dan het regime gevolgd worden dat geldt indien voor de belastingheffing in het buitenland geen keuze wordt gemaakt.
Het aandeel van een vennoot in een vennootschap zonder een in aandelen verdeeld kapitaal, die fiscaal niet-transparant is, moet voor de belastingheffing in Nederland met een aandeel in een vennootschap met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal gelijk worden gesteld. Dit geldt voor zowel vennootschappen met als zonder rechtspersoonlijkheid. Het geldt ook voor niet-transparante vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid met een in aandelen verdeeld kapitaal. Dit kan in de AWR geregeld worden zoals tot nu toe voor het aandeel in een open commanditaire vennootschap.
4.4 Verschil met de rechtsvormvergelijkingsmethode
Door voor de belastingplicht in Nederland uit te gaan van het privaatrecht dat op een lichaam van toepassing is, is een vergelijking van de rechtsvorm van een lichaam naar buitenlands recht met Nederlandse rechtsvormen niet nodig. De rechtsvormvergelijkingsmethode is dan overbodig. De desbetreffende bepalingen uit de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen kunnen dientengevolge vervallen.22
De rechtspersoonlijkheid van een lichaam brengt mee dat het voor de belastingheffing niet transparant is. Dit is slechts anders indien dit in de belastingwet uitdrukkelijk anders is bepaald, zoals in geval van een afgezonderd particulier vermogen. In de wet moet dan ook uitdrukkelijk worden bepaald aan wie het vermogen en de winst of het inkomen van de transparante rechtspersoon voor de belastingheffing worden toegerekend. Indien de transparante rechtspersoon een vennootschap of een vereniging is, zijn dit de deelgenoten in zijn vermogen (deelgerechtigden). Het vermogen en de winst of het inkomen worden dan ieder van hen toegerekend naar verhouding van zijn deelgerechtigdheid (aandeel).
Van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid behoort het vermogen goederenrechtelijk toe aan de vennoten (deelgerechtigden). Daardoor is, zonder andersluidende bepaling, zijn winst of inkomen voor de belastingheffing winst of inkomen van de vennoten. Dit is dan bij ieder van hen belast naar verhouding van zijn deelgerechtigdheid in het vermogen van het lichaam. Art. 2.14bis Wet IB 2001, zoals nu opgenomen, is overbodig. In de wet moet wel een bepaling worden opgenomen op grond waarvan het vermogen en de winst of het inkomen van een fiscaal transparante rechtspersoon, zoals een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, voor de belastingheffing worden toegerekend aan de deelgerechtigden.
5. Doelvermogens
Doelvermogens worden in art. 2 lid 1 onder b AWR afzonderlijk naast verenigingen en andere rechtspersonen en maat- en vennootschappen als lichamen aangemerkt voor de belastingheffing. Het privaatrecht kent de figuur van het doelvermogen niet. Het gaat hier om een zuiver fiscaal begrip. Kenmerk van het doelvermogen is dat het gaat om een vermogen dat is afgezonderd voor een bepaald doel en dat juridisch als rechtssubject wordt erkend. Het gaat blijkens HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:115, om afgescheiden vermogens die geen rechtspersoonlijkheid bezitten.23 Onder ‘doelvermogens’ in art. 2 lid 1 onder b AWR valt de Anglo-Amerikaanse trust. Een trust is een afgescheiden vermogen dat als rechtssubject wordt erkend maar geen rechtspersoonlijkheid bezit. Op grond van het Haags Trustverdrag worden trusts in het Nederlands recht als rechtssubject erkend.24
Doelvermogens kunnen thans voor de vennootschapsbelasting enkel buitenlands belastingplichtig zijn. Een doelvermogen is voor de belastingheffing in Nederland niet transparant,25 tenzij het is aan te merken als een afgezonderd particulier vermogen in de zin van art. 2.14a Wet IB 2001. Het zal in deze gevallen gaan om doelvermogens die niet in Nederland belastingplichtig zijn. Heeft het doelvermogen een aanmerkelijk belang in een Nederlandse vennootschap, ter zake waarvan het op grond van art. 17 lid 3 onder b Wet Vpb 1969 buitenlands belastingplichtig zou kunnen zijn, dan brengt de toerekening op grond van art. 2.14a Wet IB 2001 mee dat geen Nederlandse inkomstenbelasting wordt ontgaan. Daardoor is dan niet voldaan aan de voorwaarden voor buitenlandse belastingplicht op grond van art. 17 lid 3 onder b Wet Vpb 1969 (technisch a.b.).
De omschrijving van lichamen die binnenlands belastingplicht kunnen zijn voor de vennootschapsbelasting, moet worden uitgebreid met doelvermogens, zoals ook in de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen is geregeld. Ook al gaat het om rechtsvormen die naar Nederlands recht niet mogelijk zijn, doelvermogens kunnen daarom nog wel in Nederland gevestigd zijn. Denk aan een trust met een trustee die in Nederland woont of gevestigd is.
