HR 24 juni 2003, LJN: AF7985, NJ 2004, 165, m.nt. Reijntjes; HR 23 oktober 2007, LJN: BA5851, NJ 2008, 69.
HR, 08-10-2013, nr. 11/01500
ECLI:NL:HR:2013:890
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-10-2013
- Zaaknummer
11/01500
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:890, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 08‑10‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:894, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:894, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 20‑08‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:890, Gevolgd
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2013-0387
Uitspraak 08‑10‑2013
Inhoudsindicatie
Economische zaak. Vervolg op ECLI:NL:HR:2013:3 waarin om een aanvullende conclusie is gevraagd. Slagende bewijsklacht m.b.t. het opzet.
Partij(en)
8 oktober 2013
Strafkamer
nr. S 11/01500 E
IF/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, van 11 maart 2011, nummer 22/005022-09, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.
1. Geding in cassatie
1.1.
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J. van Dam, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
1.2.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:3, geoordeeld dat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden en dat de Advocaat-Generaal in de gelegenheid behoort te worden gesteld zich uit te laten over de overige middelen.
1.3.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
2. Bewezenverklaring en bewijsvoering
2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 28 juli 2008 te Rotterdam, opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, met name heeft hij toen aldaar (ten behoeve van vervoer) een vervoermiddel, te weten de in de 2e Petroleumhaven afgemeerd liggende tankduwbak, (type N.2.2), genaamd "[A]", met benzine (klasse 3, UN 1203) beladen, althans doen en/of laten beladen, terwijl het navolgende voorschrift van bijlage 1 van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (ADNR) niet in acht werd genomen, immers werd in strijd met voorschrift 7.2.4.25.5 van het ADNR de bij het laden naar buiten tredende gasmengsels niet via een leiding naar de wal afgevoerd, terwijl dit ingevolge voorschrift 3.2 Tabel C, kolom 7 werd vereist, aangezien genoemde gasmengsels, via de onderzijde van de tankdeksels van de tank 3 aan bakboordzijde en tanks 1 en 3 en 5 en 7 aan stuurboordzijde, naar buiten traden en de vrije atmosfeer instroomden."
2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Het proces-verbaal van overtreding d.d. 22 augustus 2008 van de Politie Rotterdam-Rijnmond met nummer 2008257872-1, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
Als relaas van deze opsporingsambtenaren:
Op 28 juli 2008 surveilleerden wij op de kade van olieraffinaderij Shell, gelegen aan de 2e Petroleumhaven te Rotterdam. Wij zagen aldaar dat aan laadplaats 4 van de Shell een tankduwbak lag gemeerd, genaamd: [A], scheepsnummer [0001], van het type N.2.2. Deze tankduwbak vormde samen met de duwboot [B] een duwstel. Wij zagen verder dat de tankduwbak [A] middels een laad- c.q. losleiding was verbonden met de walinstallatie van de Shell. Tevens zagen wij, dat de gasterugvoerleiding van de wal gemonteerd was op de gasverzamelleiding van de [A]. Vervolgens zagen wij dat de [A] een blauwe kegel als sein voerde zoals omschreven in voorschriftnummer 7.2.5.0.1 van het VBG/ADNR. Tevens zagen wij dat een man, vermoedelijk een opvarende, aan dek bezig was. Wij zagen dat deze man af en toe aan een afsluiter draaide. Vermoedelijk werd de [A] beladen met een gevaarlijke stof. Wij gingen vervolgens op grond van de Wet op de economische delicten ter opsporing aan boord van genoemd schip. De aanwijzing bestaat dat de regelgeving krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen over het water in het havengebied van Rotterdam niet voldoende wordt nageleefd. Aan dek van de [A] spraken wij een man, die ons verklaarde de stuurman te zijn. Verder verklaarde hij dat de [A] beladen werd met 2050 ton benzine, zijnde een brandbare vloeistof van de klasse 3, classificatiecode F1, verpakkingsgroep II en voorzien van het stofnummer UN 1202. Wij merken hierbij op dat voor deze lading benzine blijkens kolom 7 van tabel C van de lijst van gevaarlijke goederen in tankschepen van het VBG/ADNR een gesloten schip wordt vereist. Kolom 7 geeft bij de uitvoering van de ladingtank het nummer: 2. In de toelichting op Tabel C (voorschriftnummer 3.2.3) staat onder kolom 7 achter 2: ladingtank, gesloten. Dit betekent dat de bij het laden naar buiten tredende gas/luchtmengsels via een leiding naar de wal worden afgevoerd (via de gasterugvoerleiding). Aan dek van de [A] roken wij verbalisanten een sterkte benzinelucht. Wij hoorden en voelden dat via de onderzijde van de tankdeksels van de tank 3 aan bakboordzijde en de tanks 1, 3, 5 en 7 aan stuurboordzijde de bij het laden ontstane gassen naar buiten traden en de vrije atmosfeer instroomden. Deze gassen werden hierdoor niet via de gasterugvoerleiding naar de wal afgevoerd. Nadat de stuurman de knevels van genoemde deksels had aangedraaid, hoorden en voelden wij dat het naar buiten treden van deze gassen ophield. Vervolgens gingen wij naar de duwboot [B] en spraken aldaar een man, die ons verklaarde de schipper te zijn. Hij gaf ons op te zijn genaamd: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats], [a-straat 1].
