Procestaal: Bulgaars.
HvJ EU, 25-05-2023, nr. C-608/21
ECLI:EU:C:2023:426
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
25-05-2023
- Magistraten
C. Lycourgos, L. S. Rossi, J.-C. Bonichot, S. Rodin, O. Spineanu-Matei
- Zaaknummer
C-608/21
- Conclusie
P. Pikamäe
- Roepnaam
Politseyski organ pri 02 RU SDVR
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:426, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 25‑05‑2023
ECLI:EU:C:2023:23, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 12‑01‑2023
Uitspraak 25‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in strafzaken — Richtlijn 2012/13/EU — Recht op informatie in strafprocedures — Artikel 6 — Recht op informatie over de beschuldiging — Artikel 7 — Recht op toegang tot de stukken van het dossier — Daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging — Artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Recht op vrijheid en veiligheid — Mededeling, in een afzonderlijk document, van de redenen om de verdachte of beklaagde te detineren — Tijdstip waarop deze mededeling moet worden gedaan
C. Lycourgos, L. S. Rossi, J.-C. Bonichot, S. Rodin, O. Spineanu-Matei
Partij(en)
In zaak C-608/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 17 september 2021, ingekomen bij het Hof op 29 september 2021, in de bestuursrechtelijke strafprocedure tegen
XN,
in tegenwoordigheid van:
Politseyski organ pri 02 RU SDVR,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos (rapporteur), kamerpresident, L. S. Rossi, J.-C. Bonichot, S. Rodin en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
XN, vertegenwoordigd door R. Rashkov, advokat,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wasmeier en I. Zaloguin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 januari 2023,
het navolgende
Arrest
1
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure inzake de rechtmatigheid van het bevel waarbij XN is gedetineerd.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
In overwegingen 14, 22, 27 en 28 van richtlijn 2012/13 staat te lezen:
- ‘(14)
Deze richtlijn […] bevat gemeenschappelijke minimumnormen die — teneinde het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten te vergroten — van toepassing zijn op het verstrekken van informatie over rechten en over de beschuldiging aan personen die worden verdacht of beschuldigd van een strafbaar feit. Deze richtlijn is geënt op de in het [Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’)] neergelegde rechten, in het bijzonder de artikelen 6, 47 en 48, die op hun beurt zijn gebaseerd op de artikelen 5 en 6 [van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: ‘EVRM’), ondertekend te Rome op 4 november 1950], zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens [(EHRM)]. […]
[…]
- (22)
Wanneer verdachten of beklaagden zijn aangehouden of gedetineerd, dienen zij te worden geïnformeerd over de toepasselijke procedurele rechten door middel van een schriftelijke verklaring van rechten, in gemakkelijk te begrijpen bewoordingen opgesteld, om hen te helpen bij het daadwerkelijk begrijpen van hun rechten. Een dergelijke verklaring van rechten dient onverwijld aan elke aangehouden persoon te worden verstrekt wanneer hij in het kader van een strafprocedure door de tussenkomst van een rechtshandhavingsautoriteit van zijn vrijheid is beroofd. Deze verklaring dient basisinformatie te bevatten over de mogelijkheden om de rechtmatigheid van de aanhouding aan te vechten, een herziening van de detentie te bekomen of om voorlopige invrijheidstelling te verzoeken, indien en voor zover het nationale recht in een dergelijk recht voorziet. […]
- (27)
Een persoon die ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, dient alle informatie over de beschuldiging te ontvangen die hij nodig heeft om zijn verdediging te kunnen voorbereiden en die met het oog op een eerlijk verloop van de procedure is geboden.
- (28)
De informatie aan verdachten of beklaagden over het strafbare feit waarvan ze worden verdacht of beschuldigd, dient onverwijld, doch zonder lopende onderzoeken te schaden, te worden verstrekt, en uiterlijk vóór hun eerste officiële verhoor door de politie of een andere bevoegde autoriteit. Met het oog op een eerlijk verloop van de procedure en op de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging dient de omschrijving van het strafbare feit waarvan de persoon wordt verdacht of beschuldigd, met inbegrip van, indien bekend, tijd en plaats en de mogelijke wettelijke kwalificatie van het vermeende strafbare feit, te worden verstrekt in voldoende detail, rekening houdend met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt.’
