Tegen deze feitenvaststelling heeft [verweerster] in het voorwaardelijk incidenteel appel een grief gericht. Het hof is blijkens rov. 2.3 aan de behandeling van deze grief niet toegekomen.
HR, 18-02-2011, nr. 09/03615
ECLI:NL:HR:2011:BO9575
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
18-02-2011
- Zaaknummer
09/03615
- Conclusie
Mr. M.H. Wissink
- LJN
BO9575
- Roepnaam
Kloosterboer Services/Byvoet International
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BO9575, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 18‑02‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO9575
ECLI:NL:PHR:2011:BO9575, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 24‑12‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO9575
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑09‑2009
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑02‑2011
Inhoudsindicatie
Overeenkomst van opdracht. Tussen partijen een overeenkomst van opdracht gesloten tot verrichten van douaneformaliteiten? Wilsvertrouwensleer. ICC Incoterms 1990. Betekenis conditie: “deliverd duty unpaid”. (art. 81 RO).
18 februari 2011
Eerste Kamer
09/03615
EE/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [Eiseres 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],
3. [Eiseres 3],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERESSEN tot cassatie,
advocaten: mr. G. Snijders en mr. K. Teuben,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel.
Eiseressen tot cassatie onder 1 en 2 zullen hierna gezamenlijk ook worden aangeduid als [eiseres 1 en 2] en eiseres tot cassatie onder 3 als [eiseres 3], verweerster in cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 228679/HA ZA 01-2568 (AMS) van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2004;
b. het arrest in de zaak 106.002.381/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 2 juni 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiseres 1 en 2] en [eiseres 3] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, alsmede - voor [verweerster] - door mr. Y.A. Wehrmeijer, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Namens [eiseres 1 en 2] en [eiseres 3] heeft mr. G. Snijders voornoemd bij brief van 7 januari 2011 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres 1 en 2] en [eiseres 3] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 4.651,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels, C.A. Streefkerk en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 18 februari 2011.
Conclusie 24‑12‑2010
Mr. M.H. Wissink
Partij(en)
Conclusie inzake:
- 1.
[Eiseres 1]
- 2.
[Eiseres 2]
(hierna gezamenlijk: [eiseres 1 en 2])
- 3.
[Eiseres 3]
(hierna: [eiseres 3])
(eiseressen 1 t/m 3 worden gezamenlijk aangeduid als [eiseres 1 en 2] c.s.)
tegen
[Verweerster]
(hierna: [verweerster])
Deze zaak betreft de vraag of tussen [eiseres 1 en 2] en [verweerster] een overeenkomst van opdracht is gesloten voor het verrichten van douaneformaliteiten op grond waarvan [verweerster] de bij [eiseres 1 en 2] geheven invoerrechten dient te vergoeden.
1. Feiten
1.1
Blijkens rov. 2.1 t/m 2.4 van het arrest van 2 juni 2009 is het hof Amsterdam uitgegaan van de door de rechtbank Amsterdam vastgestelde feiten in haar vonnis van 29 september 2004, behoudens voor zover grief 1 in het principale appel doel heeft getroffen.1. In rov. 3.1 heeft het hof de kwestie samengevat weergegeven. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
1.2
[Eiseres 1 en 2] heeft in de periode september tot en met november 1999 op verzoek van [verweerster] zes maal een T1-document opgemaakt voor goederen — partijen kippenvlees die onder douaneverband in een vrieshuis van [eiseres 1 en 2] in Rotterdam lagen — die [verweerster] aan derden had verkocht. De documenten waren bedoeld om het transport van de verkochte goederen vanuit Nederland naar bestemmingen buiten Europa mogelijk te maken. Met de uitzondering dat [verweerster] [eiseres 1 en 2] met betrekking tot één zending de eindbestemming (Roemenië) heeft vermeld, heeft [eiseres 1 en 2] de informatie nodig voor het opstellen van de documenten steeds van de kopers van de goederen ontvangen.
1.3
[Eiseres 1 en 2] heeft [verweerster] voor de door haar verrichte werkzaamheden gefactureerd. [Verweerster] heeft de facturen ontvangen en voldaan.
1.4
De door [eiseres 1 en 2] opgemaakte T1-documenten zijn bij aankomst van de goederen in het land van bestemming niet aangezuiverd, dat wil zeggen: teruggestuurd naar Nederland om aan te tonen dat het kippenvlees niet in de EG in het verkeer was gebracht, zodat daarover in de EG geen invoerheffingen verschuldigd waren. Omdat de documenten niet werden aangezuiverd, heeft de Nederlandse douane de goederen waarvoor de documenten bestemd waren, aangemerkt als in de Europese Gemeenschap in het vrije verkeer gebracht. De douane heeft [eiseres 1 en 2] wegens het niet aanzuiveren van de documenten op meerdere data en voor meerdere transporten een ‘Uitnodiging tot betaling’ gezonden voor een totaal bedrag € 152.701,82 (ƒ 336.507,30).
1.5
[Eiseres 1 en 2] heeft [verweerster] op 13 respectievelijk 27 april 2000 aangeschreven met betrekking tot het T1-document met nummer 1610898, respectievelijk 1503908. [Eiseres 1 en 2] heeft haar verzocht stukken te overleggen waarmee bewezen kan worden dat zuivering van deze documenten heeft plaatsgevonden.
1.6
[Eiseres 1 en 2] heeft op 5 juni 2001 een arbitrageprocedure bij de brancheorganisatie voor de expeditiesector, FENEX, aanhangig gemaakt. De arbiters hebben zich bij arbitraal vonnis van 6 mei 2003 onbevoegd verklaard om van het voorgelegde geschil kennis te nemen.
1.7
Eind 2003 hebben de assuradeuren van [eiseres 1 en 2], waaronder [eiseres 3]2., op grond van de daartoe afgesloten verzekering haar schade, voortvloeiende uit het niet aanzuiveren van de documenten, vergoed.
2. Procesverloop3.
2.1
Bij inleidende dagvaarding van 6 juni 2001 heeft [eiseres 1 en 2] [verweerster] gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en betaling gevorderd van het bedrag van € 152.701,82 (ƒ 336.507,30), met rente. [Eiseres 1 en 2] heeft daartoe aangevoerd dat [verweerster] aan haar opdracht heeft gegeven de Tl-formulieren op te maken, zodat [verweerster] als opdrachtgeefster de kosten die zij bij de uitvoering van die opdracht heeft moeten maken, dient te vergoeden. [Verweerster] heeft primair betwist dat zij in deze kwestie is te beschouwen als de opdrachtgeefster van [eiseres 1 en 2] en heeft subsidiair een beroep gedaan op schending door [eiseres 1 en 2] van haar contractuele zorgplicht en (ten aanzien van een deel van de vordering) op verjaring.
2.2
In haar vonnis van 29 september 2004 heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiseres 1 en 2] haar schade door haar assuradeuren volledig vergoed heeft gekregen. [Eiseres 1 en 2] heeft volgens de rechtbank derhalve geen belang bij haar vordering, nu gesteld noch gebleken is dat zij namens de assuradeuren optreedt. De rechtbank heeft op die grond de vordering afgewezen.
2.3
[Eiseres 3] — door subrogatie getreden in de rechten van [eiseres 1 en 2] tevens optredende als gevolmachtigde van de overige verzekeringsmaatschappijen betrokken bij de documentenaansprakelijkheidsverzekering no T00641980/0 waaronder [eiseres 1 en 2] is verzekerd4. — alsmede [eiseres 1 en 2] zijn in beroep gekomen van het vonnis. [Verweerster] heeft het beroep weersproken en voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld, dat [eiseres 1 en 2] c.s. hebben weersproken.
2.4
In zijn arrest van 2 juni 2009 (SES 2010, 89) heeft het hof Amsterdam geoordeeld dat het opdrachtgeverschap van [verweerster] niet is bewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Aan een beoordeling van het voorwaardelijk incidentele appel is het hof niet toegekomen.
2.5
[Eiseres 1 en 2] c.s. hebben tijdig5. beroep in cassatie ingesteld. [Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, alsmede gere- en dupliceerd.
3. Bespreking van het middel
Inleiding
3.1
Het cassatieberoep keert zich tegen het oordeel van het hof dat het opdrachtgeverschap van [verweerster] niet is bewezen. 's Hofs oordeel te dienaangaande laat zich als volgt uiteenzetten.
3.2.1
Het hof heeft vooropgesteld dat [eiseres 1 en 2] c.s. aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd dat met betrekking tot de door [eiseres 1 en 2] opgemaakte T1-formulieren tussen [eiseres 1 en 2] en [verweerster] een overeenkomst van opdracht heeft bestaan. Nu [verweerster] het bestaan van die overeenkomst heeft betwist, heeft het hof — in cassatie onbestreden — geoordeeld dat [eiseres 1 en 2] c.s. dat bestaan dienen te bewijzen (rov. 3.7).
