Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/9.5.3
9.5.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584865:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 491; Faber 2005, nr. 24 e.v., in het bijzonder nr. 27.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 491; Vander Grinten 1993a, p. 27; Kortmann 1994a, p. 223-224; Asser/Kortmann 5-III 1994, nr. 168; Faber 2005, nr. 28.
Zie Faber 2005, nr. 28.
Zie Faber 2005, nr. 28, die verdedigt dat T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 491 ook op deze wijze dient te worden begrepen. Vgl. hiervóór nr. 24 over de aard van het derdenbeslag.
Zie Kamerstukken II 1993-1994, 23 706, nr. 3, p. 33: 'Noch een vordering van de bank op de notaris zelf, noch een vordering op een individuele rechthebbende betreft immers een schuldenaar die tevens de schuldeiser van de vordering uit de rekening is.'
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 491; M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p.129-130;Asser/ Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 139; Faber 2005, nr. 24, 29 en 31. Vgl. ook hiervóór nr. 68, 484, 580 en 582 met betrekking tot de inningsbevoegdheid van en de betaling aan deelgenoten. Zie met betrekking tot art. 6:15 lid 3 BW en art. 6:16 BW, Faber 2005, nr. 31.
Zie nader Faber 2005, nr. 443.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 130; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 139; Faber 2005, nr. 29.
Zie Faber 2005, nr. 29, met betrekking tot een gevolmachtigde deelgenoot; en Kortmann 1994a, p. 223 met betrekking tot een (privatieve) last.
Zie Faber 2005, nr. 69.
Hetgeen in de regel het geval is, zie hiervóór nr. 68 en 70.
Zie Faber 2005, nr. 70 en 443. Onder verwijzing naar HR 24 december 1931, NJ 1932, p. 979 e.v. (Van Meeteren/Plantenga q.q.), m.nt. EMM, maakt Faber een uitzondering voor het geval dat de pandgever op zijn vordering jegens zijn wederpartij een openbaar pandrecht vestigt ten gunste van die wederpartij tot zekerheid van een of meer vorderingen van de wederpartij op hem. Een andere uitzondering is art. 24 Fw (als de boedel door de verrekening is gebaat).
Zie Kortmann 1994a, p. 223; Asser/Kortmann S-Ill 1994, nr. 168; Faber 2005, nr. 71.
Zie Kortmann 1994a, p. 223; Faber 2005, nr. 71.
Zie nader Faber 2005, nr. 120, met verdere literatuur- en jurisprudentieverwijzingen.
Zie Kortmann 1994a, p. 223.
Zie Kortmann 1994a, p. 223; Faber 2005, nr. 71.
Zie Kortmann 1994a, p. 223; Faber 2005, nr. 71.
540. Als de stille cedent inningsbevoegd blijft ten aanzien van de stil gecedeerde vordering, is het de vraag of, en zo ja, in hoeverre hij ten eigen behoeve een beroep verrekening kan doen. Het is voorts de vraag of, en zo ja, in hoeverre hij ten behoeve van de stille cessionaris een beroep op verrekening kan doen.
Art. 6:127 BW vereist voor verrekening dat de bij de verrekening betrokken partijen over en weer elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn. Een inningsbevoegde derde mag derhalve niet een eigen schuld verrekenen met andermans vordering, ook niet als hij met uitsluiting van de schuldeiser in eigen naam inningsbevoegd is.1 Dit geldt ook als de inningsbevoegde derde, zoals een pandhouder of een beslaglegger, bevoegd is om zich op het geïnde te verhalen. De lasthebber die in eigen naam de vordering van de lastgever int, al dan niet krachtens een privatieve last, is evenmin bevoegd tot verrekening met een eigen schuld aan de schuldenaar.2 Hetzelfde geldt voor de inningsbevoegde pandhouder en vruchtgebruiker. De vruchtgebruiker kan wel de rentevordering, die op grond van het recht van vruchtgebruik aan hem toekomt als burgerlijke vrucht van de vordering (art. 3:9 jo 3:216 BW), met een eigen schuld verrekenen.3 Ook de beslaglegger kan een eigen schuld niet met de beslagen vordering verrekenen, omdat hij andermans vordering int. Dit is anders in het geval dat de beslaglegger ex art. 477a lid 1 Rv een eigen schadevergoedingsvordering op de derde-beslagene verkrijgt. In dat geval is voldaan is aan het vereiste van wederkerig schuldeiserschap.4 Ook verrekening tussen de rekeninghouder van een kwaliteitsrekening van de vordering jegens de bank waarbij de kwaliteitsrekening wordt aangehouden en een schuld jegens de bank is blijkens de parlementaire geschiedenis bij art. 25 Wn niet mogelijk.5 Ook de deelgenoten van een gemeenschappelijke vordering zijn alleen bevoegd tot verrekening als zowel de vordering als de schuld zich in de gemeenschap bevinden. Verrekening van een schuld van een of meer, maar niet alle deelgenoten met de gemeenschappelijke vordering of omgekeerd is niet mogelijk.6
De derde is in beginsel evenmin bevoegd om ten behoeve van de schuldeiser van de desbetreffende vordering de vordering te verrekenen met een schuld van de schuldeiser. Dat is anders in het geval dat de derde zowel ten aanzien van andermans vordering, als ten aanzien van andermans schuld bevoegd is (vgl. art. 6:127 lid 2 BW) en beide verbintenissen zich in hetzelfde vermogen bevinden (art. 6:127 lid 3 BW). De curator, de vereffenaar en de executeur zijn bevoegd ten aanzien van een vermogen (het faillissementsvermogen respectievelijk de nalatenschap), en kunnen om die reden krachtens hun beheersbevoegdheid ook bevoegd zijn tot verrekening, als dit dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering. Daarvan zal in faillissement in beginsel alleen sprake zijn bij de verrekening van boedelschulden. De curator dient er bovendien op bedacht te zijn dat door de verrekening een wijziging in de rangorde tussen de (boedel)schuldeisers onderling kan optreden.7
Bevindt zowel de vordering als de schuld zich in de gemeenschap, dan is de beheersbevoegde derde (art. 3:168 BW) bevoegd tot verrekening als de verrekening dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering, hetgeen in de regel het geval zal zijn.8 De volmachtgever of de lasthebber die bevoegd is tot verrekening kan ook aan de volmachtgever of de lasthebber de bevoegdheid tot verrekening toekennen.9 De verrekeningsbevoegde derde kan zich, omdat hij andermans recht uitoefent, beroepen op een tussen de schuldeiser en schuldenaar overeengekomen verrekeningsbeding.