4
Artikel 1 van richtlijn 2012/13, met het opschrift ‘Onderwerp’, luidt:
‘Deze richtlijn legt voorschriften vast met betrekking tot het recht op informatie van verdachten of beklaagden over hun rechten in strafprocedures en over de tegen hen ingebrachte beschuldiging. De richtlijn legt ook voorschriften vast met betrekking tot het recht op informatie van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd ten aanzien van hun rechten.’
5
Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:
‘Deze richtlijn geldt voor personen, vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van een lidstaat hen ervan in kennis stellen dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, tot de beëindiging van de procedure, dat wil zeggen, tot de definitieve vaststelling dat zij het strafbare feit al dan niet hebben begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure.’
6
Artikel 6 van de richtlijn, met als opschrift ‘Recht op informatie over de beschuldiging’, bepaalt in de leden 1 tot en met 3 het volgende:
- ‘1.
De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden informatie ontvangen over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. Deze informatie wordt onverwijld verstrekt en is zo gedetailleerd als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen.
- 2.
De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, in kennis worden gesteld van de redenen voor hun aanhouding of detentie, met inbegrip van het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd.
- 3.
De lidstaten zien erop toe dat uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging, gedetailleerde informatie wordt verstrekt over de beschuldiging, met inbegrip van de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, alsmede over de aard van de beweerde betrokkenheid van de beklaagde.’
7
Artikel 7 van richtlijn 2012/13, met als opschrift ‘Recht op toegang tot de stukken van het dossier’, bepaalt in de leden 1 en 2 het volgende:
- ‘1.
Wanneer een persoon in enige fase van de strafprocedure is aangehouden en gedetineerd, zien de lidstaten erop toe dat de stukken betreffende de zaak die in het bezit zijn van de bevoegde autoriteiten en die essentieel zijn om de rechtmatigheid van de aanhouding of de detentie overeenkomstig het nationale recht daadwerkelijk aan te vechten, ter beschikking worden gesteld van de aangehouden personen of hun advocaten.
- 2.
De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden of hun advocaten toegang wordt verleend tot ten minste alle bewijsstukken waarover de bevoegde autoriteiten beschikken en die belastend of ontlastend voor de betrokkenen zijn, teneinde een eerlijk verloop van de procedure te waarborgen en de voorbereiding van de verdediging mogelijk te maken.’
8
Artikel 8 van richtlijn 2012/13, met het opschrift ‘Registratie en rechtsmiddelen’, luidt in lid 1 als volgt:
‘De lidstaten zien erop toe dat wanneer informatie wordt verstrekt aan verdachten of beklaagden overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6, dit wordt geregistreerd volgens de registratieprocedure waarin het recht van de betrokken lidstaat voorziet.’
Bulgaars recht
9
Artikel 22 van de Zakon za administrativnite narushenia i nakazania (wet op bestuursrechtelijke overtredingen en sancties, DV nr. 92 van 28 november 1969) bepaalt het volgende:
‘Om bestuursrechtelijke overtredingen te voorkomen en te beëindigen, alsmede om de schadelijke gevolgen daarvan te voorkomen en ongedaan te maken, kunnen bestuurlijke dwangmaatregelen worden opgelegd.’
10
Artikel 23 van deze wet luidt als volgt:
‘De gevallen waarin bestuurlijke dwangmaatregelen kunnen worden opgelegd, de aard van die maatregelen, de diensten die ze moeten opleggen alsook de duur ervan en de beroepsgangen ertegen worden bepaald in een wet of besluit dienaangaande.’
11
Artikel 72 van de zakon za Ministerstvo na vatreshnite raboti (wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken, DV nr. 53 van 27 juni 2014) bepaalt in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken’) het volgende:
- ‘(1)
Politiediensten kunnen een persoon detineren:
- 1.
ten aanzien van wie er aanwijzingen zijn dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd.
[…]
- (4)
De gedetineerde heeft het recht de rechtmatigheid van de detentie te betwisten bij de rayonen sad [(rechter in eerste aanleg, Bulgarije)] van de plaats waar de betrokken politiedienst is gevestigd. De rechter doet onverwijld uitspraak op het beroep en tegen zijn beslissing kan overeenkomstig de Administrativno protsesualen kodeks [(wetboek bestuursprocesrecht)] cassatieberoep worden ingesteld bij de bevoegde administrativen sad [(bestuursrechter, Bulgarije)].
