Rb. Zeeland-West-Brabant, 18-10-2024, nr. C/02/426844 / FA RK 24-4381
ECLI:NL:RBZWB:2024:8593
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
18-10-2024
- Zaaknummer
C/02/426844 / FA RK 24-4381
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2024:8593, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18‑10‑2024; (Rekestprocedure)
ECLI:NL:RBZWB:2024:6883, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27‑09‑2024; (Rekestprocedure)
Uitspraak 18‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Klachtzaak, waarbij de klacht ongegrond is verklaard.
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/426844 / FA RK 24-4381
Datum uitspraak: 18 oktober 2024
Beschikking over een klacht ex artikel 10:7 Wvggz
op het verzoek van
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1962 in [geboorteplaats],
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats] in de [accommodatie],
advocaat mr. H.J. Naber te Dordrecht.
1. Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- -
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 20 september 2024;
- -
de beschikking op het schorsingsverzoek van deze rechtbank van 27 september 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft met instemming van partijen ten overstaan van mr. P.L.J.M. van Dun, optredend als rechter-commissaris, met gesloten deuren plaatsgevonden op 2 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- de heer [naam 1], als psychiater verbonden aan [accommodatie].
Voorts waren daarbij aanwezig maar zijn niet gehoord:
- -
de heer [naam 2], AIOS;
- -
mevrouw [naam 3], begeleidster.
1.3.
Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal is op 17 oktober 2024 aan partijen gezonden en ter beschikking gesteld van de meervoudige kamer. Thans zal door de meervoudige kamer op het verzoek worden beslist. Mr. Van Dun maakt onderdeel uit van de meervoudige kamer die op het verzoek beslist.
2. Feiten en procesverloop
2.1.
Sinds 2021 woont betrokkene aan [adres] te [plaats] in [de woonvoorziening], welke woonvoorziening deel uitmaakt van een aan de [straat] te [plaats] gelegen accommodatie in de zin van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) van de [accommodatie].
2.2.
Bij beschikking van 19 oktober 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van bipolaire stemmingsstoornissen, disruptieve, impulsbeheersings- en andere gedragsstoornissen en middelgerelateerde- en verslavingsstoornissen, waaruit ernstig nadeel voortvloeit. Om dit ernstig nadeel te voorkomen is ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 19 oktober 2024. Bij die zorgmachtiging zijn de volgende vormen van verplichte zorg opgenomen:
- toedienen van medicatie;
- verrichten van medische controles;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrags-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op de aanwezigheid van gedrags-beïnvloedende middelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.
2.3.
Bij brief van 27 augustus 2024 heeft de zorgverantwoordelijke psychiater ([naam 1]) aan betrokkene medegedeeld dat hij per 24 september 2024 zal worden ontslagen uit de instelling te [plaats].
2.4.
Bij brief van 5 september 2024 heeft betrokkene tegen de voornoemde beslissing van de psychiater een klacht ingediend bij de Regionale Klachtencommissie Midden en West Brabant. De klacht richt zich tegen het besluit tot gedwongen ontslag uit het wooncomplex [de woonvoorziening]. Betrokkene wil niet op straat komen en wenst de zorg in [de woonvoorziening] te blijven ontvangen. Volgens betrokkene is de zorgaanbieder daartoe verplicht op grond van artikel 8:7 lid 1 Wvggz.
2.5.
Bij uitspraak van 11 september 2024 heeft de klachtencommissie zich onbevoegd verklaard en tevens geoordeeld dat de klacht niet-ontvankelijk is. De motivering komt er in de kern op neer dat betrokkene opkomt tegen een ontslag uit een vrijwillige woonvorm, waardoor verplichte zorg, als in het gedwongen opnemen in een accommodatie, niet aan de orde is en zodoende de Wvggz niet van toepassing is. De uitspraak is op 16 september 2024 verzonden aan betrokkene.
2.6.
Bij beschikking van 18 september 2024 heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene opnieuw een zorgmachtiging verleend tot en met 18 september 2025. Daarbij zijn dezelfde vormen van verplichte zorg opgenomen als die bij de eerdergenoemde zorgmachtiging waren opgenomen, met uitzondering van het verrichten van medische controles.
2.7.
Op 20 september 2024 heeft de advocaat van betrokkene namens betrokkene bij de rechtbank verzoeken als bedoeld in de artikelen 10:7 en 10:9 Wvggz ingediend.
2.8.
