Zie ARRvS 13 maart 1986, AB 1987, 65, m.nt. J.E. Doek; zie voorts J.E. Doek, ‘Afschrift op drift’, FJR 1987, p. 46-58 en 86-96
Rb. Rotterdam, 05-02-2024, nr. C/10/219467 / J2 RK 04-611, nr. C/10/242164/ J2 RK 05-714, nr. C/10/263740 / J2 RK 06-655, nr. C/10/287870 / J2 RK 07-866, nr. C/10/311612 / J2 RK 08-1006, nr. C/10/316199 / F2 RK 08-2557
ECLI:NL:RBROT:2024:1916
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
05-02-2024
- Zaaknummer
C/10/219467 / J2 RK 04-611
C/10/242164/ J2 RK 05-714
C/10/263740 / J2 RK 06-655
C/10/287870 / J2 RK 07-866
C/10/311612 / J2 RK 08-1006
C/10/316199 / F2 RK 08-2557
- Vakgebied(en)
Privacy (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2024:1916, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 05‑02‑2024; (Beschikking)
Prejudiciële vraag aan: ECLI:NL:HR:2025:723
ECLI:NL:RBROT:2023:12965, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 04‑10‑2023; (Beschikking)
- Vindplaatsen
PFR-Updates.nl 2024-0062
GZR-Updates.nl 2024-0063
Uitspraak 05‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Vervolg op beschikking 4 oktober 2023 [ECLI:NL:RBROT:2023:12965]. Prejudiciële vragen. Verzoeker, inmiddels meerderjarig, heeft vragen over zijn verleden en verzoekt de rechtbank om een afschrift van alle stukken uit de dossiers met betrekking tot de procedures die over hem hebben plaatsgevonden toen hij minderjarig was. De rechtbank verzoekt de Hoge Raad o.a. A. Is er een (rechtstreekse) wettelijke basis voor inzage/afschrift van stukken uit een dossier (anders dan vonnissen, arresten en beschikkingen) na afloop van een procedure? Zo nee, kan een van de genoemde artikelen al dan niet analoog worden toegepast? B. Als er een wettelijke basis is – al dan niet naar analogie – voor inzage/afschrift van dossierstukken na afloop van een procedure, hebben verzoekers die tijdens de procedure weliswaar belanghebbend waren, maar niet processueel bekwaam, dan ook recht op inzage/afgifte?
Partij(en)
Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd
Zaaksgegevens:C/10/219467 / J2 RK 04-611
C/10/242164/ J2 RK 05-714
C/10/263740 / J2 RK 06-655
C/10/287870 / J2 RK 07-866
C/10/311612 / J2 RK 08-1006
C/10/316199 / F2 RK 08-2557
Datum uitspraak: 5 februari 2024
Beschikking
in vervolg op de beschikking van 4 oktober 2023 en de mondelinge behandeling van
22 december 2023 naar aanleiding van het op 6 januari 2023 ingekomen verzoek van:
[verzoeker01] , roepnaam [roepnaam verzoeker01] ,
voorheen genaamd
[voormalige naam verzoeker01] , hierna te noemen [roepnaam verzoeker01] ,
wonende te [woonplaats01] .
De rechtbank kan in de huidige stand van zaken niet bepalen wie tot de kring van belanghebbenden horen.
1 Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
- -
de beschikking van 4 oktober 2023 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 december 2023.
2 Het verzoek
[roepnaam verzoeker01] heeft zijn verzoek in zijn e-mailbericht van 6 januari 2023 als volgt onderbouwd:
“ Graag zou ik alle dossiers thuis gestuurd willen hebben omdat ik nog elke dag vecht tegen mijn verleden. Ik kan aan niemand vragen: "Wat is er gebeurd?" "Hoe zit het?". Dat doet mij elke dag veel verdriet en pijn. Ik wil het door het lezen van alle dossiers van vroeger een plek geven. ”
De rechtbank heeft het verzoek vooralsnog opgevat als gebaseerd op art. 290 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
3 De verdere beoordeling
3.1.