Als verklaring van de verdachte:
Ik ben schipper van de duweenheid, bestaand uit de duwboot [B] en de daaraan gekoppelde tankduwbak [A]. Momenteel wordt de [A] beladen met 2050 ton benzine.
2. Het aanvullend proces-verbaal d.d. 24 maart 2009 van de Politie Rotterdam-Rijnmond met nummer 2008257872-2, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
als relaas van deze opsporingsambtenaren:
Abusievelijk hebben wij verbalisanten in het proces-verbaal voorzien van het nummer 2008257872-1 vermeld het stofnummer UN 1202. De juiste vermelding moet echter zijn stofnummer UN 1203."
2.3.
Het Hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:
"Anders dan de raadsman acht het hof, gelet op de verklaring van de verdachte, bewezen dat deze vanaf de aan de [A] gekoppelde [B] toezicht hield op de belading met benzine. Door controle op de deksels na te laten heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het gasterugvoersysteem niet gesloten was."
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring wat betreft het opzet van de verdachte onvoldoende met redenen is omkleed.
3.2.
Aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte de daarin omschreven handelingen opzettelijk heeft verricht, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.3.
De klacht is gegrond.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het derde en het vierde middel geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, Economische Kamer, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 8 oktober 2013.
Conclusie 20‑08‑2013
Inhoudsindicatie
Economische zaak. Vervolg op ECLI:NL:HR:2013:3 waarin om een aanvullende conclusie is gevraagd. Slagende bewijsklacht m.b.t. het opzet.
Nr. 11/01500 E
Mr. Machielse
Zitting 20 augustus 2013
Aanvullende conclusie inzake:
[verdachte]
1. De economische kamer van het gerechtshof ‘s-Gravenhage heeft verdachte op 11 maart 2011 wegens “Opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen” veroordeeld tot een geldboete van € 1.200, te vervangen door 22 dagen hechtenis.
2. Mr. R.F. Thunnissen, advocaat te ’s-Gravenhage, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel, heeft een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.
3. Op 16 april 2013 heb ik een conclusie genomen in deze zaak waarin ik concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest omdat naar mijn oordeel het eerste voorgestelde middel doel trof. De overige klachten in de schriftuur heb ik toen niet besproken. Op 25 juni 2013 heeft de Hoge Raad evenwel beslist dat het eerste middel tevergeefs is voorgesteld en is de zaak naar de rolzitting verwezen, opdat ik mij kan uitlaten over de overige voorgestelde middelen.
4.1 Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld, althans dat het oordeel dat er van opzet sprake was onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Dat er wel opzet was zou niet blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen. Evenmin is er een bewijsmiddel waaruit kan blijken dat verdachte toezicht hield of heeft nagelaten de deksels te controleren, hetgeen toch feiten zijn waarvan het hof is uitgegaan.
