Aangeefster [betrokkene 1] en getuige [betrokkene 2] worden in de stukken van het geding (veelal) aangeduid bij hun voornaam. Een blik achter de papieren muur leert dat het dossier proces-verbaal d.d. 4 juni 2013, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2], daarover het volgende inhoudt: “Aangeefster [betrokkene 1] en getuige [betrokkene 2] zijn beiden werkzaam als parkeercontroleur. Zij zijn beiden functionarissen met een publiek taak. Uit angst voor represailles van verdachte zijn hun namen niet volledig ingevoerd. Hun namen zijn bekend bij verbalisant en de casemanager voor geweldszaken tegen politieambtenaren en functionarissen met een publieke taak van de politie Eenheid ZWB (…).”
HR, 04-07-2017, nr. 15/04335
ECLI:NL:HR:2017:1207
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-07-2017
- Zaaknummer
15/04335
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:1207, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 04‑07‑2017; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:568, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2017:568, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 16‑05‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1207, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑08‑2016
- Wetingang
- Vindplaatsen
NJ 2017/443 met annotatie van T. Kooijmans
SR-Updates.nl 2017-0323
NbSr 2017/295
Uitspraak 04‑07‑2017
Inhoudsindicatie
Bedreiging parkeercontroleur. Afwijzing getuigenverzoek. Het Hof heeft aan de afwijzing van het verzoek aangeefster en een collega van aangeefster als getuigen te horen in de kern ten grondslag gelegd dat het geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangeefster, mede gelet op de steun die deze verklaring vindt in de overige bewijsmiddelen. I.h.l.v. hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk. De HR neemt daarbij in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de collega van aangeefster de tlgd. fysieke en verbale bedreigingen niet heeft gezien en gehoord, alsmede dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van verdachte enkel inhoudt dat hij boos werd en aangeefster heeft uitgescholden. Derhalve heeft het door het Hof in aanmerking genomen steunbewijs geen betrekking op de door verdachte betwiste onderdelen van de hem belastende verklaring van aangeefster (vgl. ECLI:NL:HR:2017:1016). Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
4 juli 2017
Strafkamer
nr. S 15/04335
MD/JHO
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 augustus 2015, nummer 20/003002-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het derde middel
2.1.
Het middel klaagt over afwijzing door het Hof van het door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoek tot het horen van de aangeefster "[betrokkene 1]" en "[betrokkene 2]" als getuige.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 25 mei 2013 te Waalwijk, parkeercontroleur van de gemeente Tilburg [betrokkene 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zijn hand op een vuurwapen doen gelijken en deze tegen de buik van die voornoemde [betrokkene 1] aangehouden en voornoemde [betrokkene 1] dreigend de woorden toegevoegd: 'Ik schiet je dood als je mij nog een keer een bon uitschrijft', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking."
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 28 mei 2013 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar van politie (pagina's 4 en 5 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van aangeefster [betrokkene 1]:
Op 25 mei 2013 was ik werkzaam in de gemeente Waalwijk als parkeercontroleur. Ik was in uniform gekleed.
Ik controleerde op de parkeerplaats van de Els een grijze Suzuki met kenteken [AA-00-BB]. Van deze auto was het parkeerticket verlopen. Ik begon met het noteren van de gegevens om hem een naheffing te geven.
Bij het uitschrijven van de naheffing kwam de bestuurder van het voertuig op mij af. Ik hoorde hem zeggen "alweer jij". Toen ik hem zag, herkende ik deze persoon van de vorige dag.
Ik hoorde hem mij uitschelden. Hij kwam toen dichterbij en ik zag dat hij met zijn vingers een pistool gebaar maakte en ik zag dat hij deze tegen mijn buik aanhield. Ik voelde in mijn buik een prik van zijn vinger. Ik hoorde hem zeggen: "ik schiet je dood als je mij nog een keer een bon uitschrijft."
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van getuige d.d. 4 juni 2013 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2], brigadier van politie (pagina 17 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 2]:
Op 25 mei (het hof begrijpt: 25 mei 2013) was ik samen met mijn collega [betrokkene 1] aan het werk als parkeercontroleur op de parkeerplaats De Els te Waalwijk.
Ik zag dat mijn vrouwelijke collega een naheffing aan het opmaken was voor een auto, die daar geparkeerd stond.
Ik zag dat er op dat moment een Turkse man een verhitte discussie hield met mijn vrouwelijke collega. Ik maakte hieruit op dat die man het duidelijk niet eens was met de bekeuring die mijn collega aan het opmaken was.
Ik hoorde dat de man tegen mijn collega zei dat hij het belachelijk vond dat hij een bekeuring kreeg, dat hij de dag daarvoor ook al een bekeuring had gehad en dat hij er werk van zou gaan. Ik heb ook gehoord dat hij tegen mijn vrouwelijke collega zei "Ik schiet jouw collega ook dood als hij een bekeuring uitschrijft."
3. Het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 juli 2015 voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte:
Ik was op 25 mei 2013 op het parkeerterrein De Els in Waalwijk. Ik heb daar een confrontatie gehad met een parkeercontroleur van de gemeente Tilburg.
Ik vroeg haar om geen boete uit te schrijven. Ze zei: "sorry, te laat". Ik werd boos.
U, voorzitter, vraagt mij of ik de parkeercontroleur [betrokkene 1] wel heb uitgescholden. Ja."
2.3.1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"De verdachte verklaart als volgt:
Ik was op 25 mei 2013 op het parkeerterrein De Els in Waalwijk. Ik heb daar een confrontatie gehad met een parkeercontroleur van de gemeente Tilburg.