[roepnaam verzoeker01] heeft zijn verzoek van 6 januari 2023 tijdens de mondelinge behandeling van 22 december 2023 als volgt nader onderbouwd. [roepnaam verzoeker01] woont al heel lang bij zijn pleegouders; hij heeft de achternaam van zijn pleegvader aangenomen en heeft in 2021 zijn voornamen laten wijzigen. De (biologische) ouders van [roepnaam verzoeker01] hebben samen in totaal vijf kinderen; [roepnaam verzoeker01] en zijn twee zussen en twee broers. De ouders van [roepnaam verzoeker01] zijn in 2009 ontzet uit het ouderlijk gezag over hem.
3.2.
[roepnaam verzoeker01] wil zoveel mogelijk te weten komen over zijn achtergrond. Hij beschikt niet over stukken uit het verleden. Hij weet niet wat er destijds is gebeurd. Hij kan dat aan niemand vragen. Hij zou graag willen weten wat er is gebeurd waardoor hij in zijn huidige situatie is terechtgekomen. [roepnaam verzoeker01] zou zijn verzoek niet hebben gedaan als zijn ouders hem iets hadden verteld, maar dat hebben ze niet gedaan. Het blijft door zijn hoofd spoken.
3.3.
[roepnaam verzoeker01] heeft toegelicht dat hij geen contact meer heeft met zijn moeder. Hij heeft nu wel weer contact met zijn vader, maar die wil hem niets vertellen. [roepnaam verzoeker01] heeft geprobeerd informatie over het verleden van zijn vader te krijgen, maar hij heeft nu de hoop opgegeven dat zijn vader hem ooit iets zal vertellen.
3.4.
[roepnaam verzoeker01] heeft diverse (half)broers en -zussen. Hij heeft alleen nog contact met een zus. Af en toe ziet hij twee van zijn broers voorbij komen, maar hij spreekt ze niet.
3.5.
[roepnaam verzoeker01] heeft de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond om inzage in zijn dossiers gevraagd. Deze instelling heeft hem naar de rechtbank verwezen.
3.6.
[roepnaam verzoeker01] heeft in het verleden wel enige informatie van zijn psychiater gekregen. Dit was enkel mondeling; hij mocht geen stukken inzien.
3.7.
Namens [roepnaam verzoeker01] heeft zijn pleegvader tijdens de mondelinge behandeling aangevuld dat [roepnaam verzoeker01] identiteit (nog) in ontwikkeling is. Omdat hij amper wat weet van vroeger is het moeilijk voor hem om relaties aan te gaan; hij weet zo weinig over zichzelf. De psychiater van [roepnaam verzoeker01] helpt hem stapjes op weg, maar [roepnaam verzoeker01] blijft met de vraag zitten wie hij nou eigenlijk is. Niemand kan hem dat vertellen. [roepnaam verzoeker01] heeft trauma’s die zich wellicht goed laten verklaren door het verleden. Er moet rust in zijn leven komen en daarvoor behoort hij meer te weten over zijn verleden, zo vindt de pleegvader.
3.8.
De rechtbank is van oordeel dat [roepnaam verzoeker01] (met hulp van zijn pleegvader) zijn belang bij inzage/afgifte van stukken uit de dossiers duidelijk heeft onderbouwd. Voor zijn identiteitsontwikkeling en verwerking van trauma’s is het belangrijk dat hij zoveel mogelijk informatie krijgt over zijn verleden. Hij is zoekende naar wie hij is en heeft voor zijn geestelijk welzijn hierover rust en duidelijkheid nodig.
3.9.
Vorenstaande leidt ertoe dat de prejudiciële vragen zoals verwoord in de beschikking van 4 oktober 2023 onverkort relevant blijven voor het beoordelen van het verzoek van [roepnaam verzoeker01] .
3.10.
[roepnaam verzoeker01] kan zich verenigen met het voornemen van de rechtbank om de in de beschikking van 4 oktober 2023 vermelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen.
3.11.
Nu [roepnaam verzoeker01] zich niet verzet tegen het stellen van de in de beschikking van 4 oktober 2023 geformuleerde vragen, zal de rechtbank de na te melden prejudiciële vragen aan de Hoge Raad stellen. De griffier zal worden opgedragen het procesdossier aan de Hoge Raad te zenden, gelijktijdig met de beschikking van 4 oktober 2023, het proces-verbaal van 22 december 2023 en deze beschikking.
3.12.