6. Fondsen voor gemene rekening
Fondsen voor gemene rekening worden in art. 2 lid 1 onder b AWR niet afzonderlijk als lichamen genoemd. Zij worden wel in art. 2 lid 1 onder f Wet Vpb 1969 afzonderlijk als binnenlandse belastingplichtigen genoemd. In art. 2 lid 4 Wet Vpb 1969 is omschreven wat onder een fonds voor gemene rekening moet worden verstaan.26 Fondsen voor gemene rekening zijn derhalve lichamen in de zin van art. 2 lid 1 onder b AWR die voldoen aan de omschrijving in art. 2 lid 4 Wet Vpb 1969. Dit roept de vraag op welke lichamen in de zin van art. 2 lid 1 onder b AWR dat zijn.
De vraag kan niet eenvoudig aan de hand van het privaatrecht worden beantwoord. Het privaatrecht kent niet ‘fonds’ of ‘fonds voor gemene rekening’ als aparte rechtsvorm. De vraag is daardoor wat de privaatrechtelijke rechtsvorm is van lichamen die voor de vennootschapsbelasting als fondsen voor gemene rekening zijn aan te merken.
Een fonds voor gemene rekening is geen rechtspersoon. Het gaat immers om een rechtsvorm die in het privaatrecht niet bekend is. Het is ook geen doelvermogen. In zijn arrest van 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:115,27 besliste de Hoge Raad dat uit de definitie in art. 2 lid 4 Wet Vpb 1969 volgt dat van een fonds voor gemene rekening alleen sprake kan zijn indien vermogen belegd wordt voor gemeenschappelijke rekening van twee of meer deelgerechtigden. Is sprake van vermogen dat slechts voor één daartoe gerechtigde wordt belegd dan is geen sprake van een fonds voor gemene rekening. Dat vermogen is dan blijkens het arrest HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:115, ook geen doelvermogen. Van een doelvermogen kan geen sprake zijn indien het gaat om vermogen dat toebehoort aan een of meer daartoe gerechtigden.28
Omdat een fonds voor gemene rekening noch een rechtspersoon noch een doelvermogen is, kan het alleen een maat- of vennootschap zijn. Dit strookt met de schaarse civielrechtelijke rechtspraak over fondsen voor gemene rekening. Daaruit volgt dat een fonds voor gemene rekening naar burgerlijk recht een maatschap in de zin van art. 7A:1655 BW is.29 Fondsen voor gemene rekening zijn dan voor de belastingheffing als maatschappen lichamen in de zin van art. 2 lid 1 onder b AWR. De bestaande onduidelijkheid zou kunnen worden weggenomen door in de definitie van ‘fonds voor gemene rekening’ in art. 2 lid 4 Wet Vpb 1969 de zinsnede ‘Onder een fonds voor gemene rekening wordt verstaan een fonds’ te vervangen door ‘Onder een fonds voor gemene rekening wordt verstaan een maatschap of vennootschap’.
Fondsen voor gemene rekening zijn tot nu toe alleen vennootschapsbelastingplichtig indien zij open zijn. Dit criterium is hetzelfde als dat wat tot nu toe geldt voor de zelfstandige belastingplicht van open commanditaire vennootschappen en andere vennootschappen met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal. Zie hiervoor hoofdstuk 2.
Ook voor fondsen voor gemene rekening vervalt het huidige toestemmingsvereiste. De wijziging van belastingplicht met ingang van 2025 is geregeld in een aparte wet, de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling. Anders dan open commanditaire vennootschappen en andere vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal blijven fondsen voor gemene rekening ook na 2024 vennootschapsbelastingplichtig. Voor de belastingplicht wordt echter voortaan aangeknoopt bij de Wet op het financieel toezicht (Wft). Alleen maat- en vennootschappen die voldoen aan de omschrijving van ‘beleggingsfonds’ of van ‘fonds voor collectieve belegging in effecten’ in art. 1:1 Wft zijn vanaf 2025 nog vennootschapsbelastingplichtig. Voorts moeten de bewijzen van deelgerechtigdheid in het fonds verhandelbaar zijn. Dit is enkel niet het geval als de participaties uitsluitend aan het fonds zelf kunnen worden vervreemd. Het criterium voor verhandelbaarheid is daarmee veel ruimer dan thans.
De handhaving van de belastingplicht van fondsen voor gemene rekening brengt mee dat ‘fondsen voor gemene rekening’ apart moeten worden genoemd als belastingplichtige lichamen in art. 2 Wet Vpb 1969. Omdat het gaat om maat- en vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid zijn zij niet al als rechtspersonen vennootschapsbelastingplichtig. Fondsen voor gemene rekening kunnen ook maat- en vennootschappen naar buitenlands recht zijn. Uit de Wet op het financieel toezicht volgt niet dat alleen maat- en vennootschappen naar Nederlands recht een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten kunnen zijn.