3.2.2
Het hof heeft geoordeeld dat er een tweetal omstandigheden is, dat erop wijst dat [verweerster] de opdrachtgeefster is (rov. 3.9). Ten eerste is het telkens [verweerster] geweest die als verkoopster van de betreffende partijen kippenvlees [eiseres 1 en 2] heeft benaderd met het verzoek de benodigde T1-formulieren op te maken (rov 3.9.1). Ten tweede heeft [eiseres 1 en 2] voor de verrichte werkzaamheden facturen gestuurd naar [verweerster], die zonder protest door [verweerster] zijn voldaan (rov. 3.9.2).
3.2.3
Desondanks is het hof van oordeel dat [eiseres 1 en 2] c.s. het opdrachtgeverschap van [verweerster] niet (voorshands) hebben bewezen, nu er een aantal omstandigheden is dat in de tegenovergestelde richting wijst (rov. 3.10). Het hof bespreekt deze omstandigheden in rov. 3.10.1 t/m 3.10.5. Samengevat houden deze in:
- (i)
Tussen [verweerster] en haar afnemers gold de Incoterm ‘delivered duty unpaid Rotterdam’, waaruit volgt dat de met de invoer in Nederland samenhangende verplichtingen op de afnemers rustten. [eiseres 1 en 2] wist dat deze verkoopconditie gold en wat die betekende, zodat zij had moeten twijfelen aan de wens van [verweerster] om zichzelf als opdrachtgeefster te binden. (rov. 3.10.1).
- (ii)
[Verweerster] heeft [eiseres 1 en 2] weliswaar benaderd met het verzoek de formulieren op te maken en één keer vermeld naar welk land de partij moest worden vervoerd, maar afgezien van de toezending van een kopie van het T1-formulier naar [verweerster] is het daarbij gebleven. Het overige contact vond plaats met de afnemers die de benodigde informatie verstrekten, een uitzondering daargelaten. De afnemers waren de eigenlijke belanghebbenden bij het opmaken van de T1-documenten (rov. 3.10.2).
- (iii)
Ingeval van de afnemer [A] heeft [eiseres 1 en 2] een ‘authorisation on customs formalities’ laten invullen, waarin [A] [eiseres 1 en 2] autoriseerde namens haar een ‘customs transit document’ in te dienen (rov. 3.10.3).
- (iv)
[Verweerster] heeft ten minste éénmaal uitdrukkelijk aan [eiseres 1 en 2] kenbaar gemaakt dat de kosten voor het opmaken van het T1-document voor haar rekening waren. Dit zou een overbodige opmerking zijn geweest, als tussen partijen vanzelfsprekend was dat [verweerster] als opdrachtgeefster optrad (rov. 3.10.4).
- (v)
[Eiseres 1 en 2] heeft zich met de problemen rond de zuivering van de T1-documenten rechtstreeks tot de afnemers gewend. Pas toen dat vruchteloos bleek, heeft zij [verweerster] benaderd. Dit wijst er niet direct op dat [eiseres 1 en 2] [verweerster] als haar opdrachtgeefster beschouwde (rov. 3.10.5).
3.2.4
Het hof heeft in rov. 3.11 geconcludeerd dat het opdrachtgeverschap van [verweerster] met het verzoek van [verweerster] om de T1-documenten op te maken en de betaling door haar van de kosten, nog niet is bewezen. [eiseres 1 en 2] heeft voorts geen concrete en voor bewijslevering vatbare feiten gesteld die, indien bewezen, tot het oordeel kunnen leiden dat zij heeft aangenomen en redelijkerwijs mocht aannemen dat [verweerster] met betrekking tot de T1-formulieren als haar opdrachtgeefster optrad. [eiseres 1 en 2] heeft niet meer dan een algemeen bewijsaanbod gedaan. Aan haar stelling dat [verweerster] haar opdrachtgeefster is, is het hof derhalve als onbewezen voorbij gegaan.
Onderdeel 1
3.3
Onderdeel 1 klaagt dat het hof ten onrechte in rov. 3.10 t/m 3.11 heeft geoordeeld dat [eiseres 1 en 2] c.s. niet (voorshands) hebben bewezen dat [verweerster] ter zake van het opmaken van de T1-documenten de opdrachtgeefster van [eiseres 1 en 2] c.s. is geweest.
Het onderdeel stelt daartoe dat het antwoord op de vraag wie als wederpartij bij een overeenkomst optreedt, afhangt van hetgeen daaromtrent over en weer is verklaard en betrokkenen over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en hebben mogen afleiden. [eiseres 1 en 2] c.s. hebben gesteld — gelet op de omstandigheden als vermeld onder 3.2.2 — [verweerster] als haar opdrachtgever te hebben beschouwd en te hebben mogen beschouwen.
[Verweerster] heeft niet gesteld, en het hof stelt ook niet vast, dat zij aan [eiseres 1 en 2] heeft medegedeeld dat zij niet als opdrachtgever optrad en/of dat een ander als opdrachtgever van [eiseres 1 en 2] moest worden beschouwd. Het hof heeft evenmin vastgesteld dat [verweerster] heeft aangevoerd dat het [eiseres 1 en 2] in de gegeven omstandigheden duidelijk moest zijn dat [verweerster] niet als opdrachtgeefster optrad en/of dat een ander als opdrachtgever van [eiseres 1 en 2] moest worden beschouwd, laat staan dat het hof in die zin heeft geoordeeld of feiten heeft vastgesteld die toereikend zijn voor dat oordeel.
's Hofs oordeel geeft weshalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel is niet naar behoren gemotiveerd. In het licht van het vorenstaande mag in beginsel zonder meer het uitgangspunt zijn dat [verweerster] ter zake van het opmaken van de T1-documenten de opdrachtgever was van [eiseres 1 en 2], althans dat [eiseres 1 en 2] [verweerster] als zodanig mocht beschouwen. Hetgeen het hof in rov. 3.10 en 3.11 heeft overwogen is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Het hof is kennelijk uitgegaan van een andere maatstaf, althans heeft zijn oordeel niet naar behoren gemotiveerd, aldus nog steeds het onderdeel.
3.4
Het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, voor zover wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat aan de hand van artikel 3:33 BW en artikel 3:35 BW (de wilsvertrouwensleer) dient te worden bepaald of tussen [eiseres 1 en 2] en [verweerster] een overeenkomst van opdracht is gesloten. Uit (onder meer) rov. 3.11 — waarin het hof heeft geoordeeld dat [eiseres 1 en 2] geen concrete en voor bewijslevering vatbare feiten heeft gesteld die, indien bewezen, tot het oordeel kunnen leiden dat zij heeft aangenomen en redelijkerwijs mocht aannemen dat [verweerster] met betrekking tot de T1-formulieren als haar opdrachtgeefster optrad — volgt dat het hof wel degelijk heeft getoetst aan de wilsvertrouwensleer.
3.5.1
Het onderdeel betoogt voorts dat uit de omstandigheden dat
- (i)
het telkens [verweerster] is geweest die [eiseres 1 en 2] heeft benaderd met het verzoek de T1-formulieren op te maken en
- (ii)
[eiseres 1 en 2] haar facturen naar [verweerster] heeft verzonden en
- (iii)
[verweerster] de voor de werkzaamheden gestuurde facturen zonder protest heeft voldaan, als vuistregel volgt dat in beginsel zonder meer uitgangspunt mag zijn dat [verweerster] ter zake het opmaken van de T1-documenten opdrachtgeefster was van [eiseres 1 en 2] (en dat de door het hof gewogen tegenargumenten een ander oordeel niet kunnen dragen).6.
Het argument, dat [verweerster] niet heeft aangevoerd aan [eiseres 1 en 2] te hebben meegedeeld dat zij niet als opdrachtgever optrad,7. is bij schriftelijke repliek onder 3 (min of meer) ingetrokken.
3.5.2
De vraag wie partij is bij een overeenkomst, moet worden beoordeeld aan de hand van de wilsvertrouwensleer. Daarbij komt onder meer betekenis toe aan de aard van de desbetreffende overeenkomst en hetgeen ten aanzien van overeenkomsten als de onderhavige in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is.8. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.9. Het hof heeft blijkens rov. 3.9 onderkend dat de in het onderdeel bedoelde omstandigheden erop wijzen dat [verweerster] opdrachtgever is. Het heeft evenwel geoordeeld dat de overige omstandigheden de balans de andere kant doen opslaan.
3.5.3
Het hof heeft dit oordeel bereikt door een afweging te maken van de omstandigheden van het concrete geval en niet door uit te gaan van een vuistregel, althans — vgl. de tweede volzin van rov. 3.9.2 — niet van de door het middel bepleite vuistregel. Dat staat het hof vrij,10. tenzij aangenomen moet worden dat in een geval als het onderhavige met de door het middel bepleite vuistregel behoort te worden gewerkt.