- (5)
Vanaf het tijdstip waarop hij in detentie wordt geplaatst, heeft de gedetineerde recht op een advocaat, waarbij hij ook moet worden ingelicht over zijn recht om af te zien van een advocaat en de daaraan verbonden gevolgen, alsook over zijn recht om te zwijgen wanneer hij wordt gedetineerd op grond van lid 1, punt 1.
[…]’
12
Volgens artikel 73 van deze wet mag de betrokkene die onder de voorwaarden van artikel 72, lid 1, punten 1 tot en met 4, van die wet werd gedetineerd, niet worden onderworpen aan andere beperkingen dan die van het recht van vrij verkeer. De detentie mag in dergelijke gevallen maximaal 24 uur duren.
13
Artikel 74 van de wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken luidt als volgt:
- ‘(1)
Voor de in artikel 72, lid 1, bedoelde personen wordt een schriftelijk detentiebevel uitgevaardigd.
- (2)
Het in lid 1 bedoelde bevel moet de volgende gegevens bevatten:
- 1.
naam, functie en standplaats van de politieambtenaar die het bevel heeft uitgevaardigd;
- 2.
de feitelijke en juridische redenen voor de detentie;
- 3.
identificatiegegevens van de gedetineerde;
- 4.
datum en tijdstip van de detentie;
- 5.
de beperking van de rechten van de betrokkene op grond van artikel 73;
- 6.
zijn recht:
- a)
om de rechtmatigheid van de detentie in rechte te betwisten;
- b)
om zich bij te laten staan door een advocaat vanaf het tijdstip waarop hij wordt gedetineerd;
[…]
- (3)
De gedetineerde vult een verklaring in waaruit blijkt dat hij in kennis is gesteld van zijn rechten en voornemens is zijn rechten uit hoofde van lid 2, punt 6, onder b) tot en met f), al dan niet uit te oefenen. Het detentiebevel wordt door de politieambtenaar en de gedetineerde ondertekend.
- (4)
De weigering van of de onmogelijkheid voor de gedetineerde om het detentiebevel te ondertekenen, wordt bevestigd door de handtekening van een getuige.
[…]
- (6)
Een afschrift van het detentiebevel moet tegen ondertekening aan de gedetineerde worden overhandigd.’
14
Artikel 21, lid 1, van het Administrativnoprotsesualen kodeks (wetboek bestuursprocesrecht, DV nr. 30 van 11 april 2006), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalt:
‘Een individuele bestuurlijke handeling is de uitdrukkelijke wilsuiting of de door handelen of nalaten tot uitdrukking gebrachte wilsuiting van een bestuurlijke instantie of een andere wettelijk daartoe bevoegde instantie of organisatie van personen die openbare functies uitoefenen en van organisaties die openbare diensten verlenen, waardoor rechten of verplichtingen in het leven worden geroepen, of rechten, vrijheden of rechtmatige belangen van individuele burgers of organisaties rechtstreeks worden geraakt, alsmede de weigering om een dergelijke handeling vast te stellen.’
15
Artikel 145 van dit wetboek luidt:
- ‘(1)
De rechtmatigheid van bestuurlijke handelingen kan in rechte worden betwist.
- (2)
Kunnen worden betwist:
- 1.
de oorspronkelijke individuele bestuurlijke handeling, met inbegrip van de weigering om een dergelijke handeling vast te stellen;
[…]’
16
Artikel 1 van Ukaz no 904 za borba s drebnoto khuliganstvo (besluit nr. 904 van 28 december 1963 ter bestrijding van lichte gewelddaden, DV nr. 102 van 31 december 1963), bepaalt in de op het hoofdgeding toepasselijke versie het volgende:
- ‘(1)
De volgende bestuursrechtelijke sancties worden opgelegd voor lichte gewelddaden wanneer de dader ten minste 16 jaar oud is:
- 1.
detentie voor maximaal 15 dagen in een inrichting van het ministerie van Binnenlandse Zaken;
- 2.
geldboete van 100 tot 500 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 50 tot 255 EUR).
