HR, 15-02-2011, nr. 08/05127 E
ECLI:NL:HR:2011:BO2598
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
15-02-2011
- Zaaknummer
08/05127 E
- Conclusie
Mr. Aben
- LJN
BO2598
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BO2598, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 15‑02‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO2598
ECLI:NL:PHR:2011:BO2598, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 26‑10‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO2598
- Wetingang
art. 18.18 Wet milieubeheer; art. 358 Wetboek van Strafvordering; art. 359 Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
JOM 2012/455
Uitspraak 15‑02‑2011
Inhoudsindicatie
Economische zaak. Het in hoger beroep door de raadsvrouwe van de verdachte aangevoerde betreft onmiskenbaar de uitleg van het vergunningsvoorschrift dat zou zijn overtreden. Aldus is een verweer gevoerd waaromtrent het Hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Aangezien zodanige beslissing in de bestreden uitspraak niet voorkomt, is het middel gegrond. Het Hof heeft terzake van twee bewezenverklaarde feiten afzonderlijk straffen opgelegd. Nu die feiten misdrijven betreffen had het Hof evenwel op de voet van art. 57.1 Sr één straf dienen op te leggen. De HR vindt daarin aanleiding de gehele strafoplegging te vernietigen.
15 februari 2011
Strafkamer
nr. 08/05127 E
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, van 3 december 2008, nummer 22/007396-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraken en de beslissingen tot ontslag van alle rechtsvervolging, is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.T.C. van Kampen, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot verwerping van het beroep voor het overige.
1.2. De raadsvrouwe heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het vierde middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een namens de verdachte gevoerd verweer.
2.2. Aan de verdachte is - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - onder 3 tenlastegelegd, dat:
"zij op of omstreeks de periode van 7 maart 2004 tot en met 15 maart 2004 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zich (telkens) al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met één of meer voorschriften die verbonden zijn aan een krachtens de Wet milieubeheer aan haar verleende vergunning, te weten de beschikking/het besluit met kenmerk 27440, verleend door Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland, in elk geval,
(...)
C. ( Voorschrift 4.14)
werden houtpellets, zijnde een broeigevoelig massagoed, niet (conform de instructies uit de aanvraag bijlage 8, nummer 4, revisienummer 2001.7, d.d. 26-01-2001 [zie pagina 662]) gecontroleerd door middel van doelmatige temperatuurmeting(en), immers werd de temperatuur/werden de temperatuurverschillen vastgesteld door middel van het met de hand voelen aan de buitenkant van betreffende silo.
(...);"
2.3. Daarvan is bewezenverklaard dat:
"zij omstreeks de periode van 7 maart 2004 tot en met 15 maart 2004 te Rotterdam zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met voorschriften die verbonden zijn aan een krachtens de Wet milieubeheer aan haar verleende vergunning, te weten de beschikking/het besluit met kenmerk 27440, verleend door Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland, in elk geval,
C. ( Voorschrift 4.14)
werden houtpellets, zijnde een broeigevoelig massagoed, niet gecontroleerd door middel van doelmatige temperatuurmeting(en), immers werd de temperatuur/werden de temperatuurverschillen vastgesteld door middel van het met de hand voelen.
(...);"
2.4. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2008 gehechte pleitnotities heeft de raadsvrouwe van de verdachte onder meer het volgende aangevoerd:
"Het in de dagvaarding opgenomen voorschrift op basis waarvan [verdachte] de houtpellets aan doelmatige temperatuurmetingen zou moeten hebben onderwerpen, namelijk bijlage 8, (nummer 4) bij de aanvraag voor de Wm-vergunning, heeft blijkens de inhoud ervan specifiek betrekking op de boord-boordoverslag van kolen; niet op kolenopslag aan de wal en al helemaal niet op houtpellets. (...)
Ook om die reden: vrijspraak."
2.5. Het aldus aangevoerde betreft onmiskenbaar de uitleg van het vergunningsvoorschrift dat zou zijn overtreden. Aldus is een verweer gevoerd waaromtrent het Hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Aangezien zodanige beslissing in de bestreden uitspraak niet voorkomt, is het middel gegrond.
3. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd brengt het voorgaande mee dat de overige middelen geen bespreking behoeven en dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 sub C tenlastegelegde en de strafoplegging.
Het Hof heeft ter zake van feit 3 sub C en ter zake van het andere bewezenverklaarde feit (4 sub D) afzonderlijk straffen opgelegd. Nu die feiten misdrijven betreffen had het Hof evenwel op de voet van art. 57, eerste lid, Sr één straf dienen op te leggen. Daarin vindt de Hoge Raad aanleiding de gehele strafoplegging, dus ook die ten aanzien van het andere feit, te vernietigen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 sub C tenlastegelegde en de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 15 februari 2011.
