Einde inhoudsopgave
Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 73) 2010/2.2.1
2.2.1 De rol van ernstig verwijt in de jurisprudentie over art. 2:9 BW
mr. D.A.M.H.W. Strik, datum 20-07-2010
- Datum
20-07-2010
- Auteur
mr. D.A.M.H.W. Strik
- JCDI
JCDI:ADS434654:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wezeman 2003, p. 233 wijst ook op een geïntegreerde benadering waarbij de onbehoorlijke taakvervulling als een verzamelnorm wordt beschouwd waarin verschillende elementen schuilgaan en waarbij zonder ernstig verwijt niet van onbehoorlijke taakvervulling kan worden gesproken. Zie ook Wezeman 2004, p. 86, 87 en 97. Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme 2-11* 2009, nr. 448 noemen dit ook een integrale benadering, waarbij zonder ernstig verwijt er geen onbehoorlijke taakvervulling is en dus ook geen aansprakelijkheid. Zie ook voetnoot 19.
Kenbaar uit HR 10 januari 1997, NJ1997, 360; JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven), r.o. 19.
Zie HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360; JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven), r.o. 3.3.1.
Zie ook Assink/Olden 2005, p. 9, Assink 2005a, p. 406-408.
Een zelfde soort formulering wordt gebruikt in Hof Leeuwarden, 30 januari 2008, JOR 2008/89 (Roodhof/Bolcma), r.o. 20.
Kenbaar uit HR 11 juni 1999, NJ 1999, 586; JOR 1999, 146 (Van Dooren/H.), r.o. Hof 4.5.1 en 4.5.2.
Zie HR 10 december 1999, NJ2000, 6; JOR 2000/11 (Prickartz), r.o. 3.2, HR 29 november 2002, NJ 2003, 455; JOR 2003/3 (Schwandt/Berghuizer Papierfabriek), r.o. 3.4.5, HR 4 april 2003, NJ 2003, 538; JOR 2003/134 (Skipper Club Charter), r.o. 3.5, HR 2 maart 2007, NJ 2007, 240; JOR 2007/137 (Holding Nutsbedrijf Westland), r.o. 3.4.4, HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21; JOR 2008/260 (NOM/Willemsen), r.o. 5.3.
HR 29 november 2002, NJ 2003, 455; JOR 2003/3 (Schwandt/Berghuizer Papierfabriek), r.o. 3.4.5.
In de MvA bij art. 47c WvK (oud) — de voorloper van het huidige art. 2:9 BW — wordt reeds als voorbeeld aangehaald dat bij overtreding van een statutaire bepaling de eiser moet bewijzen dat de bepaling is overtreden en: 'De bestuurder zal dan moeten bewijzen, dat hem geen blaam treft.' Zie Belinfante 1929, p. 326.
Van Dam 2000, p. 248 meent dat het gebruik van het woord verwijt onduidelijkheid schept en dient te worden vermeden.
Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 446.
Huizink 2005, art. 9-7 en Huizink 1997, p. 334.
Assink 2007, p. 613-614.
Zie Assink 2008c, par. 4 en 5, die de indruk heeft dat het erom gaat of de bestuurder zich heeft gedragen op een schuldig ondermaatse wijze van een zekere ernst en dat de Hoge Raad met het begrip ernstig verwijt niet exclusief het oog heeft op het element toerekening. Zie ook o.a. Assink 2010, p. 48 over de onduidelijkheid rond het begrip ernstig verwijt.
In deze zin: Assink 2007, p. 613-614, Assink 2008c en Assink 2009b, par. 4.1B.Huizink 2005, art. 9-22
Zie to. 3.3.1. In deze zin ook Van den Ingh 1999, par. 2.
Zoals hierna in par. Hoofdstuk 4, par. 4.3 zal worden besproken is uit het Staleman/Van de Ven-arrest af te leiden dat de Hoge Raad taakverdeling (of werkkring) niet als een constitutief vereiste voor aansprakelijkheid beschouwt.
In dezelfde zin Maeijer 1997.
Hetzelfde kan gezegd worden van de in het Schwandt/Berghuizer Papierfabriek-arrest genoemde (objectieve) wetenschap van de bestuurder, zie HR 29 november 2002, NJ 2003, 455; JOR 2003/3 (Schwandt/Berghuizer Papierfabriek), r.o. 3.4.5.
