HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:464, NJ 2017/171 m.nt. N. Rozemond.
HR, 04-09-2018, nr. 17/04352 UA
ECLI:NL:HR:2018:1426
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-09-2018
- Zaaknummer
17/04352 UA
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:1426, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 04‑09‑2018; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:735
ECLI:NL:PHR:2018:735, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 03‑07‑2018
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1426
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑05‑2018
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2018-0322
Uitspraak 04‑09‑2018
Inhoudsindicatie
Antilliaanse uitleveringszaak. Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Venezolaanse nationaliteit) van Curaçao naar VS t.z.v. deelname aan criminele organisatie en voorbereidingshandelingen m.b.t. invoer 10 kilo cocaïne na inzet Amerikaanse undercoveragent. Bevoegdheidstoedeling aan uitleveringsrechter en Gouverneur. Is uitleveringsrechter bevoegd te oordelen over beroep op dreigende en voltooide schending van art. 6 EVRM vanwege uitlokking (“entrapment”)? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:463 m.b.t. bevoegdheidstoedeling aan rechter en Gouverneur t.a.v. beroep van opgeëiste persoon op dreigende en/of voltooide inbreuk op fundamentele rechten die hem in art. 6 EVRM zijn toegekend. Hof heeft t.a.v. beroep op voltooide schending art. 6 EVRM overwogen dat in geval van uitlokking niet z.m. sprake is van flagrante schending art. 6 EVRM, dat hetgeen raadsman heeft aangevoerd dient te worden beoordeeld door Amerikaanse strafrechter en dat standpunt raadsman dat flagrante schending reeds vaststaat, onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Voorts heeft Hof t.a.v. beroep op dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM vastgesteld dat niet is gebleken van een dergelijke dreigende inbreuk en dat Hof gelet daarop niet toekomt aan beoordeling vraag of is komen vast te staan dat opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste zou staan t.z.v. die inbreuk. O.b.v. deze vaststellingen heeft Hof kennelijk geoordeeld dat hetgeen is aangevoerd t.z.v. voltooide schending van en dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM, niet tot conclusie kan leiden dat uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat dit verweer niet ter beoordeling Hof staat. ’s Hofs oordeel geeft, in het licht van bevoegdheidstoedeling aan rechter en Gouverneur, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat raadsman slechts in algemene termen heeft aangevoerd dat beroep op uitlokking een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM oplevert waaraan Amerikaanse rechter o.g.v. zijn nationale recht in de regel voorbijgaat. Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:464.
Partij(en)
4 september 2018
Strafkamer
nr. S 17/04352 UA
IF/IV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een einduitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 29 augustus 2017, nummer HAR-137/15, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer dat sprake is van een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering tot strafvervolging.
2.2.1.
De uitlevering van de opgeëiste persoon is verzocht ter fine van strafvervolging. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het uitleveringsverzoek heeft de raadsman van de opgeëiste persoon aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"A. Geen uitlevering wegens dreigende en/of voltooide mensenrechtenschending
1. In de zaak van de medeverdachte [betrokkene 1] heeft de Hoge Raad een overzichtsarrest gewezen betreffende beroep op mensenrechtenschendingen in uitleveringszaken. De Hoge Raad heeft onder 3.6 B (iii) uiteengezet dat een uitzondering dient te worden gemaakt op het anders algemeen geldende dat de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschending in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd. Het betreft de volgende uitzondering:
(a) Dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens
(b) Dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.
In zo'n geval staat de op de landen in het Koninkrijk rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voorvloeiende rechten van de opgeëiste persoon te verzekeren in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering.
2. Volgens [de opgeëiste persoon] doet zich hier zo'n geval voor, en dat op grond van het volgende:
2.1.1.
De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zijn in het verzoek om voorlopige aanhouding d.d. 20 juli 2015, als volgt uiteen gezet:
' [betrokkene 1] and [de opgeëiste persoon] , aka [de opgeëiste persoon] are members of a drug trafficking organization that operates in Curaçao, and works with employees at Hato International Airport in Curaçao who are able to smuggle cocaine past security. In January 2015, pursuant to a Mutual Legal Assistance Treaty request from the United States, a Drug Enforcement Administration (DEA) undercover agent (UC) traveled to Curaçao to pick up ten (10) kilograms of (sham) cocaine at Hato Airport to transport back to Miami, Florida.
A DEA confidential source (CS) advised [betrokkene 1] of the plan to transport cocaine to Florida.
The CS met [de opgeëiste persoon] at [betrokkene 1] 's body shop in Curaçao, and told him that they would be taking cocaine destined for the United States to Hato Airport. [de opgeëiste persoon] explained the details of the smuggling operation to the CS. [betrokkene 1] arrived at the body shop moments later. [de opgeëiste persoon] then took the suitcase (with sham cocaine).
On January 22, 2015, the CS, [betrokkene 1] and [de opgeëiste persoon] drove to the airport to transfer the purported drugs to [betrokkene 2] . The following Sunday, January 25, 2015, arrangements were made for the UC to meet [betrokkene 2] to discuss the plan to smuggle the cocaine through the airport. On Monday, January 26, 2015, the UC arrived at Hato Airport to meet [betrokkene 2] and receive the sham cocaine for transport to Miami.
The UC, as planned, went through security and sat down at a table in a sports bar. He left his suitcase near the bar while he went to the bathroom. When he returned, another suitcase had been substituted for his; it contained the ten (10) kilograms of sham cocaine delivered to [betrokkene 2] on January 22, 2015'.
Uit de hiervoor geciteerde omschrijving van de feiten wordt vermeld dat:
- Een undercover agent van de DEA is naar Curaçao gereisd om 10 kilo nepcocaïne terug naar Florida te transporteren (dat veronderstelt dat hij of een andere DEA-agent de nepcocaïne eerst naar Curaçao heeft gebracht);
- De confidential source (CS) 'advised [betrokkene 1] of the plan to transport cocaine to Florida';
- De confidential source (CS) een ontmoeting met [de opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] in het bedrijf van laatstgenoemde heeft plaatsgevonden, alwaar [de opgeëiste persoon] de koffer met cocaïne in ontvangst nam.
Uit de stukken die ter ondersteuning van het uitleveringsverzoek zijn overgelegd (het affidavit in support of request for extradition) wordt aanvullend vermeld:
- De 'confidential source (CS) discussed with [betrokkene 1] a plan to transport cocaine to Florida';
- De 'CS, [betrokkene 1] and [de opgeëiste persoon] discussed the plan, including the fact that the cocaine would be smuggled into the United States'.
2.2.
[de opgeëiste persoon] bevestigt dat de hiervoor genoemde gegevens juist zijn. Hij is door de in het aanhoudingsverzoek met CS aangeduide persoon tot de daar beschreven handelingen gebracht. Deze persoon heeft het initiatief tot de beraamde smokkel genomen en de daarvoor nodige cocaïne (die later nep bleek te zijn) verschaft. Zonder dat, zou hij de handelingen niet hebben uitgevoerd, en zelfs niet hebben kunnen uitvoeren. Hij beroept zich uitdrukkelijk op uitlokking (entrapment).
2.3.
Een beroep op entrapment impliceert een beroep op een voltooide, niet te repareren, schending van artikel 6 EVRM, waar de rechter - indien het verweer niet aanstonds volstrekt onaannemelijk wordt geacht - onderzoek naar moet doen. De uitlokking, en daarmee de schending van het EVRM vond geheel plaats op het grondgebied van het Koninkrijk. Daarom moet dit onderzoek ook hier ter plaatse, door de daartoe bevoegde lokale autoriteiten, en in dit geval door de plaatselijke rechter worden uitgevoerd. Het Uitleveringsbesluit kent weliswaar geen procedureregels daaromtrent, maar verbiedt een dergelijk onderzoek ook niet. Integendeel, het laat de rechter nogal veel vrijheid in de wijze, waarop hij aan de procedure vorm geeft. Ook de uitleveringsprocedure moet de minimale voorwaarden bieden voor een eerlijk proces, anders zou niet alleen sprake zijn van een schending van artikel 6 EVRM, maar ook van artikel 13 EVRM.
2.4.
De Verenigde Staten zijn geen partij bij het EVRM, zodat [de opgeëiste persoon] niet de door het EHRM ontwikkelde waarborgen toekomen omdat daar - zoals hieronder nog nader zal worden uiteengezet - ook voor Koninkrijksburgers een andere maatstaf wordt aangelegd dan die, welke is ontwikkeld in de dadelijk te noemen rechtspraak van het EHRM.
Dreigende en voltooide flagrante schending van het recht op een eerlijk proces:
2.5.
In uitleveringszaken moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon diens fundamentele rechten zal respecteren. Naar de opvatting van het EHRM moet een verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering echter wijken als (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, en (b) hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel ten dienste staat ter zake van die inbreuk: 'so far as a measure of extradition has consequences adversely affecting the enjoyment of a Convention right, it may, assuming that the consequences are not too remote, attract the obligations of a Contracting State under the relevant Convention guarantee'. Uitlevering kan in strijd komen met het EVRM 'in circumstances where the fugitive had suffered or risked suffering a flagrant denial of a fair trial in the requesting country'. Dit geval doet zich hiervoor.
2.6.
[de opgeëiste persoon] stelt zich op het standpunt dat zijn door de Verenigde Staten voorgenomen vervolging zal leiden tot flagrante schending van zijn recht op een eerlijk proces, en wel op het volgende punt:
Er is sprake geweest van entrapment; hij is door of op instigatie van Amerikaanse opsporingsambtenaren gebracht tot de feiten, waarvan hij wordt verdacht. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat:
'the use of undercover agents may be tolerated provided that it is subject to clear restrictions and safeguards, the public interest cannot justify the use of evidence obtained as a result of police incitement, as to do so would expose the accused to the risk of being definitively deprived of a fair trial from the outset'.
Entrapment levert dus een voltooide en onherstelbare schending op van artikel 6 EVRM.
2.7.
Het probleem zit in de Amerikaanse opvatting over entrapment, die aanzienlijk afwijkt van die in Europa, zoals die vorm heeft gekregen door het EHRM. Beide opvattingen worden hierna uiteengezet:
Entrapment uit Europees perspectief:
Het EHRM heeft vastgesteld dat:
'Police incitement occurs where the officers involved - whether members of the security forces or persons acting on their instructions - do not confine themselves to investigating criminal activity in an essentially passive manner, but exert such an influence on the subject as to incite the commission of an offence that would otherwise not have been committed, in order to make it possible to establish the offence, that is, to provide evidence and institute a prosecution'.
Het EHRM vergt van het openbaar ministerie dat het aannemelijk maakt dat het betreffende misdrijf ook zonder de tussenkomst van undercover werkende politiemensen of door de politie aangestuurde burgers zou zijn begaan.
'A mere claim (..) by the police to the effect that they possessed information concerning the applicant's involvement in drug dealing (..) cannot be taken into account'.
De 'exposure of a latent pre-existing criminal intent' is onvoldoende; 'even if the applicant did have a criminal conviction in the past, this was not by itself indicative of any ongoing criminal activity'.
Van groot belang is of het politieoptreden werd gelast en gecontroleerd door een rechter; verder wie het initiatief nam, of sprake was van 'renewing the offer despite (the defendants) initial refusal, (or) insistent prompting'.
Het EHRM heeft een en ander herhaald, samengevat en aangevuld in de zaak Lagutin ea tegen Rusland en het heeft vastgesteld dat:
'In cases where the main evidence originates from a covert operation, such as a test purchase of drugs, the authorities must be able to demonstrate that they had good reasons for mounting the covert operation. In particular, they should be in possession of concrete and objective evidence showing that initial steps have been taken to commit the acts constituting the offence for which the applicant is subsequently prosecuted'.
En verder:
'Furthermore, any covert operation must comply with the requirement that the investigation be conducted in an essentially passive manner. It is therefore crucial in each case to establish if the criminal act was already under way at the time when the police intervened'.
En dan:
'The Court has emphasised the role of the domestic courts dealing with criminal cases where the accused alleges that he was incited to commit an offence. Any arguable plea of incitement places the courts under an obligation to examine it in a manner compatible with the right to a fair hearing. The procedure to be followed must be adversarial, thorough, comprehensive and conclusive on the issue of entrapment, with the burden of proof on the prosecution to demonstrate that there was no incitement (..). The scope of the judicial review must include the reasons why the covert operation was mounted, the extent of the police's involvement in the offence and the nature of any incitement or pressure to which the applicant was subjected'.
De Amerikaanse opvatting over entrapment:
2.8.
De Amerikaanse opvatting is duidelijk anders. In een recente Amerikaanse publicatie wordt het volgende als uitgangspunt vooropgesteld:
'The entrapment doctrine, as applied in federal court and in most states, involves two elements - inducement and predisposition. The defendant bears the burden of persuasion as to the first element. Thus, a defendant asserting entrapment must show that he or she was induced to commit the offense by an (undercover) government agent. If inducement has been shown, the burden shifts to the government to show that the defendant nevertheless was 'predisposed' to commit the offense' (J.A. Roth, 'The anomaly of entrapment').
Hier blijkt de bewijslast dus anders te liggen dan het EHRM juist acht: niet de rechter moet onderzoek doen naar de beweerde 'entrapment', maar de verdediging dient die aannemelijk te maken. De rechter blijft passief. De hierdoor op klager gelegde bewijslast is (naar Europese begrippen) niet alleen onjuist, maar voor hem ook onmogelijk te vervullen, nu van de activiteiten van de Amerikanen op Curaçaos grondgebied geen schriftelijke verslagen zijn gemaakt (voor zover die er zouden zijn, zijn deze voor klager niet toegankelijk). Het is een burden of proof waaraan [de opgeëiste persoon] nimmer kan voldoen.