Bij beschikking van 27 september 2024 heeft de rechtbank het namens betrokkene gedane verzoek ex artikel 10:9 Wvggz tot schorsing van de beslissing van de zorgverantwoordelijke psychiater tot ontslag uit de instelling afgewezen.
2.9.
Op 2 oktober is het ontslag van betrokkene uit de instelling geëffectueerd.
3. Het verzoek
Het verzoek van betrokkene ex artikel 10:7 Wvggz strekt ertoe om bij beschikking te bepalen dat de klachten van verzoeker gegrond zijn en de zorgaanbieder te verplichten de zorg bestaande uit de opname van verzoeker in de accommodatie [de woonvoorziening] (aan [adres], [plaats]) te verlenen en de zorgaanbieder te verbieden verzoeker uit deze accommodatie te ontslaan.
4. De standpunten
4.1.
Betrokkene heeft in zijn verzoek allereerst het formele standpunt ingenomen, kort en zakelijk weergegeven, dat de klachtencommissie zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard en zijn klacht ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.2.
Betrokkene heeft zich in zijn verzoek verder inhoudelijk op het standpunt gesteld, kort en zakelijk weergegeven, dat hij het niet terecht en ook in strijd met de zorgplicht van de zorgaanbieder vindt, dat hij uit de accommodatie wordt ontslagen vanwege door hem gedane gedragingen en uitlatingen die voortkomen uit zijn psychische stoornis. Dit temeer omdat met name uitlatingen van hem wel zorgelijk en dreigend voor buitenstaanders kúnnen overkomen maar niet werkelijk gemeend zijn. De veiligheid van de medebewoners en begeleiders is dan ook nooit in het geding geweest. Betrokkene verblijft niet alleen graag in [de woonvoorziening], maar zijn opname daar is recent ook bevestigd in de zorgmachtiging van 18 september 2024. Op het moment dat betrokkene op straat wordt gezet, terwijl het nog maar de vraag is of hij elders terecht kan en adequate zorg/toezicht met name voor wat betreft zijn noodzakelijke medicatie-inname zal krijgen, is het risico op psychische decompensatie groot.
4.3.
De psychiater heeft tijdens de mondelinge behandeling, kort en zakelijk weergegeven, naar voren gebracht dat betrokkene geheel vrijwillig op [de woonvoorziening] woont. De in de zorgmachtiging opgenomen verplichte zorg “opnemen in een accommodatie” is daarvoor dan ook niet ingezet, terwijl die verplichte zorg volgens de psychiater bovendien énkel ziet op een opname op de HIC in het geval betrokkene psychisch decompenseert.Volgens de psychiater toont betrokkene vanaf juli 2024 ontoelaatbaar gedrag en is hij daar door de psychiater ook herhaaldelijk op aangesproken. In juli 2024 is betrokkene op de HIC opgenomen om zijn gedrag te observeren. De psychiater stelt dat de gedragsproblematiek van betrokkene voortvloeit uit zijn disruptieve impulsbeheersingsstoornis en andere gedragsstoornissen en dus niet uit zijn bipolaire stemmingsstoornis. Een opname op de HIC is echter alleen bedoeld voor het stabiliseren van zijn bipolaire stemmingsstoornis en niet voor zijn disruptieve impulsbeheersingsstoornis. Voor zijn disruptieve impulsbeheersingsstoornis wordt hij ook niet in [de woonvoorziening] c.q de instelling waar [de woonvoorziening] deel van uitmaakt behandeld. Ondanks meerdere waarschuwingen en gesprekken van de psychiater met betrokkene, blijft hij nog steeds ontoelaatbaar agressief en bedreigend gedrag vertonen. Dit werkt volgens de psychiater zodanig groeps-ontwrichtend, dat het naar zijn oordeel niet langer verantwoord is om betrokkene op [de woonvoorziening] te laten wonen. De medewerkers van [de woonvoorziening] hebben niet meer de draagkracht om betrokkene te begeleiden en de psychiater heeft er geen vertrouwen in dat betrokkene zijn gedrag zal verbeteren. Betrokkene is aangeboden om in gesprek te gaan met maatschappelijk werk over een passende woonvoorziening, maar betrokkene houdt dat af. De psychiater ziet mogelijkheden om betrokkene in een ambulante setting hulp en ondersteuning te bieden. Het is daarbij belangrijk dat het betreffende ambulante team erop toeziet dat hij zijn medicatie blijft innemen.
5. De beoordeling
5.1.