4.2 Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 28 juli 2008 te Rotterdam, opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, met name heeft hij toen aldaar (ten behoeve van vervoer) een vervoermiddel, te weten de in de 2e Petroleumhaven afgemeerd liggende tankduwbak, (type N.2.2), genaamd “[A]”, met benzine (klasse 3, UN 1203) beladen, althans doen en/of laten beladen, terwijl het navolgende voorschrift van bijlage 1 van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (ADNR) niet in acht werd genomen, immers werd in strijd met voorschrift 7.2.4.25.5 van het ADNR de bij het laden naar buiten tredende gasmengsels niet via een leiding naar de wal afgevoerd, terwijl dit ingevolge voorschrift 3.2 Tabel C, kolom 7 werd vereist, aangezien genoemde gasmengsels, via de onderzijde van de tankdeksels van de tank 3 aan bakboordzijde en tanks 1 en 3 en 5 en 7 aan stuurboordzijde, naar buiten traden en de vrije atmosfeer instroomden.”
4.3 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van overtreding d.d. 22 augustus 2008 van de Politie Rotterdam-Rijnmond met nummer 2008257872-1, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
Als relaas van deze opsporingsambtenaren:
Op 28 juli 2008 surveilleerden wij op de kade van olieraffinaderij Shell, gelegen aan de 2e Petroleumhaven te Rotterdam. Wij zagen aldaar dat aan laadplaats 4 van de Shell een tankduwbak lag gemeerd, genaamd: [A], scheepsnummer [0001], van het type N.2.2. Deze tankduwbak vormde samen met de duwboot [B] een duwstel. Wij zagen verder dat de tankduwbak [A] middels een laad- c.q. losleiding was verbonden met de walinstallatie van de Shell. Tevens zagen wij, dat de gasterugvoerleiding van de wal gemonteerd was op de gasverzamelleiding van de [A]. Vervolgens zagen wij dat de [A] een blauwe kegel als sein voerde zoals omschreven in voorschriftnummer 7.2.5.0.1 van het VBG/ADNR. Tevens zagen wij dat een man, vermoedelijk een opvarende, aan dek bezig was. Wij zagen dat deze man af en toe aan een afsluiter draaide. Vermoedelijk werd de [A] beladen met een gevaarlijke stof. Wij gingen vervolgens op grond van de Wet op de economische delicten ter opsporing aan boord van genoemd schip. De aanwijzing bestaat dat de regelgeving krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen over het water in het havengebied van Rotterdam niet voldoende wordt nageleefd. Aan dek van de [A] spraken wij een man, die ons verklaarde de stuurman te zijn. Verder verklaarde hij dat de [A] beladen werd met 2050 ton benzine, zijnde een brandbare vloeistof van de klasse 3, classificatiecode F1, verpakkingsgroep II en voorzien van het stofnummer UN 1202. Wij merken hierbij op dat voor deze lading benzine blijkens kolom 7 van tabel C van de lijst van gevaarlijke goederen in tankschepen van het VBG/ADNR een gesloten schip wordt vereist. Kolom 7 geeft bij de uitvoering van de ladingtank het nummer: 2. In de toelichting op Tabel C (voorschriftnummer 3.2.3) staat onder kolom 7 achter 2: ladingtank, gesloten. Dit betekent dat de bij het laden naar buiten tredende gas/luchtmengsels via een leiding naar de wal worden afgevoerd (via de gasterugvoerleiding). Aan dek van de [A] roken wij verbalisanten een sterkte benzinelucht. Wij hoorden en voelden dat via de onderzijde van de tankdeksels van de tank 3 aan bakboordzijde en de tanks 1, 3, 5 en 7 aan stuurboordzijde de bij het laden ontstane gassen naar buiten traden en de vrije atmosfeer instroomden. Deze gassen werden hierdoor niet via de gasterugvoerleiding naar de wal afgevoerd. Nadat de stuurman de knevels van genoemde deksels had aangedraaid, hoorden en voelden wij dat het naar buiten treden van deze gassen ophield. Vervolgens gingen wij naar de duwboot [B] en spraken aldaar een man, die ons verklaarde de schipper te zijn. Hij gaf ons op te zijn genaamd: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats], [a-straat 1].
Als verklaring van de verdachte:
Ik ben schipper van de duweenheid, bestaand uit de duwboot [B] en de daaraan gekoppelde tankduwbak [A]. Momenteel wordt de [A] beladen met 2050 ton benzine.