Zelfs als hij aannemelijk zou weten te maken dat de Amerikaanse overheidsdienaren door entrapment bewijs tegen hem hebben vergaard, is het evident dat een beroep daarop in de Verenigde Staten aanzienlijk minder kans van slagen heeft dan binnen het Koninkrijk. De door het EHRM ontwikkelde criteria zijn nu eenmaal strikter dan die door de Amerikaanse rechter plegen te worden gehanteerd. Anders dan het EHRM verlangt, ligt in het Amerikaanse rechtssysteem de nadruk op 'the predisposition of the defendant' (aangeduid als de subjective test), en niet op 'the conduct of the law enforcement officers' (objective test - overigens in enkele staten wel gehanteerd; o.c p. 1000/1001).
Volgens een standaardarrest Hampton v. United States (425 U.S. 484) is:
'the nature of the police conduct involved' zelfs 'irrelevant'. De Amerikaanse politie hoeft zelfs niet aannemelijk te maken 'that they had reasonable suspicion before initiating an undercover investigation of a target' (Roth p. 1023/1024).
De praktijk is:
'that juries generally reject claims of entrapment, even in cases where there is little or no evidence of a prior criminal design, and where government agents played a dominant role in planning and orchestrating the offense, including offering large sums of money' (o.c. p. 1026).
2.9.
Uit het voorgaande wordt duidelijk wat [de opgeëiste persoon] bij uitlevering naar de Verenigde Staten te wachten staat. Er moet van worden uitgegaan dat hij zijn beroep op entrapment daar niet hard zal kunnen maken, in de eerste plaats omdat voor hem een veel hogere bewijslast geldt dan binnen het Koninkrijk, en in de tweede plaats omdat daar veel minder snel entrapment wordt aangenomen dan door het EHRM. Dit betekent dat in het strafproces, dat in de Verenigde Staten tegen hem wordt voorbereid, zijn recht op een - naar de normen van het EVRM - eerlijk proces zal worden geschonden. Omdat naar Amerikaans recht van een dergelijke schending geen sprake zal zijn, en de Verenigde Staten ook geen beroep op het EHRM erkennen, zal hem daartegen geen effectief rechtsmiddel ter beschikking staan. Dat zal hierna nog nader worden toegelicht.
2.10.
Het onderhavige beroep op entrapment houdt niet alleen een beroep in op een reeds op Curaçao voltooide schending van artikel 6 EVRM, maar impliceert tevens een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM ná uitlevering naar de Verenigde Staten. Door entrapment verkregen bewijsmateriaal mag in een strafproces immers niet worden gebruikt. Entrapment leidt binnen het Koninkrijk in beginsel tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Zowel uitsluiting van het verkregen bewijs als niet-ontvankelijkverklaring zou in het geval van [de opgeëiste persoon] meebrengen dat een veroordeling achterwege blijft. Alleen al daarom is sprake van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM. Anders gezegd: flagrant is deze schending alleen al omdat zij onherroepelijk zal leiden tot een veroordeling in gevallen waarin dit naar de opvatting van het EHRM niet op zijn plaats is.
2.11.
Als in de VS als verzoekende staat voor Koninkrijksburgers een andere maatstaf wordt aangelegd dan die, welke is ontwikkeld door het EHRM, dan rust op het Koninkrijk (en het land Curaçao) de positieve verplichting om aan de zich binnen hun rechtsmacht bevindende personen (hier: hun eigen ingezetene) tegen schendingen van hun fundamentele rechten in het algemeen, en die van een 'core right' als artikel 6 EVRM in het bijzonder, te beschermen, bijvoorbeeld door nationale rechtsmacht niet prijs te geven. Na uitlevering kan die bescherming niet meer worden geboden.
De Verenigde Staten hebben het Koninkrijk der Nederlanden gevraagd om [de opgeëiste persoon] uit te leveren om te worden berecht wegens het, kort gezegd, vanuit het Koninkrijk naar de Verenigde Staten brengen van verdovende middelen. Deze feiten kunnen krachtens nationaal recht zowel in de Verenigde Staten als in het Koninkrijk worden vervolgd; beide staten komt, naar hun eigen nationaal recht, jurisdictie toe.
Tussen het Koninkrijk en de Verenigde Staten bestaat in het gegeven geval een verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering, maar dit uitsluitend indien het Koninkrijk niet zelf tot vervolging overgaat (art. 5 onder a Uitleveringsverdrag Koninkrijk/Verenigde Staten). Artikel 1 EVRM legt echter een positieve verplichting op de verdragsstaten om (potentiële) slachtoffers van schendingen zoveel mogelijk te beschermen (obligation to protect). Artikel 1 EVRM impliceert dat geen enkele staat die partij is bij dit verdrag een persoon mag uitleveren aan een andere staat wanneer gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat hij daar gevaar zou lopen te worden onderworpen aan een ernstige schending van enig uit het EVRM voortvloeiend recht. In het gegeven geval kon het Koninkrijk dit gevaar, zonder dat het toepasselijke uitleveringsverdrag werd geschonden, afwenden door de opgeëiste persoon zelf te vervolgen. Door dit niet te doen treedt hier naast artikel 6 en 13, ook een schending van artikel 1 EVRM op.
Flagrante schending is niet limitatief
2.12.
Het begrip 'flagrant denial of justice' is in diverse arresten van het EHRM nader ingevuld. In Othman t. VK (een arrest van de Kleine Kamer) zijn een aantal gevallen genoemd wanneer daarvan sprake is. Het betreft echter geen limitatieve opsomming van die gevallen, zodat er ook andere gevallen denkbaar zijn. In Edwards and Lewis t. UK (een arrest van de Grote Kamer) is het volgende overwogen:
'the applicants were denied access to the evidence, and hence it was not possible for their representatives to argue the case on entrapment in full before the judge. The Court accordingly found a violation of Article 6 § 1 because the procedure employed to determine the issues of disclosure of evidence and entrapment did not comply with the requirements to provide adversarial proceedings and equality of arms, nor did it incorporate adequate safeguards to protect the interests of the accused'.
Hieruit volgt dat ook de blootstelling aan het risico dat de opgeëiste persoon geen effectief beroep op entrapment tot de ontoelaatbaarheidverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging behoort te leiden.
2.13.
In de Verenigde Staten zal [de opgeëiste persoon] geen effectief rechtsmiddel tegen de door hem ondervonden schendingen van artikel 1, 6 en 13 EVRM worden geboden. De Amerikaanse rechter zal op grond van zijn nationaal recht aan die schendingen voorbij (moeten) gaan, en voor zover tegen zijn beslissing een rechtsmiddel openstaan in beroep niet anders zijn. Een dergelijk rechtsmiddel is in het gegeven geval niet effectief.
[de opgeëiste persoon] stelt zich op het standpunt dat hem in de Verenigde Staten geen effectief rechtsmiddel tegen entrapment, in de betekenis welke het EHRM daaraan heeft gegeven, ter beschikking zal staan. In de relatie tussen staten waarvan slechts één partij is bij het EVRM is het bestaan van een effectief rechtsmiddel, en dus de mogelijkheid om schendingen van de mensenrechten te redresseren, van belang. In die relatie kan hij zich ná uitlevering niet tot het EHRM wenden om een (dan voltooide) schending van de aan het uit het EVRM toekomende rechten aan te kaarten, omdat het EHRM nu eenmaal geen bevoegdheid heeft om te oordelen over schendingen die zich in een niet-lidstaat (zoals de Verenigde Staten) hebben voorgedaan. Het EHRM kan ook niet voor redres zorgen.
Conclusie
3. In de onderhavige zaak is voldaan aan de voorwaarden die de Hoge Raad in het hier in het begin aangehaalde overzichtsarrest onder 3.6 B (iii) heeft uiteengezet. [de opgeëiste persoon] zal door zijn uitlevering worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge het EHRM toekomend recht, te weten de artikelen 1, 6 en 13 EVRM, waartegen hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk geen rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.
Op de landen in het Koninkrijk rust derhalve de verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voorvloeiende rechten aan hem te verzekeren, zodat deze verplichting de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering in de weg staat."
2.2.2.
Het aldus aangevoerde is door het Hof als volgt samengevat en verworpen:
"6. Beoordeling verweren
6.1
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het uitleveringsverzoek aangezien de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd het gevolg zijn van uitlokking (entrapment) door Amerikaanse opsporingsambtenaren.
Diezelfde uitlokking levert volgens de raadsman een voltooide en onherstelbare schending op van artikel 6 EVRM, omdat volgens hem nu al vast staat dat uitlokking bij een berechting in de Verenigde Staten niet aan een veroordeling van de opgeëiste persoon in de weg zal staan.
Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika tevens zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig, hem ingevolge verdragsbepalingen van het EVRM, toekomend recht en tevens dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat. Hij stelt zich daarmee op het standpunt dat er sprake is van een uitzondering zoals door de Hoge Raad is overwogen in het in de uitleveringszaak van de medeverdachte [betrokkene 1] door de Hoge Raad gewezen overzichtsarrest van 21 maart 2017 (HR 21-03-2017, ECLI:NL:HR:2017:463).
(...)
6.3
In het hiervoor aangehaalde overzichtsarrest van de Hoge Raad wordt ten aanzien van een voltooide schending van het recht op een eerlijk proces overwogen: "Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM en/of artikel 14 lid 1 IVBPR. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide schending van artikel 6 lid 1 EVRM en/of artikel 14 lid 1 IVBPR".
Hetgeen door de raadsman in dit verband is aangevoerd dient naar het oordeel van het Hof bij uitstek te worden beoordeeld door de Amerikaanse strafrechter. Het standpunt van de raadsman dat de uitkomst, en daarmee de flagrante schending, in dit geval reeds vaststaat is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het verweer wordt dan ook verworpen.
6.4
Ten aanzien van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces is in het overzichtsarrest het volgende overwogen: "Op grond van voormelde bevoegdheidstoedeling is het derhalve - kort gezegd - de uitleveringsrechter die tot oordelen is geroepen ingeval bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting beroep is gedaan op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM onderscheidenlijk art. 14, eerste lid, IVBPR, doch uitsluitend indien tevens is aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als vorenbedoeld ten dienste staat.
Daarbij moet worden aangetekend dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging".
Verder heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 9 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3540 en ECLI:NL:HR:3543) nog overwogen dat: "aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat".
6.5
Het standpunt van de raadsman komt er deels op neer dat hij een appel doet op het Hof zich uit te laten over de rechtmatigheid van de bewijsgaring. Gezien de uitspraken van de Hoge Raad van 9 december 2014 is daarvoor geen ruimte, en het Hof zal zich dienaangaande dan ook van een oordeel onthouden. Dat dat anders ligt in een zaak waar sprake is van uitlokking, zoals door de raadsman is bepleit, volgt het Hof niet. Ook de wijze waarop een zaak is aangevangen, zelfs al zou dat leiden tot niet-ontvankelijkheidverklaring in de vervolging, is ter beoordeling aan de strafrechter in de verzoekende staat. Daarbij verdient opmerking dat in geval van uitlokking niet zonder meer sprake is van een flagrante schending van artikel 6 EVRM. Daarvoor gelden immers zeer strenge eisen (vgl. EHRM 17 januari 2012, Othman tegen V.K., NJ 2013/36, par. 259 en 260). De raadsman heeft voor het overige geen argumenten naar voren gebracht waaruit kan worden opgemaakt dat sprake zou zijn van het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM, zodat het Hof tot het oordeel komt dat van een dergelijke dreigende inbreuk niet is gebleken.
6.6
Nu het Hof een dreigende inbreuk, als hiervoor uiteengezet, niet heeft aangenomen komt het, ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF3312, NJ 2004/42 r.o. 3.4) niet toe aan de beoordeling van de vraag of is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste zou staan ter zake van die inbreuk, zodat ook dat verweer van de raadsman faalt."
2.3.
In zijn arrest van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, heeft de Hoge Raad ter zake van de bevoegdheidstoedeling aan de rechter en de Gouverneur ten aanzien van een beroep van de opgeëiste persoon op een dreigende en/of voltooide inbreuk op de fundamentele rechten die hem in art. 6 EVRM zijn toegekend, het volgende overwogen:
"3.5. Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288). Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken - gelet op het systeem van de Uitleveringswet (hierna: UW), zoals daarvan blijkt uit de art. 8 en 10 UW, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet - het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. Er bestaat geen goede grond ten aanzien van die bevoegdheidstoedeling anders te oordelen in zaken waarin het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten van toepassing is, zij het dat het dan de Gouverneur is die de taken en bevoegdheden heeft welke de UW aan de Minister toekent.
3.6.
Bij een beroep op een inbreuk op de fundamentele rechten die de opgeëiste persoon in art. 6 EVRM zijn toegekend, geldt het volgende.
(...)
B. (i) Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW, dan wel de Gouverneur deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.
(ii) Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.
(iii) Het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen, kan evenwel uitzondering lijden indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan
(a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens
(b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.
In zo een geval staat de op de landen van het Koninkrijk rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voortvloeiende rechten van de opgeëiste persoon te verzekeren in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Op grond van voormelde bevoegdheidstoedeling is het derhalve - kort gezegd - de uitleveringsrechter die tot oordelen is geroepen ingeval bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting beroep is gedaan op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM onderscheidenlijk art. 14, eerste lid, IVBPR, doch uitsluitend indien tevens is aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als vorenbedoeld ten dienste staat.