Het klopt niet dat ik vijf minuten te laat was. Ik was daar met mijn vrouw en ik had nog geen geldig parkeerkaartje. Ik ben naar de Aldi gegaan, omdat ik geen wisselgeld had. Ik heb wisselgeld gehaald en toen stond daar ineens de parkeercontroleur. Ik vroeg haar om geen boete uit te schrijven, omdat ik eerst geen wisselgeld had, maar dat inmiddels wel al had gehaald. Ze zei: "sorry, te laat". Ze keek mij niet eens aan toen ze dat zei. Ze zei nog iets en drukte toen op het apparaat. Het apparaat printte toen de parkeerbon uit. Ik werd boos, want ik ben ook maar een mens. Ik zei tegen haar "doe maar". Zo is het gegaan.
U, voorzitter, vraagt mij of ik tegen haar heb gezegd "Ik schiet je dood als je mij nog een keer een bon uitschrijft".
Nee, waarom zou ik dat bij een vrouw doen.
U, voorzitter, vraagt mij of ik een schietende beweging heb gemaakt tijdens de confrontatie met de parkeercontroleur.
Nee, waarom zou ik dat voor haar neus doen.
U, voorzitter, vraagt mij of ik boos was.
Ik was boos. Toen zij de bon nog niet had uitgeschreven, heb ik gevraagd aan de parkeercontroleur of zij niet wat toleranter kon zijn. Ze keek mij niet aan en printte gewoon de bon uit. Het ging mij niet om de bon, maar de manier waarop het is gegaan. Ik heb haar niet bedreigd. Ik vind het heel erg dat ik daarvan wordt beschuldigd.
U, voorzitter, houdt mij voor dat de collega van parkeercontroleur [betrokkene 1] heeft verklaard dat ik verbaal agressief jegens hem ben geweest.
Dat kan niet, ik heb hem niet eens gezien.
U, voorzitter, vraagt mij of ik de parkeercontroleur [betrokkene 1] wel heb uitgescholden. Ja. Ik heb tegen haar gezegd laat God je straffen.
U, voorzitter, vraagt of ik ook heb gezegd, "Godverdomme, waarom doe je dat?" Nee, alleen laat God je straffen. Ik ben ook maar een mens. Zij heeft mij zover gekregen dat ik boos werd. Wat mij echt boos maakte, is dat zij mij niet eens aankeek, maar zich achter haar apparaat verstopte.
(...)
U, voorzitter, vraagt mij of ik een schietbeweging met mijn handen heb gemaakt. Nee, dat heb ik niet gedaan."
2.3.2.
Blijkens de aan voormeld proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen heeft de raadsman van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:
"Bewijsmiddelen
3. Aangeefster stelt in haar verklaring dat zij door cliënt zou zijn bedreigd. Cliënt ontkent dit ten stelligste. Cliënt geeft aan wel boos te zijn geworden om de parkeerbon en daarom heeft gescholden en haar daarbij wellicht heeft beledigd, maar hij heeft de parkeerbeambte op geen enkele manier bedreigd.
4. Aangeefster stelt dat cliënt haar zowel verbaal als door het maken van 'schietbewegingen' heeft bedreigd. Voor de goede orde merk ik op dat cliënt nauwelijks Nederlands spreekt en het daarom moeilijk valt voor te stellen dat hij aangeefster in de Nederlandse taal heeft kunnen bedreigen op de manier zoals aangeefster stelt.
5. De verklaring van aangeefster dat cliënt haar zou hebben bedreigd, op de wijze zoals ten laste is gelegd, wordt ook niet ondersteund door andere verklaringen in het dossier. De collega van aangeefster (getuige [betrokkene 2]) geeft duidelijk en ondubbelzinnig aan dat hij niet heeft gehoord dat cliënt zijn collega heeft bedreigd. Hij heeft cliënt ook geen "schietbewegingen" zien maken, zoals aangeefster stelt (...). Hij geeft kennelijk wel aan dat cliënt hem zou hebben bedreigd, maar dit ziet niet op de tenlastelegging in deze zaak. [betrokkene 2] heeft daar ook geen aangifte van gedaan.
6. Het enige wat derhalve feitelijk overblijft is de verklaring van aangeefster en dat is te weinig om tot een veroordeling te komen.
7. Ik verzoek u cliënt dan ook vrij te spreken, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Voorwaardelijk verzoek horen getuigen
8. Mocht u echter van mening zijn dat het dossier op dit moment voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een veroordeling te komen, dan verzoek ik u voorwaardelijk om van uw bevoegdheid gebruik te maken om zowel aangeefster als [betrokkene 2] als getuige op te laten roepen en als zodanig te horen.
9. Op grond van artikel 6 EVRM heeft cliënt het recht om getuigen die belastend voor hem verklaren op te roepen en te horen, indien deze verklaringen doorslaggevend zijn om tot een veroordeling te komen. In eerste aanleg zijn deze getuigen niet gehoord.
10. De verdediging is van mening dat het omwille van de waarheidsvinding noodzakelijk is om in dat geval de getuigen te horen, omdat in dat geval duidelijkheid dient te worden verkregen in hetgeen [betrokkene 2] nu daadwerkelijk heeft kunnen waarnemen en wat hij cliënt nu daadwerkelijk heeft horen zeggen. Zijn verklaring laat immers ruimte voor vragen en twijfel op dit punt. De verdediging wijst er in dit verband op dat [betrokkene 2] door de politie slechts telefonisch is gehoord en zijn verklaring niet is ondertekend. Bovendien wenst de verdediging aangeefster nadere vragen te stellen over welke bewoordingen cliënt dan precies zou hebben gebruikt, aangezien hij de Nederlandse taal niet machtig is. De verdediging wenst aangeefster te horen om de betrouwbaarheid van haar verklaring te kunnen toetsen."
2.3.3.
Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"Naar het oordeel van het hof vindt de tot het bewijs gebezigde gedetailleerde verklaring van aangeefster, een buitengewoon opsporingsambtenaar die is getraind om waar te nemen, steun in de verklaring van [betrokkene 2]. Hij heeft verklaard dat hij de verhitte discussie tussen verdachte en aangeefster heeft waargenomen en het hem duidelijk was dat verdachte het niet eens was met de bekeuring die aangeefster uitschreef. Voorts heeft hij gehoord dat verdachte een bedreiging met de dood heeft geuit (...). Dat deze getuige de ten laste gelegde fysieke en verbale bedreigingen niet heeft gezien en gehoord, omdat hij in het begin van de confrontatie te ver verwijderd was, geeft het hof geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van aangeefster. Voorts vindt de verklaring van aangeefster steun in de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende dat hij boos was omdat aangeefster een bon uitschreef en dat hij haar heeft uitgescholden.
(...)
Het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van getuigen
(...)
Het hof wijst de verzoeken af omdat, gelet op hetgeen de raadsman aan deze verzoeken ten grondslag heeft gelegd, de noodzaak tot het horen van deze getuigen niet is gebleken.
Het hof overweegt ten aanzien van het verzoek om getuige [betrokkene 2] te horen, dat de raadsman niet meer heeft aangevoerd dan dat de verklaring van [betrokkene 2] ruimte laat voor vragen en twijfels, zonder te expliciteren waaruit die twijfel bestaat.
Ten aanzien van het verzoek om aangeefster te horen, heeft de raadsman aangevoerd dat hij haar wenst te horen over welke bewoordingen zijn geuit door de verdachte en om haar betrouwbaarheid te toetsen. Daartoe heeft de raadsman herhaald hetgeen hij in het kader van zijn tot vrijspraak strekkende verweer heeft aangevoerd omtrent de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Zoals het hof reeds hiervoor heeft overwogen heeft aangeefster reeds in gedetailleerde verklaringen uiteen gezet, met welke bewoordingen en handelingen zij is bedreigd. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de buitengewoon opsporingsambtenaar, zijnde een deskundige getuige, te meer nu haar verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen."
2.4.
Aan de afwijzing van het verzoek tot het horen van de aangeefster en "[betrokkene 2]" als getuige heeft het Hof in de kern ten grondslag gelegd dat het geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de aangeefster, mede gelet op de steun die deze verklaring vindt in de overige bewijsmiddelen. In het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat "[betrokkene 2]" de tenlastegelegde fysieke en verbale bedreigingen niet heeft gezien en gehoord, alsmede dat de hiervoor onder 2.2.2 weergegeven, tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte enkel inhoudt dat hij boos werd en de aangeefster heeft uitgescholden. Derhalve heeft het door het Hof in aanmerking genomen steunbewijs geen betrekking op de door de verdachte betwiste onderdelen van de hem belastende verklaring van de aangeefster (vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, rov. 3.2.2).
2.5.
Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2017.
Conclusie 16‑05‑2017
Inhoudsindicatie
Bedreiging parkeercontroleur. Afwijzing getuigenverzoek. Het Hof heeft aan de afwijzing van het verzoek aangeefster en een collega van aangeefster als getuigen te horen in de kern ten grondslag gelegd dat het geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangeefster, mede gelet op de steun die deze verklaring vindt in de overige bewijsmiddelen. I.h.l.v. hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk. De HR neemt daarbij in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de collega van aangeefster de tlgd. fysieke en verbale bedreigingen niet heeft gezien en gehoord, alsmede dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van verdachte enkel inhoudt dat hij boos werd en aangeefster heeft uitgescholden. Derhalve heeft het door het Hof in aanmerking genomen steunbewijs geen betrekking op de door verdachte betwiste onderdelen van de hem belastende verklaring van aangeefster (vgl. ECLI:NL:HR:2017:1016). Volgt vernietiging en terugwijzing.
Nr. 15/04335 Zitting: 16 mei 2017 | Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 4 augustus 2015 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van tachtig uren subsidiair veertig dagen hechtenis.
Namens de verdachte heeft mr. R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg, vier middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel richt zich tegen de bewijsmotivering, het tweede en derde middel bevatten klachten over de afwijzing van het voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen van getuigen en het vierde middel klaagt over de strafmotivering. Ik zal het eerste en derde middel bespreken omdat deze mijns inziens – in onderlinge samenhang bezien – slagen en de overige middelen in dat verband geen bespreking meer behoeven. Als eerste zal ik de bewezenverklaring, de gebruikte bewijsmiddelen, het gevoerde verweer en de bewijsmotivering van het hof weergeven.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“hij op 25 mei 2013 te Waalwijk, parkeercontroleur van de gemeente Tilburg [betrokkene 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zijn hand op een vuurwapen doen gelijken en deze tegen de buik van die voornoemde [betrokkene 1] aangehouden en voornoemde [betrokkene 1] dreigend de woorden toegevoegd: 'Ik schiet je dood als je mij nog een keer een bon uitschrijft', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.”
4. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 28 mei 2013 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar van politie (pagina’s 4 en 5 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van aangeefster [betrokkene 1]:
Op 25 mei 2013 was ik werkzaam in de gemeente Waalwijk als parkeercontroleur. Ik was in uniform gekleed.
Ik controleerde op de parkeerplaats van de Els een grijze Suzuki met kenteken [AA-00-BB]. Van deze auto was het parkeerticket verlopen. Ik begon met het noteren van de gegevens om hem een naheffing te geven.
Bij het uitschrijven van de naheffing kwam de bestuurder van het voertuig op mij af. Ik hoorde hem zeggen “alweer jij”. Toen ik hem zag, herkende ik deze persoon van de vorige dag.
Ik hoorde hem mij uitschelden. Hij kwam toen dichterbij en ik zag dat hij met zijn vingers een pistool gebaar maakte en ik zag dat hij deze tegen mijn buik aanhield. Ik voelde in mijn buik een prik van zijn vinger. Ik hoorde hem zeggen: “ik schiet je dood als je mij nog een keer een bon uitschrijft.”