- (2)
Onder ‘lichte gewelddaden’ in de zin van het onderhavige besluit wordt onbehoorlijk gedrag verstaan dat tot uiting komt in het gebruik van krachttermen, beledigingen of ander ongepast taalgebruik op een openbare plaats in het bijzijn van een groot aantal personen, in een beledigende houding en aanstootgevend gedrag tegenover burgers, overheidsinstanties of het publiek, of tijdens een ruzie, een vechtpartij of andere soortgelijke handelingen die de openbare orde en rust verstoren, maar die wegens het geringere gevaar voor het publiek geen strafbaar feit in de zin van artikel 325 van het strafwetboek vormen.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
17
RK, politieambtenaar bij het commissariaat van het 2e politiedistrict bij de directie Binnenlandse Zaken van de hoofdstad (Bulgarije), heeft op 2 september 2020 een bevel uitgevaardigd waarbij bij wijze van bestuurlijke dwangmaatregel de detentie van XN werd bevolen voor maximaal 24 uur, op verdenking van een strafbaar feit.
18
In dit bevel, dat door RK is ondertekend, zijn de juridische en feitelijke redenen voor de detentie van XN als volgt geformuleerd: ‘artikel 72, lid 1, punt 1, van de wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken’ en ‘verstoring van de openbare orde’. XN heeft geweigerd dit bevel te ondertekenen. Op de achterkant van het bevel staat dat XN op 3 september 2020 om 11.10 uur in vrijheid is gesteld, hetgeen door zijn handtekening wordt bevestigd. Onmiddellijk nadat hij in detentie was geplaatst onderging XN een lichamelijk onderzoek, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, en werd hem ook een door hem in te vullen verklaring overhandigd waarmee hij werd geïnformeerd over zijn rechten uit hoofde van de artikelen 72 tot en met 74 van de wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken.
19
Op 3 september 2020 heeft XN bij de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije), de verwijzende rechter, beroep tot betwisting van de rechtmatigheid van het detentiebevel ingesteld.
20
In het kader van de instructie van het dossier betreffende dat beroep zijn er schriftelijke politieverslagen van 2, 3 en 4 september 2020 overgelegd, waarin wordt aangegeven dat XN op 2 september 2020 omstreeks 11.20 uur als deelnemer aan een protest in de stad Sofia voor het gebouw van het Narodno sabranie (Bulgaars parlement) heeft geprobeerd het politiekordon te doorbreken door op de schilden van de politieambtenaren te slaan en te trappen en cynische opmerkingen aan hun adres te maken, met als gevolg dat zijn detentie noodzakelijk werd.
21
Het staat niet vast dat de schriftelijke politieverslagen van 2 en 3 september 2020 ter informatie aan XN zijn voorgelegd op het tijdstip dat hij in detentie werd geplaatst.
22
In zijn schriftelijke opmerkingen van 2 september 2020 heeft XN verklaard dat hij bij de protesten aanwezig was en, zodra de spanning opliep, door de menigte in de richting van het politiekordon is geduwd, waarna hij werd aangehouden door ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken, die onwettig fysiek geweld tegen hem hebben gebruikt. Hij heeft ontkend de openbare orde te hebben verstoord.
23
Op 8 september 2020 heeft een politieambtenaar bij het commissariaat van het 2e politiedistrict van Sofia op bevel van een openbaar aanklager van het arrondissementsparket Sofia een proces-verbaal houdende vaststelling van lichte gewelddaden door XN opgemaakt dat hij ter toetsing aan de Sofiyski rayonen sad heeft voorgelegd en waarin werd beweerd dat XN met de in punt 20 van dit arrest genoemde feiten een bestuursrechtelijke overtreding had begaan in de zin van artikel 1, lid 2, van besluit nr. 904 van 28 december 1963, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie.
24
Bij beslissing van 8 september 2020 is XN door de Sofiyski rayonen sad onschuldig bevonden en vrijgesproken, omdat de hem ten laste gelegde bestuursrechtelijke overtreding niet kon worden bewezen. Die rechterlijke beslissing is definitief.
25
De verwijzende rechter verklaart dat hij in het hoofdgeding moet onderzoeken of het bevel om XN in detentie te plaatsen rechtmatig was.
26
Hij wijst erop dat een dergelijke detentie van personen ten aanzien van wie er aanwijzingen zijn dat zij een strafbaar feit hebben gepleegd, een bestuurlijke dwangmaatregel vormt in de zin van artikel 22 van de wet op bestuursrechtelijke overtredingen en sancties, die het karakter van een individuele bestuurlijke handeling heeft en waarmee wordt beoogd te voorkomen dat de betrokkene zich aan strafvervolging onttrekt of een strafbaar feit pleegt.
27
Volgens de nationale rechtspraak is het voor het opleggen van een dergelijke maatregel niet vereist dat onbetwist bewijsmateriaal is verzameld aan de hand waarvan duidelijk en onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de betrokkene een strafbaar feit in de zin van het strafwetboek heeft gepleegd, aangezien dat bewijs moet worden overgelegd in een strafprocedure en niet in een bestuursrechtelijke procedure. Het volstaat dat er sprake is van schriftelijke of mondelinge ‘aanwijzingen’ voor een gepleegd strafbaar feit die het vermoeden wettigen dat de betrokkene daar waarschijnlijk aan heeft deelgenomen.
28
De verwijzende rechter merkt op dat volgens artikel 74, lid 2, punt 2, van de wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken de opgave van de feitelijke en juridische redenen voor de detentie de voornaamste voorwaarde vormt voor de geldigheid van een politiebevel. Deze bepaling wordt door de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije) evenwel uitgelegd in de zin dat het is toegestaan dat die informatie niet wordt opgenomen in het schriftelijke detentiebevel, maar in andere (vóór of na dat bevel opgestelde) begeleidende documenten, ook al worden deze niet aan de betrokkene ter kennis gesteld op het tijdstip dat zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt.
29
30
Volgens hem moet er namelijk rekening mee worden gehouden dat het in artikel 7 van richtlijn 2012/13 vastgestelde recht op toegang tot het dossier van personen met de status van ‘verdachte’ niet in het Bulgaarse recht is omgezet en dus niet aan die personen wordt gewaarborgd. Deze toegang wordt krachtens het Nakazatelno protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering) uitsluitend gewaarborgd aan ‘beklaagden’.
31
De gedetineerde die wordt verdacht van een strafbaar feit wordt het zo zonder concrete informatie over de feitelijke en juridische gronden van zijn detentie en zonder toegang tot het dossier — waarin die redenen zijn opgenomen — onmogelijk gemaakt de uitoefening van zijn rechten van verdediging op passende en doeltreffende wijze te organiseren en de rechtmatigheid van het detentiebevel in rechte te betwisten.
32
Voorts vraagt de verwijzende rechter zich af hoeveel informatie over het strafbare feit waarvoor een aangehouden persoon wordt gedetineerd, krachtens artikel 6 van richtlijn 2012/13 aan die persoon moet worden meegedeeld en hoe gedetailleerd die informatie moet zijn.
33
Daarop heeft de Sofiyski rayonen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 8, lid 1, juncto artikel 6, lid 2, van richtlijn [2012/13] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die op grond van vaste rechtspraak in de betrokken lidstaat corrigerend wordt toegepast en die toestaat dat de informatie over de redenen voor aanhouding of detentie van een verdachte, met inbegrip van het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht, niet in het schriftelijke detentiebevel is opgenomen, maar in andere (vóór of na dat bevel opgestelde) begeleidende documenten die niet onmiddellijk aan de verdachte worden overhandigd en waarvan hij later kennis kan nemen indien hij de rechtmatigheid van de detentie in rechte betwist?
- 2)
Moet artikel 6, lid 2, van richtlijn [2012/13] aldus worden uitgelegd dat de informatie over het strafbare feit waarvan een aangehouden persoon wordt verdacht, gegevens moet bevatten over de tijd en de plaats van het strafbare feit alsook de wijze waarop het is gepleegd, de concrete betrokkenheid van de aangehouden persoon daarbij en de daaruit voortvloeiende strafrechtelijke kwalificatie, teneinde de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van verdediging te waarborgen?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Toepasselijkheid van richtlijn 2012/13
34
De verwijzende rechter geeft aan dat detentie zoals in het hoofdgeding, krachtens artikel 72, lid 1, punt 1, van de wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken, naar Bulgaars recht een bestuurlijke dwangmaatregel is die het karakter heeft van een individuele bestuurlijke handeling. Voorts wordt volgens deze rechter de verantwoordelijkheid van de betrokkene voor het strafbare feit waarvoor hij is gedetineerd, afzonderlijk onderzocht in een strafprocedure. Gelet op deze feiten moet worden nagegaan of richtlijn 2012/13 van toepassing is op het hoofdgeding.
35
Volgens artikel 1 van deze richtlijn legt zij voorschriften vast met betrekking tot het recht op informatie van verdachten of beklaagden over hun rechten in strafprocedures en over de tegen hen ingebrachte beschuldiging.
36
Voorts geldt richtlijn 2012/13 volgens artikel 2, lid 1, ervan vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van een lidstaat personen ervan in kennis stellen dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, tot de beëindiging van de procedure, dat wil zeggen, tot de definitieve vaststelling dat zij het strafbare feit al dan niet hebben begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure.
37
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat in het detentiebevel in het hoofdgeding ‘artikel 72, lid 1, punt 1, van de wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken’ en ‘verstoring van de openbare orde’ worden genoemd als de feitelijke en juridische grond voor de detentie. Volgens deze bepaling kan een persoon ten aanzien van wie er aanwijzingen zijn dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd, worden gedetineerd. Bovendien volgt uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter dat XN werd verdacht van een in het wetboek van strafrecht bepaald feit.
38
Los van de informatie die de nationale politieautoriteiten daadwerkelijk aan XN hebben meegedeeld, moet voorts worden vastgesteld dat XN, door zijn aanhouding en detentie, ervan in kennis is gesteld dat hij werd verdacht van het plegen van een strafbaar feit, zodat deze toepassingsvoorwaarde in artikel 2, lid 1, van richtlijn 2012/13 is vervuld.
39
Uit een en ander volgt dat deze richtlijn op het hoofdgeding van toepassing is.
Eerste vraag
40
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 2, en artikel 8, lid 1, van richtlijn 2012/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing van een nationale regeling volgens welke de redenen voor de detentie van personen die ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd, met inbegrip van de informatie over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd, mogen worden uiteengezet in andere documenten dan het detentiebevel, waarin die personen slechts inzage krijgen in het kader van een eventueel beroep in rechte teneinde de rechtmatigheid van de detentie bij de rechter te betwisten.
41
Vooraf zij opgemerkt dat het voor het voorwerp van deze vraag niet nodig is om artikel 8, lid 1, van richtlijn 2012/13 uit te leggen. Deze bepaling vereist namelijk dat wanneer informatie wordt verstrekt aan verdachten of beklaagden overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6 van deze richtlijn, dit wordt geregistreerd volgens de registratieprocedure waarin het recht van de betrokken lidstaat voorziet. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt echter niet dat deze verplichting tot registratie van informatie van enig belang is voor het antwoord op die vraag.
42
Bij de uitlegging van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13 moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context van deze bepaling en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arrest van 2 maart 2023, Staatsanwaltschaft Graz (Dienst voor belastingstrafzaken van Düsseldorf) (C-16/22, EU:C:2023:148, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak)].
43
Wat in de eerste plaats de bewoordingen betreft, bepaalt artikel 6, lid 2, dat de lidstaten erop toezien dat verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, in kennis worden gesteld van de redenen voor hun aanhouding of detentie, met inbegrip van het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. Deze bepaling vermeldt dus niet op welk moment de redenen van de detentie moeten worden meegedeeld.
44
Wat in de tweede plaats de context van richtlijn 2012/13, artikel 6, lid 2, betreft, bepaalt de eerste volzin van lid 1 van dat artikel dat de lidstaten verdachten of beklaagden moeten meedelen van welk strafbaar feit zij worden verdacht of beschuldigd. De tweede volzin verduidelijkt dat deze informatie ‘onverwijld’ wordt verstrekt en zo gedetailleerd is als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen.
45
In dit verband volgt uit overweging 28 van deze richtlijn dat deze personen ‘onverwijld’ informatie moeten ontvangen over het strafbare feit waarvan ze worden verdacht of beschuldigd, uiterlijk vóór hun eerste officiële verhoor door de politie of een andere bevoegde autoriteit.
46
Zoals de advocaat-generaal in punt 41 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bevat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2012/13 een algemene verplichting tot het verstrekken van informatie over het strafbare feit, met als aanvullende verplichting in artikel 6, lid 2, van deze richtlijn om, wanneer de verdachte of beklaagde is aangehouden of gedetineerd, hem de redenen voor aanhouding of detentie mee te delen. Uit de samenhang tussen deze twee bepalingen kan worden geconcludeerd dat de tijdseis in lid 1 van artikel 6, dat de verdachte of beklaagde ‘onverwijld’ moet worden meegedeeld van welk strafbaar feit hij wordt verdacht of beschuldigd, ook geldt bij een aanhouding of detentie in de zin van lid 2 van datzelfde artikel.