Daarbij moet worden aangetekend dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. In dat verband kan worden gewezen op EHRM 17 januari 2012, Othman tegen V.K., nr. 8139/09, NJ 2013/360, rov. 259 waar gevallen zijn opgesomd waarin sprake is van een 'flagrant denial of justice'."
2.4.
Blijkens de hiervoor onder 2.2.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof ten aanzien van het beroep op een voltooide schending van art. 6 EVRM overwogen dat in geval van uitlokking niet zonder meer sprake is van een flagrante schending van art. 6 EVRM, dat hetgeen de raadsman van de opgeëiste persoon heeft aangevoerd, dient te worden beoordeeld door de Amerikaanse strafrechter, en dat het standpunt van de raadsman dat de flagrante schending reeds vaststaat, onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Voorts heeft het Hof ten aanzien van het beroep op een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM vastgesteld dat niet is gebleken van een dergelijke dreigende inbreuk en dat het Hof gelet daarop niet toekomt aan de beoordeling van de vraag of is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste zou staan ter zake van die inbreuk. Op basis van deze vaststellingen heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd ter zake van een voltooide schending van art. 6 EVRM en een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM, niet tot de conclusie kan leiden dat de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat dit verweer niet ter beoordeling van het Hof staat.
2.5.
Het oordeel van het Hof geeft, in het licht van de hiervoor onder 2.3 weergegeven bevoegdheidstoedeling aan de rechter en de Gouverneur, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat de raadsman van de opgeëiste persoon slechts in algemene termen heeft aangevoerd dat het beroep op uitlokking een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM oplevert waaraan de Amerikaanse rechter op grond van zijn nationale recht in de regel voorbijgaat.
2.6.
Het middel faalt.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M.T. Boerlage, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2018.
Conclusie 03‑07‑2018
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Uitlevering aan de Verenigde Staten. Antilliaanse zaak. Uitlokking en dreigende flagrante inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM. Hof: er is geen ruimte voor het Hof zich uit te laten over de rechtmatigheid van de bewijsgaring zodat het Hof zich dienaangaande van een oordeel zal onthouden. Dat ligt niet anders in een zaak waar sprake is van uitlokking. AG: het oordeel of sprake is van uitlokking kan relevant zijn voor de beoordeling van de vraag of de opgeëiste persoon na zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6 lid 1 EVRM. Voor het risico van een dergelijke inbreuk is vereist dat sprake is van het reële risico dat bewijs dat het resultaat is van uitlokking, door de nationale rechter ten nadele van de verdachte zal worden gebruikt. Geen cassatie omdat het beroep op uitlokking en het ontbreken van een effectief rechtsmiddel niet voldoende is onderbouwd (vlg. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276). CAG: verwerping.
Nr. 17/04352 UA Zitting: 3 juli 2018 | Mr. D.J.M.W. Paridaens Conclusie inzake: [de opgeëiste persoon] |
1. Na vernietiging en terugwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 21 maart 2017,1.heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in zijn advies van 29 augustus 2017, de uitlevering van [de opgeëiste persoon] toelaatbaar verklaard “voor de feiten zoals omschreven in de Affidavit in support of request for extradition, van Matthew J. Langley, Assistant United States Magistrate Judge”.
2. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, een schriftuur met drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat het Hof de uitlevering ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard, nu het de verplichting heeft miskend om te onderzoeken of de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge het EVRM toekomend recht, althans zijn oordeel daarover onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Met een beroep op het overzichtsarrest van de Hoge Raad inzake mensenrechtenschendingen in uitleveringsprocedures,2.worden daartoe twee deelklachten aangevoerd. De eerste deelklacht houdt in dat het Hof ten onrechte het onderzoek of de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge het EVRM toekomend recht heeft overgelaten aan de Gouverneur en daardoor een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de bevoegdheidsverdeling tussen de rechter die over de uitlevering oordeelt en de Gouverneur. De tweede deelklacht houdt in dat zowel het oordeel van het Hof, dat geen risico op een flagrante inbreuk bestaat, als de daaraan gegeven motivering, onbegrijpelijk is.
4. In zijn advies heeft het Hof het gevoerde verweer waarop het middel betrekking heeft, en aanverwante verweren, als volgt samengevat en verworpen:
“6.1 De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het uitleveringsverzoek aangezien de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd het gevolg zijn van uitlokking (entrapment) door Amerikaanse opsporingsambtenaren.
Diezelfde uitlokking levert volgens de raadsman een voltooide en onherstelbare schending op van artikel 6 ERVM, omdat volgens hem nu al vast staat dat uitlokking bij een berechting in de Verenigde Staten niet aan een veroordeling van de opgeëiste persoon in de weg zal staan.
Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika tevens zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig, hem ingevolge verdragsbepalingen van het EVRM, toekomend recht en tevens dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat. Hij stelt zich daarmee op het standpunt dat er sprake is van een uitzondering zoals door de Hoge Raad is overwogen in het in de uitleveringszaak van de medeverdachte Luna Diaz, door de Hoge Raad gewezen overzichtsarrest van 21 maart 2017 (HR 21-03-2017, ECLI:NL:HR:2017:463).Ten slotte stelt de raadsman dat ‘count 1, conspiracy to import to the United States, from a place outside thereof, ten kilograms of cocaine, in violation of Title 21, United States Code, Sections 959(a) and 963’ niet voldoet aan de vereiste dubbele strafbaarheid, aangezien het slechts om één enkel drugstransport gaat, zodat in ieder geval de uitlevering voor dat feit dient te worden afgewezen.
6.2 Op grond van artikel 13 Uitleveringsbesluit brengt het Hof zijn advies uit over het al of niet toestaan der gevraagde uitlevering. Deze regeling voorziet niet in de door de raadsman bepleite mogelijkheid het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Hetgeen de raadsman in dit verband naar voren heeft gebracht zal worden betrokken bij het door het Hof aan de gouverneur te geven advies.
6.3 In het hiervoor aangehaalde overzichtsarrest van de Hoge Raad wordt ten aanzien van een voltooide schending van het recht op een eerlijk proces overwogen:
‘Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.’
Hetgeen door de raadsman in dit verband is aangevoerd dient naar het oordeel van het Hof bij uitstek te worden beoordeeld door de Amerikaanse strafrechter. Het standpunt van de raadsman dat de uitkomst, en daarmee de flagrante schending, in dit geval reeds vaststaat is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het verweer wordt dan ook verworpen.
6.4 Ten aanzien van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces is in het overzichtsarrest het volgende overwogen:
‘Op grond van voormelde bevoegdheidstoedeling is het derhalve – kort gezegd – de uitleveringsrechter die tot oordelen is geroepen ingeval bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting beroep is gedaan op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM onderscheidenlijk art. 14, eerste lid, IVBPR, doch uitsluitend indien tevens is aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als vorenbedoeld ten dienste staat. Daarbij moet worden aangetekend dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging.’
Verder heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 9 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3540 en ECLI:NL:HR:3543 [lees: ECLI:NL:HR:2014:3543]) nog overwogen dat: ‘aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat’.
6.5 Het standpunt van de raadsman komt er deels op neer dat hij een appel doet op het Hof zich uit te laten over de rechtmatigheid van de bewijsgaring. Gezien de uitspraken van de Hoge Raad van 9 december 2014 is daarvoor geen ruimte, en het Hof zal zich dienaangaande dan ook van een oordeel onthouden. Dat dat anders ligt in een zaak waar sprake is van uitlokking, zoals door de raadsman is bepleit, volgt het Hof niet. Ook de wijze waarop een zaak is aangevangen, zelfs al zou dat leiden tot niet-ontvankelijkverklaring in de vervolging, is ter beoordeling aan de strafrechter in de verzoekende staat. Daarbij verdient opmerking dat in geval van uitlokking niet zonder meer sprake is van een flagrante schending van artikel 6 EVRM. Daarvoor gelden immers zeer strenge eisen (vgl. EHRM 17 januari 2012, Othman tegen V.K., NJ 2013/36 [lees: 2013/360], par. 259 en 260). De raadsman heeft voor het overige geen argumenten naar voren gebracht waaruit kan worden opgemaakt dat sprake zou zijn van het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM, zodat het Hof tot het oordeel komt dat van een dergelijke dreigende inbreuk niet is gebleken.
6.6 Nu het Hof een dreigende inbreuk, zoals hiervoor uiteengezet, niet heeft aangenomen, komt het, ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF3312, NJ 2004/42 r.o. 3.4) niet toe aan de beoordeling van de vraag of is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering een effectief rechtsmiddel ten dienste zou staan ter zake van die inbreuk, zodat ook dat verweer van de raadsman faalt.”
5. De Hoge Raad stelt in zijn al genoemde overzichtsarrest, strenge eisen aan het geval waarin de uitleveringsrechter een oordeel zou moeten geven over een verweer waarin een beroep wordt gedaan op een dreigende inbreuk op van artikel 6, eerste lid, EVRM in de verzoekende staat. Deze eisen zijn in rechtsoverweging 3.6 onder B als volgt geformuleerd:
“B. (i) Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW, dan wel de Gouverneur deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.
(ii) Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.
(iii) Het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen, kan evenwel uitzondering lijden indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan
(a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens
In zo een geval staat de op de landen van het Koninkrijk rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voortvloeiende rechten van de opgeëiste persoon te verzekeren in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Op grond van voormelde bevoegdheidstoedeling is het derhalve - kort gezegd - de uitleveringsrechter die tot oordelen is geroepen ingeval bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting beroep is gedaan op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM onderscheidenlijk art. 14, eerste lid, IVBPR, doch uitsluitend indien tevens is aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als vorenbedoeld ten dienste staat.
Daarbij moet worden aangetekend dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. In dat verband kan worden gewezen op EHRM 17 januari 2012, Othman tegen V.K., nr. 8139/09, NJ 2013/360, rov. 259 waar gevallen zijn opgesomd waarin sprake is van een 'flagrant denial of justice'.”
6. Als uitgangspunt geldt dat niet de uitleveringsrechter oordeelt over de vraag of een beroep op een dreigende schending van de fundamentele rechten die de opgeëiste persoon in artikel 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR zijn toegekend, moet leiden tot het weigeren van de uitlevering, maar de minister van Justitie en Veiligheid of de Gouverneur indien zoals in de onderhavige zaak het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten van toepassing is. Dit uitgangspunt “kan uitzondering lijden”, zo overweegt de Hoge Raad in het overzichtsarrest in rechtsoverweging 3.6 onder B sub (iii), “indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan (a) dat [de opgeëiste persoon] door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens (b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.” Voor de onderhavige zaak en de beoordeling van het middel betekent dit dat “een voldoende onderbouwd” verweer moet zijn gevoerd, naar aanleiding waarvan komt “vast te staan”: a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM en voorts b) dat hij over die inbreuk niet “effectief” kan klagen bij de Amerikaanse rechter.
7. Voordat ik deze eisen nader toepas op de onderhavige zaak, sta ik eerst stil bij de verhouding tussen de bevoegdheidsverdeling en de inhoudelijke beoordeling van een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen. Door reeds in het kader van de bevoegdheidsverdeling te vereisen dat hetgeen aan het verweer ten grondslag is gelegd “is komen vast te staan”, valt naar de letter van rechtsoverweging 3.6 onder B sub (iii) de bevoegdheid van de uitleveringsrechter samen met de beoordeling van de gegrondheid van het verweer. Doordat naar de letter wordt vereist dat hetgeen is aangevoerd ook “is komen vast te staan” alvorens de uitleveringsrechter bevoegd is erover te oordelen, zijn de vragen naar de inhoud van het gevoerde verweer en de beoordeling van de gegrondheid ervan als het ware in elkaar geschoven. Indien op grond van hetgeen ten grondslag is gelegd aan het beroep, een dreigende flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM niet “is komen vast te staan”, lijdt het uitgangspunt, dat de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende mensenrechtenschendingen, immers naar de letter van het overzichtsarrest geen uitzondering en zou de uitleveringsrechter niet inhoudelijk over dat verweer mogen oordelen. Toch zal de uitleveringsrechter eerst de inhoud van hetgeen is aangevoerd moeten beoordelen, alvorens hij kan beslissen of hetgeen is aangevoerd, “is komen vast te staan”.
8. De uitleveringsrechter hoeft evenwel niet aan een inhoudelijke beoordeling van de gestelde (dreigende) flagrante inbreuk toe te komen als hij begint met de beoordeling of een “voldoende onderbouwd” verweer is gevoerd op grond waarvan komt “vast te staan” dat (en waarom)3.de opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste staat terzake van de gestelde flagrante inbreuk op een hem ingevolgde artikel 6, eerste lid, EVRM en/of artikel 14, eerste lid, IVBRP, toekomend recht. Eerst indien de uitleveringsrechter van mening is dat dit het geval is, hoeft hij pas toe te komen aan de beoordeling of een “voldoende onderbouwd” verweer is gevoerd op grond waarvan komt “vast te staan” dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR toekomend recht. Indien hij van oordeel is dat dit vervolgens ook het geval is, zal hij de uitlevering ontoelaatbaar moeten verklaren, terwijl hij het verweer moet verwerpen indien een en ander niet is komen vast te staan.
9. Na deze interpretatie van het overzichtsarrest, keer ik terug naar de onderhavige zaak, waarin het hof ervoor heeft gekozen te beginnen met de beantwoording van de (door de Hoge Raad vooropgestelde) vraag of de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht, en het niet is toegekomen aan de vraag of is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet “effectief” bij de Amerikaanse rechter over de bedoelde inbreuk kan klagen.