Na beantwoording van de vragen door de Hoge Raad, zullen [roepnaam verzoeker01] en eventuele, afhankelijk van de reactie van de Hoge Raad nog nader bekend te worden, belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren. In afwachting daarvan wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
4 Beslissing
4.1.
De rechtbank:
stelt de volgende vragen aan de Hoge Raad:
- A.
Is er een (rechtstreekse) wettelijke basis voor inzage/afschrift van stukken uit een dossier (anders dan vonnissen, arresten en beschikkingen) na afloop van een procedure? Zo nee, kan een van de voornoemde artikelen al dan niet analoog worden toegepast?
- B.
Indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, kan een van de in het lichaam van de uitspraak van 4 oktober 2023 genoemde artikelen in dat geval dan analoog worden toegepast?
- C.
Als er een wettelijke basis is – al dan niet naar analogie – voor inzage/afschrift van dossierstukken na afloop van een procedure, hebben minderjarigen die tijdens de procedure weliswaar belanghebbend waren, maar niet processueel bekwaam vanwege hun minderjarigheid, dan ook recht op inzage/afgifte zodra ze meerderjarig zijn geworden?
- D.
Heeft een recht op inzage van een belanghebbende na afloop van een procedure betrekking op alle informatie uit het dossier of moet bepaalde informatie worden verwijderd, zoals informatie die betrekking heeft op ouders of andere gezinsleden zoals broers en zussen?
- E.
Is het doel van de aanvraag nog van belang (bijvoorbeeld voor een verwerkingsproces of voor het doen van een schadevergoedingsverzoek)?
- F.
Moet wellicht onderscheid gemaakt worden tussen procedures die de destijds minderjarige zelf betroffen (bijvoorbeeld de ondertoezichtstelling) en procedures die tussen de ouders onderling dan wel tussen (een van) hen en de jeugdzorginstantie werden gevoerd?
- G.
Dient bij de beoordeling van verzoeken tot inzage eventueel een parallel te worden getrokken met artikel 5.1, tweede lid, onderdeel e, en vijfde lid,WOO? En, zo ja, op welke wijze?
- H.
In hoeverre speelt art. 8 EVRM bij de beoordeling van verzoeken tot inzage eenrol?
4.2.
verzoekt de griffier de procesdossiers aan de Hoge Raad te zenden;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2024 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot als griffier. | ||
Uitspraak 04‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële vragen. Verzoeker, inmiddels meerderjarig, heeft vragen over zijn verleden en verzoekt de rechtbank om een afschrift van alle stukken uit de dossiers met betrekking tot de procedures die over hem hebben plaatsgevonden toen hij minderjarig was. De rechtbank verzoekt de Hoge Raad o.a. A. Is er een (rechtstreekse) wettelijke basis voor inzage/afschrift van stukken uit een dossier (anders dan vonnissen, arresten en beschikkingen) na afloop van een procedure? Zo nee, kan een van de genoemde artikelen al dan niet analoog worden toegepast? B. Als er een wettelijke basis is – al dan niet naar analogie – voor inzage/afschrift van dossierstukken na afloop van een procedure, hebben verzoekers die tijdens de procedure weliswaar belanghebbend waren, maar niet processueel bekwaam, dan ook recht op inzage/afgifte? Zie ook ECLI:NL:RBROT:2024:1916
Partij(en)
Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd
Zaaksgegevens:C/10/219467 / J2 RK 04-611
C/10/242164/ J2 RK 05-714
C/10/263740 / J2 RK 06-655
C/10/287870 / J2 RK 07-866
C/10/311612 / J2 RK 08-1006
C/10/316199 / F2 RK 08-2557
Datum uitspraak: 4 oktober 2023
Beschikking
in de zaak naar aanleiding van het op 6 januari 2023 ingekomen verzoek van:
[verzoeker01] , roepnaam [roepnaam verzoeker01] ,
voorheen genaamd
[voormalige naam verzoeker01] , hierna te noemen [roepnaam verzoeker01] ,
wonende te [woonplaats01] .
De rechtbank kan in de huidige stand van zaken niet bepalen wie tot de kring van belanghebbenden horen.
1 Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het e-mailbericht van [roepnaam verzoeker01] van 6 januari 2023.