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van getuige d.d. 4 juni 2013 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2], brigadier van politie (pagina 17 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 2]:
Op 25 mei (het hof begrijpt: 25 mei 2013) was ik samen met mijn collega [betrokkene 1] aan het werk als parkeercontroleur op de parkeerplaats De Els te Waalwijk.
Ik zag dat mijn vrouwelijke collega een naheffing aan het opmaken was voor een auto, die daar geparkeerd stond.
Ik zag dat er op dat moment een Turkse man een verhitte discussie hield met mijn vrouwelijke collega. Ik maakte hieruit op dat die man het duidelijk niet eens was met de bekeuring die mijn collega aan het opmaken was.
Ik hoorde dat de man tegen mijn collega zei dat hij het belachelijk vond dat hij een bekeuring kreeg, dat hij de dag daarvoor ook al een bekeuring had gehad en dat hij er werk van zou gaan. Ik heb ook gehoord dat hij tegen mijn vrouwelijke collega zei “Ik schiet jouw collega ook dood als hij een bekeuring uitschrijft.”
3. Het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 juli 2015 voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte:
Ik was op 25 mei 2013 op het parkeerterrein De Els in Waalwijk. Ik heb daar een confrontatie gehad met een parkeercontroleur van de gemeente Tilburg.
Ik vroeg haar om geen boete uit te schrijven. Ze zei: “sorry, te laat”. Ik werd boos.
U, voorzitter, vraagt mij of ik de parkeercontroleur [betrokkene 1] wel heb uitgescholden. Ja.”
5. Op de terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2015 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt – met inbegrip van de aanvullende opmerkingen van de raadsman zoals die zijn weergegeven in voormeld proces-verbaal – het volgende in:
“Bewijsmiddelen
3. Aangeefster stelt in haar verklaring dat zij door cliënt zou zijn bedreigd. Cliënt ontkent dit ten stelligste. Cliënt geeft aan wel boos te zijn geworden om de parkeerbon en daarom heeft gescholden en haar daarbij wellicht heeft beledigd, maar hij heeft de parkeerbeambte op geen enkele manier bedreigd. Hij is haar ook niet genaderd.
4. Aangeefster stelt dat cliënt haar zowel verbaal als door het maken van ‘schietbewegingen’ heeft bedreigd. Voor de goede orde merk ik op dat cliënt nauwelijks Nederlands spreekt en het daarom moeilijk valt voor te stellen dat hij aangeefster in de Nederlandse taal heeft kunnen bedreigen op de manier zoals aangeefster stelt. Dat heeft u ook wel kunnen merken. Cliënt kan wel een gesprek in het Nederlands volgen, maar hij is niet in staat om volzinnen te maken.
5. De verklaring van aangeefster dat cliënt haar zou hebben bedreigd, op de wijze zoals ten laste is gelegd, wordt ook niet ondersteund door andere verklaringen in het dossier. De collega van aangeefster (getuige [betrokkene 2]) geeft duidelijk en ondubbelzinnig aan dat hij niet heeft gehoord dat cliënt zijn collega heeft bedreigd. Hij heeft cliënt ook geen “schietbewegingen” zien maken, zoals aangeefster stelt (pag. 17). Hij geeft kennelijk wel aan dat cliënt hem zou hebben bedreigd, maar dit ziet niet op de tenlastelegging in deze zaak. [betrokkene 2] heeft daar ook geen aangifte van gedaan.
6. Het enige wat derhalve feitelijk overblijft is de verklaring van aangeefster die haaks staat op de verklaring van cliënt en dat is te weinig om tot een veroordeling te komen.
7. Ik verzoek u cliënt dan ook vrij te spreken, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Voorwaardelijk verzoek horen getuigen
8. Mocht u echter van mening zijn dat het dossier op dit moment voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een veroordeling te komen, dan verzoek ik u voorwaardelijk om van uw bevoegdheid gebruik te maken om zowel aangeefster als [betrokkene 2] als getuige op te laten roepen en als zodanig te horen.
9. Op grond van artikel 6 EVRM heeft cliënt het recht om getuigen die belastend voor hem verklaren op te roepen en te horen, indien deze verklaringen doorslaggevend zijn om tot een veroordeling te komen. In eerste aanleg zijn deze getuigen niet gehoord. Dat heb ik zojuist uitgelegd.
10. De verdediging is van mening dat het omwille van de waarheidsvinding noodzakelijk is om in dat geval de getuigen te horen, omdat in dat geval duidelijkheid dient te worden verkregen in hetgeen de [betrokkene 2] nu daadwerkelijk heeft kunnen waarnemen en wat hij cliënt nu daadwerkelijk heeft horen zeggen. Zijn verklaring laat immers ruimte voor vragen en twijfel op dit punt. De verdediging wijst er in dit verband op dat [betrokkene 2] door de politie slechts telefonisch is gehoord en zijn verklaring niet is ondertekend. Bovendien wenst de verdediging aangeefster nadere vragen te stellen over welke bewoordingen cliënt dan precies zou hebben gebruikt, aangezien hij de Nederlandse taal niet machtig is. De verdediging wenst aangeefster te horen om de betrouwbaarheid van haar verklaring te kunnen toetsen.
11. Overigens is de verdediging van mening dat voor het horen van deze getuigen het verdedigingsbelang feitelijk als maatstaf dient te gelden, aangezien de getuigen in eerste aanleg niet zijn gehoord en de verdediging bij het opstellen van het appelschriftuur nog niet beschikte over het dossier in deze zaak. Volgens het arrest d.d. 7 juli 2014 van de Hoge Raad dient het noodzaakcriterium onder dergelijke omstandigheden dan ook te worden ingevuld aan de hand van het verdedigingsbelang.”