10. Ter zitting van het Hof is aangevoerd dat de opgeëiste persoon door een informant van de Amerikaanse Drug Enforcement Administration (“DEA confidential source (CS)”) is uitgelokt tot de feiten waarvoor zijn uitlevering is verzocht. Daartoe is verwezen naar de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht, zoals die uiteen zijn gezet in het verzoek om voorlopige aanhouding. Voordat ik inhoudelijk op de gestelde uitlokking inga, geef ik eerst die feiten weer voor zover daarnaar is verwezen in de ter zitting overgelegde pleitnota, die aan het proces-verbaal van de zitting is gehecht en daarvan deel uitmaakt (hoofdletters en vetgemaakte tekst zoals in het origineel):
“ [betrokkene 1] and [de opgeëiste persoon] , aka ‘ [de opgeëiste persoon] ,’ are members of a drug trafficking organization that operates in Curaçao, and works with employees at Hato International Airport in Curaçao who are able to smuggle cocaine past security. In January 2015, pursuant to a Mutual Legal Assistance Treaty request from the United States, a Drug Enforcement Administration (DEA) undercover agent (UC) traveled to Curaçao to pick up ten (10) kilograms of (sham) cocaine at Hato Airport to transport back to Miami, Florida. A DEA confidential source (CS) advised [betrokkene 1] of the plan to transport cocaine to Florida.The CS met [de opgeëiste persoon] at [betrokkene 1] ’s body shop in Curaçao, and told him that they would be taking cocaine destined for the United States to Hato Airport. [de opgeëiste persoon] explained the details of the smuggling operation to the CS. [betrokkene 1] arrived at the body shop moments later. [de opgeëiste persoon] then took the suitcase (with sham cocaine).On January 22, 2015, the CS, [betrokkene 1] and [de opgeëiste persoon] drove to the airport to transfer the purported drugs to [betrokkene 2]. The following Sunday, January 25, 2015, arrangements were made for the UC to meet [betrokkene 2] to discuss the plan to smuggle the cocaine through the airport. On Monday, January 26, 2015, the UC arrived at Hato Airport to meet [betrokkene 2] and receive the sham cocaine for transport to Miami. The UC, as planned, went through security and sat down at a table in a sports bar. He left his suitcase near the bar while he went to the bathroom. When he returned, another suitcase had been substituted for his; it contained the ten (10) kilograms of sham cocaine delivered to [betrokkene 2] on January 22, 2015.”
11. In aanvulling hierop bevat de pleitnota het volgende (onderstreping, cursivering en vet zoals in het origineel):
“Uit de hierboven geciteerde omschrijving van de feiten wordt vermeld dat:
- Een undercover agent van de DEA is naar Curaçao gereisd om 10 kilo nepcocaïne terug naar Florida te transporteren (dat veronderstel[t] dat hij of een andere DEA-agent de nepcocaïne eerst naar Curaçao heeft gebracht);
- De confidential source (CS) ‘advised [betrokkene 1] of the plan to transport cocaine to Florida’;
- De confidential source (CS) een ontmoeting met [de opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] in het bedrijf van laatstgenoemde heeft plaatsgevonde[n], alwaar [de opgeëiste persoon] de koffer met cocaine in ontvangst nam.”
Uit de stukken die ter ondersteuning van het uitleveringsverzoek zijn overgelegd (het affidavit in support of request for extradition) wordt aanvullend vermeld:
- De ‘confidential source (CS) ‘discussed with [betrokkene 1] a plan to transport cocaine to Florida’;
- De ‘CS, [betrokkene 1] and [de opgeëiste persoon] discussed the plan, including the fact that the cocaine would be smuggled into the United States’.”
12. Het beroep op uitlokking is in de pleitnota als volgt onderbouwd:
“ [de opgeëiste persoon] bevestigt dat de hiervoor genoemde gegevens [in het verzoek om voorlopige aanhouding, plv. AG] juist zijn. Hij is door de in het aanhoudingsverzoek met CS aangeduide persoon tot de daar beschreven handelingen gebracht. Deze persoon heeft het initiatief tot de beraamde smokkel genomen en de daarvoor nodige cocaïne (die later nep bleek te zijn) verschaft. Zonder dat, zou hij de handelingen niet hebben uitgevoerd, en zelfs niet hebben kunnen uitvoeren. Hij beroept zich uitdrukkelijk op uitlokking (entrapment).”
13. Vervolgens wordt in de pleitnota, met een beroep op Amerikaanse literatuur, aangevoerd dat de opgeëiste persoon zijn beroep op “entrapment” in de Verenigde Staten “niet hard zal kunnen maken, in de eerste plaats omdat voor hem een veel hogere bewijslast geldt dan binnen het Koninkrijk, en in de tweede plaats omdat daar veel minder snel entrapment wordt aangenomen dan door het EHRM.”
14. De pleitnota vervolgt:
“Dit betekent dat in het strafproces, dat in de Verenigde Staten tegen hem wordt voorbereid, zijn recht op een – naar de normen van het EVRM – eerlijk proces zal worden geschonden. Omdat naar Amerikaans recht van een dergelijke schending geen sprake zal zijn, en de Verenigde Staten ook geen beroep op het EHRM erkennen, zal hem daartegen geen effectief rechtsmiddel ter beschikking staan.”
15. De pleitnota houdt in dit verband ook nog het volgende in:
“Anders dan het EHRM verlangt, ligt in het Amerikaanse rechtssysteem de nadruk op ‘the predisposition of the defendant’ (aangeduid als de subjective test), en niet op ‘the conduct of the law enforcement officers’ (objective test – overgens in enkele staten wel gehanteerd”.4.
16. Alvorens de vraag te beantwoorden of het verweer, inhoudende dat de opgeëiste persoon, na door Amerikaanse opsporingsambtenaren te zijn uitgelokt, door zijn uitlevering aan de Verenigde Staten zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge het EVRM toekomend recht, voldoende is onderbouwd, zal ik eerst ingaan op de vraag wat in dit verband onder uitlokking moet worden verstaan en hoe de strafrechter volgens het EHRM met een beroep op uitlokking moet omgaan.
17. Uitlokking wordt door het EHRM als volgt omschreven:
“Police incitement occurs where the officers involved do not confine themselves to investigating criminal activity in an essentially passive manner, but exert such an influence on the subject as to incite the commission of an offence that would otherwise not have been committed in order to make it possible to establish the offence, that is, to provide evidence and institute a prosecution.”5.
18. Indien de verdachte zich in een strafprocedure erop beroept te zijn uitgelokt door de politie, en deze beschuldiging niet geheel onwaarschijnlijk is, dan is het naar het oordeel van het EHRM aan de vervolgende autoriteit om aan te tonen dat de verdachte niet is uitgelokt. Indien dit niet kan worden aangetoond, rust op de nationale rechter de taak de feiten te onderzoeken en de noodzakelijke maatregelen te nemen om de waarheid te achterhalen opdat kan worden vastgesteld of de verdachte is uitgelokt, aldus nog steeds het EHRM.6.
19. Wat betreft de consequenties die door de nationale rechter moeten worden verbonden aan de constatering dat de verdachte tot het strafbare feit ter zake waarvan hij wordt vervolgd door de politie is uitgelokt, stel ik mij op basis van rechtspraak van het EHRM op het standpunt dat het enkele inbrengen in een strafzaak van bewijs dat het resultaat is van uitlokking nog geen flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM oplevert, omdat grofweg pas het daadwerkelijk gebruik daarvan tot het bewijs waarop de veroordeling berust een flagrante inbreuk oplevert.7.Een strafprocedure waarin bewijs dat het resultaat is van uitlokking wordt ingebracht is op zichzelf nog niet in strijd met een eerlijk proces als gegarandeerd in artikel 6, eerste lid, EVRM. Dat wordt het pas indien het bewijs ten nadele van de verdachte daadwerkelijk door de rechter voor het bewijs wordt gebruikt.8.
20. Het hier gemaakte onderscheid past bij het Nederlandse strafproces waarin het Openbaar Ministerie het bewijs voorlegt aan de strafrechter die het op zijn beurt beoordeelt en de beslissing neemt om het daadwerkelijk als grondslag voor de door hem te nemen beslissingen gebruikt. De strafrechter zal eerst de vraag moeten beantwoorden of het bewijs het resultaat is van uitlokking en zal pas als hij deze vraag bevestigend beantwoordt, daaraan consequenties moeten verbinden.9.Om met het Nederlandse strafproces te beginnen: bestendige rechtspraak van de Hoge Raad wijst uit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging “ingeval de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet reeds daarop was gericht.”10.
21. Aan de constatering dat de verdachte door de politie tot het strafbare feit is uitgelokt, verbindt het EHRM als sanctie dat al het bewijs dat het resultaat is van de uitlokking moet worden uitgesloten. Met een maatregel die vergelijkbare consequenties heeft, neemt het EHRM ook genoegen. Op de vergelijkbare consequenties kom ik terug. Eerst nog iets over bewijsuitsluiting als sanctionering.
22. Uit het standpunt van het EHRM, dat bewijsuitsluiting de aangewezen sanctie is op de vaststelling dat de verdachte door de politie is uitgelokt, volgt dat de enkele inbreng in de strafprocedure van bewijs dat het resultaat is van uitlokking nog niet kan worden aangemerkt als een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM. Het EHRM overwoog in de zaak Bannikova t. Rusland samenvattend “that the procedure for the exclusion of evidence would in principle be appropriate. It [het EHRM, plv. AG] has held that where an accused asserts that he was incited to commit an offence, the criminal courts must carry out a careful examination of the material in the file, since for the trial to be fair within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention, all evidence obtained as a result of police incitement must be excluded.”11.
23. Naar het oordeel van het EHRM kan met een minder vergaande sanctionering dan bewijsuitsluiting niet worden volstaan. In de zaak Furcht t. Duitsland verwierp het EHRM de bestendige Duitse rechtspraak waarin de inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM, die het gevolg is van uitlokking van de verdachte door de politie, te compenseren met strafvermindering.12.Het EHRM overwoog dat “any measure short of excluding such evidence at trial or leading to similar consequences, must […] be considered as insufficient to afford adequate redress for a breach of Artikel 6 § 1.”13.Het Duitse Bundesgerichtshof is naar aanleiding van deze zaak ‘om’ gegaan en wijst inmiddels strafverlaging als afdoende reactie af.14.Uitlokking van de verdachte levert sindsdien naar Duits recht een vervolgingsbeletsel (“Verfahrenshindernis”) op. Samen met de Nederlandse niet-ontvankelijkverklaring kan de Duitse “Verfahrenshindernis” worden gerekend tot de door het EHRM voorgeschreven “similar consequences”.
24. Op basis van de reeds genoemde zaak Othman t. Verenigd Koninkrijk – die betrekking had op de verkapte uitlevering van Othman aan Jordanië – heb ik me nog afgevraagd of daaruit niet kan of moet worden afgeleid dat reeds het enkele inbrengen van bewijs dat onacceptabel zou zijn met het oog op het recht op een eerlijk proces, reeds tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering zou moeten leiden. Het EHRM beantwoordde in die zaak de vraag “whether the use at trial of evidence obtained by torture would amount to a flagrant denial of justice” immers bevestigend.15.De overweging dat reeds het gebruik ter terechtzitting (“the use at trial”) van bewijs dat het resultaat is van foltering, “a flagrante of justice” zou opleveren, hangt echter samen met de wel zeer bijzondere omstandigheden van het geval. Het EHRM nam “a real risk of the admission of torture evidence” aan gelet op het in Jordanië wijdverbreide en routinematig gebruik van bewijs dat het resultaat is van foltering, waarbij het EHRM erop wijst dat de nationale rechter waarvoor Othman in Jordanië terecht zou moeten staan routinematig beroepen afwijst die inhouden dat bewijs het resultaat is van foltering.16.Onder de door het EHRM in deze zaak vastgestelde bijzondere omstandigheden zou, met andere woorden, het ter terechtzitting inbrengen van bewijs dat het resultaat is van foltering ook neerkomen op het daadwerkelijk gebruik ervan door de strafrechter. Het is de uitzondering die de regel bevestigt dat niet reeds het inbrengen maar pas het daadwerkelijk gebruik van bewijs dat het resultaat is van uitlokking, een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM oplevert.
25. Samengevat wordt de strafprocedure pas oneerlijk indien het bewijs dat het resultaat is van het uitlokken door de politie van de verdachte (mede) de grondslag van zijn veroordeling zou vormen. In die zin versta ik ook de opmerking van Trechsel dat met het uitlokken van de verdachte door de politie het niet overduidelijk is dat de strafprocedure zelf oneerlijk is. Het uitlokken door de politie wijst hij wel zonder meer af: “The state provokes an offence and then punishes the author – a classical case of agent provocateur as they were used in dictatorships.”17.Ook Wainey, Ricks & Ovey leggen de nadruk op het gebruik van het bewijs dat het resultaat is van uitlokking van de verdachte door de politie, waar zij schrijven dat het EHRM doorgaans de beslissing van de nationale rechters aanvaardt inzake het gebruik van door de aanklager aangedragen bewijs tenzij “the abuse of process has been fundamental (as in Teixeira de Castro and the other cases on entrapment)”.18.