3.5.4
Nu zijn er gevallen waarin een vuistregel meerwaarde heeft, om de (bewijsrechtelijke) kaarten initieel te schudden en partijen (alsmede de rechter in feitelijke instanties) een richtingaanwijzer te geven bij de beantwoording van de vraag wie contractspartij is. Die meerwaarde is m.i. aanwezig wanneer het gaat om situaties die in voldoende mate met elkaar overeenstemmen; voor een dergelijke groep situaties kan de discussie over het zijn van contractspartij met behulp van de vuistregel dan gerichter (en hopelijk met meer zekerheid over de uitkomst) worden gevoerd. Zo heeft Uw Raad dergelijke vuistregels aanvaard als het gaat om de vraag of een medische behandelingsovereenkomst
- (i)
gesloten door ouders met de behandelaar van hun minderjarige kind mede door hen voor henzelf is gesloten dan wel
- (ii)
gesloten door een vrouw met de verloskundige door haar mede namens haar ongeboren kind is gesloten.11.
3.5.5
Hoewel de omstandigheden waarop het middel doelt in het algemeen wijzen op het bestaan van een opdrachtovereenkomst tussen de betrokkenen, meen ik dat deze omstandigheden niet aan een vuistregel als door het middel bedoeld ten grondslag dienen te worden gelegd. Juist op het terrein van handel en transport kunnen de feitelijke verhoudingen tussen de betrokken (hulp)personen gevarieerd en complex zijn, waardoor de juridische verhoudingen niet steeds even doorzichtig zijn.12. Dan is een van-geval-tot-geval-benadering m.i. meer aangewezen. De klacht faalt naar mijn mening nu deze uitgaat van de onjuiste rechtsopvatting.
3.6
De stellingen in het onderdeel dat het hof niet heeft vastgesteld dat [verweerster] heeft aangevoerd dat het [eiseres 1 en 2] in de gegeven omstandigheden duidelijk moest zijn dat [verweerster] niet als opdrachtgeefster optrad en/of dat een ander als opdrachtgever van [eiseres 1 en 2] moest worden beschouwd, laat staan dat het hof in die zin heeft geoordeeld of feiten heeft vastgesteld die toereikend zijn voor dat oordeel, missen feitelijke grondslag. In rov. 3.7 heeft het hof immers geoordeeld dat [verweerster] het bestaan van de door [eiseres 1 en 2] c.s. gestelde overeenkomst van opdracht heeft betwist, terwijl het hof in rov. 3.11, na een beoordeling van de door partijen aangedragen stellingen, heeft geconcludeerd dat het opdrachtgeverschap van [verweerster] niet is bewezen.
Onderdeel 2
3.7
Onderdeel 2 valt uiteen in de subonderdelen 2.a t/m 2.f die zien op de rov. 3.10.1 t/m 3.10.5.
3.8
Subonderdeel 2.a keert zich tegen rov. 3.10.1. Hierin heeft het hof — in reactie op het door [eiseres 1 en 2] bij CvR nr. 16 gestarte partijdebat daarover — overwogen dat tussen [verweerster] en haar afnemers [A] en Agrochem de verkoopconditie ‘deliverd duty unpaid Rotterdam’ gold, wat blijkens de door [eiseres 1 en 2] c.s. overgelegde uitleg van de ICC Incoterms 1990 betekent dat de verkoper de kosten en risico's van het vervoer naar Rotterdam draagt, met uitzondering van rechten, belastingen en overige bij de invoer verschuldigde officiële heffingen en van de kosten van de te vervullen douaneformaliteiten, en dat indien partijen wensen dat de verkoper de douaneformaliteiten vervult en de daaruit voortvloeiende kosten en risico's draagt, dit duidelijk moet worden gemaakt door toevoeging van woorden van die strekking. Het hof heeft geoordeeld dat dit laatste niet heeft plaatsgevonden, zodat de met de invoer in Nederland samenhangende verplichtingen op [A] en Agrochem rustten. [Eiseres 1 en 2] heeft niet betwist dat zij wist dat deze verkoopconditie tussen [verweerster] en haar afnemers van toepassing was en wat die betekende. Hieruit heeft het hof afgeleid dat dit op zichzelf [eiseres 1 en 2] al reden zou hebben moeten geven om te twijfelen aan de wens van [verweerster] om zichzelf als opdrachtgeefster te binden.
3.9
In 2.a.1 klaagt het subonderdeel ten eerste dat het hof met het oordeel in rov. 3.10.1 heeft miskend dat [eiseres 1 en 2] geen partij is bij de overeenkomsten die [verweerster] met haar afnemers heeft gesloten. Bedingen die [verweerster] met haar afnemers is overeengekomen kunnen in beginsel niet aan [eiseres 1 en 2] als derde worden tegengeworpen, zelfs indien [eiseres 1 en 2] deze bedingen kende of behoorde te kennen. Het hof heeft in rov. 3.10.1 geen bijzondere omstandigheden vastgesteld op grond waarvan een uitzondering op dit uitgangspunt gerechtvaardigd kan zijn.
Deze klacht faalt m.i. bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet miskend dat [eiseres 1 en 2] geen partij was bij de overeenkomsten tussen [verweerster] en haar afnemers, maar slechts kennis van [eiseres 1 en 2] over dit beding meegewogen als een omstandigheid bij de vraag of [verweerster] als haar opdrachtgever moet worden beschouwd.
3.10
Ten tweede wordt in 2.a.1 geklaagd dat het beding ‘delivery duty unpaid Rotterdam’ de mogelijkheid openlaat dat tussen de verkoper en de koper andersluidende afspraken over het vervullen van de douaneformaliteiten worden gemaakt. Het hof heeft niet vastgesteld dat [eiseres 1 en 2] op de hoogte was van de precieze tekst/inhoud van de overeenkomsten tussen [verweerster] en haar afnemers [A] en Agrochem. Het hof heeft evenmin vastgesteld dat er geen andersluidende afspraken, zoals hiervoor bedoeld, zijn gemaakt. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het tussen [verweerster] en haar afnemers overeengekomen beding ‘delivery duty unpaid Rotterdam’ [eiseres 1 en 2] reden moest geven om te twijfelen aan de wens van [verweerster] om zichzelf als opdrachtgever te binden.
Deze klacht strandt naar mijn mening op het oordeel van het hof dat [eiseres 1 en 2] niet heeft betwist dat zij wist welke verkoopconditie gold tussen [verweerster] en haar afnemers en wat die betekende. De klacht dat het hof niet heeft vastgesteld ‘dat er geen andersluidende afspraken’ zijn gemaakt, faalt, nu het hof dit wel degelijk heeft vastgesteld met zijn overweging: ‘dit laatste heeft in het onderhavige geval niet plaatsgevonden’.
3.11.1
In 2.a.2 wordt geklaagd dat het hof een onjuiste, althans onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de Incoterms 1990. Blijkens de toelichting op de Incoterms 1990 behelst de clausule ‘delivered duty unpaid’ dat douaneverplichtingen bij de invoer van goederen voorafgaand aan de levering door de verkoper (in dit geval in Rotterdam) in beginsel voor rekening en risico komen van de koper. De clausule heeft derhalve geen betrekking op de vraag welke partij de douaneformaliteiten dient te vervullen met betrekking tot de verdere doorvoer/uitvoer van de verkochte goederen. Uit het gebruik van de bedoelde clausule tussen [verweerster] en haar afnemers volgt, aldus nog steeds de klacht, niet (zonder meer) dat [verweerster] ter zake van het opmaken van de T1-documenten niet de opdrachtgeefster van [eiseres 1 en 2] zou zijn en dat [eiseres 1 en 2] zulks ook behoorde te begrijpen.
3.11.2
In 2.a.3 wordt geklaagd dat de vaststelling door het hof, dat in dit geval sprake is geweest van invoer in Nederland, onbegrijpelijk is althans onvoldoende is gemotiveerd. [Eiseres 1 en 2] heeft gesteld dat
- i)
de goederen niet werden ingeklaard maar onder douaneverband in het vrieshuis van [eiseres 1 en 2] in Rotterdam waren opgeslagen,
- ii)
de goederen vervolgens onder het douaneverband zijn doorgevoerd naar Roemenië op basis van de T1-documenten en
- iii)
door [verweerster] niet konden worden afgeleverd aan de kopers, zolang de goederen onder het douaneverband rustten en geen T1-documenten waren opgemaakt.
Er is volgens [eiseres 1 en 2] geen sprake geweest van invoer in Nederland maar van doorvoer door Nederland, ten aanzien waarvan de verkoper de douaneformaliteiten dient te verzorgen volgens de betekenis die het DDU beding in de Incoterms 1990 heeft. [Verweerster] heeft deze stellingen niet bestreden, althans het hof heeft niet geoordeeld dat ze ongegrond zijn. Het uitgangspunt is derhalve dat sprake is van doorvoer, ten aanzien waarvan [verweerster] als verkoper voor de douaneformaliteiten diende te zorgen.