De rechtbank stelt vast dat betrokkene onder verwijzing naar artikel 10:3 jo. 8:7 lid 1 Wvggz een klacht heeft ingediend bij de Regionale Klachtencommissie Midden en West Brabant. Door de klachtencommissie is op die klacht een beslissing genomen. Betrokkene kan die beslissing op grond van artikel 10:7 lid 1 Wvggz ter toetsing voorleggen aan de rechtbank. Het verzoekschrift is bovendien ingediend binnen de in artikel 10:7 lid 2 Wvggz gestelde termijn. De rechtbank zal het verzoek daarom in behandeling nemen.
5.2.
In de kern komt de klacht van betrokkene er op neer dat de zorgaanbieder, door het beëindigen van de zorg in [de woonvoorziening], in strijd handelt met de zorgplicht op grond van artikel 8:7 lid 1 Wvggz. Betrokkene acht zich op basis hiervan klachtgerechtigd op grond van artikel 10:3 Wvggz.
De rechtbank overweegt als volgt.
5.3.
Op grond van artikel 8:7 lid 1 Wvggz is de zorgaanbieder verplicht de zorg, genoemd in de zorgmachtiging, te verlenen. In het verlengde hiervan is in artikel 8:7 lid 2 Wvggz bepaald dat de zorgaanbieder, naast de tijdelijke verplichte zorg voorafgaand aan een crisismaatregel, alleen de vormen van verplichte zorg kan verlenen die zijn opgenomen in de zorgmachtiging, de crisismaatregel of een beslissing op grond van artikelen 8:11 tot en met 8:14 Wvggz. Door betrokkene kan op grond van artikel 10:3, aanhef en onder e Wvggz worden geklaagd over een verplichting of beslissing op grond van artikel 8:7 Wvggz.
5.4.
De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld wat de reikwijdte is van het begrip ‘zorg’ in artikel 8:7 lid 1 Wvggz en met name de vraag of daarmee, zoals betrokkene blijkens zijn klacht en verzoek kennelijk van mening is, naast verplichte zorg ook vrijwillige zorg dient te worden verstaan.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
5.5.
Uit de wetsgeschiedenis en de toelichting op artikel 8:7 lid 1 Wvggz kan worden afgeleid dat deze bepaling de algemene verplichting voor de zorgaanbieder betreft om de interventies op het terrein van de zorg die zijn vastgelegd in een rechterlijke machtiging (of een crisismaatregel) ook daadwerkelijk te verlenen. Betrokkene kan hieraan aldus een recht op zorg ontlenen. Uit artikel 8:7 lid 1 Wvggz in samenhang gelezen met artikel 8:7 lid 2 Wvggz volgt expliciet dat alleen verplichte zorg die is toegestaan door de rechter of, in geval van een crisismaatregel, de burgemeester, kan en dan ook moet worden verleend, als de noodzaak daartoe bestaat. Het begrip ‘zorg’ moet volgens de rechtbank dan ook zo worden verstaan dat dit niet verder reikt dan het toepassen van ‘verplichte zorg’.
5.6.
Niet ter discussie staat dat betrokkene op vrijwillige basis bij [de woonvoorziening] verblijft althans verbleef en daar ook niet wenst weg te gaan. Die wens ligt ook ten grondslag aan het initiëren van de klacht- en de onderhavige procedure. De in de zorgmachtiging opgenomen verplichte zorgvorm “opnemen in een accommodatie” is en hoeft om die reden niet te worden toegepast. Voor wat betreft het verblijf van betrokkene is gelet hierop geen sprake van verplichte zorg of de beëindiging daarvan. De rechtbank neemt daarbij overigens in aanmerking dat de in de zorgmachtiging opgenomen verplichte zorgvorm ‘opnemen in de accommodatie’ niet op het verblijf van betrokkene in [de woonvoorziening] ziet, maar op een mogelijke opname op de HIC indien betrokkene zou decompenseren. Zulks is niet aan de orde.
5.7.
Dit betekent dat artikel 8:7 van de Wvggz niet van toepassing is op de situatie van betrokkene. De klacht valt ook niet anderszins onder het bereik van de Wvggz, omdat deze ook anderszins onder de limitatieve opsomming in artikel 10:3 Wvggz valt.
5.8.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de klachtencommissie de klacht terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De rechtbank oordeelt de klacht ongegrond.
Ten overvloede
5.9.