26. Indien de verdachte is uitgelokt tot de feiten ter zake waarvan hij wordt vervolgd, zou dit een dreigende flagrante inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces opleveren indien de nationale rechter dat bewijs niet zal uitsluiten of met vergelijkbare consequenties zal sanctioneren (zoals in Nederland de niet-ontvankelijkverklaring en in Duitsland de Verfahrenshindernis). De dreigende flagrante inbreuk is dan gelegen in het reële risico dat bewijs dat het resultaat is van uitlokking van de verdachte door de politie, door de rechter zal worden gebruikt.19.
27. Het EHRM stelt in Othman t. Verenigd Koninkrijk strenge eisen aan gevallen die een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM opleveren. Het Hof wijst daarop terecht waar het overweegt dat uitlokking “niet zonder meer” een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM oplevert. Hieraan voeg ik toe dat uitlokking van de verdachte door de politie in Othman t. Verenigd Koninkrijk niet als een van de voorbeelden van zo een flagrante inbreuk wordt genoemd.20.Het is echter de vraag hoe dit zich verhoudt tot zaken waarin het EHRM zich met betrekking tot “police incitement” – zoals uitlokking kan worden omschreven – in bewoordingen heeft uitgelaten die wijzen in de richting van een flagrante inbreuk. In bestendige rechtspraak heeft het EHRM overwogen dat het gebruik van bewijs dat het resultaat is van uitlokking door de politie “would expose the accused to the risk of being definitively deprived of a fair trial from the outset”.21.De overweging in deze zaak, waarin wordt gewezen op het aan de beschuldigde van meet af aan onthouden van een eerlijk proces, is vergelijkbaar met de overweging in de zaak Othman t. Verenigd Koninkrijk waarin een flagrante inbreuk wordt omschreven als “a breach of the principles of fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article”.22.Uit de overeenkomsten in de gekozen bewoordingen, kan worden opgemaakt dat uitlokking van de verdachte door de politie kan worden aangemerkt als een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM indien ten nadele van de verdachte bewijs wordt gebruikt dat het resultaat is van uitlokking.
28. Terug naar de onderhavige zaak. Het Hof heeft overwogen dat het zich niet mag uitlaten over de rechtmatigheid van de bewijsgaring en dat het zich dienaangaande dan ook van een oordeel zal onthouden en dat dit niet anders ligt in een zaak waar sprake is van uitlokking. Deze opvatting kan ik in de onderhavige zaak niet volgen. Hoewel als uitgangspunt dient te gelden dat “aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat”, kan het oordeel of sprake is van uitlokking immers relevant zijn voor de beoordeling van de vraag of de opgeëiste persoon na zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem volgens art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht.23.In de uitleveringsprocedure kan daarmee relevant worden of de opgeëiste persoon is uitgelokt tot de feiten ter zake waarvan zijn uitlevering wordt verzocht door de autoriteiten van de verzoekende Staat of het geval waarin die autoriteiten die uitlokking hebben bewerkstelligd.24.In zoverre geeft het oordeel van het Hof, dat het zich niet mag uitlaten over de rechtmatigheid van de bewijsgaring in een zaak waar sprake is van uitlokking, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Daartoe wijs ik op het volgende.
29. De stelling dat sprake is van uitlokking berust in de onderhavige zaak op de feiten zoals die uiteen zijn gezet in het verzoek om voorlopige aanhouding. Ik herhaal daarom hier de pleitnota waarin het volgende is aangevoerd (onderstreping, cursivering en vet in origineel):
“De confidential source (CS) ‘advised’ [betrokkene 1] of the plan to transport cocaine to Florida’;
De confidential source (CS) een ontmoeting met [de opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] in het bedrijf van laatstgenoemde heeft plaatsgevonde, alwaar [de opgeëiste persoon] de koffer met cocaine in ontvangst nam.”
30. Voorts wordt in de pleitnota met een beroep op de stukken die ter ondersteuning van het uitleveringsverzoek zijn overgelegd nog op het volgende gewezen:
“De confidential source (CS) ‘discussed with [betrokkene 1] a plan to transport cocaine to Florida”.
31. Het beroep op uitlokking berust op feiten die erop wijzen dat de DEA confidential source de medeverdachte [betrokkene 1] heeft geadviseerd (“advised”) over het plan cocaïne naar de Verenigde Staten uit te voeren, maar niet dat die DEA confidential source de opgeëiste persoon daarover heeft geadviseerd. Het enkele contact waarbij de opgeëiste persoon met DEA confidential source het plan zou hebben besproken (“discussed”), waarbij niet nader is aangevoerd wat toen is besproken, onderbouwt onvoldoende het beroep dat de opgeëiste door de DEA confidential source is uitgelokt. Anders gezegd: de feiten waarop het beroep op uitlokking berust, geven onvoldoende steun aan uitlokking van de opgeëiste persoon door de DEA confidential source. Met betrekking tot de eventuele uitlokking van [betrokkene 1] merk ik op dat de opgeëiste persoon zich daar niet met succes op kan beroepen omdat dit beroep alleen degene toekomt die daadwerkelijk door het overheidsoptreden is uitgelokt tot het strafbare feit.25.Ook om die reden faalt in de onderhavige zaak een beroep op uitlokking. Daarmee is het verweer dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem op grond van art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, niet “voldoende onderbouwd”, om aan te sluiten bij de eisen zoals die in het overzichtsarrest zijn weergegeven.
32. Voorts wijs ik er ten overvloede op dat hetgeen aan het beroep op uitlokking ten grondslag is gelegd, onvoldoende is om te leiden tot omkering van de bewijslast, omdat ook daarvoor onvoldoende aannemelijk is geworden dat de opgeëiste persoon in deze zaak is uitgelokt. Van een omkering van de bewijslast kan sprake zijn indien de “stellingen voldoende klemmend en aannemelijk zijn”, zoals de Hoge Raad overwoog in een uitleveringszaak waarbij de opgeëiste persoon als verweer had gevoerd dat hij in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering werd verzocht was gefolterd.26.Hoewel aan deze omkering van de bewijslast door de Hoge Raad “het absolute karakter van het folterverbod” ten grondslag is gelegd, dat in geval van uitlokking niet aan de orde is, heeft het EHRM een vergelijkbare omkering van de bewijslast voorgeschreven in verband met een beroep op een “flagrant denial of justice”. In de reeds genoemde zaak Othman t. Verenigd Koninkrijk overwoog het EHRM het volgende:
“In assessing whether this test has been met, the Court considers that the same standard and burden of proof should apply as in Article 3 expulsion cases. Therefore, it is for the applicant to adduce evidence capable of proving that there are substantial grounds for believing that, if he is removed from a Contracting State, he would be exposed to a real risk of being subjected to a flagrant denial of justice. Where such evidence is adduced, it is for the Government to dispel any doubts about it […]”27.
33. Aan het vereiste van het EHRM – “to adduce evidence capable of proving that …” – is niet voldaan.
34. Aan de constatering dat het beroep op uitlokking onvoldoende is onderbouwd, voeg ik toe dat het andere onderdeel van het verweer, dat de opgeëiste persoon na te zijn uitgeleverd geen effectief rechtsmiddel ter zake van uitlokking ten dienste zal staan, ook tekort schiet. Het verweer berust op de stelling dat de Amerikaanse opvatting inzake uitlokking aanzienlijk afwijkt van die in Europa, en is afhankelijk gemaakt van de vraag of de Amerikaanse rechter de zogenoemde “subjective test” toepast of de “objective test”. Aangevoerd is dat bij het toepassen van de “subjective test” de nadruk ligt op “the predisposition of the defendant” en dat dit anders is dan het EHRM verlangt, terwijl bij het toepassen van de “objective test” de nadruk ligt op “the conduct of the law enforcement officers”. Hier kan in het midden blijven in hoeverre beide testen aansluiten bij de eisen die het EHRM stelt aan de beoordeling van een beroep op uitlokking. In de pleitnota wordt immers opgemerkt dat de “objective test – overigens in enkele staten wel [wordt] gehanteerd”. Aldus is niet “komen vast te staan” dat de Amerikaanse rechter waarvoor de opgeëiste persoon na te zijn uitgeleverd zal worden vervolgd, de “subjective test” zal toepassen die niet zou aansluiten bij de door het EHRM gestelde eisen waardoor het rechtsmiddel niet effectief zou zijn.
35. Gelet op hetgeen aan het beroep op een dreigende flagrante inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces ten grondslag is gelegd, acht ik het oordeel van het Hof, dat de raadsman “voor het overige geen argumenten naar voren [heeft] gebracht waaruit kan worden opgemaakt dat sprake zou zijn van het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM, zodat het Hof tot het oordeel komt dat van een dergelijke dreigende inbreuk niet is gebleken” niet onbegrijpelijk.
36. Het middel faalt.
37. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet mogelijk is het Openbaar Ministerie respectievelijk de Procureur-Generaal niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot uitlevering.
38. Aan het beroep op uitlokking, dat bij de beoordeling van het eerste middel uiteen is gezet, is door de verdediging “primair” de conclusie verbonden dat “het OM in het onderhavige uitleveringsverzoek niet-ontvankelijk [dient] te worden verklaard.”
39. Het Hof heeft dit verweer verworpen en daarbij het volgende overwogen:
“Op grond van artikel 13 Uitleveringsbesluit brengt het Hof zijn advies uit over het al of niet toestaan der gevraagde uitlevering. Deze regeling voorziet niet in de door de raadsman bepleite mogelijkheid het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Hetgeen de raadsman in dit verband naar voren heeft gebracht zal worden betrokken bij het door het Hof aan de gouverneur te geven advies.”
40. Aan het verweer ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat indien de opgeëiste persoon is uitgelokt tot het feit waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht, het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Die opvatting vindt geen steun in het recht. Weliswaar heeft de Hoge Raad deze consequentie onder omstandigheden aanvaard voor het strafproces,28.maar de uitleveringsprocedure maakt geen onderdeel uit van een strafproces op Curaçao maar dient ter ondersteuning van een strafproces in de Verenigde Staten.29.Ook rechtspraak van het EHRM noopt niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM, zoals ik heb aangegeven bij de bespreking van het eerste middel.
41. Het middel faalt.
42. De als derde middel gepresenteerde klacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat ten aanzien van “count 1” is voldaan aan de vereiste dubbele strafbaarheid.
De klacht gaat voorbij aan het arrest dat de Hoge Raad eerder in de onderhavige zaak heeft gewezen. Toen is door dezelfde advocaat een woordelijk gelijk (vijfde) middel van cassatie voorgesteld, met dien verstande dat “doordat” is vervangen door “aangezien”. De essentie van de bijbehorende toelichting is eveneens gelijk. De Hoge Raad heeft het middel in zijn arrest van 21 maart 2017 verworpen en daarbij gewezen op het bepaalde in artikel 81, eerste lid, RO.30.Een cassatieklacht die in essentie een blote herhaling is van een middel waarop de Hoge Raad in dezelfde zaak reeds heeft beslist, zonder dat wordt aangegeven waarom die beslissing onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn, kan niet worden aangemerkt als middel van cassatie als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, Rijkswet cassatierechtspraak in uitleveringszaken voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten.31.
43. De klacht is ten onrechte als middel voorgesteld.
44. De middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
45. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
46. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑07‑2018
HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt. N. Rozemond.
De voorwaarde dat niet alleen wordt aangegeven dát hiervan sprake is, maar ook waarom, blijkt uit de voorlaatste alinea van rechtsoverweging 3.6 onder B sub (iii): “Op grond van voormelde bevoegdheidstoedeling is het derhalve - kort gezegd - de uitleveringsrechter die tot oordelen is geroepen ingeval bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting beroep is gedaan op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM onderscheidenlijk art. 14, eerste lid, IVBPR, doch uitsluitend indien tevens is aangevoerd dat en waarom [de opgeëiste persoon] na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als vorenbedoeld ten dienste staat.”.
Verwezen wordt daarbij naar J.A. Roth, ‘The Anomaly of Entrapment’, Washington University Law Review 2013/14, p. 979-1034 op p. 1000/1001.
EHRM 23 oktober 2014, nr. 54648, NStZ 2015, 412 (Furcht/Duitsland) par. 48; EHRM 5 februari 2008, nr. 74420/01, NJ 2008/499 m.nt. T.M. Schalken (Ramanauskas/Litouwen) par. 55; EHRM 4 november 2010, nr. 18757/06 par. 37 (Bannikova/Rusland).
EHRM 5 februari 2008, nr. 74420/01, NJ 2008/499 m.nt. T.M. Schalken (Ramanauskas/Litouwen) par. 70 “It falls to the prosecution to prove that there was no incitement, provided that the defendant's allegations are not wholly improbable. In the absence of any such proof, it is the task of the judicial authorities to examine the facts of the case and to take the necessary steps to uncover the truth in order to determine whether there was any incitement. Should they find that there was, they must draw inferences in accordance with the Convention”. EHRM 4 november 2010, nr. 18757/06 par. 48 (Bannikova/Rusland). EHRM 23 oktober 2014, nr. 54648, NStZ 2015, 412 (Furcht/Duitsland) par. 53. Kuiper, a.w. 2014, p. 362-363.
EHRM 26 oktober 2006, nr. 59696/00 (Khudobin/Rusland), par. 133 “Domestic law should not tolerate the use of evidence obtained as a result of incitement by State agents. If it does, domestic law does not in this respect comply with the ‘fair-trial’ principle, as interpreted in the Teixeira and follow-up cases. At the trial the defence asserted that the offence would not have been committed had it not been for the ‘provocation’ by the police. In other words, the applicant put forward an ‘entrapment defence’ which required appropriate review by the trial court, especially as the case contained certain prima facie evidence of entrapment.” (cursivering toegevoegd); G. Knigge in zijn noot sub 3 onder EHRM 9 juni 1998, nr. 44/1997, NJ 2001/471 (Teixeira de Castro/Portugal).
