HR, 09-07-2024, nr. 22/04809
ECLI:NL:HR:2024:997
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-07-2024
- Zaaknummer
22/04809
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:997, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑07‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:505
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3913
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0166
Uitspraak 09‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal met (bedreiging met) geweld in supermarkt, art. 312.1 en 312.2.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht. Heeft hof verweer dat niet kan worden bewezen dat verdachte schuldig is aan medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld voldoende gemotiveerd verworpen? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Het betreft bewijsverweren die niet i.h.k.v. uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan hof zijn gepresenteerd en ook niet zo kunnen worden aangemerkt. V.zv. in middel wordt betoogd dat hof alle genoemde verweren gemotiveerd had moeten verwerpen, gaat het uit van onjuiste rechtsopvatting. Het gaat erom of bewezenverklaring, met inachtneming van vrijheid van feitenrechter t.a.v. selectie en waardering van beschikbaar bewijsmateriaal, toereikend en begrijpelijk is gemotiveerd. V.zv. middel klaagt dat hof verweer t.a.v. gestort geld, DNA aangetroffen op big shopper en getapt telefoongesprek onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen, faalt het om deze reden. In vaststellingen die hof o.b.v. historische telefoongegevens heeft gedaan, ligt verwerping van geschetst scenario, dat verdachte thuis was, besloten. Dat hof tot andere interpretatie van telefoongegevens komt, met name m.b.t. vraag wat na overval aangestraalde masten zeggen over locatie waarop verdachte zich op dat moment bevond, is onderdeel van vrije bewijswaardering van feitenrechter. ’s Hofs conclusie dat verdachte zich kort na overval in nabijheid van medeverdachte bevond en dus niet thuis was, is gelet op inhoud van bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk. ’s Hofs oordeel dat verdachte geen verklaring heeft gegeven die redengevendheid van belastende f&o ontzenuwt, is gelet op geheel aan b.m., in onderling verband en samenhang bezien, en conclusies die hof daaruit trekt, ook niet onbegrijpelijk. V.zv. middel betoogt dat in ’s hofs overweging t.a.v. niet ontzenuwende verklaring van verdachte een weerlegging van verweren moet zijn gelegen, gaat het uit van onjuiste rechtsopvatting. Uitblijven van ontzenuwende verklaring draagt niet bij aan bewijs, maar heeft functie bij waardering van belastende b.m. Volgt verwerping. Samenhang met 22/04915.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04809
Datum 9 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 december 2022, nummer 23-002128-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Kuipers, advocaat in Arnhem, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof het verweer dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld niet of onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 42 maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze veertig maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2024.