G.J.M. Corstens, Het Nederlands Strafprocesrecht, 7e druk, p. 787 en 788.
HR, 18-09-2012, nr. 10/05114 J
ECLI:NL:HR:2012:BX4693
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
18-09-2012
- Zaaknummer
10/05114 J
- Conclusie
Mr. Hofstee
- LJN
BX4693
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑09‑2012
ECLI:NL:PHR:2012:BX4693, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 18‑09‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4693
ECLI:NL:HR:2012:BX4693, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 18‑09‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX4693
- Wetingang
art. 410 Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
NJ 2012/671 met annotatie van T.M.C.J. Schalken
NbSr 2012/329
Beroepschrift 18‑09‑2012
CASSATIESCHRIFTUUR
Aan de Hoge Raad der Nederlanden:
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te Arnhem van 20 oktober 2010, waarbij het gerechtshof in de zaak tegen de verdachte:
[rekwirant],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
(destijds) wonende te [postcode] [woonplaats], [adres],
het openbaar ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.
Rekwirant kan zich met deze uitspraak en de motivering daarvan niet verenigen.
Cassatiemiddel
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in artikel 79, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, waarbij in het bijzonder zijn (is) geschonden: artikel 410 en/of artikel 416 en/of artikel 422 en/of artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering,
aangezien het oordeel van het gerechtshof, dat geen sprake is van een schriftuur houdende grieven als bedoeld in het eerste lid van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering, berust op een onjuiste rechtsopvatting, hetgeen meebrengt dat het gerechtshof het openbaar ministerie ten onrechte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Toelichting
1.
Op 29 maart 2010 heeft de officier van justitie in het arrondissement Zutphen mevrouw mr. C.J.P.M. Groen — van den Wildenberg hoger beroep ingesteld tegen het onder parketnummer 06-460367-09 tegen bovengenoemde verdachte gewezen vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Zutphen van 16 maart 2010.
2.
Eveneens op 29 maart 2010 heeft genoemde officier van justitie een ‘SCHRIFTUUR HOGER BEROEP ex art. 410 Sv.’ ingediend. Die schriftuur houdt het volgende in:
‘Bij vonnis van 16 maart 2010 heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde diefstal met geweld in vereniging gepleegd en veroordeeld voor de —na weglating van de strafverzwarende omstandigheden ‘geweld’ en ‘tezamen en in vereniging met een ander’ overblijvende— diefstal van een aantal goederen.
De rechtbank heeft daartoe overwogen dat op grond van de verklaringen in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet geconcludeerd kan worden dat het gewelddadige handelen van verdachte gericht was op de wegneming van enig goed.
Evenmin is de rechtbank van oordeel dat de diefstal van de bankpas, de reispas en het rijbewijs wettig en overtuigend bewezen is, nu onvoldoende is vast te stellen dat verdachte op het moment dat hij deze spullen aanpakte van getuige [getuige 1], het oogmerk had om zich deze spullen wederrechtelijk toe te eigenen.
Wel is de rechtbank van oordeel dat de diefstal van een leren jas en T-shirt wettig en overtuigend bewezen is. Verdachte had ten aanzien van die goederen wel het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
De officier van justitie is van mening dat —na wijziging van de tenlastelegging in die zin dat een subsidiair feit wordt toegevoegd inhoudende eenvoudige mishandeling in vereniging gepleegd en/of diefstal en/of verduistering— de bewijsmiddelen die in deze zaak voorhanden zijn, dienen te leiden tot een andere conclusie dan vrijspraak.
Immers de lezing van aangever [Aangever] over de gebeurtenissen op 21 september 2009 wordt grotendeels ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Op grond van die verklaringen in combinatie met de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] kan geconcludeerd worden dat er een vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen verdachten en aangever. Verdachten hebben de confrontatie gezocht met aangever en gezamenlijk het tenlastegelegde geweld tegen aangever gebruikt, waardoor/waarbij aangever uiteindelijk een aantal goederen heeft verloren. Die goederen worden vervolgens door verdachte meegenomen. Dat verdachte op het moment van het aanpakken uit de handen van getuige [getuige 1] van de bankpas, de reispas en het rijbewijs wellicht niet onmiddellijk doorhad om welke goederen het ging, doet niet af aan het feit dat hij —toen hij wel doorhad dat het spullen van aangever betrof— er toen kennelijk voor koos om deze onder zich te houden.
Aldus kan een (andere) bewezenverklaring volgen. De officier van justitie acht, gelet op aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name zijn strafblad en persoonlijkheidsproblematiek, een hogere straf dan door de rechtbank opgelegd passend en geboden.
Tegen de achtergrond van het voorgaande kan het vonnis van de rechtbank geen stand houden.
Met CONCLUSIE, dat het Gerechtshof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende in hoger beroep, het (gewijzigde) tenlastegelegde alsnog bewezen zal verklaren, de feiten en de verdachte strafbaar zal achten en aan de verdachte een straf zal opleggen die het gerechtshof passend voorkomt.’
3.
Het gerechtshof heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende overwogen:
‘De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in het hoger beroep. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat openbaar ministerie blijkens de appelschriftuur appel heeft ingesteld, niet omdat de rechtbank op basis van de tenlastelegging onjuist zou hebben geoordeeld, maar omdat het openbaar ministerie een eigen fout wil herstellen. Hiermee is niet voldaan aan de eisen van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof oordeelt als volgt.