In de Staleman/van de Ven-zaak waren twee bestuurders gedagvaard.
Dit is vergelijkbaar met het criterium dat Van Dam 1989, p. 183-195, bij art. 6:162 BW voorstaat voor wat betreft de elementen onrechtmatigheid en toerekening.
In de jurisprudentie is af te leiden dat voor art. 2:9 BW een geïntegreerde aanpak wordt gevolgd.1 Dit blijkt uit de wijze waarop het in de jurisprudentie ontwikkelde — (nog) niet in de tekst van art. 2:9 BW voorkomende — criterium van ernstig verwijt wordt toegepast. De eerste zaak waarin de Hoge Raad dit criterium aanlegde was Staleman/Van de Ven. Het Hof Den Bosch had in die zaak als maatstaf aangelegd dat aan de directie in beginsel een "ernstig verwijt van onbehoorlijke taakvervulling" kon worden gemaakt en dat de twee directeuren in beginsel aansprakelijk waren voor schade, door het bedrijf geleden als gevolg van die onbehoorlijke taakvervulling.2 Het ernstig verwijt werd door het Hof dus gekoppeld aan de onbehoorlijke taakvervulling en niet in de sleutel van de disculpatiegrond geplaatst. De Hoge Raad overwoog dat in dit verband de juiste maatstaf is: "[...] voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW [is] vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt."3 De Hoge Raad overwoog voorts in Staleman/Van de Ven dat het oordeel of er in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.
De Hoge Raad concludeerde dat in de overwegingen van het Hof ligt besloten dat het Hof van de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf is uitgegaan. Dat is opmerkelijk, omdat enerzijds de Hoge Raad in zijn overweging het ernstig verwijt niet expliciet laat slaan op het begrip onbehoorlijke
taakvervulling, maar op de aansprakelijkheid — waarin ook een oordeel over de disculpatiegronden besloten kan liggen —, terwijl anderzijds uit het arrest volgt dat de door het Hof geformuleerde overweging — "ernstig verwijt van onbehoorlijke taakvervulling" — juist is.4
Latere rechtspraak heeft op dat punt niet meer helderheid gebracht. Zo overwoog het Hof 's-Hertogenbosch in het Van Dooren q.q./H.-arrest eerst: "De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het algemeen een tekortkoming pas tot aansprakelijkheid zal leiden als hem een ernstig verwijt als bestuurder kan worden gemaakt."5 (onderstr. toegev.) Vervolgens concludeert het Hof dat de bestuurder weliswaar zijn taak niet naar behoren heeft verricht, maar dat het handelen niet als een onbehoorlijke taakvervulling kan worden aangemerkt, aangezien hem onder die omstandigheden geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.6 De Hoge Raad bekrachtigt de beslissing, waarbij hij het ernstig verwijt wederom plaatst in het kader van de (bredere) vraag of de bestuurder op grond van art. 2:9 BW aansprakelijk is. Dat blijft de Hoge Raad consistent doen in latere arresten7 Ook in het Schwandt/Berghuizer Papierfabriek-arrest wordt de in het Staleman/Van de Ven-arrest geformuleerde mantra herhaald:
"De omstandigheid dat gehandeld is in stnjd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, moet in dit verband als een zwaarwegende omstandigheid worden aangemerkt, die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt. Indien de aldus aangesproken bestuurder echter feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het gewraakte handelen in stnjd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert, dient de rechter deze feiten en omstandigheden uitdrukkelijk in zijn oordeel te betrekken."8 (onderstr. toegev.)9
Uit deze jurisprudentie volgt echter niet klip en klaar of de toets van het ernstig verwijt inhoud geeft aan de begrippen behoorlijke taakvervulling en tekortkoming, •5f dat het criterium invulling geeft aan de disculpatiegrond dat een en ander "niet aan hem is te wijten".