3.11.3
Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Nu de Incoterms 1990 geen recht betreffen in de zin van artikel 79 RO kan 's hofs uitleg niet op juistheid doch slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.13. De rechtsklacht in 2.a.2 faalt daarom.
3.12
Wat betreft de motiveringsklachten, diene het volgende. In het onderhavige geschil hebben partijen gedebatteerd over de betekenis van ‘delivered duty unpaid’ op basis van de Incoterms 1990. Volgens [eiseres 1 en 2] betekent dit beding dat de verkoper de douaneformaliteiten dient te verrichten (CvR nr. 16), althans voor de uitvoer en de doorvoer (MvA in het incidentele appel p. 3) c.q. die nodig zijn om de zendingen onder douaneverband te kunnen vervoeren naar de eindbestemmingen (pleitnota in appel van mr Huisman p. 2). Volgens [verweerster] houdt deze conditie juist in dat de verantwoordelijkheid voor de juiste afhandeling van het T1-document bij de koper wordt gelegd, tenzij expliciet anders is overeengekomen (CvD nr. 11–12; MvA tevens MvG in het voorwaardelijk incidenteel appel nrs. 1.4–1.6, alwaar kennelijk abusievelijk ‘verkoper’staat; pleitnota in appel van mr Pessers nrs. 4–8).14.
3.13
In de Incoterms 1990 is wat betreft DDU het volgende vermeld:15.
‘‘Delivered duty unpaid’ means that the seller fulfils his obligation to deliver when the goods have been made available at the named place in the country of importation. The seller has to bear the costs and risks involved in bringing the goods thereto (excluding duties, taxes and other official charges payable upon importation as well as the costs and risks of carrying out customs formalities). The buyer has to pay any additional costs and to bear any risks caused by his failure to clear the goods for import in time. If the parties wish the seller to carry out customs formalities and bear the costs and risks resulting therefrom, this has to be made clear by adding words to this effect. (…)’
Onder ‘the seller must’ is onder meer de volgende toelichting opgenomen:
‘A 2. Licences, authorisations and formalities
Obtain at his own risk and expense any export licence and other official authorisation and carry out all customs formalities for the exportation of the goods and, where necessary, for either transit through another country.
A 6. Division of costs
Subject to the provisions of B.6.
(…) pay the costs of customs formalities necessary for exportation as well as all duties, taxes and other official charges payable upon exportation and, where necessary, for their transit through another country prior to delivery in accordance with A.4’
Onder ‘the buyer must’ is voorts onder meer de volgende toelichting opgenomen:
‘B 2. Licences, authorisations and formalities
Obtain at his own risk and expenses any import licence or other official authorisation and carry out all customs formalities necessary for the importation of the goods.
B 6. Division of costs
Pay all costs relating to the goods from the time they have been placed at his disposal at the named point of destination in accordance with A.4. (…)
Pay all duties, taxes and other official charges as well as the costs of carrying out customs formalities payable upon importation of he goods.’
In de ‘Comments’ bij A6 wordt opgemerkt:
‘Needless to say, any transit costs incurred subsequent to delivery will have to be paid by the buyer.’
(onderstreping in origineel) 16.
3.14
Gezien het bovenstaande heeft het hof uit het beding ‘delivered duty unpaid Rotterdam’ kunnen afleiden dat [verweerster] de kosten en risico's van het vervoer naar Rotterdam droeg met uitzondering van rechten, belastingen en overige bij invoer verschuldigde officiële heffingen en van de kosten van de te vervullen douaneformaliteiten. In zoverre faalt de klacht onder 2.a.2.
Voor zover wordt geklaagd dat het beding geen regeling bevat wat betreft de kosten na levering op de aankomstplaats (Rotterdam) en 's hofs oordeel op die grond onbegrijpelijk is, treft de klacht evenmin doel. De rechtsstrijd tussen partijen ging over de vraag of op grond van het beding de verantwoordelijkheid voor de juiste afhandeling van de T1-documenten bij [verweerster] (aldus [eiseres 1 en 2] c.s.) of bij de afnemers (aldus [verweerster]) ligt. [Eiseres 1 en 2] heeft niet gesteld dat het beding deze vraag in het geheel niet beantwoordt nu deze slechts betrekking heeft op de kosten tot aan de levering, zodat het hof daar dan ook terecht — indachtig de uit artikel 24 Rv voortvloeiende verplichting de door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd te respecteren — niet op is ingegaan.
3.15
Het DDU-beding laat zich in beginsel eenvoudig toepassen als een verkoper goederen verkoopt die vanuit land A moeten worden vervoerd naar land B om daar te worden afgeleverd. De verkoper is verantwoordelijk voor de vergunning en kosten in verband met de export uit land A (en eventuele doorvoer door andere landen), de verkoper in verband met de import in land B, de plaats van aflevering.17.
In casu is sprake van een wat andere situatie: het transport naar de leveringsplaats Rotterdam (B) had al plaatsgevonden en de goederen worden vervolgens door [verweerster] aan de afnemers verkocht en vanuit de opslag bij [eiseres 1 en 2] geleverd. Vervolgens gaan de goederen, kennelijk, naar Roemenië (C).
Het hof heeft [verweerster] gevolgd in het standpunt, dat in zo'n geval het beding ‘delivered duty unpaid Rotterdam’ betekent dat [verweerster] als verkoper geen verantwoordelijkheid meer heeft voor de verdere douaneformaliteiten en -kosten. Het hof overweegt in dit verband dat de met de invoer in Nederland samenhangende verplichtingen op de afnemers rusten.
De klacht onder 2.a.3 betoogt dat in casu
- (i)
geen sprake was van invoer in Nederland, maar van doorvoer door en uitvoer uit Nederland c.q. de EU naar Roemenië en
- (ii)
dat ingevolge het beding [verweerster] daarom de douaneformaliteiten diende te verzorgen.
Nu kan men zich inderdaad afvragen of in casu sprake is van invoer in Nederland c.q. de EU. Douanetechnisch is de situatie uiteindelijk wel zo behandeld, omdat de T1-documenten niet zijn aangezuiverd. Uit de opgegeven eindbestemming Roemenië blijkt een bedoeling dat geen import zou plaatsvinden. Dat zou dan echter de bedoeling zijn geweest van de afnemers van [verweerster], die de goederen ‘delivered duty unpaid Rotterdam’ hadden gekocht, maar niet van [verweerster]. Met zijn overweging over import geeft het hof daarom slechts aan, dat de verantwoordelijkheid voor de douaneformaliteiten en -kosten niet meer bij [verweerster] lag. Dat oordeel is, gegeven het feit dat Rotterdam de leveringsplaats is, niet onbegrijpelijk. De klacht onder 2.a.3 faalt daarom.
3.16
Subonderdeel 2.b ziet op rov. 3.10.2. Daarin heeft het hof geoordeeld dat weliswaar vaststaat dat [verweerster] degene is geweest die [eiseres 1 en 2] heeft benaderd met het verzoek de formulieren op te maken en dat daarbij in ieder geval één keer is vermeld naar welk land de partij moest worden vervoerd, maar dat het daarbij, afgezien van de toezending van een kopie van het T1-formulier aan [verweerster], ook is gebleven. Het overige contact over het opmaken van de T1-formulieren vond plaats met de afnemers, die aan [eiseres 1 en 2] de benodigde gedetailleerde informatie over het verdere transport hebben verschaft. [verweerster] duidde deze informatie in haar faxen omtrent Agrochem ook wel aan als ‘documentsinstructies’ en vermeldde daarbij dat [eiseres 1 en 2] die instructies ‘rechtstreeks’ van Agrochem zou ontvangen, daarmee suggererend dat de route via [verweerster] een omweg was. In de fax over [A] heet het dat [A] ‘zelf’ contact zal opnemen over de benodigde gegevens, wat ook weer erop wijst dat de afnemer de eigenlijke belanghebbende bij het opmaken van de T1-formulieren was, aldus het hof.
3.17
In het subonderdeel wordt geklaagd dat uit de omstandigheid dat [eiseres 1 en 2] voor het opmaken van de T1-documenten rechtstreeks contact heeft gehad met de afnemers van [verweerster], niet (zonder meer) volgt dat [eiseres 1 en 2] [verweerster] niet als haar opdrachtgever ter zake van het opmaken van deze documenten mocht beschouwen. Dit geldt volgens de klacht temeer nu [eiseres 1 en 2] onweersproken heeft aangevoerd dat het in de praktijk gangbaar is dat de afnemers van zendingen aanvullende gegevens verstrekken teneinde de douanedocumenten te kunnen opmaken, zonder dat zij daarmee ter zake van het opmaken van die documenten opdrachtgever zijn. Dit ligt ook voor de hand, nu de afnemer van de zendingen beschikt over de noodzakelijk informatie voor het opmaken van de T1-documenten. Dat voor het uitvoeren van de opdracht informatie dient te worden verkregen van derden kan, mede gelet op de Haviltexmaatstaf, niet meebrengen dat [eiseres 1 en 2] deze derden en niet [verweerster] als opdrachtgever(s) diende te beschouwen.