Conclusie 26‑10‑2010
Mr. Aben
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het gerechtshof te 's‑Gravenhage heeft bij arrest van 3 december 2008
- —
het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigd,
- —
de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde onder (na hernummering) 3 sub A1, A2 en B, en onder 4 sub C,
- —
het onder 3 sub C, D en E, alsmede het onder 4 sub A, B, D en E tenlastegelegde bewezen verklaard,
- —
het onder 3 bewezenverklaarde gekwalificeerd als: opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon,
- —
het onder 4 bewezenverklaarde gekwalificeerd als: opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 30a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon,
- —
de verdachte ter zake van het onder 3 sub D en E, alsmede onder 4 sub A, B en E bewezenverklaarde ontslagen van alle rechtsvervolging, en
- —
haar ter zake van het onder 3 (naar ik begrijp: sub C) bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 25.000,=,
- —
haar ter zake van het onder 4 (naar ik begrijp: sub D) bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 500,=.
2.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. P.T.C. van Kampen, destijds advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingediend, houdende vijf middelen van cassatie. De eerste vier daarvan hebben betrekking op het onder 3 sub C bewezenverklaarde.
3.
Onder 3 sub C is bewezenverklaard dat:
‘zij omstreeks de periode van 7 maart 2004 tot en met 15 maart 2004 te Rotterdam zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met voorschriften die verbonden zijn aan een krachtens de Wet milieubeheer aan haar verleende vergunning, te weten de beschikking/het besluit met kenmerk 27440, verleend door Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland, in elk geval,
C. ( Voorschrift 4.14)
werden houtpellets, zijnde een broeigevoelig massagoed, niet gecontroleerd door middel van doelmatige temperatuurmeting(en), immers werd de temperatuur/werden de temperatuurverschillen vastgesteld door middel van het met de hand voelen;’
4.1.
Het eerste middel stelt een uitlating aan de orde die ‘het gerechtshof’ ter terechtzitting van 19 november 2008 na afloop van het requisitoir zou hebben gedaan, namelijk ‘dat de verdediging zich wat het gerechtshof betreft kan beperken tot hetgeen de advocaat-generaal vorderde.’ De advocaat-generaal zou op vragen van de verdediging hebben geantwoord dat ter zake van het onder 3 sub C tenlastegelegde veroordeling en strafoplegging voor de (impliciet subsidiair tenlastegelegde) overtreding was gevorderd, en dus niet voor het misdrijf. Het hof heeft niettemin voor het misdrijf veroordeeld, en zou daarmee hebben gehandeld in strijd met beginselen van een goede procesorde en artikel 6 EVRM.
4.2.
Het middel kan op feitelijke gronden niet slagen omdat het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 november 2008, zijnde de kenbron van het verhandelde ter terechtzitting, geen melding maakt van de omschreven uitlatingen van (naar zal zijn bedoeld) de voorzitter van het hof, noch van die van de advocaat-generaal.
4.3.
Zelfs echter als zou moeten worden aangenomen dat deze mededelingen namens het gerechtshof c.q. door de advocaat-generaal in deze vorm zijn gedaan, kan hieraan m.i. bezwaarlijk het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat het gerechtshof geheel niet zou veroordelen voor het misdrijf, en de advocaat-generaal hooguit zou mogen volgen in de gevorderde veroordeling voor de impliciet subsidiair tenlastegelegde overtreding. M.i. nopen de beginselen van een goede procesorde in dit veronderstelde geval slechts dat het hof de verdediging — voorafgaand aan de definitieve sluiting van het onderzoek ter terechtzitting — in de gelegenheid zou hebben gesteld alsnog haar standpunt omtrent het onder 3 sub C primair tenlastegelegde misdrijf kenbaar te maken. Dat laatste zou in casu echter een overbodige exercitie zijn. De verdediging heeft zich blijkens de overgelegde pleitnota namelijk niet laten leiden door de (veronderstelde) opmerking van de voorzitter en wel degelijk haar standpunt over het impliciet primair tenlastegelegde misdrijf naar voren heeft gebracht (in hoofdstuk 6 op blz. 12 – 15). Welbeschouwd is de verdediging dus überhaupt niet in enig rechtens te respecteren belang geschaad.
4.4.
Het middel treft hoe dan ook geen doel.
5.1.
Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 3 sub C tenlastegelegde, waarvan in het bijzonder het opzet. Daarmee heeft het hof bovendien, zo begrijp ik het middel, ontoereikend gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ertoe strekkende dat moet worden vrijgesproken van het opzet.
5.2.