De door de officier van justitie ingediende appelschriftuur bevat naar het oordeel van het hof geen stellige en duidelijke klacht waarin concrete bezwaren tegen (een onderdeel van het) vonnis van de rechtbank worden opgegeven. Er is derhalve geen sprake van een schriftuur houdende grieven als bedoeld in het eerste lid van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorts heeft het openbaar ministerie ook niet ter terechtzitting in hoger beroep mondeling de bezwaren tegen het vonnis opgegeven, Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. Daarom zal het openbaar ministerie niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.’
4.1.
Ingevolge artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering dient een appèlschriftuur de grieven tegen het vonnis in eerste aanleg te bevatten. Nadere materiële eisen waaraan die schriftuur dient te voldoen, worden in die bepaling niet gesteld.
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 5 oktober 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastlegging (stroomlijnen hoger beroep), Stb. 2006, 470, heeft de Wet geen wijziging willen aanbrengen in de mogelijkheid van het openbaar ministerie om in hoger beroep een wijziging van de tenlastelegging te vorderen. Rekwirant licht deze stelling als volgt toe.
4.2.
Tijdens de behandeling van het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastlegging (stroomlijnen hoger beroep) (30320) heeft het toenmalige kamerlid Wolfsen (PvdA) het volgende opgemerkt (Handelingen II 22 maart 2006 p.61-3956):
‘Mijn vraag betreft de wijziging van de tenlastelegging. Het OM mag in hoger beroep de tenlastelegging wijzigen. Ik ben het daar zeer mee eens, maar ik vraag mij wel af hoe het inperken van de discussie in hoger beroep — die loopt als het ware in een trechter — zich verhoudt met de mogelijkheden om de tenlastelegging vrij royaal te wijzigen in appèl. Is erover nagedacht dat, als het OM de tenlastelegging royaal wijzigt, de discussie in appèl daar onnodig door bemoeilijkt kan worden? Wellicht wordt de verdachte daarmee zelfs een instantie ontnomen, omdat er in appèl op een (ingrijpend) gewijzigde tenlastelegging recht wordt gesproken. Misschien zegt de minister dat hier al goed over is nagedacht en dat het probleem zich niet voordoet. Toen ik het wetsvoorstel las, kwam dat echter wel bij mij op.’
4.3.
De toenmalige Minister van Justitie antwoordde hierop als volgt (Handelingen II 22 maart 2006 p.61-3959):
‘De heer Wolfsen had ook nog een vraag, waarvan het antwoord ligt besloten in mijn schets van het voorstel. Het is geen grievenstelsel in strikte zin. Het Openbaar Ministerie moet grieven indienen voor het beroep, maar dat laat onverlet dat het de tenlastelegging kan wijzigen tijdens de behandeling van het beroep. Die wijziging wordt vervolgens meegenomen in het onderzoek van de rechter. In het systeem dat het kabinet nu voorstelt, werken de grieven niet als een keurslijf voor de behandeling van het beroep. In die zin is het anders dan bij de rechtspraak van de Raad van State en in de bestuursrechtspraak, want daar is de basis voor de behandeling van het beroep gelegen in de bezwaren die zijn ingediend. Mede vooruitlopend op wat wij straks aan de orde krijgen, namelijk de vragen bij de grieven, gaat het niet om strikt juridisch omschreven grieven. Dat heb ik proberen aan te geven in de stukken.’
4.4.
De toenmalige Minister van Justitie Donner heeft in zijn memorie van antwoord aan de Eerste Kamer met betrekking tot genoemd wetsvoorstel onder meer het volgende opgemerkt (Eerste Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 320, nr. C, pp.2–3):
‘De leden van de PvdA-fractie vragen of het feit dat in het voorgestelde verlofstelsel de verdachte bij het formuleren van de redenen voor het instellen van hoger beroep nog geen rekening kan houden met een eventueel door het openbaar ministerie in hoger beroep te vorderen wijziging van de tenlastelegging, een doorbreking inhoudt van het beginsel van de ‘equality of arms’. Dit is niet het geval. Het voorgestelde verlofstelsel brengt geen wijziging in de mogelijkheid van het OM om in hoger beroep een wijziging van de tenlastelegging te vorderen noch in de mogelijkheid van de verdachte om zich over die vordering uit te laten en, indien de vordering wordt toegewezen, zich tegen de gewijzigde tenlastelegging te verdedigen. Voor de goede orde wijs ik erop dat het OM zo'n vordering niet reeds bij de voorzitter kan doen en dat niet de voorzitter maar de kamer die ten gronde over de zaak oordeelt, op de vordering beslist. Naar aanleiding van de vraag van deze leden hoe de invoering van een soort grievenstelsel zich verhoudt met handhaving van het beslissingsschema van de artikelen 348–350, merk ik het volgende op. Hetgeen de regering voorstelt behelst geen grievenstelsel in de zin dat de appellant op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep een schriftuur zou moeten indienen en dat de rechter in hoger beroep geen onderzoek zou mogen doen buiten de aangevoerde grieven om. Het gerechtshof kan dus wel degelijk op punten acht slaan waarover geen grief is geformuleerd, zelfs als in het geheel geen schriftuur is ingediend. Zulk ambtshalve onderzoek zal evenwel, anders dan de vragenstellers menen, niet standaard en in volle omvang geschieden maar een beperkt, aanvullend karakter dragen. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat bij het ontbreken van weerwoord van de verdachte onder omstandigheden bepaalde gebreken die mogelijk aan het voorbereidend onderzoek of het onderzoek in eerste aanleg kleven, niet tot vernietiging behoeven te leiden omdat de verdediging daarover noch in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft geklaagd.