2 Het verzoek
[roepnaam verzoeker01] heeft zijn verzoek – zakelijk weergegeven – als volgt onderbouwd:
“ Graag zou ik alle dossiers thuis gestuurd willen hebben omdat ik nog elke dag vecht tegen mijn verleden. Ik kan aan niemand vragen: "Wat is er gebeurd?" "Hoe zit het?". Dat doet mij elke dag veel verdriet en pijn. Ik wil het door het lezen van alle dossiers van vroeger een plek geven. ”
De rechtbank vat het verzoek vooralsnog op als gebaseerd op art. 290 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
3 Beoordeling
Het juridisch kader en de onduidelijkheden in de rechtspraktijk
3.1
Geregeld komen bij gerechten verzoeken binnen tot inzage/afgifte van
dossierstukken van (reeds lang) afgeronde civiele (jeugd)procedures, maar ook van afgeronde procedures die betrekking hebben op ouderlijk gezag en/of een contactregeling (hierna gezamenlijk: familie- en jeugdprocedures). De verzoekers betreffen niet zelden jeugdigen die, als zij meerderjarig zijn geworden, het dossier willen inzien om hun moverende redenen zoals bijvoorbeeld voor traumaverwerking of in zijn algemeenheid voor het verkrijgen van informatie over het eigen verleden. Die informatie kan ook nodig zijn voor verzoeken tot schadevergoeding of andere vormen van compensatie
3.2
De stukken die worden verzocht kunnen zich ook (deels) bevinden bij de Raad
voor de Kinderbescherming of gecertificeerde instelling (of hun rechtsvoorganger) die belast was met de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Als de betrokkene zich tot (een van) hen wendt dan kan bijvoorbeeld een beroep gedaan worden op de Wet Open Overheid1.(WOO). Ook de Wet bescherming persoonsgegevens levert de mogelijkheid op informatie te verkrijgen over bij voornoemde instanties geregistreerde gegevens.2.De kans is echter reëel dat die instanties niet beschikken over het gehele procesdossier. Bovendien moet voorkomen worden dat betrokkenen ‘van het kastje naar de muur’ worden gestuurd. Voor zover de opgevraagde stukken zich nog in het gerechtsarchief bevinden en er een wettelijke basis is voor dit verzoek, ligt het daarom in de rede verzoeken tot inzage/afgifte van dossierstukken na een afgeronde familie- en/of jeugdprocedure in behandeling te nemen. Er zijn echter vragen over de wettelijke basis voor deze verzoeken en er is op dit moment nog geen eenduidige werkwijze binnen de gerechten voor dit soort procedures.
3.3
Het recht op inzage/afschrift wordt, voor zover in dit kader relevant, in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering genoemd in de volgende artikelen:
Art. 29 Rv
Dit artikel ziet op de verstrekking van afschriften van vonnissen, arresten en beschikkingen en lijkt geen grondslag te bieden om andere stukken uit een dossier te verstrekken.
Art. 290 Rv
Dit artikel ziet op inzage en afschrift van het verzoekschrift, de verweerschriften, de op de zaak betrekking hebbende bescheiden en de processen-verbaal. Het artikel lijkt, blijkens de toelichting3., met name betrekking te hebben op lopende procedures.
Art. 811 Rv
Art. 290 Rv wordt in dit artikel geconcretiseerd voor zaken betreffende minderjarigen. Belanghebbende bij het recht op inzage en afschrift van stukken van de Raad voor de kinderbescherming of de officier van justitie dan wel andere (door de rechter benoemde) deskundigen zijn:
- a.
de verzoekers;
- b.
de ouders en voogden;
- c.
degenen die de minderjarige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden en die uit dien hoofde een nauwe persoonlijke betrekking met het kind hebben;
- d.
e minderjarige van 12 jaar en ouder, tenzij de rechter is gebleken dat hij niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
Art. 843a Rv
Op basis van dit artikel kunnen, onder voorwaarden, bepaalde bescheiden worden ingezien/afgegeven. Het inzagerecht kan bijvoorbeeld uitgeoefend worden om informatie te verkrijgen in verband met (voorgenomen) onderhandelingen of bewijslevering in een lopende of mogelijke procedure.