Fondsen voor gemene rekening worden in art. 3 Wet Vpb 1969 tot nu toe niet genoemd als lichamen die buitenlands belastingplichtig kunnen zijn.30 De Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen brengt mee dat dit vanaf 2025 wel het geval is. De vraag is of het noodzakelijk is. Het is namelijk de vraag of niet in Nederland gevestigde maat- en vennootschappen die aan de omschrijving van een fonds voor gemene rekening voldoen, aan buitenlandse belastingplicht toekomen, omdat de aard van hun in de Wet op het financieel toezicht omschreven werkzaamheden meebrengt dat deze geen Nederlands inkomen zullen opleveren. De vermelding van fondsen voor gemene rekening als buitenlandse belastingplichtige lichamen is dan een loze bepaling.
7. Samenvatting
De Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen en de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling bakenen de subjectieve belastingplicht voor de vennootschapsbelasting opnieuw af. Door de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen is vanaf 2025 het toestemmingsvereiste niet langer relevant als criterium voor de vennootschapsbelastingplicht. Daardoor zijn vanaf 2025 vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid in Nederland in geen geval meer aan de vennootschapsbelasting onderworpen. Naar huidig Nederlands recht zijn dit maatschappen, vennootschappen onder firma en commanditaire vennootschappen. Volstaan kan daarom worden bij de omschrijving van de belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting met: ‘rechtspersonen’. Dit geldt zowel voor de binnenlandse als de buitenlandse belastingplicht. Aldus wordt ook bereikt dat rechtspersonen in alle gevallen vennootschapsbelastingplichtig zijn. In de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen ontbreekt een restbepaling waardoor onduidelijk is of rechtspersoonlijkheid bezittende lichamen met een andere rechtsvorm dan die van de lichamen die als belastingplichtigen worden genoemd, vennootschapsbelastingplichtig zijn. Dit kunnen ook rechtspersonen naar Nederlands recht zijn die niet in Boek 2 BW geregeld zijn, zoals verenigingen van eigenaars.
In geval van een lichaam naar buitenlands recht moet, als mijn voorstel wordt gevolgd, op basis van het op dat lichaam toepasselijke privaatrecht worden beoordeeld of het een rechtspersoon is. Is dit het geval, dan is het, afhankelijk van zijn vestigingsplaats, in Nederland als binnenlandse of buitenlandse belastingplichtige aan de vennootschapsbelasting onderworpen. Maat- en vennootschappen naar buitenlands recht zonder rechtspersoonlijkheid zijn, net zoals maat- en vennootschappen naar Nederlands recht, in Nederland niet zelf aan de vennootschapsbelasting onderworpen. Dit is anders indien de vennootschap in de staat welks privaatrecht op haar van toepassing is, als een niet-transparant lichaam wordt beschouwd. Dit moet dan voor de belastingheffing in Nederland worden gevolgd. Dit geldt ook als een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid gevestigd is in een andere staat dan die welks privaatrecht op haar van toepassing is, en zij voor de belastingheffing in deze staat als een niet-transparant lichaam wordt beschouwd. De behandeling voor de belastingheffing in de vestigingsstaat is dan voor de vennootschapsbelastingplicht in Nederland leidend. Hetzelfde geldt voor rechtspersonen die voor de belastingheffing in de staat welks privaatrecht op hen van toepassing is, als transparante lichamen worden beschouwd. Dit kan zich met name voordoen bij personenvennootschappen naar buitenlands recht die volgens dit recht rechtspersoonlijkheid bezitten.
Behalve met vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid die voor de belastingheffing niet transparant zijn, moet de omschrijving van de vennootschapsbelastingplichtige lichamen nog worden uitgebreid met doelvermogens, fondsen voor gemene rekening en omgekeerde hybride lichamen. Dit zijn lichamen zonder rechtspersoonlijkheid die ook na de aanpassing van de belastingplicht vennootschapsbelastingplichtig blijven. In art. 2 lid 1 onder b AWR worden nog ‘ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen’ afzonderlijk als lichamen voor de belastingheffing genoemd. Dit is door de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen achterhaald. Ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen worden sinds de inwerkingtreding van die wet niet meer als zodanig aangemerkt als vennootschapsbelastingplichtige lichamen. Hun vermelding in art. 2 lid 1 onder b AWR kan daarom vervallen.