6. Het bestreden arrest bevat de volgende – voor de beoordeling van de middelen relevante – overwegingen:
“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
(…)
Naar het oordeel van het hof vindt de tot het bewijs gebezigde gedetailleerde verklaring van aangeefster, een buitengewoon opsporingsambtenaar die is getraind om waar te nemen steun in de verklaring van [betrokkene 2]. Hij heeft verklaard dat hij de verhitte discussie tussen verdachte en aangeefster heeft waargenomen en het hem duidelijk was dat verdachte het niet eens was met de bekeuring die aangeefster uitschreef. Voorts heeft hij gehoord dat verdachte een bedreiging met de dood heeft geuit (p. 17). Dat deze getuige de ten laste gelegde fysieke en verbale bedreigingen niet heeft gezien en gehoord, omdat hij in het begin van de confrontatie te ver verwijderd was, geeft het hof geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van aangeefster. Voorts vindt de verklaring van aangeefster steun in de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende dat hij boos was omdat aangeefster een bon uitschreef en dat hij haar heeft uitgescholden.
(…)
Nu het hof geen reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en juistheid van de verklaringen van aangeefster, voor zover tot het bewijs gebezigd, en deze verklaringen worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen, acht het hof het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Bijgevolg verwerpt het hof het verweer van de raadsman in al haar onderdelen.
Het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van getuigen
De raadsman heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan om, indien het hof van oordeel is dat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een veroordeling te komen, dan aangeefster en [betrokkene 2] te horen. De raadsman heeft aangevoerd dat het verdedigingsbelang als feitelijke maatstaf dient te gelden, nu de getuigen in eerste aanleg niet zijn gehoord en de verdediging ten tijde van het opstellen van de appelschriftuur nog niet beschikte over de processtukken.
Het stelt vast dat het verzoek om de getuigen te horen niet is gedaan bij appelschriftuur binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep, maar eerst ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 juli 2015. Maatstaf bij de beoordeling van zo een verzoek, is of het hof het horen van de getuigen noodzakelijk oordeelt.
Het hof overweegt dat ingeval de verdediging niet tijdig kon beschikken over de voor het opstellen van de appelschriftuur relevante processtukken, de eis van een eerlijke procesvoering - tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist - meebrengt dat het hof die omstandigheid in zijn afweging dient te betrekken bij gebruikmaking van de wettelijk voorgeschreven toepassing van het noodzakelijkheidscriterium. Dat kan betekenen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt.
In lijn met de relativering van dit onderscheid moet worden aangenomen dat onder omstandigheden van de verdachte ook niet kan worden gevergd dat hij voorafgaand aan de eerste terechtzitting in hoger beroep op de voet van art. 263-264 van het Wetboek van Strafvordering getuigen aan de advocaat-generaal opgeeft, bijvoorbeeld indien in eerste aanleg een verkort vonnis is gewezen en de aanvulling daarop niet tijdig voor de verdachte beschikbaar is.
Het hof overweegt dat in deze zaak in redelijkheid van de verdediging had kunnen worden gevergd dat hij tijdig voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 juli 2015 aan de advocaat-generaal de door hem verzochte getuigen had opgegeven. Immers, er is sprake van een relatief eenvoudig dossier en reeds op 10 juni 2015 zijn de procestukken verzonden naar het kantoor van de raadsman. Hij had derhalve binnen een redelijke termijn na 10 juni 2015 zijn verzoeken kunnen opgeven aan de advocaat-generaal. Nu de verdediging pas eerst op de terechtzitting d.d. 21 juli 2015 zijn verzoeken heeft opgegeven, zal het hof de verzoeken, ook feitelijk, toetsen aan het noodzaakcriterium.
Het hof wijst de verzoeken af omdat, gelet op hetgeen de raadsman aan deze verzoeken ten grondslag heeft gelegd, de noodzaak tot het horen van deze getuige niet is gebleken.
Het hof overweegt ten aanzien van het verzoek om getuige [betrokkene 2] te horen, dat de raadsman niet meer heeft aangevoerd dan dat de verklaring van [betrokkene 2] ruimte laat voor vragen en twijfels, zonder te expliciteren waaruit die twijfel bestaat.
Ten aanzien van het verzoek om aangeefster te horen, heeft de raadsman aangevoerd dat hij haar wenst te horen over welke bewoordingen zijn geuit door de verdachte en om haar betrouwbaarheid te toetsen. Daartoe heeft de raadsman herhaald hetgeen hij in het kader van zijn tot vrijspraak strekkende verweer heeft aangevoerd omtrent de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Zoals het hof reeds hiervoor heeft overwogen heeft aangeefster reeds in gedetailleerde verklaringen uiteen gezet, met welke bewoordingen en handelingen zij is bedreigd. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de buitengewoon opsporingsambtenaar, zijnde een deskundige getuige, te meer nu haar verklaringen steun vindt in de overige bewijsmiddelen.”
7. Ik zal het eerste en het derde middel in omgekeerde volgorde bespreken omdat het gebruik van de verklaring van de aangeefster voor het bewijs in samenhang moet worden beoordeeld met de afwijzing van het hof de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]1.te horen. Daarom zal ik eerst ingaan op het derde middel.