2. Het aanvullend proces-verbaal d.d. 24 maart 2009 van de Politie Rotterdam-Rijnmond met nummer 2008257872-2, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
als relaas van deze opsporingsambtenaren:
Abusievelijk hebben wij verbalisanten in het proces-verbaal voorzien van het nummer 2008257872-1 vermeld het stofnummer UN 1202. De juiste vermelding moet echter zijn stofnummer UN 1203.”
4.4 Het hof heeft in het verkort arrest ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:
“De raadsman heeft - verkort en zakelijk weergegeven - bepleit dat het bewijs voor de betreffende overtreding in het procesdossier ontbreekt, aangezien uit de bevindingen van de verbalisanten geen causaal verband tussen het naar buiten treden van de gassen en het laden van de benzine blijkt. De raadsman heeft in dit kader tevens gesteld dat de gasmengsels ook zonder het laden naar buiten zouden zijn getreden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De ratio van voorschrift 7.2.4.25.5 van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen, namelijk het bevorderen van de openbare veiligheid, brengt mee dat schade of hinder te allen tijde dient te worden voorkomen. In concreto houdt veiligheidsvoorschrift 7.2.4.25.5 het gebod in dat "de", dat wil zeggen alle, bij het laden naar buiten tredende gas- en of luchtmengsels via een leiding naar de wal worden afgevoerd. Dit brengt naar het oordeel van het hof mee dat alle tankdeksels tijdens het laden van gevaarlijke stoffen goed afgesloten moeten zijn, een en ander ter preventie van de uitstroom van gasmengsels afkomstig van gevaarlijke stoffen naar de vrije atmosfeer.
Blijkens het proces-verbaal van overtreding d.d. 22 augustus 2008 werd de [A] op het moment dat de verbalisanten aan boord waren, beladen met benzine en hoorden en voelden zij dat gassen via een vijftal tankdeksels naar buiten traden en dat dit stopte zodra de knevels van de deksels waren aangedraaid. Reeds hieruit volgt de gelijktijdigheid van het laden en het naar buiten treden van de ontstane gasmengsels, zodat sprake is van bij het laden naar buiten tredende gasmengsels. Het verweer dat de gasmengsels ook zonder het laden naar buiten zouden zijn getreden, wat daar ook van zij, doet hieraan niet af.
De raadsman heeft voorts gesteld dat geen sprake is van daderschap van de verdachte, aangezien ten tijde van het tenlastegelegde op het dek van de tankduwbak [A] enkel de stuurman aanwezig was en niet de verdachte zelf, die zich immers op dat moment als schipper op de duwboot bevond. Volgens de raadsman is evenmin sprake van een kwaliteitsdelict op grond waarvan de verdachte in diens kwaliteit als schipper moet worden aangemerkt als dader. Ten slotte heeft de raadsman bepleit dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de delictshandeling, ook niet in voorwaardelijke zin.
Niet aannemelijk is geworden dat de schipper vanaf de duwboot geen toezicht hield op het laden van de duwbak [A]. Het hof stelt voorts vast dat voorschrift 7.2.4.25.5 van het ADNR zich weliswaar tot een ieder richt, doch dat naleving van een dergelijk voorschrift, gelet op de functionele en onderlinge verhoudingen, veeleer tot de verantwoordelijkheid van de schipper dan tot die van de stuurman behoort. Door voorafgaande aan het beladen van de [A] met benzine na te laten zich ervan te vergewissen dat alle tankdeksels afdoende waren afgesloten, heeft de verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans aanvaard dat niet aan dat voorschrift werd voldaan. Hierbij acht het hof nog van belang dat blijkens het proces-verbaal van overtreding bij vijf van de veertien tanks sprake was van in onvoldoende mate geknevelde tankdeksels.
De verweren worden derhalve verworpen.”
4.5 In de aanvulling op het verkort arrest heeft het hof nog een overweging gewijd aan de opzet van verdachte:
“Anders dan de raadsman acht het hof, gelet op de verklaring van de verdachte, bewezen dat deze vanaf de aan de [A] gekoppelde [B] toezicht hield op de belading met benzine. Door controle op de deksels na te laten heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het gasterugvoersysteem niet gesloten was.”