3.4
Op welke wijze inzage/afgifte plaatsvindt en hoe (privacy)belangen van alle belanghebbenden hierbij dienen te worden afgewogen in het familie- en jeugdrecht, is op dit moment onderwerp van gesprek in de rechtspraak.4.Er zijn met name twee juridische vraagpunten waar men mee worstelt. Dat zijn:
A. Is er een (rechtstreekse) wettelijke basis voor inzage/afschrift van stukken uit een dossier (anders dan vonnissen, arresten en beschikkingen) na afloop van een procedure? Zo nee, kan een van de voornoemde artikelen al dan niet analoog worden toegepast?
Als er een wettelijke basis is – al dan niet naar analogie – voor inzage/afschrift van dossierstukken na afloop van een procedure, hebben verzoekers die tijdens de procedure weliswaar belanghebbend waren, maar niet processueel bekwaam, dan ook recht op inzage/afgifte?
Punt B behoeft nadere toelichting en noopt tot deelvragen.
Daargelaten de juridische basis voor een verzoek tot inzage/afschrift van dossierstukken na afloop van een procedure, lijken niemands rechten te worden geschonden als naderhand inzage/afschrift wordt verstrekt van stukken aan partijen die tijdens de procedure ook al belanghebbend (procespartij) waren. Zij konden immers al over deze stukken beschikken, maar zijn deze wellicht kwijtgeraakt. Dat ligt mogelijk anders voor personen die tijdens de procedure minderjarig waren. Zij waren juridisch wel belanghebbend, maar processueel onbekwaam vanwege hun minderjarigheid.5.Mogen zij van een gerecht – zodra zij meerderjarig zijn geworden – wel de beschikking krijgen over informatie die bijvoorbeeld ziet op een ander gezinslid, zoals broertjes en zusjes, of zou die informatie verwijderd moeten worden? Het risico bestaat dan echter wel dat teveel wezenlijke informatie wordt verwijderd omdat de informatie in overwegende mate vervlochten is in de stukken.En is het doel van de aanvraag daarbij nog van belang (bijvoorbeeld voor een verwerkingsproces of voor het doen van een schadevergoedingsverzoek)?
Verder moet wellicht onderscheid gemaakt worden tussen procedures die de destijds minderjarige zelf betroffen (bijvoorbeeld de ondertoezichtstelling) en procedures die tussen de ouders onderling dan wel tussen (een van) hen en de jeugdzorginstantie werden gevoerd.
3.5
Ten slotte is het de vraag of bij de beoordeling van bedoelde verzoeken eventueel een
parallel kan worden getrokken met artikel 5.1, tweede lid, onderdeel e, en vijfde lid, WOO (ook genoemd in art. 811 Rv) op grond waarvan inzage en afschrift van stukken van de Raad, officier van justitie of deskundigen kan worden geweigerd voor zover het belang van kennisname niet opweegt tegen:
– de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
– het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen, rechtspersonen of derden.
In dit kader is het verder interessant in hoeverre de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over afstamming kunnen worden betrokken.6.In veel van deze uitspraken staat het recht op informatie over de eigen (biologische) afstamming centraal. Dat is een fundamenteel recht dat wordt beschermd door onder meer art. 8 EVRM, als onderdeel van het recht op bescherming van het privéleven. De mogelijkheid om informatie te verkrijgen over de eigen afstamming is van belang voor het vormen en ontwikkelen van een eigen identiteit en persoonlijkheid. Het belang bij bescherming van dit recht wordt niet minder, maar neemt veeleer toe naarmate een persoon ouder wordt.7.Degene die daar een direct belang (vital interest) bij heeft, kan aan art. 8, eerste lid, EVRM een aanspraak op kennisneming van informatie ontlenen. Dit recht is ook van toepassing op in het verleden aangelegde gegevensverzamelingen. Een dergelijk inzagerecht kan evenwel, op basis van het tweede lid van dit grondrecht, worden beperkt op grond van het algemeen belang of ter bescherming van de rechten van derden.8.Dan zouden de visies van andere belanghebbenden wellicht ook betrokken moeten worden.