(…)
Naar aanleiding van de vraag van deze leden naar de verhouding tussen het voortbouwend appèl en de mogelijkheid om in appèl de tenlastelegging te wijzigen wordt het volgende opgemerkt. Zoals hiervoor ook in antwoord op een vraag van de PvdA-fractie is aangegeven brengt het wetsvoorstel geen wijziging in de mogelijkheid van het OM om in hoger beroep een wijziging van de tenlastelegging te vorderen noch in de mogelijkheid van de verdachte om zich over die vordering uit te laten en, indien de vordering wordt toegewezen, zich tegen de gewijzigde tenlastelegging te verdedigen. Het is waar dat de verdediging zich doorgaans in een voorafgaand aan de behandeling ingediende schriftuur nog niet over zo'n wijziging zal hebben kunnen uitlaten. Later tijdens de behandeling is hiervoor echter alle gelegenheid. Doel van het voortbouwend appèl is ook niet om met het vonnis in eerste aanleg de behandeling als het ware te fixeren. Integendeel, in het voortbouwend appèl is volop ruimte om nieuwe gezichtspunten en informatie in te brengen. Dit kan nieuw materiaal zijn dat belastend is voor de verdachte maar het kan ook materiaal zijn dat de verdediging inbrengt ten voordele van de verdachte.’
4.5.
Een en ander brengt mee dat, ingeval het openbaar ministerie in het in eerste aanleg gewezen vonnis aanleiding vindt om een wijziging van de tenlastelegging te vorderen en als bezwaar tegen dit vonnis in een schriftuur (slechts) naar voren brengt dat in geval die vordering zal worden toegewezen in hoger beroep mogelijk een (andere) bewezenverklaring zal volgen, de rechter in hoger beroep op grond van die schriftuur behoort aan te nemen dat is voldaan aan het voor de appèlschriftuur geldende vereiste dat het de grieven tegen het vonnis bevat.
4.6.
Een vergelijkbaar geval, zij het dat het hier ging om een schriftuur van de verdachte, heeft zich voorgedaan in de zaak die heeft geleid tot HR 4 december 2007, NJ 2008, 20. In die zaak overwoog Uw Raad:
‘In een geval waarin in het desbetreffende geschrift niet met zoveel woorden grieven zijn geformuleerd, maar wel een opgave van een of meer getuigen of deskundigen wordt gedaan, zal de rechter op grond van die opgave mogen aannemen dat is voldaan aan het voor de appelschriftuur geldende vereiste dat het de grieven tegen het vonnis bevat (vgl. HR 19 juni 2007, LJN AZ1702)’.
4.7.
Rekwirant verwijst verder nog naar het arrest van Uw Raad van 26 oktober 2010, NJ 2010, 588, waarin is overwogen:
‘De omstandigheid dat in hoger beroep in beginsel een volledig nieuw onderzoek van de zaak plaatsvindt brengt mee dat in die fase in eerste aanleg begane verzuimen en vergissingen kunnen worden hersteld, en nader bekend geworden gegevens bij het onderzoek kunnen worden betrokken.’
4.8.
Gelet op het vorenstaande berust het oordeel van het gerechtshof, dat geen sprake is van een schriftuur houdende grieven als bedoeld in het eerste lid van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering, op een onjuiste rechtsopvatting. Zulks brengt mee dat het gerechtshof het openbaar ministerie ten onrechte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.
5.
Indien het cassatiemiddel doel treft, zal het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 20 oktober 2010 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt Uw Raad dan ook dit arrest te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 9 mei 2011,
L. Plas,
plaatsvervangend advocaat-generaal in het ressort Arnhem.
Conclusie 18‑09‑2012
Mr. Hofstee
Partij(en)
Nr. 10/05114 J
Mr. Hofstee
Zitting: 12 juni 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 20 oktober 2010 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
2.
De Advocaat-Generaal bij het Hof te Arnhem, mr. J.E. van Spanje, heeft cassatie ingesteld. Namens het Openbaar Ministerie heeft mr. L. Plas, plaatsvervangend Advocaat-Generaal bij het Ressortsparket te Arnhem, een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.
Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv op een onjuiste rechtsopvatting berust en dat het Hof het Openbaar Ministerie derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.
4.
De door het Openbaar Ministerie ingediende appelschriftuur van 29 maart 2010 houdt, voor zover hier relevant, het volgende in:
"Ik, officier van justitie bij het arrondissementsparket te Zutphen, heb hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis om de volgende reden(en):
- -
Ik kan mij niet verenigen met de beslissing van de rechtbank omtrent (art. 350 Sv):
- (X)
de bewezenverklaring
- (X)
de strafmaat
Motivering:
Bij vonnis van 16 maart 2010 heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde diefstal met geweld in vereniging gepleegd en veroordeeld voor de - na weglating van de strafverzwarende omstandigheden 'geweld' en 'tezamen en in vereniging met een ander' overblijvende - diefstal van een aantal goederen.