3.18
Voor zover wordt geklaagd dat het hof heeft geoordeeld dat uit de omstandigheid dat [eiseres 1 en 2] rechtstreeks contact heeft gehad met de afnemers van [verweerster], zonder meer volgt dat [eiseres 1 en 2] [verweerster] niet als opdrachtgever ter zake van het opmaken van deze documenten mocht beschouwen, faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft geoordeeld dat in het licht van de omstandigheden als uiteengezet in rov. 3.10.1 t/m 3.10.5 gezamenlijk het opdrachtgeverschap van [verweerster] met het verzoek van [verweerster] om de T1-formulieren op te maken en de betaling door haar van de kosten, nog niet is bewezen.
Voor zover wordt geklaagd dat de bedoelde omstandigheid niet een omstandigheid is die in de richting wijst dat [eiseres 1 en 2] c.s. het opdrachtgeverschap van [verweerster] niet (voorshands) hebben bewezen, faalt de klacht evenzeer. Het hof heeft de omstandigheid dat [eiseres 1 en 2] de benodigde instructies ontving van Agrochem respectievelijk [A] kunnen duiden als een omstandigheid die wijst in de richting dat geen sprake is van opdrachtgeverschap van [verweerster]. Dit aan het hof als feitenrechter voorbehouden oordeel wordt niet onbegrijpelijk doordat deze omstandigheid, zoals het subonderdeel aanvoert, ook op een andere wijze kan worden geduid.
3.19
Overigens merk ik op dat 's hofs oordeel in rov. 3.10.2 niet alleen ziet op de omstandigheid dat het contact plaatsvond tussen [eiseres 1 en 2] en de afnemers en dat de afnemers de benodigde informatie verstrekten voor het opmaken van de T1-documenten. Het hof heeft — in cassatie onbestreden — in rov. 3.10.2, slot, namelijk ook geoordeeld dat de afnemer de eigenlijke belanghebbende was bij het opmaken van de T1-formulieren. Het hof heeft ook deze omstandigheid aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat niet voorshands is bewezen dat [verweerster] de opdrachtgeefster was.
3.20
Subonderdeel 2.c keert zich tegen 's hofs oordeel in rov. 3.10.3, waarin het hof heeft overwogen dat [eiseres 1 en 2] in het geval van [A] door deze een ‘authorisation on customs formalities’ heeft laten invullen en ondertekenen, waarin [A] [eiseres 1 en 2] autoriseerde om namens haar een ‘customs transit document’ in te dienen. De verklaring van [eiseres 1 en 2] c.s. — dat het document alleen ertoe diende om door [A] de eindbestemming en de gegevens van de uiteindelijke koper te doen opgeven — heeft het hof niet erg voor de hand liggend geacht. Daartoe wijst het hof erop dat ingeval van Agrochem, die — onweersproken — anders dan [A] een bestaande relatie van [eiseres 1 en 2] was, die informatie ook benodigd was, maar niet door middel van datzelfde formulier is opgevraagd.
3.21
Het subonderdeel klaagt ten eerste dat, indien het hof heeft bedoeld dat uit het invullen van de ‘authorisation on customs formalities’ volgt dat niet [verweerster] maar haar afnemers opdrachtgever van [eiseres 1 en 2] zijn, te gelden heeft dat Agrochem geen ‘authorisation on customs formalities’ heeft ingevuld. Het hof heeft voorts niet vastgesteld dat de tussen [eiseres 1 en 2] en Agrochem reeds bestaande relatie inhield dat Agrochem [eiseres 1 en 2] had gemachtigd om in haar naam douanedocumenten op te stellen. 's Hofs oordeel in rov. 3.10.3 kan derhalve in elk geval ten aanzien van Agrochem niet het oordeel dragen dat [verweerster] ter zake het opstellen van de T1-documenten die betrekking hadden op leveringen aan Agrochem niet de opdrachtgeefster van [eiseres 1 en 2] was.
Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu het hof niet heeft geoordeeld dat uit de omstandigheid dat [eiseres 1 en 2] door [A] een ‘authorisation on customs formalities’ heeft laten invullen en ondertekenen, volgt dat (ook) Agrochem aan [eiseres 1 en 2] opdracht heeft gegeven voor het opstellen van de T1-documenten.
3.22
Subonderdeel 2.c klaagt ten tweede dat, zoals ook in subonderdeel 2.b is aangevoerd, ook ten aanzien van het invullen van de ‘authorisation on customs formalities’ het enkele feit dat voor de uitvoering van de onderhavige opdracht informatie van de afnemers van [verweerster] diende te worden verkregen, niet (reeds) kan meebrengen dat [eiseres 1 en 2] deze derden, en niet [verweerster], als haar opdrachtgevers diende te beschouwen.
3.23
Deze tweede klacht in het subonderdeel, alsmede de subonderdelen 2.d en 2.e lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
3.24
Subonderdeel 2.d komt op tegen 's hofs oordeel in rov. 3.10.4. Het hof heeft overwogen dat [verweerster] het in minstens één geval nodig heeft geoordeeld om uitdrukkelijk aan [eiseres 1 en 2] kenbaar te maken dat de kosten van het opmaken van het T1-formulier voor haar (rekening) waren. Daarop heeft het hof geoordeeld dat, indien het tussen partijen vanzelfsprekend zou zijn geweest dat [verweerster] als opdrachtgeefster optrad, niet valt te begrijpen waarom deze overbodige opmerking is gemaakt, aldus het hof.
Er wordt geklaagd dat ook deze overweging van het hof zijn oordeel niet zonder meer kan dragen. Uit het enkele feit dat [verweerster] in één geval uitdrukkelijk heeft bevestigd dat de kosten voor de te verrichten werkzaamheden voor haar rekening zouden zijn, kan in het licht van de in onderdeel 1 bedoelde (Haviltex)maatstaf niet zonder meer worden afgeleid dat [eiseres 1 en 2] [verweerster] niet als opdrachtgeefster te zake het opmaken van de andere T1-documenten mocht beschouwen.
3.25
Subonderdeel 2.e klaagt over het oordeel in rov. 3.10.5, dat [verweerster] onweersproken heeft gesteld dat [eiseres 1 en 2] zich na de problemen rond de zuivering van de T1-documenten rechtstreeks tot de afnemers van [verweerster] heeft gewend en pas toen dit vruchteloos bleek [verweerster] heeft benaderd, hetgeen volgens het hof er niet direct op wijst dat [eiseres 1 en 2] [verweerster] als haar opdrachtgeefster beschouwde.
Het hof ziet er volgens het subonderdeel aan voorbij dat [eiseres 1 en 2] (onweersproken) heeft gesteld dat zij de afnemers van [verweerster] (uitsluitend) heeft benaderd, omdat de afnemers voor inklaring van de goederen op de eindbestemming dienden zorg te dragen en mogelijk in staat zouden zijn om alsnog zuivering van de T1-documenten te bewerkstelligen. [eiseres 1 en 2] heeft niet gesteld — en het hof heeft ook niet in andere zin vastgesteld — dat zij de afnemers van [verweerster] heeft benaderd teneinde hen als haar contractuele wederpartij aansprakelijk te stellen voor de schade als gevolg van het niet aanzuiveren van de T1-documenten. Uit de omstandigheid dat [eiseres 1 en 2] zich eerst tot de afnemers heeft gewend, volgt niet dat [eiseres 1 en 2] [verweerster] niet als opdrachtgever heeft beschouwd of heeft mogen beschouwen ter zake het opstellen van de T1-documenten. Het in rov. 3.10.5 overwogene, kan 's hofs oordeel niet dragen, aldus het subonderdeel.
3.26
De subonderdelen 2.c, 2.d en 2.e klagen alle dat de door het hof gegeven overwegingen in respectievelijk rov. 3.10.3, 3.10.4 en 3.10.5 zijn oordeel niet zonder meer kunnen dragen. De klachten kunnen, in navolging van het gestelde bij de behandeling van subonderdeel 2.b (zie 3.18), niet tot cassatie leiden. Het hof heeft, kort gezegd, kunnen oordelen dat de omstandigheden als bedoeld in de aangevallen rechtsoverweging wijzen in de richting dat het opdrachtgeverschap van [verweerster] niet is bewezen. Anders dan de klachten veronderstellen, betreffen de overwegingen geen zelfstandig dragende oordelen; de overwegingen zijn daarentegen onderdeel van 's hofs oordeel in het licht van alle vermelde omstandigheden.