De rechtbank overweegt ten overvloede dat deze beslissing onverlet laat dat er vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de afweging die in het geval van betrokkene is gemaakt. Het ligt immers in de rede dat door het ontzeggen van een permanente woonplek betrokkene weer zal terugvallen en het dientengevolge weer noodzakelijk zal worden om verplichte zorg te bieden.
6. De beslissing
De rechtbank:
- Verklaart de klacht ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Dun, voorzitter en tevens rechter, mr. Weerkamp, rechter en mr. De Jong, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2024 in aanwezigheid van Weterings, griffier. | ||
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Uitspraak 27‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Verzoek tot schorsing van de beslissing van de zorgverantwoordelijke ex artikel 10:9 Wvggz tot gedwongen ontslag in afwachting van de beslissing op het klachtverzoek afgewezen. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om te kunnen concluderen dat evident sprake is van een onjuiste beoordeling door de zorgverantwoordelijke. De benodigde zorg die onderdeel is van de zorgmachtiging kan worden gecontinueerd en het gedwongen ontslag zal niet leiden tot het direct intreden van ernstig nadeel dat voortvloeit uit de psychische stoornis. Ook is er geen aanleiding om aan te nemen dat de beslissing van de zorgverantwoordelijke in afwachting van de behandeling van de klachtzaak onevenredige gevolgen heeft voor betrokken.
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie: Breda
Zaaknummer: C/02/426844 / FA RK 24-4381
Datum uitspraak: 27 september 2024
Beschikking schorsingsverzoek ex artikel 10:9 Wvggz
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1962 te [geboorteplaats],
wonende te [woonadres],
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. H.J. Naber te Dordrecht.
ter verkrijging van een beslissing over een schorsingsverzoek door betrokkene ingediend bij de rechtbank op 20 september 2024.
1. Het procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift ex artikel 10:7 lid 1 Wvggz tevens ex artikel 10:9 Wvggz, bij de griffie van deze rechtbank ontvangen op 20 september 2024, met bijlagen.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft, voor zover het verzoek ziet op de schorsing van de beslissing van de zorgverantwoordelijke ex artikel 10:9 Wvggz, plaatsgevonden op 27 september 2024, in de [accommodatie].
1.3.
Tijdens deze mondelinge behandeling waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat mr. H.J. Naber;
- de heer [naam 1], psychiater en zorgverantwoordelijke.
Tevens was aanwezig, [naam 2], begeleidster, die niet is gehoord.
2. De feiten
1.1.
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 september 2024 is ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van 12 maanden, te weten tot 18 september 2025.
1.2.
Bij brief van 27 augustus 2024 heeft de zorgverantwoordelijke aan betrokkene medegedeeld dat hij met ingang van 24 september 2024 gedwongen wordt ontslagen uit de instelling waar betrokkene thans woonachtig is. Mondeling is aan betrokkene toegezegd dat het ontslag pas op 2 oktober 2024 zal plaatsvinden danwel per direct wanneer betrokkene zich in de aankomende periode niet aan de afspraken houdt.
1.3.
Betrokkene heeft bij brief van 5 september 2024 bij de klachtencommissie een klacht ingediend tegen voormelde beslissing van de zorgverantwoordelijke.
1.4.
De klachtencommissie heeft zich bij uitspraak van 11 september 2024, verzonden op 16 september 2024, onbevoegd verklaard om over de klacht van betrokkene te beslissen en betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht.
1.5.
Bij verzoekschrift van 20 september 2024 is namens betrokkene een klacht ingediend bij de rechtbank ex artikel 10:7 lid 1 Wvggz. Tevens is verzocht om de beslissing van de zorgverantwoordelijke tot gedwongen ontslag te schorsen hangende de behandeling van de klachtprocedure. Thans zal, gelet op de spoedeisendheid van dat verzoek, alleen het schorsingsverzoek ex artikel 10:9 Wvggz worden behandeld. Op de klacht van betrokkene zal op een nader te bepalen datum door de rechtbank worden beslist.
3. De standpunten
3.1.