541. De schuldeiser is beginsel alleen tot verrekening bevoegd, indien hij naast de inningsbevoegde derde zelfstandig inningsbevoegd is gebleven. Als hij zich op verrekening beroept, dient hij op grond van art. 6:127 lid 2 BW immers bevoegd te zijn tot het afdwingen van de betaling van zijn vordering. De schuldeiser die niet inningsbevoegd is, dient zich niet de verschuldigde betaling door middel van verrekening te kunnen verschaffen.10 Is een derde met uitsluiting van de schuldeiser bevoegd tot inning,11 dan is de schuldeiser derhalve niet bevoegd tot verrekening. De schuldeiser kan geen beroep doen op art. 6:130 lid 2 BW. Deze bepaling is alleen voor de schuldenaar geschreven. Hieruit volgt dat de openbaar pandgever, de hoofdgerechtigde, de gefailleerde,12 de erfgenamen van een nalatenschap waarbij een vereffenaar of een executeur is aangesteld en de gezamenlijke belanghebbenden bij een kwaliteitsrekening niet bevoegd tot verrekening zijn. Hetzelfde geldt voor de schuldeiser die een privatieve last tot inning heeft gegeven (art. 7:423 BW).13 Heeft de schuldeiser een volmacht of een last tot inning in eigen naam gegeven die niet privatief is, dan blijft hij (de volmachtgever I lastgever) inningsbevoegd, en derhalve ook verrekeningsbevoegd.14
Op grond van een verrekeningbeding kunnen de schuldenaar en de schuldeiser ook anders overeenkomen. Zij kunnen bijvoorbeeld overeenkomen dat een schuld van de inningsbevoegde derde verrekend mag worden met de vordering van de schuldeiser, of dat een schuld van een deelgenoot verrekend mag worden met de gemeenschappelijke vordering, of omgekeerd.15
542. Na de stille cessie is de stille cedent in beginsel niet meer bevoegd om de stil te cederen vordering te verrekenen met een schuld aan de schuldenaar, omdat niet meer voldaan aan het vereiste dat de betrokken partijen over en weer elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn (zie hiervoor). Dit geldt blijkens het voorgaande ook als de derde de vordering krachtens privatieve last in eigen naam int. De stille cessionaris kan wel aan de stille cedent een last in eigen naam tot verrekening verlenen.16 De stille cessionaris dient daarvoor zelf bevoegd tot verrekening te zijn. Is met de schuldenaar van de stil gecedeerde vordering voor de stille cessie een verrekeningbeding overeengekomen ten aanzien van de vordering die stil is gecedeerd, op grond waarvan de nieuwe schuldeiser bevoegd is om de vordering te verrekenen met een schuld van de oude schuldeiser, dan gaat dit verrekeningbeding als nevenrecht met de vordering over. De stille cessionaris kan ten aanzien van de uitoefening van dit beding aan de stille cedent een last verlenen.
Is de stille cedent krachtens een privatieve last (art. 7:423 BW) inningsbevoegd, dan is de stille cessionaris als lastgever niet bevoegd tot inning en is hij om die reden niet bevoegd tot verrekening.17 Hij zal de privatieve last eerst dienen te beëindigen voordat hij bevoegd is om te verrekenen. Is sprake van een niet-privatieve last tot inning in eigen naam, dan blijft de stille cessionaris (de lastgever) naast de stille cedent bevoegd tot inning en ook bevoegd tot verrekening.18 Zoals hiervoor opgemerkt zal in een dergelijke, door de stille cessionaris uitgebrachte verrekeningsverklaring mededeling van de stille cessie besloten liggen.