De rechtbank heeft daartoe overwogen dat op grond van de verklaringen in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet geconcludeerd kan worden dat het gewelddadige handelen van verdachte gericht was op de wegneming van enig goed.
Evenmin is de rechtbank van oordeel dat de diefstal van de bankpas, de reispas en het rijbewijs wettig en overtuigend bewezen is, nu onvoldoende is vast te stellen dat verdachte op het moment dat hij deze spullen aanpakte van getuige [getuige 1], het oogmerk had om zich deze spullen wederrechtelijk toe te eigenen.
Wel is de rechtbank van oordeel dat de diefstal van een leren jas en T-shirt wettig en overtuigend bewezen is. Verdachte had ten aanzien van die goederen wel het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
De officier van justitie is van mening dat - na wijziging van de tenlastelegging in die zin dat een subsidiair feit wordt toegevoegd inhoudende eenvoudige mishandeling in vereniging gepleegd en/of diefstal en/of verduistering - de bewijsmiddelen die in deze zaak voorhanden zijn, dienen te leiden tot een andere conclusie dan vrijspraak.
Immers de lezing van aangever [betrokkene 1] over de gebeurtenissen op 21 september 2009 wordt grotendeels ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Op grond van die verklaringen in combinatie met de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kan geconcludeerd worden dat er een vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen verdachten en aangever. Verdachten hebben de confrontatie gezocht met aangever en gezamenlijk het tenlastegelegde geweld tegen aangever gebruikt, waardoor/waarbij aangever uiteindelijk een aantal goederen heeft verloren. Die goederen worden vervolgens door verdachte meegenomen. Dat verdachte op het moment van het aanpakken uit de handen van getuige [getuige 1] van de bankpas, de reispas en het rijbewijs wellicht niet onmiddellijk doorhad om welke goederen het ging, doet niet af aan het feit dat hij - toen hij wel doorhad dat het spullen van aangever betrof - er toen kennelijk voor koos om deze onder zich te houden.
Aldus kan een (andere) bewezenverklaring volgen. De officier van justitie acht -gelet op aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name zijn strafblad en persoonlijkheidsproblematiek, een hogere straf dan door de rechtbank opgelegd passend en geboden.
Tegen de achtergrond van het voorgaande kan het vonnis van de rechtbank geen stand houden.
Met CONCLUSIE, dat het Gerechtshof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende in hoger beroep, het (gewijzigde) tenlastegelegde alsnog bewezen zal verklaren, de feiten en de verdachte strafbaar zal achten en aan de verdachte een straf zal opleggen die het gerechtshof passend voorkomt."
5.
Het Hof heeft omtrent de ontvankelijkheid van het hoger beroep in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:
"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in het hoger beroep. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat openbaar ministerie blijkens de appelschriftuur appel heeft ingesteld, niet omdat de rechtbank op basis van de tenlastelegging onjuist zou hebben geoordeeld, maar omdat het openbaar ministerie een eigen fout wil herstellen. Hiermee is niet voldaan aan de eisen van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof oordeelt als volgt.
De door de officier van justitie ingediende appelschriftuur bevat naar het oordeel van het hof geen stellige en duidelijke klacht waarin concrete bezwaren tegen (een onderdeel van het) vonnis van de rechtbank worden opgegeven. Er is derhalve geen sprake van een schriftuur houdende grieven als bedoeld in het eerste lid van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorts heeft het openbaar ministerie ook niet ter terechtzitting in hoger beroep mondeling de bezwaren tegen het vonnis opgegeven.
Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. Daarom zal het openbaar ministerie niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."
6.
Het middel stelt de vraag aan de orde of onder een "schriftuur, houdende grieven" als bedoeld in art. 410 Sv ook kan worden verstaan de schriftuur waarin wordt bepleit dat na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep - in die zin dat een subsidiair feit wordt toegevoegd - op basis van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen geen vrijspraak maar een bewezenverklaring dient te volgen, hetgeen tevens moet leiden tot oplegging van een hogere dan de in eerste aanleg opgelegde straf. Kan in dat geval worden gezegd dat de appelschriftuur grieven bevat tegen het vonnis waarvan beroep? Moet de appelschriftuur eigenlijk wel grieven tegen het beroepen vonnis bevatten?
7.
Alvorens nader op deze vragen en het middel in te gaan, lijkt het mij zinvol iets te zeggen over art. 410 Sv en de functie van het rechtsmiddel van hoger beroep na de intrede van het stelsel van 'voortbouwend appel', en over de wettelijke mogelijkheid van wijziging van de tenlastelegging.
8.