Bewezenverklaard is (in mijn woorden) dat de verdachte opzettelijk een in de vergunningsvoorschriften neergelegde verplichting heeft verzaakt door op een onvoldoende doeltreffende wijze de temperatuur(verschillen) van broeigevoelig massagoed te controleren, zulks vanwege de in de praktijk toegepaste (ineffectieve) methode, namelijk: voelen met de hand. In deze bewezenverklaring bestrijkt het opzet het bestaan van de plicht om bepaald massagoed vanwege broeigevoeligheid te controleren op temperatuur(verschillen), alsmede het nalaten hieraan effectief gevolg te geven. Onder opzet is het kansopzet begrepen. Bij die gradatie van opzet luidt het verwijt dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans op de koop toe heeft genomen dat zij tekortschoot in de naleving van de haar opgelegde verplichting broeigevoelig massagoed te controleren op de aanwezigheid van broei.
5.3.
Het middel berust op de onjuiste veronderstelling dat het bestempelen van massagoed als ‘broeigevoelig’ het bestaan vereist van een aanmerkelijke kans dat broei zou optreden. Bewijs van het voorwaardelijk opzet vergt zoals gezegd dat de verdachte bekend is met de aanmerkelijke kans dat het hier broeigevoelig massagoed betreft, doch niet dat de verdachte bekend is met een aanmerkelijke kans op broei. Reeds een reëel risico op broei vereist, dunkt mij, voorzorgsmaatregelen ter voorkoming dat potentieel gevaar zich verwezenlijkt. Het betreffende massagoed moet in die situatie naar gangbaar spraakgebruik als ‘broeigevoelig’ worden aangemerkt, ook al is de kans op broei betrekkelijk gering.
5.4.
's Hofs vaststelling dat men binnen het bedrijf van de verdachte bekend was met het reëel te achten risico op broei is derhalve een toereikende motivering van de bewezenverklaring, die overigens voldoende wordt gestaafd door bewijsmiddelen. Dit oordeel is ook niet in strijd met de overweging dat het ‘risico op broeigevaar’ volgens het meldingsformulier zeer gering is, te meer nu het hof in diezelfde bewijsoverweging verwijst naar de verklaring van het hoofd operationele dienst van verdachtes onderneming, [betrokkene 1], dat hij bekend was met het risico van broei van houtpellets.
5.5.
Het middel faalt.
6.1.
Het derde middel klaagt over de motivering van 's hofs afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de houtpellets vanwege het lage vochtpercentage niet broeigevoelig waren.
6.2.
Het hof heeft zijn afwijking van dit standpunt voldoende gestaafd met bewijsmiddelen. Daaronder bevindt zich een citaat uit een plan van aanpak (bewijsmiddel 5), waarin ten aanzien van het product ‘houtpellets’ melding wordt gemaakt van ‘het gevaar’ c.q. ‘het verschijnsel’ van broei en zelfontbranding. Het komt mij voor dat zo'n mededeling niet voor niets wordt opgenomen in een dergelijk plan. Daaraan mocht het hof dan ook betekenis toekennen.
Dat het risico van broei zich heeft verwezenlijkt is m.i. op zichzelf al een aanwijzing dat de kans op broei van de houtpellets niet verwaarloosbaar klein is. Met andere woorden, het daadwerkelijk optreden van broei met als gevolg de zelfontbranding van dit materiaal past betrekkelijk slecht bij de veronderstelling dat er geen enkel reëel risico op broei bestond. Gevoegd bij de reeds besproken verklaring van [betrokkene 1] acht ik 's hofs selectie en waardering van aanwijzingen van de broeigevoeligheid van houtpellets dan ook niet onbegrijpelijk. Voor verdergaande toetsing is in cassatie geen plaats.
6.3.
Het middel moet het lot van het vorige delen.
7.
Het vierde middel klaagt — naar mijn oordeel vruchteloos — over 's hofs gebrek aan respons op een standpunt dat door de steller van het middel wordt aangemerkt als uitdrukkelijk en onderbouwd, doch dit predicaat m.i. niet verdient.
8.
Het vijfde middel klaagt terecht en op goede gronden over een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, vanwege het tijdsverloop tussen het instellen van cassatie en de binnenkomst van de stukken van het geding bij de griffie van Uw Raad. Als gevolg hiervan is strafvermindering aangewezen, ofschoon (ik probeer het toch maar weer eens) de enkele constatering van dit betrekkelijk geringe verzuim m.i. meer op haar plaats is.
9.
De eerste vier middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 RO ontleende motivering. Het vijfde middel slaagt en zal waarschijnlijk leiden tot strafvermindering.
10.
Ambtshalve wijs ik op het volgende. Het gerechtshof heeft voor de onder 3 (naar ik begrijp: sub C) en de onder 4 (naar ik begrijp: sub D) bewezenverklaarde misdrijven afzonderlijk geldboetes opgelegd, hoewel het (door het hof vermelde) artikel 57 Sr voorschrijft dat bij meerdaadse samenloop van misdrijven één hoofdstraf wordt opgelegd. De Hoge Raad kan deze tekortkoming herstellen door in het dictum van het bestreden arrest in te lezen dat het hof voor de beide misdrijven één geldboete van € 25.500,= heeft opgelegd.
11.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden