AB 2016/226
Verschillende bewijsmaatstaven bij herziening en beboeting inzake niet wonen op gba-adres. Bewijsvermoeden en onschuldpresumptie. Boetehoogte.
CRvB 01-06-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1878, m.nt. R. Stijnen
- Instantie
Centrale Raad van Beroep
- Datum
1 juni 2016
- Magistraten
Mrs. H.J. de Mooij, J. Brand, J.P.A. Boersma
- Zaaknummer
15-1733 WSF
- Noot
R. Stijnen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS246665:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Sociale zekerheid kinderen en jongeren / Studiefinanciering
Bestuursrecht algemeen / Handhaving algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:CRVB:2016:1878, Uitspraak, Centrale Raad van Beroep, 01‑06‑2016
- Wetingang
Art. 6 lid 2 EVRM; art. 9.9 Wsf 2000; art. 5:46 lid 2 Awb
Essentie
Verschillende bewijsmaatstaven bij herziening en beboeting inzake niet wonen op gba-adres. Bewijsvermoeden en onschuldpresumptie. Boetehoogte.
Samenvatting
De bevoegdheid tot het herzien van het recht op studiefinanciering op de grond dat een studerende geen recht heeft op een uitwonendenbeurs omdat hij niet woonachtig is op het gba-adres waaronder hij staat ingeschreven, ontstaat eerst indien de minister aannemelijk heeft gemaakt dat de studerende niet heeft voldaan aan de in artikel 1.5 lid 1 Wsf 2000 opgenomen voorwaarden. Is dat door de minister aannemelijk gemaakt, dan wordt ingevolge de werking van artikel 9.9 lid 2 Wsf 2000, ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.