47
Wat in de derde plaats de doelstelling van richtlijn 2012/13 betreft, volgt uit de gezamenlijke lezing van artikel 1 en de overwegingen 14 en 27 van deze richtlijn dat deze tot doel heeft minimumnormen vast te stellen voor de informatie van personen die van een strafbaar feit worden verdacht of beschuldigd, teneinde hen in staat te stellen hun verdediging voor te bereiden en het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen [zie in die zin arrest van 28 januari 2021, Spetsializirana prokuratura (Verklaring van rechten), C-649/19, EU:C:2021:75, punt 58].
48
De door artikel 6, lid 1, van richtlijn 2012/13 voorgeschreven onverwijlde mededeling van het strafbare feit waarvan de verdachten of beklaagden worden verdacht dan wel beschuldigd, helpt deze doelstelling te bereiken omdat de betrokkenen daardoor hun verdediging daadwerkelijk kunnen voorbereiden.
49
Wanneer de verdachten of beklaagden zijn aangehouden of gedetineerd, vereist de doelstelling om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen, blijkens overweging 22 van richtlijn 2012/13, bovendien dat deze personen de rechtmatigheid van hun aanhouding of detentie daadwerkelijk kunnen aanvechten, een herziening van de detentie kunnen bekomen of om voorlopige invrijheidstelling kunnen verzoeken, indien en voor zover in de betrokken lidstaat een recht op voorlopige invrijheidstelling bestaat. Hiervoor moeten zij onverwijld de redenen voor hun aanhouding of detentie kennen. Daarom bepaalt artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13 dat deze redenen worden meegedeeld en bevat artikel 7, lid 1, van deze richtlijn de verplichting om de stukken die essentieel zijn om de rechtmatigheid van de aanhouding of de detentie daadwerkelijk aan te vechten, ter beschikking te stellen van de aangehouden of gedetineerde persoon of zijn advocaat.
50
Richtlijn 2012/13 regelt overigens niet op welke wijze de in artikel 6 bedoelde informatie aan de verdachte of beklaagde moet worden meegedeeld, maar de ter zake geldende regeling mag niet afdoen aan de doelstelling van dat artikel [zie in die zin arrest van 23 november 2021, IS (Onwettigheid van de verwijzingsbeslissing), C-564/19, EU:C:2021:949, punt 128 en aldaar aangehaalde rechtspraak], met name de aan lid 2 ervan ten grondslag liggende doelstelling, die in het vorige punt van het onderhavige arrest is aangehaald.
51
Hieruit volgt dat de informatie betreffende de redenen voor de aanhouding of detentie van verdachten of beklaagden, met inbegrip van het strafbare feit waarvan zij worden verdacht dan wel beschuldigd, aan hen kan worden meegedeeld in andere documenten dan het detentiebevel, mits de doelstelling van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13 is gewaarborgd.
52
De omstandigheid op zich dat dit bevel onvoldoende informatie bevat over de redenen waarom tot detentie is overgegaan, staat er namelijk niet aan in de weg dat personen die zijn aangehouden of gedetineerd daadwerkelijk kunnen opkomen tegen de rechtmatigheid van hun aanhouding of detentie, op voorwaarde dat zij die redenen kunnen opmaken uit andere documenten die door de bevoegde autoriteiten zijn opgesteld en aan hen zijn meegedeeld.
53
Bovendien blijkt reeds uit met name de punten 46 en 49 van dit arrest dat de informatie zoals bedoeld in artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13 onverwijld aan de aangehouden of gedetineerde personen moet worden meegedeeld om de doelstelling van die bepaling te bereiken. Zoals de advocaat-generaal in wezen in punt 44 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt hieruit dat deze personen zo snel mogelijk in kennis moeten worden gesteld van de redenen van hun aanhouding of detentie, dus op het tijdstip van of kort na hun vrijheidsbeneming.
54
Derhalve is het van belang dat het detentiebevel of andere stukken dan dat bevel die de nodige informatie betreffende de redenen voor de aanhouding of detentie bevatten, zo snel mogelijk aan de aangehouden of gedetineerde personen worden meegedeeld. Het exacte tijdstip van deze mededeling kan echter worden bepaald aan de hand van de bijzondere omstandigheden van de vrijheidsbeneming.