7.1. Het derde middel klaagt dat de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] onbegrijpelijk is.
7.2. Het hof heeft het verzoek tot het horen van getuige [betrokkene 2] afgewezen omdat het dit verzoek onvoldoende onderbouwd achtte. Het betreft hier een getuigenverklaring die voor het bewijs is gebruikt terwijl de verdachte in geen stadium van het strafproces in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen. Ten aanzien van de vraag of de motivering van de afwijzing van het verzoek de beslissing van het hof kan dragen heb ik op 17 januari 20172.met betrekking tot een soortgelijke vraag een conclusie genomen en daarin betoogd dat de Nederlandse praktijk aangaande de afwijzing van getuigenverzoeken gelet op de Keskin-zaak die bij het EHRM onder nummer 2205/16 tegen Nederland aanhangig is, en waarvan de Nederlandse regering het EHRM in het kader van art. art. 37 lid 1 sub c EVRM heeft bericht dat het ondervragingsrecht ex art. 6 lid 3d EVRM is geschonden, bijstelling behoeft. Daarbij heb ik het standpunt ingenomen dat de rechter de verdediging, indien zij dat verzoekt, steeds in de gelegenheid moet stellen om de verklaringen van belastende getuigen te toetsen door deze getuigen te ondervragen, alvorens een veroordeling op die verklaringen te mogen baseren. Als het gaat om een getuige à charge waarvan de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, is naar mijn mening een nadere onderbouwing van het verzoek deze getuige te horen in beginsel niet vereist. Pas wanneer het, ondanks redelijke inspanningen daartoe, niet mogelijk is gebleken om de verdediging deze gelegenheid te bieden, komt de vraag aan de orde of en, zo ja, onder welke voorwaarden de verklaringen van die getuigen niettemin kunnen worden gebruikt als bewijs voor een veroordeling. De Hoge Raad heeft in deze zaak nog geen arrest gewezen. Als ik de door mij uitgezette lijn echter doortrek naar onderhavige zaak, dan is het middel voor zover het betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek door het hof tot het horen van de getuige [betrokkene 2] gegrond. Ik volsta hier met de verwijzing naar mijn conclusie van 17 januari 2017 omdat naar mijn mening het middel reeds slaagt vanwege het volgende.
7.3. Aan zijn oordeel dat de noodzaak tot het horen van aangeefster [betrokkene 1] niet is gebleken, heeft het hof onder meer ten grondslag gelegd dat haar verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen. In dat kader acht ik HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1709, relevant. Daarin overwoog de Hoge Raad:
“Het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring is niet onverenigbaar met art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM indien de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. Het gebruik van die verklaring is ook niet ongeoorloofd indien genoemde gelegenheid heeft ontbroken, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist (vgl. HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145).”
7.4. Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep onder meer uitdrukkelijk betwist dat hij, zoals bewezenverklaard, zijn hand op een vuurwapen heeft doen gelijken en tegen de buik van aangeefster [betrokkene 1] heeft aangehouden. Deze omstandigheid blijkt, zoals de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep ook heeft aangevoerd, uitsluitend uit de aangifte van aangeefster [betrokkene 1]. Voor deze betwiste passage is in andere bewijsmiddelen geen steunbewijs is te vinden. Daarom acht ik het oordeel van het hof dat de verklaring van [betrokkene 1] steun vindt in de overige bewijsmiddelen, in het licht van het hiervoor aangehaalde arrest, niet zonder meer begrijpelijk noch toereikend gemotiveerd en in het verlengde daarvan de afwijzing van het hof van het voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen van getuige [betrokkene 1] evenmin.
7.5. Het middel slaagt.
8. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring onjuist, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd, aangezien de door het hof gebezigde bijzondere overwegingen omtrent het bewijs de bewezenverklaring niet kunnen dragen. Blijkens de toelichting berust het middel onder meer op de stelling dat de verklaring van aangeefster [betrokkene 1] onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.
8.1. Het hof heeft, zoals blijkt uit de hiervoor onder 4 weergegeven bewijsmiddelen, het proces-verbaal van aangifte, inhoudende de niet ter terechtzitting afgelegde verklaring van aangeefster [betrokkene 1] tot het bewijs gebezigd. Zoals ik hiervoor bij de bespreking van het derde middel heb opgemerkt, bevat deze verklaring, die de verdachte belast, een door de verdachte betwiste en voor de bewezenverklaring elementaire passage, waarvoor geen steun is te vinden in de andere door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Desalniettemin heeft het hof het proces-verbaal van aangifte voor het bewijs gebezigd. Nu de verdediging in geen enkel stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om aangeefster [betrokkene 1] als getuige te (doen) ondervragen, heeft het hof – gelet op het hiervoor aangehaalde arrest van 23 juni 2015 – in strijd met art. 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, EVRM, deze verklaring voor het bewijs gebruikt.
8.2. Het middel is terecht voorgesteld.
9. Nu het eerste en het derde middel naar mijn mening doel treffen, hetgeen tot vernietiging van de bestreden uitspraak dient te leiden, zal ik het tweede en vierde middel onbesproken laten. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, dan ben ik, indien de Hoge Raad dat wenst, uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
10. Ambtshalve wijs ik op het volgende. Namens de verdachte is op 6 augustus 2015 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 20 juni 2016 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim twee maanden is overschreden. Aangezien die overschrijding ook niet meer door een voortvarende behandeling kan worden gecompenseerd, is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM overschreden. Nu het eerste en het derde middel slagen, behoeft deze overschrijding geen verdere bespreking. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde worden gesteld. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑05‑2017
Beroepschrift 30‑08‑2016
CASSATIESCHRIFTUUR
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
Geeft eerbiedig te kennen:
[requirant], geboren op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats], aan de [adres] ([postcode]), hierna te noemen ‘requirant’;
dat requirant van cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch met ressortsparketnummer 20-003002-14, uitgesproken op 4 augustus 2015, waarbij requirant wegens het ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken alsook een taakstraf voor de duur van 80 uren, de volgende middelen van cassatie voordraagt:
Middel I
Er is sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen zoals bedoeld in artikel 79 RO, nu de door het Hof gebezigde bijzondere overwegingen omtrent het bewijs de bewezenverklaring niet kunnen dragen. De motivering van de bewezenverklaring is daarmede onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd waarmede sprake is van schending van het bepaalde in artikel 359 Sv.