Aanleiding tot prejudiciële vragen
3.6
Gelet op de hiervoor omschreven onduidelijkheden zal de rechtbank op de voet van art. 392 e.v. Rv de Hoge Raad de hierna genoemde prejudiciële vragen stellen. Antwoord op deze vragen is zonder meer vereist om op het verzoek van [roepnaam verzoeker01] , die in de onderhavige zaak ter beoordeling voorligt, te kunnen beslissen. Daarnaast is het antwoord op alle vragen rechtstreeks van belang voor de beslissing in talrijke andere soortgelijke zaken.
3.7
De vragen:
- 1.
Is er een (rechtstreekse) wettelijke basis voor inzage/afschrift van stukken uit een dossier (anders dan vonnissen, arresten en beschikkingen) na afloop van een procedure?
- 2.
Indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, kan een van de in het lichaam van deze uitspraak genoemde artikelen in dat geval dan analoog worden toegepast?
a. Als er een wettelijke basis is – al dan niet naar analogie – voor inzage/afschrift van dossierstukken na afloop van een procedure, hebben minderjarigen die tijdens de procedure weliswaar belanghebbend waren, maar niet processueel bekwaam vanwege hun minderjarigheid, dan ook recht op inzage/afgifte zodra zij meerderjarig zijn geworden?
b. Heeft een recht op inzage van een belanghebbende na afloop van een procedure betrekking op alle informatie uit het dossier of moet bepaalde informatie worden verwijderd, zoals informatie die betrekking heeft op ouders of andere gezinsleden zoals broers en zussen?
c. Is het doel van de aanvraag nog van belang (bijvoorbeeld voor een verwerkingsproces of voor het doen van een schadevergoedingsverzoek)?
d. Moet wellicht onderscheid gemaakt worden tussen procedures die de destijds minderjarige zelf betroffen (bijvoorbeeld de ondertoezichtstelling) en procedures die tussen de ouders onderling dan wel tussen (een van) hen en de jeugdzorginstantie werden gevoerd?
e. Dient bij de beoordeling van verzoeken tot inzage eventueel een parallel te worden getrokken met artikel 5.1, tweede lid, onderdeel e, en vijfde lid,WOO? En, zo ja, op welke wijze?
f. In hoeverre speelt art. 8 EVRM bij de beoordeling van verzoeken tot inzage een rol?
3.8
Conform het bepaalde in art. 392, tweede lid, Rv, zal de rechtbank, alvorens de vragen te stellen, [roepnaam verzoeker01] in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het voornemen om de vragen te stellen, alsmede over de inhoud van de te stellen vragen.
3.9
De rechtbank zal iedere verdere beslissing in deze zaak aanhouden.
4 Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat [roepnaam verzoeker01] zich tot uiterlijk 18 oktober 2023 (schriftelijk) kan uitlatenover het voornemen van de rechtbank om ex art. 392 Rv prejudiciële vragen aan deHoge Raad te stellen en over de inhoud van de aan de Hoge Raad te stellenrechtsvragen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2023 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot als griffier. | ||
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑10‑2023
Zie hierover ook B.E.S. Chin-A-Fat, Groene Serie Personen- en familierecht, aantekening 1 bij art. 811 Rv, Kluwer, Commentaar bijgewerkt tot 1 januari 2017.
Zie onder meer E.L. Schaafsma-Beversluis, Groene Serie Personen- en familierecht, aantekening 4 bij art. 290 Rv, Kluwer, Commentaar bijgewerkt tot 27 september 2013.
Met name binnen de expertgroep jeugdrechters, een landelijk overlegorgaan van jeugdrechters en raadsheren belast met de behandeling van jeugdzaken heeft men zich hierover de afgelopen tijd gebogen.
Zie over de procespositie van minderjarigen in civiele jeugdzaken ook Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3535. Voor minderjarigen van twaalf jaar en ouder geldt overigens al enige tijd dat aan hen op grond van het procesreglement civiel jeugdrecht een eigen kopie van het verzoekschrift met alle bijlagen wordt verstrekt (zie art. 2.2 van genoemd procesreglement).
Zie in dit verband onder meer EHRM 7 juli 1989 NJ 1991 nr. 659 (Gaskin), EHRM 7 februari 2002, nr. 53176/99 (Mikulić/Kroatië), EHRM 13 februari 2003, nr. 42326/98 (Odièvre/Frankrijk)
Zie hierover ook Hoge Raad 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:349
EHRM 7 juli 1989 NJ 1991 nr. 659 (Gaskin)