Betrokkene geeft tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – aan dat hij vrijwillig bij [accommodatie] verblijft en daar graag wil blijven wonen. Betrokkene is het niet eens met het gedwongen ontslag. Zijn verblijf bij [accommodatie] geeft hem als enige hoop, want in de maatschappij lukt het betrokkene niet om zich adequaat te gedragen. De zus van betrokkene is onlangs overleden en iedereen om betrokkene heen gaat dood. Daar kan betrokkene niet meer tegen. Betrokkene heeft zijn emoties niet onder controle. Dat is het enige wat er speelt. Verder heeft betrokkene de afgelopen weken twee time-outs gehad. Hij heeft toen verbleven in een hotel. De kosten daarvan wil hij verhalen op de zorgverantwoordelijke. Als betrokkene niet bij [accommodatie] mag blijven, ziet hij het leven niet meer zitten. Hij wil niet naar een SMO en hij wenst daar ook niet over in gesprek te gaan. Betrokkene zal, indien hij niet langer bij [accommodatie] mag blijven, de medicatie inname staken en de ambulante hulp weigeren. Ook geeft betrokkene aan dat hij dan zijn middelengebruik zal hervatten en de uitspraken die hij thans doet zal uitvoeren.
3.2.
Namens betrokkene is door de advocaat toewijzing van het schorsingsverzoek bepleit. De beslissing van de zorgverantwoordelijke dient geschorst te worden totdat de rechtbank de klacht inhoudelijk heeft behandeld. Betrokkene is in eerste instantie vanuit een strafrechtelijke titel opgenomen in een forensisch psychiatrische kliniek. Betrokkene was toen verslaafd aan alcohol en drugs en is hier in detentie zelf mee gestopt. Vervolgens is betrokkene overgeplaatst naar [accommodatie]. Het ging geruime tijd goed met betrokkene en de behandelaren en begeleiding waren tevreden. Betrokkene heeft in die periode zelf ook aangegeven dat hij het fijn vond dat de zorgmachtiging werd verlengd omdat betrokkene zorg nodig heeft. De laatste maanden gaat het echter slechter met betrokkene. Zijn zus is overleden en hij is teruggevallen in alcohol- en drugsgebruik. De uitspraken die betrokkene in stressvolle situaties doet, zijn ernstig, maar betrokkene geeft er geen blijk van dat hij de uitspraken daadwerkelijk gaat uitvoeren. In het verleden is niet gebleken dat hij dit heeft gedaan en dat zou ook duidelijk moeten zijn voor het personeel dat dagelijks bij hem betrokken is. Deze gedragingen, waar betrokkene waarschuwingen voor heeft gekregen, houden verband met de psychische stoornis van betrokkene, meer in het bijzonder met de disruptieve, impulsbeheersings- en andere gedragsstoornissen. Betrokkene is in dat kader niet wilsbekwaam en overziet niet wat hij doet. Dit volgt ook uit de medische verklaring die is opgesteld ten aanzien van de recente verlenging van de zorgmachtiging. Daarin is agressie naar derden bovendien opgenomen als een vorm van ernstig nadeel. Daarbij vindt betrokkene niet dat hij vanwege zijn gedrag gedwongen kan worden ontslagen. Betrokkene wil bij [accommodatie] blijven en een opname heeft de rechtbank eerder ook nodig gevonden. De vrijwilligheid van betrokkene ten aanzien van zijn verblijf, doet dan ook niet af aan de noodzaak daarvan. Betrokkene vindt dan ook dat hij [accommodatie] op grond van de Wvggz kan aanspreken op de zorgplicht. Op grond van artikel 8:7 Wvggz is de GGZ verplicht om de zorg te verlenen die in de zorgmachtiging is opgenomen, zo ook de opname in een accommodatie. Wanneer betrokkene gedwongen wordt ontslagen zal hij, wanneer hij geen geld meer heeft om een hotelkamer te betalen, op straat komen te staan. Betrokkene is slecht ter been, heeft COPD, is afhankelijk van zijn scootmobiel en heeft verslavingsproblematiek. Dit is vragen om problemen. Tot slot merkt de advocaat op dat op het bezwaar van betrokkene bij de geneesheer-directeur tegen zijn ontslag negatief is beslist.
3.3.