4.6 Ingeval de rechter zich in een bewijsoverweging beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens die hij redengevend acht voor de bewezenverklaring, dient hij met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging
( a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en
( b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.1.
4.7 In aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaring van verdachte, niets inhouden omtrent de door het hof redengevend geachte omstandigheden dat verdachte toezicht hield op de belading met benzine en heeft nagelaten daaraan voorafgaand de deksels te controleren, en dat het hof niet het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan die omstandigheden zijn ontleend, nog daargelaten de vraag of deze omstandigheden zonder meer de als aanmerkelijk aan te duiden kans met zich brengen dat de gasdeksels niet gesloten waren en dat verdachte deze kans willens en wetens heeft aanvaard, acht ik de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
4.8 Het middel slaagt.
5.1 De derde in de schriftuur geformuleerde klacht houdt in dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is van daderschap van verdachte. Het vierde middel borduurt verder op hetzelfde thema. In de toelichting op beide middelen wordt teruggegrepen naar hetgeen in het kader van het tweede middel is aangevoerd. Beide middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
De steller van de schriftuur wijst erop dat verdachte zich aan boord van de boot [B] bevond terwijl de stuurman zich aan dek van de duwbak [A] ophield. Hoe verdachte toezicht hield op hetgeen op de duwbak gebeurde, maakt het hof niet duidelijk. Evenmin geeft het hof aan hoe de functionele en onderlinge verhoudingen tussen verdachte en de stuurman of anderen aan boord het hof tot het oordeel leiden dat verdachte als dader moet worden gezien. Zo kan volgens de steller van het middel niet zomaar worden aangenomen dat verdachte dergelijke praktijken placht te aanvaarden.
5.2 Volgens artikel 1a van de Wet op de economische delicten is overtreding van onder meer het gestelde bij of krachtens de artikelen 4 en 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen een economisch delict. Dat was ook op de tenlastegelegde datum, 28 juli 2008, het geval. Artikel 2, eerste lid aanhef en onder d van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen verklaart deze wet van toepassing op het ten behoeve van het vervoer beladen van een vervoermiddel met gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn volgens artikel 1, eerste lid aanhef onder b sub 1 ontplofbare stoffen en sub 3 brandbare vloeistoffen. Het beladen van aangewezen vervoermiddelen met aangewezen gevaarlijke stoffen kan ingevolge artikel 3 van de Wet worden verboden of aan regels worden gebonden. Het in strijd handelen met zo een verbod of met die nadere regels is volgens de artikelen 4 en 5 verboden. Artikel 6 van de Wet geeft aan waar die nadere regels betrekking op kunnen hebben. Deze regels kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op eisen in verband met het beladen van gevaarlijke stoffen. Die nadere regels zijn onder meer gesteld in het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen.2.Artikel 1 van dit Besluit luidde op 28 juli 2008 aldus:
“In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Wet vervoer gevaarlijke stoffen;
b. ADR: Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route;
c. ADNR: Règlement pour le transport des matières dangereuses sur le Rhin;
d. RID: Règlement concernant le transport international ferroviaire des marchandises dangereuses;
e. ontplofbare stoffen en voorwerpen: ontplofbare stoffen en voorwerpen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, 1°, van de wet.”
Dit Besluit delegeert de bevoegdheid om nadere regels te stellen weer door aan de Minister. De ministeriële Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen3.wijst op haar beurt weer naar nadere voorschriften, vervat in de bijlagen bij de Regeling. Artikel 2 van de Regeling luidde op 28 juli 2008, voorzover relevant, aldus:
“Bij deze regeling behoren vier bijlagen:
1. Bij deze regeling behoren de volgende bijlagen:
a. bijlage 1: voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Nederlandse binnenwateren, zijnde de Nederlandse vertaling van het ADNR en de daarvan deel uitmakende bijlagen”.