Vgl. ‘Entrapment: incitement to commit an offence – state officials acting in a private capacity’, European Human Rights Law Review 2008, p. 410-413 op p. 412-413 “Surely the finding that the applicant was incited to commit the offence should have been determinative of the application; the failure of the Lithuanian courts to adjudicate on whether he was incited or not, while aggravating, should not have been relevant to the issue of whether there was a breach.”
Vgl. Kuiper, a.w. 2014, p. 39.
HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441 r.o. 2.4 m.nt. T.M. Schalken.
EHRM 4 november 2010, nr. 18757/06 par. 56.
H.-H. Kühne, Strafprozessrecht. Eine systematische Darstellung des deutschen und europäischen Strafverfahrensrecht, Heidelberg: C.F. Müller 2015, p. 349-351 nr. 537 kritisch over deze praktijk.
EHRM 23 oktober 2014, nr. 54648, NStZ 2015, 412 (Furcht/Duitsland) par. 68.
BGH, Urt., 10 juni 2015, 2 StR 97/14, NStZ 2016, 52 m.nt. W. Mitsch. Vgl. A. Sinn & S. Maly, ‘Zu den strafprozessualen Folgen einer rechtsstaatwidrigen Tatprovokation – Zugleich Besprechung von EGRM, Urt. V. 23.10.204 – 54648/09 (Furch v. Germany) ’, NStZ 2015, p. 379-383 op p. 382 “Würde man demgegenüber in Fällen des konventionsrechtswiedrigen Lockspitzeleinsatz ein Strafverfahrenshinderniss annehmen, so käme der positiven Generalprävention nicht zum Tragen, denn die Botschaft muss lauten, dem Versuch einer Verleitung zu kriminellen Verhalten standzuhalten.“ Zie over de Duitse rechtspraak D. van Toor & M. Lindemann, ‘Uitlokking in vergelijkend perspectief. Een vergelijking tussen de rechtspraak van het EHRM, het Bundesgerichtshof en het Bundesverfassungsgericht’, Strafblad 2016/21.
EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, NJ 2013/360 m.nt. N. Keijzer par. 263.
EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, NJ 2013/360 m.nt. N. Keijzer par. 272 “torture is widespread and routine in Jordan “, par. 277 “Not only is torture widespread in Jordan, so too is the use of torture evidence by its courts.” par. 278 “while the State Security Court may have the power to exclude evidence obtained by torture, it has shown little readiness to use that power. Instead, the thoroughness of investigations by the State Security Court into the allegations of torture is at best questionable” alsmede par. 279 “while, on any retrial of the applicant, it would undoubtedly be open to him to challenge the admissibility of Abu Hawsher and Al-Hamasher's statements and to call evidence to support this, the difficulties confronting him in trying to do so many years after the event and before the same court which has already rejected such a claim (and routinely rejects all such claims) are very substantial indeed.”
S. Trechsel m.m.v. S.J. Summers, Human Rights in Criminal Proceedings, Oxford: University Press 2006, p. 113 (voetnoot weggelaten).
B. Rainey, E. Wicks & C. Ovey, Jacobs, White and Ovey: The European Convention on Human Rights, Oxford: University Press 2017, p. 310-311.
Vgl. EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, NJ 2013/360 m.nt. N. Keijzer par. 271 “a real risk of the admission of torture evidence” en het dispositief sub 5 “in violation of Article 6 of the Convention on account of the real risk of the admission at the applicant’s retrial of evidence obtained by torture of third persons”. Zie voor een dreigende flagrante inbreuk en uitlokking Rb. Amsterdam 29 december 1998, Nieuwsbrief Strafrecht 1999/33. De rechtbank kwam tot de conclusie dat het onderzoek tegen de opgeëiste persoon het rechtstreeks gevolg was van activiteiten van een voor de Duitse justitie optredende criminele infiltrant op Nederlands grondgebied, overigens zonder dat daarvoor toestemming was verleend door de bevoegde Nederlandse autoriteiten. Bovendien constateerde de rechtbank dat de opgeëiste persoon door de activiteiten van de Duitse criminele infiltrant tot andere handelingen was gebracht dan waarop zijn opzet reeds was gericht. Om die reden deed zich naar het oordeel van de rechtbank de bijzondere situatie voor van een dreigende flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM.
EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, NJ 2013/360 m.nt. N. Keijzer par. 260 “A flagrant denial of justice goes beyond mere irregularities or lack of safeguards in the trial procedures such as might result in a breach of Article 6 if occurring within the Contracting State itself. What is required is a breach of the principles of fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article.”
EHRM 4 november 2010, nr. 18757/06 par. 34 (Bannikova/Rusland) onder verwijzing naar EHRM 26 oktober 2006, nr. 59696/00 (Khudobin/Rusland) par. 133 waarin werd overwogen: “Domestic law should not tolerate the use of evidence obtained as a result of incitement by State agents. If it does, domestic law does not in this respect comply with the ‘fair-trial’ principle, as interpreted in the Teixeira and follow-up cases. At the trial the defence asserted that the offence would not have been committed had it not been for the ‘provocation’ by the police. In other words, the applicant put forward an ‘entrapment defence’ which required appropriate review by the trial court, especially as the case contained certain prima facie evidence of entrapment.” EHRM 15 december 2005, nr. 53203/99 (Vanyan/Rusland) par. 46-47 “46. The Convention does not preclude reliance, at the investigation stage of criminal proceedings and where the nature of the offence so warrants, on sources such as anonymous informants. However, the subsequent use of their statements by the court of trial to found a conviction is a different matter. The use of undercover agents must be restricted and safeguards put in place even in cases concerning the fight against drug trafficking. The requirements of a fair criminal trial under Article 6 entail that the public interest in the fight against drug trafficking cannot justify the use of evidence obtained as a result of police incitement […]. 47. Where the activity of undercover agents appears to have instigated the offence and there is nothing to suggest that it would have been committed without their intervention, it goes beyond that of an undercover agent and may be described as incitement. Such intervention and its use in criminal proceedings may result in the fairness of the trial being irremediably undermined.” EHRM 5 februari 2008, nr. 74420/01, NJ 2008/499 m.nt. T.M. Schalken (Ramanauskas/Litouwen) par. 54 “while the use of undercover agents may be tolerated provided that it is subject to clear restrictions and safeguards, the public interest cannot justify the use of evidence obtained as a result of police incitement, as to do so would expose the accused to the risk of being definitively deprived of a fair trial from the outset”. Zie ook EHRM 9 juni 1998, nr. 44/1997, NJ 2001/471 m.nt. G. Knigge (Teixeira de Castro/Portugal) par. 9 “the Court concludes that the two police officers’ actions went beyond those of undercover agents because they instigated the offence and there is nothing to suggest that without their intervention it would have been committed. That intervention and its use in the impugned criminal proceedings meant that, right from the outset, the applicant was definitively deprived of a fair trial.” Zie ook EHRM 21 februari 2008, nr. 15100/06 (Pyrgiotakis/Griekenland) par. 20 “Une telle intervention et son utilisation dans la procédure pénale peuvent entacher de manière irrémédiable le caractère équitable du procès.” Zie nader R. Kuiper, Vormfouten. Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken, diss. Nijmegen, Deventer: Kluwer 2014, p. 360-364.
EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, NJ 2013/360 m.nt. N. Keijzer par. 260.
Vgl. HR 16 december 1997, NJ 1998/388 r.o. 4.5 “Het eerste middel berust op de opvatting dat een eventuele schending van de Nederlandse souvereiniteit in het door de verzoekende staat verrichte opsporingsonderzoek de rechter, die oordeelt over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering, noopt die uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. Die opvatting is onjuist. Het is voorbehouden aan de Minister van Justitie zich een oordeel te vormen — daargelaten een eventuele rechtmatigheidstoetsing van dat oordeel door de burgerlijke rechter — over de vraag of schending van de Nederlandse souvereiniteit als hiervoor bedoeld heeft plaatsgevonden, of in dat geval de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering daardoor wordt opgeheven, en of daaraan gevolgen, en zo ja welke, verbonden dienen te worden. Echter, indien de gestelde souvereiniteitsschending tevens van dien aard is dat daaruit kan blijken dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een risico van een flagrante schending van art. 6, eerste lid, EVRM als hiervoor onder 4.4 aangeduid, kan de uitleveringsrechter tot het oordeel komen dat dit aan de uit het verdragsrecht voortvloeiende verplichting tot uitlevering in de weg staat.”
Vgl. HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2489, NJ 2013/263 m.nt. A.H. Klip r.o. 5.2. “Indien komt vast te staan dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd, dient de verzochte uitlevering door de rechter zonder meer ontoelaatbaar te worden verklaard (vgl. HR 15 oktober 1996, NJ 1997/533). Er bestaat geen goede grond anders te oordelen ingeval die functionarissen niet zelf de opgeëiste persoon hebben gefolterd, maar zij die foltering wel hebben uitgelokt of bewerkstelligd.” Strikt genomen zou in de uitleveringsprocedure relevant kunnen worden of de autoriteiten van de verzoekende Staat de uitlokking van de opgeëiste persoon hebben uitgelokt maar dat is een andere vorm van uitlokking dan waarop het beroep op uitlokking door de politie ziet, en laat ik, om misverstanden te vermijden, hier achterwege.
Kuiper a.w. 2014, p. 463 onder verwijzing naar HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441 m.nt. T.M. Schalken; HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0656, NJ 2010/442 m.nt. T.M. Schalken.
HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, NJ 2016/14 m.nt. A.H.Klip r.o. 3.4.7.
EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, NJ 2013/360 m.nt. N. Keijzer par. 261.
HR 4 december 1979, NJ 1980/356 r.o. 7 (Tallon); HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441 r.o. 2.4 m.nt. T.M. Schalken; Kuiper, a.w. 2014, p. 390-391.
Vgl. Oberlandesgericht Hamm, Beschl., 14 december 2010, 2 Ausl 50/10, ECLI:DE:OLGHAM:2010:1214.2AUSL50.10.0A sub 1a “ist das deutsche Auslieferungsverfahren kein Strafverfahren, sondern lediglich ein Verfahren zur Unterstützung einer ausländischen Strafverfolgung.“
Het middel, en daarmee ook de hier besproken klacht, is inhoudelijk besproken door mijn ambtgenoot Aben, ECLI:PHR:2017:153 onder 56-60.
Kamerstukken II 2000/01, 27797, 3, p. 3-4. Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 207 m.b.t. een blote herhaling van stellingen en verweren waarop het hof gemotiveerd heeft beslist zonder dat het aangeeft waarom de door het hof gegeven beslissing onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn.
Beroepschrift 25‑05‑2018
Schriftuur, houdende middelen van cassatie
in de zaak van
[de opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] 1976, hierna: [de opgeëiste persoon], rolnummer: S 17/04352 UA (zaaknummer: H-137/15).
De Amerikaanse autoriteiten hebben om de uitlevering van [de opgeëiste persoon] verzocht, teneinde hem terecht te doen staan ter zake van conspiracy to import and distribute cocaine into the United States, en attempted importation and distribution of cocaine into the United States. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) heeft bij advies van 3 november 2015, H-137/15, de verzochte uitlevering toelaatbaar verklaard. [de opgeëiste persoon] heeft tegen deze beslissing cassatie aangetekend, waarop zij door Uw Raad bij arrest van 21 maart 2017 nr. S 16/01894 UA is vernietigd. Vervolgens heeft voormeld Hof bij advies van 29 augustus 2017, H-137/15, de verzochte uitlevering opnieuw toelaatbaar verklaard. [de opgeëiste persoon] heeft ook tegen deze beslissing cassatieberoep ingesteld.
[de opgeëiste persoon] draagt de volgende middelen van cassatie voor:
Middel I:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn geschonden artikel 1, 6 en 13 EVRM en artikel 8 van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Het Hof heeft de door Uw Raad bij arrest van 21 maart 2017, NJ 2017, 276 ontwikkelde beoordelingsmaatstaf miskend. Het Hof heeft miskend dat het de verplichting heeft om te onderzoeken of de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge het Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden toekomend recht. Het Hof heeft dit onderzoek ten onrechte aan de Gouverneur overgelaten en daardoor een onjuiste toepassing gegeven aan de bevoegdheidsverdeling tussen Gouverneur en rechter. In elk geval zijn het oordeel van het Hof dat geen risico op een flagrante schending bestaat en de daaraan gegeven motivering onbegrijpelijk. Het Hof heeft de verzochte uitlevering dan ook ten onrechte toelaatbaar verklaard.
Toelichting:
1.
Uit HR 21 maart 2017, NJ 2017, 276 volgt dat de rechter bij een verzoek om uitlevering ter strafvervolging in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen, maar dat dit uitgangspunt uitzondering lijdt indien ‘naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan’ dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge het EVRM toekomend recht en tevens is komen vast te staan ‘dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreak niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.’
2.