3.27
Subonderdeel 2.f stelt dat uit hetgeen in de subonderdelen 2.a t/m 2.e is aangevoerd, volgt dat de door het hof in rov. 3.10.1 t/m 3.10.5 genoemde omstandigheden noch ieder afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang, 's hofs oordeel kunnen dragen — niettegenstaande het feit dat [verweerster] telkens aan [eiseres 1 en 2] het verzoek heeft gedaan de T1-documenten op te maken en [verweerster] voorts de facturen van [eiseres 1 en 2] voor het opmaken van de documenten zonder protest heeft voldaan — dat [eiseres 1 en 2] [verweerster] niet als haar opdrachtgever heeft mogen beschouwen. 's Hofs oordeel is onjuist, onvoldoende gemotiveerd, dan wel onbegrijpelijk.
3.28
Zoals bij de behandeling van onderdeel 1 is uiteengezet, heeft het hof zich (terecht) de vraag gesteld of in het licht van de omstandigheden van het geval sprake is van een gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van artikel 3:35 BW aan de zijde van [eiseres 1 en 2] dat [verweerster] als haar opdrachtgeefster heeft te gelden. Het hof heeft uiteengezet dat er zowel argumenten voor als tegen een positieve beantwoording van die vraag zijn. De klachten gericht tegen de tegenargumenten hebben geen doel getroffen, zodat resteert de vraag of het hof gezien de argumenten voor en tegen tot de conclusie kon komen dat het opdrachtgeverschap van [verweerster] niet is bewezen. Dit betreft een waardering van de feiten die is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Hoewel een ander oordeel ook mogelijk zou zijn geweest, is 's hofs oordeel m.i. voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Subonderdeel 2.f kan derhalve evenmin tot cassatie leiden.
Onderdeel 3
3.29
Onderdeel 3 klaagt ten slotte dat de overige klachten tevens 's hofs voortbouwende overwegingen in rov. 3.11 t/m 3.15 vitiëren. Met het falen van de onderdelen 1 en 2, valt ook het doek voor onderdeel 3.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑12‑2010
Op p. 4 van haar MvG heeft [eiseres 1 en 2] opgemerkt dat zij voor onder meer het risico van schade als gevolg van niet-zuivering van door haar ten behoeve van derden opgemaakte douanedocumenten een zogenaamde documentsaansprakelijkheidsverzekering heeft gesloten, op welke polis onder meer [eiseres 3] als verzekeraar is betrokken.
Rov. 2.1–2.3 van het vonnis van de rechtbank van 29 september 2004 en rov. 1 en 3.2 van het arrest van het hof van 2 juni 2009.
Aldus opgemerkt bij de partijvermelding in de appeldagvaarding.
De cassatiedagvaarding is op 2 september 2009 uitgebracht.
Uit punt 1 schriftelijke repliek in samenhang met punt 2.15 s.t. van mr Snijders volgt dat [eiseres 1 en 2] c.s. een vuistregel bepleiten. Over het formuleren van vuistregels door de Hoge Raad: Asser Procesrecht / Veegens-Korthals Altes — Groen (2005), nr. 102.
Eerste alinea van p. 3 van de cassatiedagvaarding en s.t. punt 2.15, eerste alinea. Zie naar aanleiding van de tweede alinea van punt 2.15 van de s.t. nog de schriftelijke dupliek onder 8.
HR 11 maart 1997, LJN: AC1877, NJ 1977, 521 m.nt. GJS (Kribbebijter); HR 18 maart 2005, LJN: AR5213, NJ 2006, 606 m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 4.12 (Kelly).
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nrs. 134 en 151; Jac. Hijma e.a., Rechtshandeling en overeenkomst, 2010, nr. 40.
Vgl. in het kader van de uitleg van overeenkomsten aan de hand van de Haviltex-maatstaf HR 23 april 2010, LJN: BL5262, rov. 3.5.2–3.5.3.
HR 8 september 2000, LJN: AA7041, NJ 2000, 734 m.nt. A.R. Bloembergen, rov. 3.5 (Baby Joost); HR 18 maart 2005, LJN: AR5213, NJ 2006, 606 m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 4.12 (Kelly).
Met vergelijke HR 14 april 2002, LJN: AD9114. In dit geval had de verkoper (FIC) na sluiten van de koopovereenkomst eveneens instructies gegeven aan de logistieke dienstverlener (Logsupp) waar zijn goederen waren opgeslagen. In deze zaak schakelde de logistieke dienstverlener een douane-expediteur in ten behoeve van de T1-documenten. Toen deze niet werden gezuiverd sprak de douane-expediteur de verkoper aan, stellende dat sprake was van een opdrachtovereenkomst. De zaak werd in cassatie niet op een inhoudelijk punt beoordeeld. Vgl. ook de conclusie van A-G Huydecoper onder 12.Zie bijvoorbeeld ook Rb. Rotterdam 11 juni 2008, LJN: BD9512. Een agent, die werkzaam is in verband met het fysiek en administratief importeren van goederen, geeft aan een douane-expediteur (Eurotransit) instructies en documenten op basis waarvan Eurotransit de douanerechten heeft voorgeschoten en deze heeft gefactureerd aan de agent, die de facturen heeft voldaan. Eurotransit spreekt de agent aan tot vergoeding van deze betalingen. De rechtbank onderzoekt of de agent in eigen naam heeft gehandeld, waarbij zij niet beslissend acht dat partijen, die beide als dienstverlener werkzaam zijn in het Rotterdamse havengebied, wisten dat de agent niet ten behoeve van zichzelf handelde doch ten behoeve van East WorldTrade, de importeur van de goederen.Vgl. ook HR 23 februari 1996, LJN: AD2498, NJ 1997, 276,m.nt. ThMdB rov. 3.3.2, waarnaar de dupliek van mrs Van der Wiel en Wehrmeijer in noot 7 verwijst.
De Incoterms zijn een initiatief van de Internationale Kamer van Koophandel (ICC). Zij bevatten bepalingen over aflevering, risico-overgang en kosten in het kader van (internationale) koopcontracten. Vgl. Asser-Hijma 5-I 2007, nr. 304. De Incoterms zijn enige malen vernieuwd. Naar verwachting treden op 1 januari 2011 de nieuwe Incoterms 2010 in werking. Zie: http://www.iccwbo.org/incoterms/.
Zie CvD 12 voor de (FOT, Ladestelle resp. DU) bedingen waaronder de (vijf) betreffende contracten zijn gesloten. Partijen maken geen onderscheid tussen deze bedingen (MvA tevens MvG in het voorwaardelijk incidenteel appel nr. 1.4; MvA in het incidentele appel p. 3).
Overgelegd als productie 1 bij MvA in het incidenteel appel.
J. Ramberg, Guide to Incoterms 1990, 1991, p. 129. Zie ook C. Debattista (ed.), Incoterms in Practice, ICC Publishing 1995, p. 180.
Er kunnen zich overigens gevallen voordoen, waarin de verkoper toch bepaalde douaneformaliteiten in het land van import voor zijn rekening dient te nemen. Men denke aan het geval dat in het land van import douaneformaliteiten moeten worden verricht op een andere plaats (welke eerder op de transportroute ligt) dan de plaats die partijen als eindbestemming waren overeengekomen (welke verder in het binnenland ligt). Als op die eerdere plaats een T1-document moet worden opgemaakt, zijn de kosten daarvan voor rekening van de verkoper, nu deze zijn gemaakt voor het bereiken van de plaats van bestemming. Het T1-document dient alsdan te worden beschouwd als een transitdocument en niet als een document dat samenhangt met de formaliteiten die de invoeraangifte betreffen. Ik ontleen dit voorbeeld aan K. Vanheusden, Leveringsvoorwaarden in internationale overeenkomsten, 2005, p. 201–202.
Beroepschrift 02‑09‑2009
Heden, de [tweede] september tweeduizendnegen, ten verzoeke van
- (1)
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kloosterboer Services B.V., gevestigd te IJmuiden;
- (2)
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kloosterboer Rotterdam B.V., gevestigd te Rotterdam;
- (3)
de naamloze vennootschap HDI-Gerling Verzekeringen N.V., gevestigd te Rotterdam,
allen te dezer zake woonplaats kiezende te 's‑Gravenhage aan het Koningin Julianaplein nr. 10, kantoren Stichthage, dertiende verdieping (postbus 11756, 2502 AT), ten kantore van Mrs G. Snijders en K. Teuben, advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden, die door hen worden aangewezen om hen te vertegenwoordigen in na te melden geding in cassatie;
heb ik,
[Heb ik, SYCO PAULUSMA, gerechtsdeurwaarder te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan het Keurenplein 47;]
AAN
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid F. Byvoet International B.V., gevestigd te Amsterdam, maar overeenkomstig art. 63 lid 1 Rv mijn exploot doende te Amsterdam aan de Banstraat nr. 47 (1071 JX), ten kantore van Mr I.M.C.A. Reinders Folmer, advocaat, hebbende de gerequireerde in vorige instantie laatstelijk aldaar woonplaats gekozen, sprekende met en afschrift dezes latende aan:
[de heer C.H. Cheung, aan dat kantoor verbonden.]