Toelichting op het middel:
Vooropgesteld dat requirant zich bewust is van het gegeven dat de selectie en waardering van het bewijs is voorbehouden aan de feitenrechter meent hij dat de gereleveerde bewijsmiddelen in redelijkheid de bewezenverklaring niet kunnen dragen althans deze onbegrijpelijk maken. In het bijzonder acht requirant het onbegrijpelijk dat het Hof kennelijk de verklaring van collega [betrokkene 2], eveneens buitengewoon opsporingsambtenaar, als steunbewijs heeft gebezigd. Uit het dossier volgt immers dat laatstgenoemde noch van de fysieke, noch van de verbale bedreiging deelgenoot is geweest. Waar het Hof stelt ter onderbouwing van de betrouwbaarheid van de lezing van aangeefster dat zij als buitengewoon opsporingsambtenaar getraind is om waar te nemen, zou zulks ex aequo dan dienen te gelden voor collega [betrokkene 2]. Wellicht ten overvloede zij opgemerkt dat deze geen verbale bedreiging van aangeefster heeft gehoord (hetgeen zich mogelijk nog zou laten verklaren door de afstand waarop hij naar eigen zeggen aanvankelijk stond), maar dat deze als buitengewoon opsporingsambtenaar die — de interpretatie van het Hof volgend — ‘getraind is om waar te nemen’ evenmin de fysieke bedreiging heeft gezien, laat zich niet goed raden. De afstand van waaraf collega [betrokkene 2] naar eigen zeggen zou hebben gestaan was aanvankelijk 10 à 12 meter, hetgeen bezwaarlijk als een afstand kan worden gezien van waaraf de ten laste gelegde fysieke bedreiging, zeker voor iemand die volgens de overwegingen van het Hof getraind is om waar te nemen, niet waarneembaar was. De motivering van de bewezenverklaring is daarmede verre van concludent te achten. Het gegeven dat gesproken wordt van een verhitte discussie maakt dit niet anders, nu dit zich evenzogoed laat verklaren door hetgeen requirant zelf heeft verklaard. Geen enkel deel van de tenlastelegging, laat staan de gehele tenlastelegging wordt daadwerkelijk ondersteund door ander bewijsmateriaal dan dat sprake was van een verhitte discussie die zeer wel ook aannemelijk te achten is in het licht van de feitelijke situatie zoals door requirant geschetst. De beslissing van het Hof is daarmee in strijd te achten met het bepaalde in artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. De bewezenverklaring is gezien dit alles onbegrijpelijk gemotiveerd en niet naar de eis der wet met afdoende redenen omkleed.
Middel II
Er is sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen zoals bedoeld in artikel 79 RO. Meer in het bijzonder is de toetsing van het voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen van getuigen aan het noodzaakcriterium onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.
Toelichting op het middel
Het Hof heeft het voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen zoals dat ter zitting is gedaan door de raadsman van requirant getoetst aan het noodzaakcriterium. Het Hof meent dat de verdediging in een eerder stadium dan pas eerst ter terechtzitting zijn verzoeken ter zake had kunnen opgeven aan de advocaat-generaal. Het Hof hanteert hierbij de term ‘redelijke termijn’ na de datum 10 juni 2015, zijnde de datum waarop de processtukken zouden zijn verzonden aan de raadsman van requirant. Het Hof laat na nader uiteen te zetten wat wordt verstaan onder ‘redelijke termijn’, waarmee feitelijk de beslissing om de verzoeken te toetsen aan het noodzaakcriterium al onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd te achten is.
In het arrest van Uw Raad van 19 juni 20071. is het onderscheid tussen het verdedigingsbelang enerzijds en het noodzaakcriterium gerelativeerd voor het geval de verdediging niet tijdig kon beschikken over de voor het opstellen van een appèlschriftuur relevante stukken, zoals ook door het Hof is overwogen bij de beoordeling van het verzoek van de verdediging. Het Hof grijpt desondanks toch naar het noodzaakcriterium, hetgeen mede in het licht bezien van de eis van een eerlijke procesvoering in onderhavige aangelegenheid onbegrijpelijk te achten is. Het Hof heeft immers in het oordeel niet enkel nagelaten aan te geven wat dan ‘redelijk’ was geweest waar het verwijst naar de gebezigde ‘redelijke termijn’, maar ook nagelaten de omstandigheid te betrekken dat de behandeling in eerste aanleg bij verstek is gegaan, dát terwijl requirant noch zijn raadsman (die namens hem tevoren een verzetschrift had ingediend tegen de eerdere strafbeschikking) verwittigd was van de zitting bij de rechtbank. Gezien dit gemis van instantie alsook het gegeven dat de verdediging op zijn vroegst pas eerst circa 5 weken voor de terechtzitting in hoger beroep kon beschikken over de processtukken is de toetsing van de verzoeken van de verdediging aan het noodzaakcriterium zonder nadere duiding van wat dan als ‘redelijke termijn’ heeft te gelden onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd te achten.
Middel III
Er is sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen zoals bedoeld in artikel 79 RO. Meer in het bijzonder is 's Hofs afwijzing van het voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen van getuigen onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.
Toelichting op het middel
Het Hof heeft de verzoeken van de verdediging afgewezen omdat de noodzaak tot het horen van de getuigen niet is gebleken. Requirant heeft het ten laste gelegd feit ontkend en zijdens requirant is ook aangegeven waarom de beide getuigen gehoord dienden te worden. Het Hof heeft het verzoek om getuige [betrokkene 2] te horen afgewezen, nu de verdediging volgens het Hof niet heeft geëxpliciteerd waaruit de twijfel bestaat bij de verklaring van de betreffende getuige. De verdediging heeft evenwel wel degelijk aangevoerd waaruit de twijfel en ruimte voor vragen bestaat aangezien niet duidelijk is geworden wat deze getuige nu daadwerkelijk gezien en gehoord heeft. Daarbij is door requirant zelf verklaard ter zitting van het Hof dat de betreffende getuige door hem niet eens is gezien, zodat daarmee de twijfel aangaande hetgeen de getuige al dan niet zou hebben gehoord feitelijk reeds een gegeven is. In het licht van hetgeen door en zijdens requirant is aangevoerd is de afwijzing dan ook onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd.