De meerwaarde van het hoger beroep is volgens Corstens onder meer hierin gelegen dat uit de confrontatie van het vonnis in eerste aanleg met de bevindingen van de appelrechter de 'waarheid' scherper dan in eerste aanleg naar voren kan komen.1. Met betrekking tot de strafzaak vindt in hoger beroep in beginsel een nieuw feitelijk onderzoek op de terechtzitting plaats. Bij dit onderzoek in de appelfase kunnen nader bekend geworden gegevens worden betrokken en in eerste aanleg begane verzuimen en vergissingen - ook die welke door het Openbaar Ministerie zijn begaan2. - worden hersteld. Vandaar dat een in eerste aanleg door het Openbaar Ministerie gevorderde vrijspraak in hoger beroep plaats kan maken voor een vordering die tot veroordeling strekt.3.
9.
In 2006 is het stelsel van het zogenoemde "voortbouwend appel" ingevoerd. Dit stelsel komt tot uitdrukking in onder meer art. 410, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415, tweede lid, Sv. Beide artikelen zijn ingevolge art. 488 Sv ook van toepassing op de verdachte die, zoals verzoeker, ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.
10.
Artikel 410, eerste lid, Sv luidt:
"De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen."
En art. 415, tweede lid, Sv zegt:
"Het gerechtshof richt het onderzoek ter terechtzitting op de bezwaren die door de verdachte en het openbaar ministerie worden ingebracht tegen het vonnis, in eerste aanleg gewezen, en op hetgeen overigens nodig is."
11.
Met het voorschrift van art. 410 Sv worden twee belangen gediend: (i) het stelt de verdachte en het Openbaar Ministerie in staat om tijdig kennis te nemen van elkaars grieven, waardoor zij zich beter kunnen voorbereiden op het geding in hoger beroep, en (ii) het kan de doelmatigheid van het onderzoek in hoger beroep bevorderen.4. Uit het bepaalde in art. 415, tweede lid, Sv kan worden afgeleid dat het vonnis in eerste aanleg (in samenhang met de daaraan ten grondslag liggende behandeling van de strafzaak ter terechtzitting) het vertrekpunt voor de appelrechter vormt. Het 'voortbouwend appel' betreft immers vooral de overwegingen en beslissingen van de rechter in eerste aanleg waartegen door de verdediging en/of het Openbaar Ministerie door middel van grieven bezwaar wordt gemaakt.5. De appelrechter heeft dus zijn aandacht in het bijzonder te richten op de door de procespartijen geformuleerde grieven tegen het vonnis waarvan beroep.
12.
De wet verbindt overigens geen sanctie aan het verzuim van het Openbaar Ministerie (tijdig) een appelschriftuur in te dienen. Het is aan het oordeel van het Hof overgelaten of het aan een dergelijk verzuim al dan niet een consequentie verbindt. Zo heeft het Hof de discretionaire bevoegdheid hetzij het Openbaar Ministerie in het ingestelde hoger beroep zonder nader onderzoek niet-ontvankelijk te verklaren, hetzij (als het belang van het appel dat meebrengt) de strafzaak ter terechtzitting te behandelen.
13.
Hoe nu als er wel (tijdig) een schriftuur is ingediend, maar daarin de grieven tegen het beroepen vonnis ontbreken? Naar algemeen wordt aangenomen stelt artikel 410, eerste lid, Sv enkel als materiële eis dat de appelschriftuur grieven tegen het beroepen vonnis in eerste aanleg bevat. Nadere materiële eisen waaraan die schriftuur dient te voldoen, worden in die bepaling niet gesteld en kunnen uit de geschiedenis van deze bepaling6. niet worden afgeleid, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007/626 (rov. 3.5.1) m.nt. Mevis. Wel ligt het volgens de Hoge Raad in de rede aan de formulering van de grieven geen hoge eisen te stellen, nu de appelschriftuur ook door de verdachte zelf kan worden ingediend en die schriftuur aan belang heeft gewonnen door de mogelijkheid om daarin - met consequenties voor de aan te leggen maatstaf - getuigen en deskundigen op te geven. Daarbij past de kanttekening - zo vervolgt de Hoge Raad - dat in gevallen waarin alleen een verkort vonnis beschikbaar is, het formuleren van grieven tegen de bewijsvoering dan wel de verwerping van bewijsverweren niet goed mogelijk is. Er moet wel sprake zijn van een appelschriftuur in de zin van art. 410 Sv. Als zodanig kan niet worden aangemerkt een formulier "opgave van bezwaren" waarop slechts een vakje is aangekruist inhoudend dat het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het ten laste gelegde (HR 15 februari 2011, LJN BQ1195). Maar wanneer in de appelschriftuur niet met zoveel woorden grieven zijn geformuleerd, doch wel een opgave van een of meer getuigen of deskundigen wordt gedaan, mag volgens de Hoge Raad de rechter aannemen dat is voldaan aan het voor de appelschriftuur geldende vereiste dat zij de grieven tegen het beroepen vonnis bevat.7. Voor zover ik aan de hand van de op dit onderwerp toegesneden rechtspraak van de Hoge Raad heb kunnen nagaan, geldt deze relativering van dat vereiste in gelijke mate voor zowel de verdachte als voor het Openbaar Ministerie. Het is dus niet zo dat de eisen die aan de formulering van de grieven worden gesteld zwaarder worden aangezet voor het Openbaar Ministerie vanwege de professionaliteit die aan deze procespartij toegedicht kan worden. Een onderscheid met die strekking zou zich, lijkt mij, ook niet wel verdragen met de hierboven weergegeven overwegingen van HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007/626.