[de opgeëiste persoon] heeft zich tegen de verzochte uitlevering verzet onder beroep op entrapment: hij zou door Amerikaanse opsporingsambtenaren tot het begaan van de feiten, waarvoor zijn uitlevering werd gevraagd, zijn uitgelokt.1. Hij heeft zich erop beroepen dat hierdoor op zichzelf reeds een voltooide en onherstelbare schending van art. 6 EVRM was begaan, en zich op het standpunt gesteld dat de door de Verenigde Staten beoogde vervolging aldaar bovendien zou leiden tot een flagrante schending van zijn recht op een eerlijk proces. De kern van zijn betoog kwam hierop neer: er zijn op zijn minst sterke aanwijzingen dat sprake was van entrapment van zodanige aard dat, naar de opvattingen van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, voor het begane deliet geen veroordeling kan volgen zonder dat de verdachte wordt ‘definitively deprived of a fair trial from the outset’ ([naam 1]/[naam 2]). In de Verenigde Staten zal ik hiertegen niet worden beschermd, aldus [de opgeëiste persoon], omdat naar vaste jurisprudentie van de Amerikaanse rechter op mij (anders dan door vorengenoemd Hof voor juist wordt gehouden) een burden of proof komt te rusten waaraan ik nooit zal kunnen voldoen. Aldus zal ik, ofschoon naar de opvatting van het Europese Hof van entrapment sprake was, toch worden veroordeeld zonder dat ik mij hiertegen voldoende kan verweren, en dientengevolge ook zonder dat mij daartegen een effectief rechtsmiddel ter beschikking staat.
3.
[de opgeëiste persoon] heek zich er aldus op beroepen dat hij door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge het EVRM toekomend recht, en dat hem na zijn uitlevering ter zake daarvan geen rechtsmiddel als door de Hoge Raad bedoeld ter beschikking zal staan.
4.
De eerste vraag die het Hof had dienen te beantwoorden was, of dit verweer voldoende was onderbouwd. Blijkens de ter terechtzitting van het Hof overgelegde pleitnota heeft [de opgeëiste persoon] hiertoe verwezen naar de volgende, in de door de Verenigde Staten overgelegde stukken weergegeven feiten: er is een undercover agent van de DEA naar Curaçao gereisd om 10 kilo (kennelijk al op Curaçao aanwezige) nep-cocaïne vandaar naar Florida te transporteren. Een infiltrant (aangeduid als ‘confidential source’) zou met de beweerde mededader van [de opgeëiste persoon] (genaamd [mededader]) een plan hebben besproken om cocaïne van Curaçao naar Florida te brengen. Hij zou dit plan ook met [mededader] en [de opgeëiste persoon] samen hebben besproken. De infiltrant zou vervolgens (nogmaals?) een ontmoeting met [de opgeëiste persoon] en [mededader] hebben gearrangeerd, waarbij [de opgeëiste persoon] de koffer met nep-cocaïne in ontvangst zou hebben genomen. [de opgeëiste persoon] heeft verklaard dat de infiltrant het initiatief tot de beraamde smokkel heeft genomen en ook de daarvoor nodige (nep-)cocaïne heeft verschaft. Inderdaad blijkt uit geen der overgelegde stukken, noch uit het onderzoek ter zitting van het Hof, dat [de opgeëiste persoon] en/of [mededader] zelf ter zake enig initiatief hebben ondernomen, noch dat zij zelf beschikten over de middelen om tot de smokkel van verdovende middelen te komen.
5.
Het Hof heeft eerst het beroep van [de opgeëiste persoon] op een dreigende flagrante schending besproken (advies onder 6.4 tot en met 6.6). Het merkt dan het volgende op:
Het standpunt van de raadsman komt er deels op neer dat hij een appel doet op het Hof zich uit te laten over de rechtmatigheid van de bewijsgaring. Gezien de uitspraken van de Hoge Raad (…) is daarvoor geen ruimte. en het Hof zal zich dienaangaande dan ook van een oordeel onthouden. Dat het anders ligt in een zaak waar sprake is van uitlokking, zoals door de raadsman is bepleit, volgt het Hof niet. Ook de wijze waarop de zaak is aangevangen, zelfs al zou dat leiden tot niet-ontvankelijkheidverklaring in de vervolging, is ter beoordeling aan de strafrechter in de verzoekende staat. Daarbij verdient opmerking dat in geval van uitlokking niet zonder meer sprake is van een flagrante schending van artikel 6 EVRM. Daarvoor gelden immers zeer strenge eisen (…). De raadsman heeft voor het overige geen argumenten naar voren gebracht waaruit kan worden opgemaakt dat sprake zou zijn van het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM, zodat het Hof tot het oordeel komt dat van een dergelijke dreigende inbreuk niet is gebleken. Nu het Hof een dreigende inbreuk (…) niet heeft aangenomen komt het (…) niet toe aan de beoordeling van de vraag of is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste zou staan ter zake van die inbreuk, zodat ook dat verweer van de raadsman faalt.
6.
Dit is een niet alleen opmerkelijke, maar ook volstrekt onbegrijpelijke en in elk geval inadequate reactie op het gevoerde verweer. In de eerste plaats blijkt het Hof het verweer (het zegt: deels) te hebben opgevat als een bewijsverweer dat naar de opvatting van Uw Raad2. voor toetsing door de uitleveringsrechter niet in aanmerking komt. Aldus heeft het Hof aan het verweer een strekking gegeven die daaraan in redelijkheid niet kon worden toegedicht. Het heeft zich misschien op het verkeerde been laten zetten doordat de verdediging onder meer verwees naar rechtspraak van het Europese Hof, waarin entrapment (of incitement) met bewijsverkrjging in verbinding is gebracht ([naam 1]/[naam 2] § 55). Inderdaad kan men zich bij incitement ook naar Nederlandse opvattingen afvragen of het bewijs op wettige wijze is verkregen, maar het door [de opgeëiste persoon] gevoerde verweer berustte geenszins daarop, en kon redelijkerwijs ook niet als zodanig worden opgevat. Het berustte op de gedachte dat de justitiële overheid — waar ter wereld ook — de bevoegdheid mist om strafbare feiten te vervolgen, die door haarzelf of door andere vertegenwoordigers van de staat zijn uitgelokt en zo in het leven geroepen. Een dergelijke vervolging leidt naar Nederlandse opvatting niet tot bewijsuitsluiting, maar tot niet-ontvankelijkheid. Voor het Hof in Straatsburg maakt het kennelijk geen verschil, als de vervolging maar geen succes heeft. Heeft zij dit succes wel, dan levert dit een schending op van art. 6 EVRM. Het probleem is nu, aldus [de opgeëiste persoon], dat ik in de Verenigde Staten, anders dan het Europese Hof voor juist houdt, de entrapment moet bewijzen, zodat ik daar wel degelijk zal worden veroordeeld.
Er bestond, kortom, een aanzienlijk risico dat [de opgeëiste persoon] voor de Amerikaanse strafrechter geen effectief beroep op entrapment zou kunnen doen, omdat de Amerikaanse rechter als gevolg van het nationale recht en de daarin ontwikkelde ‘entrapment-doctrine’ voorbij zal, en ook moet gaan, aan een verweer dat (bovendien: buiten het grondgebied van de VS) uitlokking van strafbare feiten heeft plaatsgevonden; dat daarbij Amerikaanse agenten betrokken waren maakt dat niet anders. Een effectief rechtsmiddel om die schending bij een rechtelijke autoriteit aan te kaarten ontbreekt.
Het Hof heeft het aldus gevoerde verweer — door het (ten dele) als een bewijsverweer opvatte — (in zoverre) gedenatureerd en het daardoor niet, in elk geval niet op behoorlijke wijze, beantwoord.
7.
Het Hof heeft het gevoerde verweer echter, zo zegt het, slechts deels als bewijsverweer opgevat. Daarom had mogen worden verwacht dat het verweer ook voor het overige zou worden besproken. Het Hof heeft het echter gelaten bij de opmerking dat bij uitlokking niet zonder meer sprake is van een flagrante schending. Dit is niet ter zake doende zonder dat wordt vastgesteld of zulks ook in het gegeven geval ook zo was. Het Hof had hiertoe het verweer moeten beoordelen, en dat heeft het nu juist niet willen doen. De opmerking is overigens, in de ogen van [de opgeëiste persoon], ook onjuist, omdat een veroordeling ondanks entrapment, volgens het Europese Hof, strijdt met art. 6 EVRM. Naar zijn mening is — in elk geval in het gegeven geval — geen enkele omstandigheid denkbaar waaronder een veroordeling, die niet mocht plaats vinden, geen flagrante inbreuk op een verdragsrecht meebrengt.
8.
Het Hof heeft aldus, na de door [de opgeëiste persoon] aangevoerde gronden te hebben miskend, zonder nadere toelichting vastgesteld dat ‘voor het overige geen argumenten naar voren zijn gebracht’. Wanneer de wel naar voren gebrachte argumenten worden genegeerd, of gedenatureerd, valt niet in te zien hoe dit redengevend kan zijn.
9.
Kortom: het Hof heeft ten onrechte niet gedaan wat het naar de opvatting van Uw Raad in dit bijzondere geval wel had moeten doen. namelijk een inhoudelijk oordeel geven over het gevoerde verweer.
10.
In r.o. 6.6. van het bestreden advies is het volgende te lezen:
‘Nu het Hof een dreigende inbreuk, als hiervoor uiteengezet, niet heeft aangenomen, komt het ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF3312, NJ 2004/42 r.o. 3.4) niet toe aan de beoordeling van de vraag of is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste zou staan ter zake van the inbreuk, zodat ook dat verweer van de raadsman faalt’.
11.
Nu het Hof de gestelde dreigende inbreuk op onvoldoende, in elk geval onbegrijpelijke, gronden, en zonder inhoudelijke beoordeling van het gevoerde verweer, niet heeft aangenomen, kan ook deze overweging niet staande worden gehouden. Dat is des te meer het geval nu, zoals uit het hierboven uiteengezette volgt, de vraag, of tegen de gestelde entrapment in een Amerikaans strafproces op behoorlijke wijze verweer kan worden gevoerd, met die of een effectief rechtsmiddel ter beschikking staat onverbrekelijk is verbonden. Van een dreigende schending is immers juist sprake doordat — naar moet worden gevreesd — in een (hier: Amerikaans) strafproces de gevolgen van de gestelde entrapment niet ongedaan zullen kunnen worden gemaakt. [de opgeëiste persoon] behoefde slechts aannemelijk te maken dat deze vrees in haar algemeenheid gerechtvaardigd was.3. Hij heeft daartoe een reeks van argumenten aangevoerd en die met gezaghebbende bronnen onderbouwd.4. Ten onrechte heeft het Hof noch de door hem naar voren gebrachte feiten, noch de door hem gebezigde juridische argumentatie in zijn oordeel betrokken. Aan de door de Hoge Raad in bijzondere gevallen als het onderhavige voorziene onderzoeksplicht heeft het het Hof dan ook in geen enkel opzicht voldaan.
12.
In een geval als dit staat de op de landen van het Koninkrijk rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voortvloeiende rechten van de opgeëiste persoon te verzekeren (art. 1 EVRM) in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering.5. Deze nuancering op het ‘vertrouwensbeginsel’, waarna het Hof in r.o. 6.3 verwijst, brengt het Hof anders dan Uw Raad niet aan. Voor zover het Hof heeft gemeend om het balletje te kunnen doorschuiven naar de Gouverneur gaat dat hier niet op (het Hof verwijst in r.o. 6.4. naar de bevoegdheidsverdeling).
Het in de jurisprudentie van Uw Raad ontwikkelde uitgangspunt staat hier niet ter discussie, te weten dat het oordeel of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten voorbehouden aan de Minister van Justitie en Veiligheid (in Antilliaanse zaken aan de Gouverneur) en hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moet afwijzen. Dit uitgangspunt berust op de gedachte dat de Gouverneur garanties aan de verzoekende Staat kan vragen om een dergelijke dreigende schending te voorkomen. In de onderhavige zaak gaat deze hoofdregel om twee redenen niet op:
- (a)
Gelet op de aard van de dreigende schending kunnen geen garanties worden verkregen die de hier dreigende schending zouden kunnen voorkomen. De Gouverneur kan nu eenmaal geen garanties bedingen, waarbij aan [de opgeëiste persoon] wordt toegezegd dat hij zich op entrapment zou mogen beroepen, terwijl het Amerikaanse recht daar voor zijn situatie niet in voorziet. Er kan ook geen effectief rechtsmiddel worden afgedwongen, nu dat er niet is. De Gouverneur kan nu eenmaal geen garanties bedingen, die naar Amerikaans nationaal recht contra legem zijn.
- (b)
Hier wordt ook meteen het tweede pijnpunt zichtbaar. Er kan zich dus een situatie voordoen, waarin het ene verdrag de inwilliging van het uitleveringsverzoek toestaat en een ander verdrag, zoals het EVRM, de voorgenomen uitlevering in de weg staat, en zelfs verbiedt als niet de nodige garanties van de verzoekende staat kunnen worden verkregen om een bepaald rechtsbelang van de opgeëiste persoon te beschermen.6. Het Hof had tot taak om de volgende vraag te beantwoorden: ‘Is het de Gouverneur op grand van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van America (hierna: Uitleveringsverdrag)7. en het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten (hierna: UACS) rechtens toegestaan om de opgeëiste persoon uit te leveren, en zo ja, verzet zich desalniettemin een bepaald rechtsbelang tegen de uitlevering? Waar het hier om gaat is of de uitlevering van [de opgeëiste persoon] rechtens is toegestaan. Dit is een vaststelling van het recht, en dus de exclusieve bevoegdheid van de rechter. Het bestuur treedt daar niet in, en mag daar ook niet in treden. De taakverdeling tussen het Hof (als uitleveringsrechter) en de Gouverneur is in deze dan ook duidelijk: Uw Hof dient de reikwijdte van de verdragsbepalingen en de rechten van de opgeëiste persoon vast te stellen, niet de Gouverneur; dat houdt ook in dat Uw Hof moet vaststellen of rechtens waarborgen aan uitlevering kunnen worden verbonden, en zo ja welke, om het rechtsbelang van de opgeëiste persoon te beschermen en de uitlevering toelaatbaar te kunnen verklaren.