AANGEZEGD
dat mijn requiranten hierbij beroep in cassatie instellen tegen het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, onder zaaknr. 106.002.381/01 (rolnr. 214/05) tussen mijn requiranten als appellanten in het principaal appel, geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel appel en gerequireerde als geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel gewezen en ter openbare terechtzitting van 2 juni 2009 uitgesproken;
voorts heb ik, deurwaarder, geheel exploiterend en relaterend als voormeld, de geïnsinueerde voornoemd,
GEDAGVAARD
om op vrijdag de achttiende september tweeduizendnegen, des voormiddags om 10.00 uur, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen ter openbare terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, Eerste Enkelvoudige Kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, die alsdan wordt gehouden in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden aan de Kazernestraat nr. 52 te 's‑Gravenhage;
TENEINDE
alsdan tegen voormeld arrest te horen aanvoeren het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het Hof heeft geoordeeld als vermeld in rov. 3.10 tot en met 3.15 van zijn arrest, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
1.
Ten onrechte oordeelt het Hof in rov. 3.10 tot en met 3.11 van zijn arrest dat, ondanks hetgeen het eerder in zijn arrest vaststelt en overweegt, Kloosterboer c.s. (hierna gezamenlijk: Kloosterboer) niet (voorshands) hebben bewezen dat Byvoet ter zake van het opmaken van de onderhavige T1-documenten de opdrachtgever van Kloosterboer is geweest. Uitgangspunt in deze zaak mag zijn dat aan het opmaken van de onderhavige T1-documenten door Kloosterboer een opdracht ten grondslag heeft gelegen. Zoals het Hof in rov. 3.9.1 en 3.9.2 van zijn arrest vaststelt,
- (i)
is het Byvoet geweest die Kloosterboer telkens heeft verzocht om het opmaken van de T1-documenten,
- (ii)
heeft Kloosterboer haar facturen voor deze werkzaamheden steeds naar Byvoet gezonden, en
- (iii)
heeft Byvoet die facturen telkens zonder protest voldaan.
Het antwoord op de vraag wie optreedt als wederpartij bij een overeenkomst, hangt af van hetgeen daaromtrent over en weer is verklaard en betrokkenen over en weer uit eikaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en hebben mogen afleiden. Kloosterboer heeft aangevoerd Byvoet — gelet op de juist achter (i) tot en met (iii) genoemde feiten — als haar opdrachtgever te hebben beschouwd en te hebben mogen beschouwen.1. Byvoet heeft ten processe niet aangevoerd aan Kloosterboer te hebben medegedeeld dat zij niet als opdrachtgever optrad en/of dat een ander als opdrachtgever van Kloosterboer moest worden beschouwd.
Het Hof stelt dat ook niet vast. Het Hof stelt evenmin vast dat Byvoet heeft aangevoerd dat Kloosterboer in de gegeven omstandigheden duidelijk moest zijn dat Byvoet niet als opdrachtgever optrad en/of dat een ander als opdrachtgever van Kloosterboer moest worden beschouwd, laat staan dat het in deze zin oordeelt en/of feiten en omstandigheden vaststelt die toereikend zijn voor dat oordeel.
In het licht van dit een en ander geeft het oordeel van het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel heeft het Hof zijn oordeel niet naar behoren gemotiveerd. Gegeven het vorenstaande mag immers in beginsel zonder meer uitgangspunt zijn dat Byvoet ter zake van het opmaken van de T1-documenten de opdrachtgever was van Kloosterboer, althans Kloosterboer Byvoet als zodanig mocht beschouwen. Hetgeen het Hof in rov. 3.10 tot en met 3.11 van zijn arrest overweegt is onvoldoende om tot een ander oordeel te (kunnen) leiden (zie hierna in onderdeel 2 van dit middel). Kennelijk is het Hof uitgegaan van een andere maatstaf dan hiervoor genoemd (het Hof laat zich in zijn arrest niet uit over welke maatstaf het hanteert), dan wel heeft het zijn oordeel dat, overeenkomstig deze maatstaf, Kloosterboer (niet heeft bewezen dat zij) Byvoet (niet) als haar wederpartij mocht beschouwen, niet naar behoren gemotiveerd.
2.
- a.
Het Hof overweegt in rov. 3.10.1 dat tussen Byvoet en haar afnemers [afnemer 1] en [afnemer 2] de verkoopconditie ‘delivered duty unpaid Rotterdam’ gold, dat op grond van deze conditie (behoudens andersluidende afspraken) de met de invoer in Nederland samenhangende verplichtingen op [afnemer 1] en [afnemer 2] rustten, dat Kloosterboer niet heeft betwist dat zij wist dat deze verkoopconditie tussen Byvoet en haar afnemers van toepassing was en wat die betekende, en dat zulks Kloosterboer op zichzelf al reden had moeten geven om te twijfelen aan de wens van Byvoet om zichzelf als opdrachtgever te binden. Deze overwegingen kunnen het oordeel van het Hof om de navolgende redenen niet dragen.
- a.1.
Het Hof miskent met dit oordeel in de eerste plaats dat Kloosterboer geen partij is bij de overeenkomsten die Byvoet met haar afnemers heeft gesloten, zodat bedingen die Byvoet met haar afnemers is overeengekomen — zelfs indien Kloosterboer deze bedingen kende of behoorde te kennen — in beginsel niet aan Kloosterboer als derde kunnen worden tegengeworpen. Het Hof stelt in rov. 3.10.1 geen bijzondere omstandigheden vast op grond waarvan een uitzondering op dit uitgangspunt gerechtvaardigd kan zijn. Uit dit een en ander volgt voorts dat het tussen Byvoet en haar afnemers overeengekomen beding ‘delivery duty unpaid Rotterdam’ niet, althans niet zonder meer, kan meebrengen dat Kloosterboer Byvoet niet als haar opdrachtgever ter zake van het opmaken van de T1-documenten mocht beschouwen. Dit geldt te meer nu genoemd beding, zoals het Hof in rov. 3.10.1 ook overweegt, de mogelijkheid openlaat dat tussen de verkoper en de koper andersluidende afspraken over het vervullen van de douaneformaliteiten worden gemaakt. Het Hof stelt in zijn arrest niet vast dat Kloosterboer op de hoogte was van de precieze tekst en/of inhoud van de overeenkomsten tussen Byvoet en haar afnemers [afnemer 1] en [afnemer 2]. Evenmin stelt het Hof vast dat Kloosterboer ervan op de hoogte was dat tussen Byvoet en [afnemer 1] en [afnemer 2] geen andersluidende afspraken zoals hiervoor bedoeld zijn gemaakt. Gelet op dit een en ander valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien dat het tussen Byvoet en haar afnemers overeengekomen beding ‘delivery duty unpaid Rotterdam’ Kloosterboer reden moest geven om te twijfelen aan de wens van Byvoet om zichzelf als opdrachtgever te binden.
- a.2.
Bovendien geeft het hof in rov. 3.10.1 een onjuiste, althans onbegrijpelijke, uitleg aan de ICC Incoterms 1990. Blijkens de toelichting op de ICC Incoterms 1990 behelst de clausule ‘delivered duty unpaid’ dat douaneverplichtingen bij de invoer van goederen voorafgaand aan de aflevering door de verkoper (die in dit geval in Rotterdam heeft plaatsgevonden) in beginsel voor rekening en risico van de koper komen.2. De clausule heeft derhalve als zodanig geen betrekking op de vraag welke partij de douaneformaliteiten dient te vervullen met betrekking tot de verdere doorvoer/uitvoer van de verkochte goederen. Uit het gebruik van de clausule ‘delivery duty unpaid Rotterdam’ tussen Byvoet en haar afnemers volgt derhalve niet, althans niet zonder meer, dat Byvoet ter zake van het opmaken van de T1-documenten niet de opdrachtgever van Kloosterboer zou zijn en dat Kloosterboer zulks ook behoorde te begrijpen.
- a.3.
Overigens is de vaststelling van het Hof dat in dit geval sprake is geweest van invoer in Nederland, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Kloosterboer heeft er een en andermaal op gewezen dat de goederen
- (i)
niet werden ingeklaard en derhalve onder douaneverband in haar vrieshuis in Rotterdam werden opgeslagen,
- (ii)
vervolgens nog steeds onder douaneverband zijn doorvervoerd naar Roemenië op basis van de T1-documenten en
- (iii)
door Byvoet niet konden worden afgeleverd aan de kopers, zolang ze onder douaneverband rustten en er geen T1-documenten waren opgemaakt.
Er was derhalve geen sprake van invoer in Nederland, aldus Kloosterboer, maar van doorvoer door Nederland, ten aanzien waarvan de verkoper voor de douaneformaliteiten dient te zorgen volgens de betekenis die het ‘delivered duty unpaid’ beding in de ICC Incoterms 1990 heeft.3. Deze stellingen zijn door Byvoet niet bestreden, althans stelt het Hof niet in zijn arrest vast dat deze stellingen ongegrond zouden zijn. Derhalve mag uitgangspunt zijn sprake is van doorvoer, ten aanzien waarvan Byvoet als verkoper voor de douaneformaliteiten diende te zorgen.