14.
Hoewel de functie van het hoger beroep door het 'voortbouwend appel' in zoverre is veranderd, dat het onderzoek ter terechtzitting niet standaard ambtshalve in volle omvang plaatsvindt en een beperkt, aanvullend karakter heeft gekregen, neemt dit niet weg dat het hoger beroep een zelfstandige rechtsgang is en dat de appelrechter op onderdelen van het beroepen vonnis ambtshalve tot een ander oordeel kan komen dan de rechter in eerste aanleg.8. Voorts heeft de appelrechter een eigen verantwoordelijkheid in het geven van een eindoordeel omtrent alle formele en materiële vragen die in de artikelen 348 en 350 Sv besloten zijn. In dat opzicht biedt de behandeling van de zaak in hoger beroep op alle bewijsrechtelijke punten een herkansing aan de procespartijen.9. Verder heeft het 'voortbouwend appel' geen wijziging gebracht in de mogelijkheid van het Openbaar Ministerie om in hoger beroep een wijziging van de tenlastelegging te vorderen en (vanzelfsprekend) evenmin in de mogelijkheid die de verdediging vervolgens heeft om zich over die vordering uit te laten en, indien de vordering wordt toegewezen, zich tegen de gewijzigde tenlastelegging te verdedigen.10.
15.
De mogelijkheid voor het Openbaar Ministerie om wijziging van de tenlastelegging te vorderen, berust op art. 313, eerste lid, Sv. In het verleden was voor deze vordering slechts strafvorderlijke ruimte tot aan het requisitoir in eerste aanleg. De "Wet vormverzuimen"11., in werking getreden op 2 november 1996, heeft deze beperking echter opgeheven. Sindsdien kan de tenlastelegging op vordering van het Openbaar Ministerie ook na dat requisitoir en zelfs nog in hoger beroep worden gewijzigd. De gedachte die hierachter ligt is dat het Openbaar Ministerie zo lang mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld om fouten of omissies in de tenlastelegging te herstellen en in voorkomende gevallen een technische vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging te voorkomen. Met deze wetswijziging is naar het inzicht van de wetgever het doel van het strafproces - te weten de materiële waarheidsvinding - gediend.12. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de 'Wet vormverzuimen' opgemerkt:13.
"In de vijfde plaats merk ik op dat de huidige beperking van de wijzigingsbevoegdheid tot de behandeling in eerste aanleg, blijkens de memorie van toelichting, gebaseerd is op de idee dat het hoger beroep er alleen toe strekt "de juistheid en volledigheid van een beslissing der rechters nog in een tweede instantie te doen overwegen". Deze grondslag van het hoger beroep is niet meer in overeenstemming met het huidige beroep dat zich zeker in de meer zware en complexe zaken heeft ontwikkeld tot een geheel nieuwe behandeling ten gronde.
(...)
Gelet op het feit dat de appelprocedure soms kan leiden tot een behandeling van de zaak, waarin een andere visie op de feiten en de telastelegging naar voren komt, is er geen reden meer om de procureur-generaal ter zitting de bevoegdheid te onthouden de telastelegging te wijzigen, mits de grenzen van artikel 68 Sr in acht worden genomen en de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld zich tegen de gewijzigde telastelegging te verweren. Nu in hoger beroep niet alleen het vonnis in eerste aanleg wordt getoetst, maar er sprake kan zijn van een nieuwe, feitelijke behandeling, waarbij de verdediging nieuw bewijsmateriaal mag produceren en nieuwe verweren mag voeren, is het noodzakelijk om de procureur-generaal de gelegenheid te geven hierop adequaat te reageren.
(...)
Omdat de wijziging van de tenlastelegging er niet toe mag leiden dat een ander feit in de zin van art. 68 Sr wordt ten laste gelegd, is er geen gevaar dat hierdoor het recht van de verdachte op een tweede feitelijke instantie wordt beperkt."
16.
Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Het Hof heeft geoordeeld dat de door de Officier van Justitie ingediende appelschriftuur geen stellige en duidelijke klacht bevat waarin concrete bezwaren tegen (een onderdeel van het) vonnis van de Rechtbank worden opgegeven, waardoor er geen sprake is van een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv.
17.
Blijkens de ingediende appelschriftuur wordt bezwaar gemaakt tegen de vrijspraak van de Rechtbank met betrekking tot een onderdeel van de tenlastelegging en de hoogte van de opgelegde straf, en wordt uitgebreid bepleit dat en waarom naar het oordeel van het Openbaar Ministerie op grond van de aanwezige bewijsmiddelen wel een bewezenverklaring en een hogere straf moet volgen, zij het na wijziging van de tenlastelegging. De vraag die opkomt - en door het Hof ontkennend wordt beantwoord - is of hiermee een (concrete) grief is ingediend tegen het vonnis van de Rechtbank. Gesteld zou immers kunnen worden dat, uitgaande van de omstandigheid dat de tenlastelegging ten tijde van het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld nog niet gewijzigd was, de appelschriftuur geen grief bevat tegen dat vonnis als zodanig.
18.