De zorgverantwoordelijke stelt dat het schorsingsverzoek afgewezen moet worden. Het verblijf van betrokkene bij [accommodatie], dat op vrijwillige basis aan betrokkene wordt geboden, is niet langer haalbaar. Niet voor de medepatiënten en niet voor het personeel. Het is heftig wat er gebeurd is en, hoewel betrokkene zijn uitspraken wellicht niet zal waarmaken, dienen deze uitspraken niet gebagatelliseerd te worden. De medepatiënten raken door het gedrag van betrokkene ontregeld en de zorgverantwoordelijke doet zijn team tekort als hij er niets aan doet. De zorgverantwoordelijk heeft betrokkene de kans gegeven om zijn gedrag aan te passen door het geven van verschillende waarschuwingen. Op de momenten dat de waarschuwingen zijn gegeven was betrokkene niet ontregeld en de gedragingen houden geen verband met de psychische stoornis van betrokkene. Verder heeft de zorgverantwoordelijke stilgestaan bij nazorg en huisvesting voor betrokkene. Het gesprek met de maatschappelijk werkster voor het regelen van huisvesting heeft betrokkene zelf afgezegd, omdat hij niet naar een maatschappelijke opvang wil. Beschermd wonen is niet mogelijk door zijn agressie en gedragsproblemen. De nazorg is vanuit de zorgmachtiging verplicht en ook nodig. Betrokkene is aangemeld bij het regioteam en het overdrachtsgesprek heeft met hem plaatsgevonden. Bij het ontslaggesprek zullen ook de casemanager en de regiebehandelaar die de zorg voor betrokkene overnemen aanwezig zijn. Het regioteam zal het toestandsbeeld van betrokkene monitoren en de continuïteit van zorg wordt gewaarborgd. Wanneer betrokkene de woonvoorziening moet verlaten zal er bovendien niet direct ernstig nadeel optreden. Mocht het toestandsbeeld verergeren of als er ernstig nadeel ontstaat, zal betrokkene uiteraard, al dan niet gedwongen, worden opgenomen op de HIC.
4. De beoordeling
4.1.
De inhoudelijke klacht van betrokkene zal op een later moment door de rechtbank worden behandeld. De rechtbank zal zich bij de beoordeling thans dan ook beperken tot het verzoek van betrokkene om de beslissing van de zorgverantwoordelijke tot gedwongen ontslag te schorsen hangende de inhoudelijke klachtprocedure.
4.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 10:9 lid 1 Wvggz kan de rechtbank de beslissing waartegen de klacht is gericht, schorsen.
4.3.
Het is de rechtbank gebleken dat betrokkene gedrag vertoont dat niet verenigbaar is met de regels die gelden in de woonvoorziening, waar betrokkene – zoals tijdens de mondelinge behandeling ook door betrokkene is aangegeven – vrijwillig verblijft. Betrokkene heeft voor zijn gedrag verschillende waarschuwingen en time-outs gekregen, waarna het gedwongen ontslag aan betrokkene op de juiste wijze is aangezegd. Door de zorgverantwoordelijke is vervolgens het regioteam ingeschakeld. Het regioteam zal de (medicamenteuze)behandeling van betrokkene overnemen en het toestandsbeeld van betrokkene opvolgen. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de benodigde zorg, die onderdeel is van de zorgmachtiging, kan worden gecontinueerd. Een opname is niet benodigd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gedwongen ontslag van betrokkene – zoals door de zorgverantwoordelijke tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht – niet zal leiden tot het direct intreden van ernstig nadeel dat voortvloeit uit de psychische stoornis van betrokkene. Betrokkene is thans niet ontregeld en de benodigde (medicamenteuze) behandeling van betrokkene zal doorgang vinden vanuit het ambulante kader. Wanneer ambulante zorg onvoldoende blijkt en betrokkene alsnog ontregelt of ernstig nadeel optreedt, kan betrokkene, al dan niet vrijwillig, worden opgenomen op de HIC. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de beslissing van de zorgverantwoordelijke, in afwachting van de behandeling van de klachtzaak, onevenredige gevolgen heeft voor betrokkene. De zorgverantwoordelijke heeft bovendien samen met betrokkene de mogelijkheden van een vervangende woonvoorziening bij bijvoorbeeld het Leger des Heils willen onderzoeken, hetgeen betrokkene zelf heeft geweigerd.
4.4.
De rechtbank ziet, gelet op hetgeen uit de stukken naar voren is gekomen en de door de zorgverantwoordelijke tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting, onvoldoende aanleiding om te kunnen concluderen dat evident sprake is van een onjuiste beoordeling door de zorgverantwoordelijke en in het verlengde daarvan ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om gebruik te maken van haar (discretionaire) bevoegdheid tot schorsing van het besluit tot gedwongen ontslag, in afwachting van de beslissing op het klachtverzoek van betrokkene door de rechtbank. Het schorsingsverzoek zal dan ook worden afgewezen.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot schorsing van de beslissing van de zorgverantwoordelijke tot gedwongen ontslag af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2024 door mr. Gremmen, rechter, in aanwezigheid van mr. Palings, griffier en op schrift gesteld op 1 oktober 2024. | ||
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.