- b.
Ook de overwegingen van het Hof in rov. 3.10.2 dat het feit dat het merendeel van het contact over het opmaken van de T1-documenten plaatsvond met de afnemers van Byvoet, dat die afnemers aan Kloosterboer de benodigde feitelijke informatie voor het opmaken van de T1-documenten hebben verschaft, dat (kort gezegd) dit erop wijst dat de route via Byvoet een omweg was en dat de afnemers de eigenlijke belanghebbenden bij het opmaken van de T1-documenten waren, kunnen zijn oordeel niet dragen. Uit de omstandigheid dat Kloosterboer voor het opmaken van de T1-documenten rechtstreeks contact heeft gehad met de afnemers van Byvoet volgt immers niet, althans niet zonder meer, dat Kloosterboer Byvoet niet als haar opdrachtgever ter zake van het opmaken van deze documenten mocht beschouwen. Dit geldt te meer nu Kloosterboer ten processe (onweersproken) heeft aangevoerd dat het in de praktijk gangbaar is dat de afnemers van zendingen — zoals in casu [afnemer 1] en [afnemer 2] — aanvullende feitelijke gegevens verstrekken teneinde de douanedocumenten te kunnen opmaken, zonder dat zij daarmee ter zake van het opmaken van die documenten opdrachtgever zijn.4. Dit ligt overigens ook zonder meer voor de hand, nu het in het algemeen de afnemer van een zending is die beschikt over de feitelijke informatie die noodzakelijk is voor het opmaken van een T1-document. Het enkele feit dat de voor de uitvoering van de onderhavige opdracht benodigde informatie van derden (in casu de afnemers van Byvoet) diende te worden verkregen kan, mede gelet op de in onderdeel 1 van dit middel bedoelde (Haviltex) maatstaf, derhalve niet meebrengen dat Kloosterboer deze derden, en niet Byvoet, als haar opdrachtgevers diende te beschouwen.
- c.
In rov. 3.10.3 overweegt het Hof dat Kloosterboer [afnemer 1] een ‘authorisation on customs formalities’ heeft laten invullen en ondertekenen waarin [afnemer 1] Kloosterboer heeft gemachtigd om in haar naam een ‘customs transit document’ in te dienen. Indien het Hof met deze overweging heeft bedoeld dat uit het invullen van de ‘authorisition on customs formalities’ volgt dat niet Byvoet maar haar afnemers opdrachtgever van Kloosterboer zijn geweest ter zake van het opmaken van de T1-documenten, heeft te gelden dat — zoals het Hof in rov. 3.10.3 ook vaststelt — door [afnemer 2] geen ‘authorisation on customs formalities’ ten behoeve van Kloosterboer is ingevuld. Het Hof stelt bovendien niet vast dat de tussen Kloosterboer en [afnemer 2] reeds bestaande relatie inhield dat [afnemer 2] Kloosterboer had gemachtigd om in haar naam douanedocumenten op te stellen. Hetgeen het Hof in rov. 3.10.3 overweegt kan derhalve in elk geval ten aanzien van [afnemer 2] niet het oordeel dragen dat Byvoet ter zake van het opmaken van de T1-documenten die betrekking hebben op de leveringen aan [afnemer 2], niet de opdrachtgever van Kloosterboer isgeweest en dat Kloosterboer zulks ook behoorde te begrijpen. Bovendien geldt ook ten aanzien van het invullen van de ‘authorisation on customs formalities’ dat, zoals hiervoor in subonderdeel 2b aangevoerd, het enkele feit dat voor de uitvoering van de onderhavige opdracht informatie van de afnemers van Byvoet diende te worden verkregen, niet (reeds) kan meebrengen dat Kloosterboer deze derden, en niet Byvoet, als haar opdrachtgevers diende te beschouwen.
- d.
Het Hof overweegt in rov. 3.10.4 dat Byvoet het in minstens één geval nodig heeft geoordeeld om uitdrukkelijk aan Kloosterboer kenbaar te maken dat de kosten van het opmaken van het T1-document voor haar rekening waren, hetgeen volgens het Hof overbodig zou zijn geweest indien tussen partijen vanzelfsprekend zou zijn geweest dat Byvoet als opdrachtgever optrad. Ook deze overweging van het Hof kan het oordeel van het Hof niet zonder meer dragen. Uit het enkele feit dat Byvoet in één geval (volledigheidshalve) uitdrukkelijk heeft bevestigd dat de kosten voor de te verrichten werkzaamheden voor haar rekening zouden zijn, kan immers, mede in het licht van de in onderdeel 1 genoemde maatstaf niet, althans niet zonder meer, worden afgeleid dat Kloosterboer Byvoet (dus) niet als haar opdrachtgever ter zake van het opmaken van de andere T1-documenten mocht beschouwen.
- e.
Tot slot overweegt het Hof in rov. 3.10.5 dat Byvoet onweersproken heeft gesteld dat Kloosterboer zich na de problemen rond de zuivering van de T1-documenten rechtstreeks tot de afnemers van Byvoet heeft gewend en pas toen dit vruchteloos bleek Byvoet heeft benaderd, hetgeen er niet direct op wijst dat Kloosterboer Byvoet als haar opdrachtgever beschouwde. Met deze overweging ziet het Hof eraan voorbij dat Kloosterboer (onweersproken) heeft gesteld (memorie van antwoord in incidenteel appel, p. 6, tweede alinea) dat zij de afnemers van Byvoet (uitsluitend) heeft benaderd met het verzoek om alsnog mee te werken aan zuivering van de T1-documenten, zulks omdat de afnemers voor inklaring van de goederen op de eindbestemming dienden zorg te dragen en mogelijk in staat zouden zijn om alsnog zuivering van de T1-documenten te bewerkstelligen. Kloosterboer heeft derhalve niet gesteld — en het Hof stelt ook niet in andere zin vast — dat zij de afnemers van Byvoet heeft benaderd teneinde hen als haar contractuele wederpartij aansprakelijk te stellen voor de schade die zij als gevolg van het niet zuiveren van de T1-documenten heeft geleden. Uit de omstandigheid dat Kloosterboer zich allereerst tot de afnemers van Byvoet heeft gewend volgt derhalve niet dat ter zake van het opstellen van de T1-documenten Kloosterboer Byvoet niet als haar opdrachtgever heeft beschouwd en/of heeft mogen beschouwen. Ook hetgeen het Hof in rov. 3.10.5 overweegt, kan zijn oordeel derhalve niet dragen.
- f.
Uit hetgeen hiervoor in 2a tot en met 2e is aangevoerd, volgt dat de door het Hof in rov. 3.10.1 tot en met 3.10.5 genoemde omstandigheden noch ieder afzonderlijk, noch ook in onderlinge samenhang, 's Hofs oordeel kunnen dragen dat — niettegenstaande het vaststaande feit dat, kort gezegd, Byvoet telkens aan Kloosterboer het verzoek heeft gedaan om de onderhavige T1-documenten op te maken en Byvoet voorts de facturen die Kloosterboer voor dit opmaken aan haar heeft verzonden zonder protest heeft voldaan — Kloosterboer Byvoet niet als haar opdrachtgever heeft mogen beschouwen. Dit oordeel van het Hof is derhalve, mede om de in 2a tot en met 2e genoemde redenen onjuist, onvoldoende gemotiveerd, dan wel onbegrijpelijk.
3.
Gegrondbevinding van een of meer van vorenstaande klachten vitieert tevens 's Hofs (voortbouwende) overwegingen in rov. 3.11 tot en met 3.15 van zijn arrest.
En op grond van dit middel te horen eis doen dat het de Hoge Raad behage het arrest waarvan beroep te vernietigen met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren; kosten rechtens.
De kosten dezes zijn voor mij, deurwaarder, € [72,25.]
Deurwaarder
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑09‑2009
Zie de Inleidende dagvaarding, in 1 tot en met 3, de conclusie van repliek, in 10, 19, 25 tot en met 27, de memorie van antwoord in het incidenteel appel, blz. 4 tot en met 6, en de pleitnotities van Mr A.D. Hulsman In hoger beroep, blz. 2 en 3.
De ICC Incoterms 1990 zijn door Kloosterboer overgelegd als productie 1 bij memorie van antwoord in het incidenteel appel. Zie voor de hier bedoelde passage de vetgedrukte tekst waarmee de uitleg van de betekenis van het beding begint.
Zie A2 van die terms; zie voor de onderhavige stellingen van Kloosterboer haar conclusie repliek in 15 t/m 17, memorie van antwoord in het incidenteel appel blz. 2 derde alinea t/m blz. 3 tweede alinea en de pleitnotities van Mr A.D. Hulsman in hoger beroep, blz. 1/2.
Zie de conclusie van repliek van Kloosterboer in 23 en de pleitnotities van Mr A.D. Hulsman in hoger beroep, blz. 3, voorlaatste alinea.