5.3 De Stoffenlijst 1 (Deel 3 Tabel A) bij het ADNR kwalificeert benzine als een gevaarlijke stof met UN-nummer 1203 van Klasse 3 en Classificatiecode F1. Vervoer van benzine is toegelaten. Tabel C van Deel 3 van het ADNR schrijft voor benzine vervoer per tankschip voor. Gewone benzine als motorbrandstof kon vervoerd worden met een tankschip van het type N, het type dat gereserveerd is voor de normale tankschepen. Benzine met meer dan 10% benzeen diende te worden vervoerd met een tankschip van het type C. Dit type is geschikt voor het vervoeren van gevaarlijke vloeistof en is dubbelwandig. Tabel C van Deel 3 schrijft voor dat benzine moet worden vervoerd in een gesloten (ladingtanktoestand) en geïntegreerde (ladingtanktype) ladingtank. Alleen benzine met meer dan 10% benzeen en met een kookpunt dat lager of gelijk is aan 60 °C moet worden vervoerd in een onafhankelijke druktank. In ieder geval dient het vervoer van benzine te geschieden in gesloten ladingtanks.
5.4 Deel 7 van het ADNR geeft voorschriften onder meer voor het laden. Onderdeel 7.2 heeft betrekking op tankschepen. Artikel 7.2.4.25.5 van het ADNR heeft de volgende inhoud:
“De bij het laden naar buiten tredende gas/luchtmengsels moeten via een leiding naar de wal worden afgevoerd voorzover in 3.2, Tabel C, Kolom 7 een gesloten schip wordt vereist.”
Aanvullende voorschriften voor het laden, vervoeren, lossen en de overige behandeling van de lading zijn te vinden in onderdeel 7.2.4. Artikel 7.2.4.10 heeft betrekking op de zogenaamde controlelijst. Het eerste lid van dat artikel luidt als volgt:
“Met het laden en lossen mag niet worden begonnen, zolang niet een Controlelijst, die betrekking heeft op de betreffende lading, is ingevuld en de vragen 1 t/m 18 in de Controlelijst ter bevestiging met “X” zijn aangekruist. Niet van toepassing zijnde vragen moeten worden doorgehaald. De lijst moet in tweevoud worden ingevuld en zowel door de schipper of door de door hem met de verantwoording belaste persoon aan boord als door de voor de overslag verantwoordelijke persoon van de walinstallatie worden ondertekend. Indien niet alle van toepassing zijnde vragen met “JA” kunnen worden beantwoord, is de overslag slechts met toestemming van de plaatselijk bevoegde autoriteit toegestaan.”
Onderdeel 8.6.3 van het ADNR geeft een model voor deze controlelijst. Zowel op het schip als op de walinstallatie moet worden gecontroleerd of alle kleppen en afsluiters in de juiste stand staan (vraag 14).
5.5 Het hof heeft een soort functionele verantwoordelijkheid voor de schipper aangenomen. Het enkele feit dat iemand de hoedanigheid van schipper van een samenstel bezit, wil nog niet zeggen dat deze persoon altijd verantwoordelijk is voor de belading van de duwbak. Zo een automatisme wordt al weersproken door de mogelijkheid die voorschrift 7.2.4.10.1 ADNR biedt. Niets wijst erop dat verdachte het beladen terwijl de deksels nog niet waren gesloten heeft aanvaard of placht te aanvaarden. Het lijkt er zelfs op alsof de schipper de stuurman met de verantwoording voor de controle op de duwbak heeft belast. Het had natuurlijk voor de hand gelegen als de verdediging zich had beroepen op een dergelijke overdracht maar dat wil niet zeggen dat het ontbreken van zo een verklaring automatisch leidt tot aansprakelijkheid van de schipper, nu niet blijkt dat het hof heeft vastgesteld of aan de voorwaarden voor het aannemen van functioneel daderschap is voldaan.4.
5.6 Beide middelen lijken mij gegrond te zijn.
6. Ambtshalve merk ik op dat thans reeds meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep en derhalve sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Als de Hoge Raad de strekking van deze conclusie volgt, zal hij daaraan evenwel niet zelf consequenties behoeven te verbinden maar kan hij dat overlaten aan de rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Gravenhage teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑08‑2013
Besluit van 5 juni 1996, Stb. 1996, 297.
Regeling van 16 december 1998, Stcrt. 1998, 247.
HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378 m.nt. B.V.A.R. (IJzerdraad).