Middel II:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder is artikel 13 Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten geschonden, doordat het Hof een te beperkte uitleg aan het UACS en in het bijzonder aan deze bepaling heeft gegeven. Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat het niet mogelijk is om het Openbaar Ministerie (resp. de Procureur-Generaal) niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot uitlevering. Het Hof heeft ten onrechte nagelaten om op het verzoek van de raadsman, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, te beslissen.
Toelichting:
13.
De raadsman heeft blijkens zijn ter zitting overgelegde pleitnota het volgende aangevoerd:8.
‘4.
Het gevolg van een geslaagd beroep op entrapment is dat het vervolgingsrecht van het OM vervalt, omdat de feiten, waarvoor de vervolging is ingesteld, zijn uitgelokt. Wanneer naar Curaçaos recht, onder toepassing van de Straatsbrugse entrapment-doctrine, wordt vastgesteld dat [de opgeëiste persoon] is uitgelokt, dient het OM in het onderhavige uitleveringsverzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard.
(…)
4.1.
[de opgeëiste persoon] verzoekt Uw Hof primair om het OM niet-ontvankelijk te verklaren. subsidiair om de verzochte uitlevering af te wijzen’.
14.
In r.o. 6.2. van het bestreden advies is het volgende te lezen:
‘Op grond van artikel 13 Uitleveringsbesluit brengt het Hof zijn advies uit over het al of niet toestaan der gevraagde uitlevering. Deze regeling voorziet niet in de door de raadsman bepleite mogelijkheid het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Hetgeen de raadsman in dit verband naar voren heeft gebracht zal worden betrokken bij het door het Hof aan de gouverneur te geven advies’.
15.
De oorspronkelijke versie van het huidige UACS was geënt op de Nederlandse uitleveringswet van 1875. De tekst van het besluit is weliswaar in 1981 gemoderniseerd, maar tot een uitgewerkte regeling van het door de rechter naar aanleiding van een uitleveringsverzoek te voeren onderzoek en de positie, die de opgeëiste persoon hierbij inneemt, heeft dit niet geleid. De situatie is in zoverre nog geheel gelijk aan die, welke bestond toen de beslissing over de uitlevering geheel in handen lag van de gouverneur, en de rechter daaromtrent slechts een advies uitbracht. Nog altijd wordt de beslissing van de rechter over de toelaatbaarheid van de uitlevering — ofschoon zij bindend is (artikel 8 lid 2 UACS) — aangeduid als advies. De gehele behandeling van een uitleveringsverzoek is samengebald in drie voorschriften: het Hof brengt advies uit (artikel 8 UACS), de Procureur-generaal vordert dat het Hof de opgeëiste persoon hoort (art. 13 UACS), en dan de openbaarheid van verhoor in aanwezigheid van het OM en een raadsman (artikel 14 UACS). Meet procesregels zijn er niet. Het UACS laat de rechter volledig vrij in de wijze, waarop hij aan de procedure vorm geeft. Ofschoon het — totaal verouderde — UACS naar de letter het Hof alleen bevoegd verklaart om te beslissen over eventuele in beslag genomen voorwerpen (art. 8 lid 3) en het Hof voor het overige slechts een adviserende rol toekent, moet worden aangenomen dat het, niet anders dan de Nederlandse rechter, ook kan besluiten tot zijn eigen onbevoegdheid en tot de niet-ontvankelijkheid van de Procureur-Generaal in diens vordering krachtens art. 13 (naar de letter is dat alleen een vordering tot het horen van de opgeëiste persoon en tot het uitbrengen van advies; maar evenals in Nederland is zij tevens op te vatten als vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek). Uw Raad heeft uit de Cassatieregeling (thans Rijkswet cassatie) immers afgeleid dat ‘de rijkswetgever zoveel mogelijk heeft willen aansluiten bij het systeem van het Nederlandse uitleveringsrecht en met name ook bij de jurisprudentie van de Hoge Raad’.9. De Nederlandse Uitleveringswet voorziet weliswaar evenmin in de niet-ontvankelijkheid van het OM, maar dat de Nederlandse rechter daartoe kan besluiten is door de Hoge Raad herhaaldelijk aangenomen, in het bijzonder indien aan de vordering van het OM de grondslag is ontvallen, bijvoorbeeld door het tussentijds intrekken van het verzoek, door het overlijden van de opgeëiste persoon of door diens onvindbaarheid, door ontvluchting of anderszins.10. Er zijn echter meer gronden voor niet-ontvankelijkheid denkbaar, bijvoorbeeld dat het OM geen vervolgingsrecht heeft c.q. dat is vervallen, dat bij voorbaat uitgesloten moet worden geacht dat de Gouverneur de uitlevering gelast, of dat hij de daarvoor nodige garanties kan verkrijgen, omdat het nationale recht van de verzoekende staat zich daartegen verzet of bij botsende verdragsbepalingen het rechtsbelang van de opgeëiste persoon dient te prevaleren. Een dergelijke situatie doet zich hier voor.
16.
Het Hof heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat de mogelijkheid om het OM (resp. de Procureur-Generaal) niet-ontvankelijk te verklaren in uitleveringszaken niet bestaat. Het Hof had het door de raadsman gevoerde verweer inhoudelijk moeten beoordelen, en vervolgens een beslissing moeten geven of dat verweer al dan niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM kon leiden.
Middel III:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder is artikel 2 van het Uitleveringsverdrag tussen de Verenigde Staten en het Koninkrijk, artikel 2 van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en het algemene motiveringsvoorschrift van artikel 104 lid 2 van de Staatsregeling van Curaçao geschonden, aangezien ten aanzien van count 1 niet aan de eis van dubbele strafbaarheid is voldaan, althans de daaromtrent genomen beslissing zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is.
Toelichting:
17.
De raadsman heeft blijkens zijn ter zitting overgelegde pleitnota het volgende aangevoerd:11.
- ‘5.
De feiten van count 1, waarvoor de Amerikaanse autoriteiten om de uitlevering van [de opgeëiste persoon] hebben verzocht, zijn gekwalificeerd als conspiracy to import into the United States, from a place outside therof, ten kilograms of cocaine, in violation of Title 21. United States Code, Sections 959(a)(2) and 963, en attempted importation and distribution of cocaine into the United States.
- 6.
De hiervoor omschreven kwalificatie van count 1 heeft betrekking op de feiten die in de affidavit in support of request for extraditon zijn vermeld. De uiteenzetting van de feiten daarin, wijst erop dat het om slechts een enkel drugstransport gaat. Uit de daarin omschreven feiten kan niet worden afgeleid dat er sprake was van een daarzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, zoals het Nederlandse equivalent van de hiervoor genoemde strafbaarstelling dat eist (art. 2:79 Sr). In de periode van december 2014 tot 25 januari 2015 zijn tussen [de opgeëiste persoon] en [mededader] onderling contacten en met de CS geweest, die allen betrekking hebben op dat ene drugstransport. Hieruit kan weliswaar volgen dat een zeker samenwerkingsverband tussen hen bestond, maar dat dit meer dan een incidenteel karakter had, kan daaruit niet worden afgeleid.12. Dat het samenwerkingsverband een duurzaam karakter had, kan daaruit niet worden afgeleid, en een samenwerkingsstructuur kan er evenmin uit worden afgeleid. De vereiste voorwaarden van artikel 2:79 Sr, te weten duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, volgen niet uit de door hen geschetste feiten en omstandigheden.
- 7.
Conclusie: de vereiste dubbele strafbaarheid ten aanzien van count 1 ontbreekt, zodat in elk geval daarvoor de uitlevering dient te worden afgewezen, hetgeen [de opgeëiste persoon] Uw Hof dan ook verzoekt om te doen’.
18.
Het Hof heeft in r.o. 6.7. vastgesteld dat de in de affidavit in support of request for extradition genoemde count 1, te weten ‘conspiracy to import and distribute cocaine into the United States’, eveneens naar het recht van Curaçao strafbaar is gesteld, namelijk als
19.
‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (art. 2:79 Sr)’.
20.
Het Hof heeft het verweer van de raadsman verworpen met de overweging dat:
‘de onder count 1 uiteengezette feiten in een strafrechtelijke procedure mogelijk tot een a andere kwalificatie zullen leiden dan door de Amerikaanse autoriteiten is omschreven, doet hier in dit geval niet aan af. Het feitencomplex waarvoor de uitlevering is verzocht valt binnen de termen van zowel de relevante Nederlandse als Amerikaanse strafbaarstelling, en deze beschermen in de kern hetzelfde rechtsgoed’.
21.
Het Uitleveringsverdrag eist dat feiten die tot uitlevering kunnen leiden strafbaar zijn krachtens de wetten van beide Verdragsluitende Partijen.’13. Het vereiste van de dubbele strafbaarheid vergt weliswaar niet dat een met de buitenlandse delictsomschrijving als zodanig overeenstemmende nationale strafbepaling bestaat, maar zij vergt wel dat het materiële feit binnen de termen van een Curaçaose strafbepaling valt 14.en dat die wetbepalingen dienen te worden vermeld.15. Naar het oordeel van het Hof is dat art. 2:79 Sr. waarin is bepaald dat:
- ‘1.
Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
- 2.
Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een rechtspersoon die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard en deswege is ontbonden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
- 3.
Ten aanzien van de oprichters, leiders of bestuurders van een organisatie als bedoeld in het eerste lid, worden de op de feiten gestelde gevangenisstraffen met een derde verhoogd.
- 4.
Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie’.
22.
Het Hof heeft het verweer van de raadsman terecht niet slechts als een kwalificatieverweer opgevat, nu het aan zijn overweging heeft toegevoegd dat het feitencomplex binnen de termen van zowel de relevante Nederlandse als Amerikaanse strafbaarstelling valt. Dat de in de affidavit in support of request for extradition omschreven gedragingen (het feitencomplex) op grond van art, art. 2:79 Sr strafbaar zijn, is zonder nadere motivering echter onbegrijpelijk. Zoals de raadsman terecht heeft opgemerkt blijkt uit de affidavit niet dat het om meer dan slechts één enkel drugstransport ging noch dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Uit het materiele feitencomplex, zoals dat aan de affidavit kan worden ontleend, heeft het Hof niet zonder meer, in elk geval niet zonder nadere uitleg, tot het oordeel kunnen komen dat die gedragingen in art. 2:79 Sr strafbaar zijn gesteld, en dat de in de affidavit genoemde count 1, waarvoor de uitlevering is verzocht, naar Curaçaose recht strafbaar is gesteld in 2:79 Sr.
23.
Het hof heeft daarom ten onrechte dubbele strafbaarheid aangenomen, in elk geval is het oordeel van het hof zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
[de opgeëiste persoon] kiest te dezer zake woonplaats ten kantore van Hendriks · Reijntjes Advocaten & Mediators aan de Alexander Battalaan 65 te (6221 CC) Maastricht, van welk kantoor mw. mr. C. Reijntjes-Wendenburg verklaart deze schriftuur te hebben ondertekend en ingediend, tot welke ondertekening en indiening zij door rekwirant van cassatie bepaaldelijk is gevolmachtigd.
Maastricht,
Mw. mr. C. Reijntjes-Wendenburg
Gemachtigde
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑05‑2018
Zie de ter zitting overgelegde pleitnota.
HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3540 en ECLI:NL:HR:2014:3543.
HvJ EU 5 april 2016, C-404/I5 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (zaak Aranyosi and Cǎldǎraru).
Zie de ter zitting d.d. 15 augustus 2017 overgelegde pleitnota.
HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463.
Een voorbeeld van zulke botsende verdragsverplichtingen leverde het arrest van het EHRM inzake Soering vs. VK (7 juli 1989, appl,no. 14038/88, NJ 1990/158 m. nt. Alkema) op (zie voor een ander voorbeeld HR 30 maart 1990, NJ 1991/249, m. nt. Swart).
Trb. 1980, 11.
Ter zitting d.d. 15 augustus 2017 overgelegde pleitnota onder 4 – 4.1.
Bijv. HR 12 april 2005, NbSr 2005, 183 (op schending van het openbaarheidsgebod van art. 14 lid 1 UACS staat dezelfde sanctie als op schending van art. 25 lid 1 UW: nietigheid), HR 25 okt. 2005. NbSr 2005, 440 (onschuldsverweer: art. 26 lid 3 UW van overeenkomstige toepassing), HR 15 nov. 2005, NbSr 2005. 472 (hardheidsclausule. art. 10 lid 2 UW van overeenkomstige toepassing), HR 4 okt. 2016. ECLI:NL:HR:2016:2248 (vermelding feiten waarvoor uitlevering wordt toegestaan: art. 28 lid 3 UW van overeenkomstige toepassing) en HR 21 maart 2017. ECLI:NL:HR:2017:464 (rechtsbijstand: art. 24 lid 3 UW en 44 lid 1 Sv van overeenkomstige toepassing).
Zie bijv. HR 6 dec. 2005, NJ 2006, 482 m.n. Keijzer.
Ter zitting d.d. 15 augustus 2017 overgelegde pleitnota onder 5–7.
Art. 2, eerste lid aanhef en onder a, Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, Trb. 2004. 299, p. 6.
HR 4 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0451, r.o. 3.8.
HR 14 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL3327, NJ 2004/86, r.o. 3.2.