Doelvermogens zijn blijkens HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:115, afgescheiden vermogens die geen rechtspersoonlijkheid bezitten. Zij kunnen thans alleen als buitenlands belastingplichtige zelf aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn. Omdat zij ook in Nederland gevestigd kunnen zijn, moeten zij ook worden opgenomen bij de omschrijving van de binnenlands belastingplichtige lichamen. Een doelvermogen kan een afgezonderd particulier vermogen in de zin van art. 2.14a Wet IB 2001 zijn. Dit is alleen het geval als het niet vennootschapsbelastingplichtig is.
Fondsen voor gemene rekening zijn maat- en vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid die voldoen aan de omschrijving van art. 2 lid 4 Wet Vpb 1969. Dat het om maat- en vennootschappen gaat, zou uitdrukkelijk in de omschrijving van art. 2 lid 4 Wet Vpb 1969 moeten worden opgenomen. Fondsen voor gemene rekening blijven, anders dan maat- en vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid in het algemeen, ook na 2024 vennootschapsbelastingplichtig. Wel wordt als gevolg van de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling de omschrijving in art. 2 lid 4 Wet Vpb 1969 aangepast. Evenals bij open commanditaire vennootschappen en andere vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal is het toestemmingsvereiste niet langer bepalend voor het zelf vennootschapsbelastingplichtig zijn. Een fonds voor gemene rekening is vanaf 2025 zelf vennootschapsbelastingplichtig als zijn bewijzen van deelgerechtigdheid verhandelbaar zijn. Dit is enkel niet het geval als de bewijzen uitsluitend aan het fonds zelf vervreemd kunnen worden. Voorts kunnen vanaf 2025 alleen nog maat- en vennootschappen die voldoen aan de omschrijving van ‘beleggingsfonds’ of van ‘fonds voor collectieve belegging in effecten’ in art. 1:1 Wft, vennootschapsbelastingplichtig zijn. Fondsen voor gemene rekening zijn tot nu toe niet aangewezen als lichamen die buitenlands belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting kunnen zijn. Vanaf 2025 kunnen zij wel buitenlands belastingplichtig zijn. De vraag is evenwel of een niet in Nederland gevestigd fonds voor gemene rekening, gezien de aard van zijn werkzaamheden, aan buitenlandse belastingplicht in Nederland toekomt.
Omgekeerde hybride lichamen zijn feitelijk in Nederland gevestigde vennootschappen die voldoen aan de omschrijving van art. 2 lid 12 Wet Vpb 1969 (tekst 2023). Dit kunnen zowel vennootschappen naar Nederlands recht als naar buitenlands recht zijn.
Rechtspersonen zijn, omdat zij rechtssubject zijn, voor de belastingheffing niet transparant. Daarom moet alleen als een rechtspersoon voor de belastingheffing transparant is, uitdrukkelijk in de wet worden bepaald dat zijn vermogen, winst en inkomen worden toegerekend aan de deelgenoten in zijn vermogen. Dit is niet mogelijk bij een afgescheiden vermogen dat rechtspersoonlijkheid bezit, zoals een stichting naar Nederlands recht. Is een dergelijke rechtspersoon niet vennootschapsbelastingplichtig, dan blijft de winst of zijn inkomen onbelast, tenzij hij als een afgezonderd particulier vermogen in de zin van art. 2.14a Wet IB 2001 is aan te merken. Omdat het bij een afgezonderd particulier vermogen óf om een rechtspersoon óf om een doelvermogen gaat, is het niet nodig afgezonderde particuliere vermogens apart te vermelden als belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting.
Vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid zijn in beginsel voor de belastingheffing transparant omdat hun vermogen, winst en inkomen goederenrechtelijk toekomen aan haar vennoten. Het is daarom niet nodig om, zoals in de Wet fiscaal kwalificatiebeleid is voorgesteld, uitdrukkelijk in de wet te bepalen dat het vermogen, de winst en het inkomen van een transparante vennootschap voor de belastingheffing in aanmerking worden genomen bij haar vennoten. Dit is anders voor vennootschappen die rechtspersoonlijkheid bezitten. Dan is een uitdrukkelijke wettelijke regeling wel nodig. Dit geldt na de modernisering van het personenvennootschapsrecht ook voor personenvennootschappen naar Nederlands recht. Deze krijgen dan rechtspersoonlijkheid. Omdat het de bedoeling is dat zij voor de belastingheffing transparant blijven, moet de transparantie uitdrukkelijk in de wet geregeld worden.
Door voor de vennootschapsbelastingplicht uit te gaan van de rechtspersoonlijkheid van een lichaam en aan te sluiten bij het privaatrecht dat op het lichaam van toepassing is, is de rechtsvormvergelijkingsmethode niet nodig. De desbetreffende bepalingen uit de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen kunnen dan vervallen. Ook wordt zo de kans op hybridemismatches door een verschil in kwalificatie voor de belastingplicht zo veel mogelijk beperkt.