Op het eerste gezicht roepen de bewoordingen van de frases ernstig verwijt en ernstige verwijtbaarheid — anders dan bijvoorbeeld de frase ernstige fout het meest een associatie op met een schuldbegrip en toerekenbaarheid.10 Maeijer is van mening dat uit de systematiek van art. 2:9 BW volgt dat wanneer bij aanwezigheid van meer bestuurders een (onmiskenbare) tekortkoming (ernstige verwijtbaarheid) is komen vast te staan, deze aan alle bestuurders moet worden toegerekend, tenzij een individuele bestuurder aantoont dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van de tekortkoming af te wenden.11 Huizink is van mening dat de normstelling van ernstig verwijt in het Staleman/Van de Ven-arrest in zekere zin de disculpatiegronden in de tweede zin van art. 2:9 BW kan absorberen.12 Assink acht het denkbaar dat in de redenering van de Hoge Raad een ernstig verwijtbare handelwijze leidt tot onbehoorlijke taakvervulling en dat dus de normschendingsvraag zich verpakt in het criterium van ernstig verwijt;13 dat het een samengestelde maatstaf betreft die zich niet beperkt tot de toerekeningsvraag.14
Uit de gebruikte niet-limitatieve catalogus van omstandigheden die relevant worden geacht bij de beoordeling van het ernstig verwijt in het StalemanNan de Ven-arrest kan een dergelijke geïntegreerde aanpak worden afgeleid.15 Deze catalogus bevat een aantal omstandigheden die betrekking hebben op (de behoorlijkheid van) de taakuitoefening. Ik doel dan op de genoemde aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de eventuele voor het bestuur geldende richtlijnen en de zorgvuldigheid die mag worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.
Daarnaast bevat de catalogus omstandigheden die betrekking hebben op disculpatiegronden aan de kant van de individuele bestuurder.16 Tot die laatste
categorie hoort in ieder geval de door de Hoge Raad genoemde omstandigheid taakverdeling binnen het bestuur. De taakverdeling is immers in de systematiek van de Hoge Raad voor de vaststelling of er sprake is van een tekortkoming in de behoorlijke taakuitoefening door het bestuur (als collectief) niet relevant.17 Het speelt slechts een rol bij een gevoerd disculpatieverweer door een individuele bestuurder, waarbij de taakverdeling een rol kan spelen in de onderbouwing dat de tekortkoming in de behoorlijke taakuitoefening niet aan hem is te wijten.18
Een omstandigheid in de Staleman/Van de Ven-catalogus die relevant kan zijn voor de vraag of een tekortkoming in de behoorlijke taakvervulling kan worden toegerekend aan een individuele bestuurder is bijvoorbeeld ook "de gegevens waarover de bestuurder beschikte ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen".19 Een aanwijzing in dit arrest dat het bij deze omstandigheid inderdaad gaat om de positie van de individuele bestuurder, en dus disculpatie, zou kunnen zijn dat de Hoge Raad in r.o. 3.3.1 bij deze omstandigheid spreekt over "de bestuurder" in plaats van "het bestuur" (als collectief).20
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad over art. 2:9 BW lijkt een criterium te volgen waarin alle omstandigheden van het geval — met betrekking tot zowel de daad als de dader — worden samengevoegd: zowel de gedragsnorm als de toerekeningsmaastaf worden via het ernstig verwijt geïntegreerd en toegesneden op ieder concreet geval.21 Het zou zowel de ernst van het gedrag, als de verwijtbaarheid daarvan indiceren. Er lijkt geen sprake te zijn van toepassing van een toetsingskader waarin een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen gedragsnorm en toerekenbaarheid.
Op deze plaats past ook een opmerking over de wijze waarop het partijdebat in de in deze paragraaf aangehaalde zaken zich heeft ontwikkeld. Allereerst is in deze zaken door de procespartij en zelf geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen gedragsnorm en toerekenbaarheid en is het juridische karakter van het begrip ernstig verwijt niet ter discussie gesteld. Aldus is deze materie nog nooit expliciet ter beoordeling aan de Hoge Raad voorgelegd. In de tweede plaats was in de meeste zaken slechts één bestuurder gedagvaard. In het enkele geval dat meer dan één bestuurder werd aangesproken, is mij niet gebleken dat individuele bestuurders zelfstandige disculpatieverweren hebben gevoerd. De toetsing van een individueel — van het collectief afwijkend — disculpatieverweer is in deze zaken derhalve niet aan de Hoge Raad voorgelegd.