Hetzelfde heeft te gelden ten aanzien van het afgewezen verzoek tot het horen van aangeefster. Ook hier geldt onverkort de ontkenning door requirant als basis. De verdediging heeft verzocht om de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster te kunnen toetsen, kennelijk ook nu requirant aangeeft de Nederlandse taal in onvoldoende mate te beheersen om de ten laste gelegde bewoordingen te kunnen bezigen. Het verzoek dient zo te begrepen te worden dat de verdediging aangeefster kennelijk had willen confronteren met de gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal door de verdachte en haar voorts te kunnen bevragen welke bewoordingen al dan niet precies zouden zijn gebruikt. Mede in het licht bezien van de stellige ontkenning door requirant en hetgeen voor het overige is aangevoerd is de afwijzing van het Hof onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd. Dit geldt eens temeer voor de zinsnede ‘zijnde een deskundige getuige’ die het Hof hanteert als bijkomende omstandigheid voor het oordeel tot afwijzing van het verzoek. Het is juist de beweerde deskundigheid die door de verdediging wordt betwist, mede in het licht bezien van het overige (ontbrekende) bewijsmateriaal.
Middel IV
Er is sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen zoals bedoeld in artikel 79 RO. Meer in het bijzonder zijn geschonden de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging, het gelijkheidsbeginsel en artikel 359 Sv, doordat het Hof aanzienlijk heeft afgeweken van de door de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant opgelegde straf, alsmede van de door de officier van justitie in eerste aanleg en door de advocaat-generaal bij het Hof gevorderde strafeisen alsmede van de oriëntatiepunten straftoemeting van de LOVS, hetgeen verbazing wekt waardoor de strafmotivering onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is.
Toelichting op het middel
Het Hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder een tweetal omstandigheden meegewogen, namelijk de ernst van de beweerde bedreiging en de beweerde impact ervan op het slachtoffer alsook dat het feit zou zijn gepleegd ten opzichte van een parkeercontroleur ter zake van haar taakuitoefening. Daarbij heeft het Hof bij de strafoplegging rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden alsook het gegeven dat de verdachte niet eerder ter zake soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen. Gezien deze laatste overweging wekt de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, welke volgens de overweging van het Hof dient tot het voorkomen van nieuwe strafbare feiten, verbazing althans is de oplegging onbegrijpelijk althans onvoldoend gemotiveerd te achten. Het Hof laat immers na om nader te duiden in hoeverre nieuwe strafbare feiten in de rede liggen bij de first offender die requirant is. Daarenboven wijkt de door het Hof opgelegde straf in aanzienlijke mate af van de strafmaat in eerste aanleg, de eis van het OM in eerste aanleg en in hoger beroep en valt deze ook moeilijk te rijmen met de oriëntatiepunten straftoemeting van de LOVS. De LOVS-oriëntatiepunten, die weliswaar geen recht in de zin van artikel 79 RO zijn, worden zeker bij first offenders hoofdzakelijk gebruikt bij de straftoemeting. Als oriëntatiepunt bij een bedreiging zonder hulpmiddel staat een geldboete van € 250,002. vermeld. De door het Hof in het bijzonder gereleveerde omstandigheid waarvan een potentieel strafverhogend effect blijkens de LOVS-oriëntatiepunten uitgaat, te weten dat sprake is van een parkeercontroleur / BOA zou kunnen leiden tot een strafverhoging van voormeld oriëntatiepunt met 33% tot 100%3.. Uitgaande van de maximale verhoging zou een geldboete van € 500,00 ex aequo als hetgeen in eerste aanleg is uitgesproken bij de door het Hof gebezigde overwegingen passen. De door het Hof opgelegde straf wekt daarmede verbazing en ontbeert aldus een begrijpelijke motivering.
Tot besluit
In de arresten van Uw Raad van 11 september 20124. is aangegeven dat ambtshalve cassatie slechts spaarzaam zal worden toegepast en dat bij het achterwege blijven van klachten ten aanzien van vormverzuimen en/of misslagen in de bestreden uitspraak en procedure hieraan voorafgaand uitgegaan dient te worden van een weloverwogen keuze. Mocht Uw Raad evenwel bij de bestudering van de stukken constateren dat over een bepaald punt dat tot cassatie zou moeten leiden niet is geklaagd, mag U er vanuit gaan dat deze omissie niet berust op een weloverwogen keuze en verzoek ik U in dat geval om gebruik te maken van Uw bevoegdheid om ambtshalve te casseren.
Conclusie:
Op grond van het vorenstaande is requirant de mening toegedaan dat het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch d.d. 4 augustus 2015, met ressortsparketnummer 20-003002-14, niet in stand kan blijven en voor vernietiging in aanmerking komt, weshalve requirant Uw Hoge Raad eerbiedig verzoekt tot vernietiging van het gewezen arrest over te gaan.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg, aldaar kantoorhoudende aan de Kijkduinlaan 105 (5045 PH), die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn door requirant van cassatie.
Tilburg, 30 augustus 2016
mr. R.T.A.G. keller
Raadsman
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 30‑08‑2016
HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702.
Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken, versie juli 2016. P. 7 onderaan.
Voor zover het feit is begaan tegen een politieagent, een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) of een andere toezichthouder indien het misdrijf is gepleegd gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening vanzijn of haar bediening dan wel tegen een professionele hulpverlener (brandweerman, ambulancebroeder, arts, verpleegkundige e.d.) of functionaris in het openbaar vervoer (buschauffeur, machinist, trambestuurder e.d.) kande in het oriëntatiepunt genoemde straf worden verhoogd met 33% tot 100%. Bron: Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken, versie juli 2016.
O.a. NJ 2013/243.