Ik meen echter dat zowel in de wordingsgeschiedenis van de 'Wet stroomlijnen hoger beroep' en die van de 'Wet vormverzuimen' als in de rechtspraak van de Hoge Raad voldoende aanknopingspunten kunnen worden gevonden die tot de conclusie leiden dat de in de onderhavige zaak ingediende appelschriftuur als een "schriftuur, houdende grieven" in de zin van art. 410 Sv kan worden aangemerkt. Ik vat de argumenten daarvoor nog even samen. Het ligt in de rede aan de formulering van de grieven geen hoge eisen te stellen. Zelfs als er geen appelschriftuur is ingediend, hoeft dat nog niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het hoger beroep. In de onderhavige appelschriftuur is hoe dan ook bezwaar gemaakt tegen de vrijspraak en de strafoplegging van de rechter in eerste aanleg. De wijziging van de tenlastelegging die nodig is om te komen tot een bewezenverklaring op grond van de aanwezige bewijsmiddelen, vindt haar rechtvaardiging in de waarheidsvinding. Het aan de dag brengen van de waarheid staat voorop en wordt in de optiek van de wetgever gediend door toe te staan dat de tenlastelegging na het requisitoir in hoger beroep wordt gewijzigd. Bovendien wordt door de omstandigheid dat reeds bij appelschriftuur van het Openbaar Ministerie blijkt van een ter terechtzitting in hoger beroep te vorderen wijziging van de tenlastelegging, recht gedaan aan het belang dat de wetgever hecht aan het zo vroeg mogelijk naar voren brengen van de grieven.
19.
Ik kom tot de slotsom dat het oordeel van het Hof - dat er geen sprake is van een "schriftuur, houdende grieven" zoals bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv - van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het in dat artikellid bepaalde getuigt. Dat betekent dat 's Hofs verklaring van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het hoger beroep geen draagvlak in dat oordeel kan vinden.
20.
Het middel is terecht voorgesteld.
21.
Ambtshalve wijs ik op het volgende. Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. Op 1 november 2010 is beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan zestien maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.14. Gelet op de verklaring tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn hoger beroep, behoeft aan deze overschrijding geen rechtsgevolg te worden verbonden.
22.
Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
23.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
De Advocaat-Generaal bij het Hof te Arnhem heeft op 1 november 2010 beroep in cassatie ingesteld.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑09‑2012
Dit blijkt onder meer uit HR 9 april 1985, LJN AC0822, NJ 1985/776 rov. 5.2 en HR 26 oktober 2010, LJN BN4322, NJ 2010/588 rov. 2.6.
HR 1 april 1997, LJN ZD0678, NJ 1998/287 m.nt. Schalken en HR 26 oktober 2010, LJN BN4322, NJ 2010/588.
Melai/Groenhuijsen, aant. 1 bij art. 410 Sv, bijgewerkt tot 1 februari 1982.
Zie de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet Wijziging van het Wetboek van strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastlegging (stroomlijnen hoger beroep), Kamerstukken II, 2005/06, 30320, nr. 3, p. 7-9 en Corstens, a.w., p. 788.
Waaronder die van de Wet van 10 november 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen (Stb. 579).
HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007/626 en HR 4 december 2007, LJN BB7088, NJ 2008/20.
Corstens, a.w., p. 788.
Zie Kamerstukken II, 2005/06, 30320, nr. 3 (MvT), p. 8.
In gelijkluidende zin de toenmalige Minister van Justitie in Kamerstukken I, 2005/06, 30320, nr. C, p. 3.
De wet van 14 september 1995 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering (Stb. 441).
Kamerstukken II, 1993-1994, 23705, nr. 3 (MvT), p. 9.
Kamerstukken II, 1993-1994, 23705, nr. 3 (MvT), p. 11-12.
Vgl. HR 17 juni 2008, BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis.
Uitspraak 18‑09‑2012
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Jeugdzaak. Art. 410 Sv. De HR herhaalt de toepasselijke overweging uit HR NJ 1998/287 dat in h.b. in e.a. begane verzuimen en vergissingen kunnen worden hersteld, en nader bekend geworden gegevens bij het onderzoek kunnen worden betrokken. Dit brengt mee dat het aan het OM vrijstaat enkel om die reden in h.b. te gaan. Daaruit vloeit voort dat het OM in een dergelijk geval in zijn appelschriftuur reeds kan aanduiden dat het, ten einde een nieuwe beoordeling te verkrijgen o.b.v. een gewijzigde tll., in h.b. is gekomen. Een dergelijke schriftuur kan als een “schriftuur, houdende grieven” in de zin van art. 410 Sv worden aangemerkt. ’s Hofs oordeel dat de schriftuur i.c. niet als zodanig kan worden aangemerkt, berust op een verkeerde rechtsopvatting.
Partij(en)
18 september 2012
Strafkamer
nr. S 10/05114 J
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 20 oktober 2010, nummer 21/001252-10, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410 Sv.
2.2.
Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:
- (i)
een akte rechtsmiddel waaruit blijkt dat de Officier van Justitie op 29 maart 2010 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer van de Rechtbank te Zutphen van 16 maart 2010;
- (ii)
een "schriftuur hoger beroep OM ex art. 410 Sv" inhoudende:
"Ik, officier van justitie bij het arrondissementsparket te Zutphen, heb hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis om de volgende reden(en):
- -
Ik kan mij niet verenigen met de beslissing van de rechtbank omtrent (art. 350 Sv):
- (X)
de bewezenverklaring
- (X)
de strafmaat
Motivering:
Bij vonnis van 16 maart 2010 heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde diefstal met geweld in vereniging gepleegd en veroordeeld voor de - na weglating van de strafverzwarende omstandigheden 'geweld' en 'tezamen en in vereniging met een ander' overblijvende - diefstal van een aantal goederen.
De rechtbank heeft daartoe overwogen dat op grond van de verklaringen in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet geconcludeerd kan worden dat het gewelddadige handelen van verdachte gericht was op de wegneming van enig goed.
Evenmin is de rechtbank van oordeel dat de diefstal van de bankpas, de reispas en het rijbewijs wettig en overtuigend bewezen is, nu onvoldoende is vast te stellen dat verdachte op het moment dat hij deze spullen aanpakte van getuige [getuige 1], het oogmerk had om zich deze spullen wederrechtelijk toe te eigenen.
Wel is de rechtbank van oordeel dat de diefstal van een leren jas en T-shirt wettig en overtuigend bewezen is. Verdachte had ten aanzien van die goederen wel het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
De officier van justitie is van mening dat - na wijziging van de tenlastelegging in die zin dat een subsidiair feit wordt toegevoegd inhoudende eenvoudige mishandeling in vereniging gepleegd en/of diefstal en/of verduistering - de bewijsmiddelen die in deze zaak voorhanden zijn, dienen te leiden tot een andere conclusie dan vrijspraak.
Immers de lezing van aangever [betrokkene 1] over de gebeurtenissen op 21 september 2009 wordt grotendeels ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Op grond van die verklaringen in combinatie met de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kan geconcludeerd worden dat er een vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen verdachten en aangever. Verdachten hebben de confrontatie gezocht met aangever en gezamenlijk het tenlastegelegde geweld tegen aangever gebruikt, waardoor/waarbij aangever uiteindelijk een aantal goederen heeft verloren. Die goederen worden vervolgens door verdachte meegenomen. Dat verdachte op het moment van het aanpakken uit de handen van getuige [getuige 1] van de bankpas, de reispas en het rijbewijs wellicht niet onmiddellijk doorhad om welke goederen het ging, doet niet af aan het feit dat hij - toen hij wel doorhad dat het spullen van aangever betrof - er toen kennelijk voor koos om deze onder zich te houden.
Aldus kan een (andere) bewezenverklaring volgen. De officier van justitie acht - gelet op aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name zijn strafblad en persoonlijkheidsproblematiek, een hogere straf dan door de rechtbank opgelegd passend en geboden.
Tegen de achtergrond van het voorgaande kan het vonnis van de rechtbank geen stand houden.
Met CONCLUSIE, dat het Gerechtshof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende in hoger beroep, het (gewijzigde) tenlastegelegde alsnog bewezen zal verklaren, de feiten en de verdachte strafbaar zal achten en aan de verdachte een straf zal opleggen die het gerechtshof passend voorkomt."
2.3.
Het Hof heeft de Officier van Justitie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en heeft daartoe het volgende
overwogen:
"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in het hoger beroep. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het openbaar ministerie blijkens de appelschriftuur appel heeft ingesteld, niet omdat de rechtbank op basis van de tenlastelegging onjuist zou hebben geoordeeld, maar omdat het openbaar ministerie een eigen fout wil herstellen. Hiermee is niet voldaan aan de eisen van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof oordeelt als volgt.
De door de officier van justitie ingediende appelschriftuur bevat naar het oordeel van het hof geen stellige en duidelijke klacht waarin concrete bezwaren tegen (een onderdeel van het) vonnis van de rechtbank worden opgegeven. Er is derhalve geen sprake van een schriftuur houdende grieven als bedoeld in het eerste lid van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorts heeft het openbaar ministerie ook niet ter terechtzitting in hoger beroep mondeling de bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. Daarom zal het openbaar ministerie niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."
2.4.
Art. 410, eerste lid, Sv luidt:
"De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen."
2.5.
Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. De omstandigheid dat in hoger beroep in beginsel een volledig nieuw onderzoek van de zaak plaatsvindt brengt mee dat in die fase in eerste aanleg begane verzuimen en vergissingen kunnen worden hersteld, en nader bekend geworden gegevens bij het onderzoek kunnen worden betrokken (vgl. HR 1 april 1997, NJ 1998/287).
2.6.
Het voorgaande brengt mee dat het aan het Openbaar Ministerie vrijstaat enkel om die reden in hoger beroep te gaan. Daaruit vloeit voort dat het Openbaar Ministerie in een dergelijk geval in zijn appelschriftuur reeds kan aanduiden dat het, ten einde een nieuwe beoordeling te verkrijgen op basis van een gewijzigde tenlastelegging, in hoger beroep is gekomen. Een dergelijke schriftuur kan als een "schriftuur, houdende grieven" in de zin van art. 410 Sv worden aangemerkt.
2.7.
Het oordeel van het Hof dat de onderhavige schriftuur zoals hiervoor onder 2.2 weergegeven niet als zodanig kan worden aangemerkt, berust op een verkeerde rechtsopvatting.
2.8.
Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 18 september 2012.