55
Deze uitlegging van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13 wordt bevestigd door de rechtspraak van het EHRM inzake artikel 5 EVRM, waar in overweging 14 van richtlijn 2012/13 uitdrukkelijk naar wordt verwezen. Dat hof heeft namelijk reeds geoordeeld dat eenieder met een recht van beroep teneinde een snelle beslissing te verkrijgen over de rechtmatigheid van zijn detentie, slechts doeltreffend van dat recht kan gebruikmaken indien hem zo snel mogelijk en voldoende volledig wordt meegedeeld waarom hem zijn vrijheid is ontnomen (EHRM, 12 april 2005, Chamaïev e.a. tegen Georgië en Rusland, CE:ECHR:2005:0412JUD003637802, § 413).
56
Het EHRM heeft tevens geoordeeld dat artikel 5, lid 2, EVRM een basisgarantie neerlegt volgens welke iedere aangehouden persoon op de hoogte moet worden gebracht van de redenen van zijn aanhouding. Binnen het stelsel van bescherming dat dit artikel biedt, verplicht lid 2 ertoe dat deze persoon in een eenvoudige en voor hem begrijpelijke taal in kennis wordt gesteld van de feitelijke en juridische redenen voor zijn vrijheidsbeneming, zodat hij de rechtmatigheid ervan in rechte kan betwisten krachtens lid 4 van dat artikel. Hij moet deze informatie ‘zo spoedig mogelijk’ ontvangen, maar de functionarissen die hem zijn vrijheid ontnemen hoeven alle informatie niet stante pede te verstrekken. Om vast te stellen of tijdig voldoende informatie is ontvangen, moet worden gelet op de bijzonderheden van de zaak (EHRM, 15 december 2016, Khlaifia e.a. tegen Italië, CE:ECHR:2016:1215JUD001648312, § 115).
57
Wat betreft de bijzondere omstandigheden van het hoofdgeding zij opgemerkt dat de doelstelling van de verplichting van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13, om verdachten en beklaagden in kennis te stellen van de redenen voor hun detentie zodat de betrokkene de rechtmatigheid van zijn vrijheidsbeneming daadwerkelijk kan aanvechten, niet kan worden bereikt wanneer de redenen van de detentie pas worden meegedeeld op het moment dat de betrokkene beroep heeft ingesteld om de rechtmatigheid van zijn detentie aan te vechten. Het moet namelijk worden vermeden dat de betrokkene de rechtmatigheid van het detentiebevel moet aanvechten om de redenen daarvan te vernemen, aangezien hij zijn beroep in dat geval immers niet doeltreffend kan voorbereiden of de kansen ervan kan inschatten.
58
Uit een en ander volgt dat op de eerste vraag moet worden geantwoord dat artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13 aldus moeten worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de toepassing van een nationale regeling volgens welke de redenen voor detentie van personen die ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, met inbegrip van de informatie over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd, mogen worden uiteengezet in andere documenten dan het detentiebevel. Deze bepaling verzet zich er echter tegen dat deze informatie pas aan die personen wordt meegedeeld in het kader van een eventueel beroep in rechte tot betwisting van de rechtmatigheid van de detentie en niet op het moment van vrijheidsbeneming of kort na aanvang daarvan.
Tweede vraag
59
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13 aldus moet worden uitgelegd dat de redenen voor de detentie die worden meegedeeld aan personen die ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd, gegevens moeten omvatten over de tijd en de plaats van het strafbare feit alsook de wijze waarop het is gepleegd, de concrete betrokkenheid van deze personen daarbij en de daaruit voortvloeiende juridische kwalificatie.
60
Net als in de beoordeling in punt 46 van dit arrest, moet hier worden opgemerkt dat het kwalitatieve criterium van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2012/13, dat de informatie ‘zo gedetailleerd als noodzakelijk’ moet worden verstrekt, ook moet gelden in geval van een aanhouding of detentie in de zin van artikel 6, lid 2.
61
Overweging 28 van deze richtlijn geeft in dit verband aan dat met het oog op een eerlijk verloop van de procedure en op de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging, de omschrijving van het strafbare feit waarvan de persoon wordt verdacht of beschuldigd, met inbegrip van, indien bekend, tijd en plaats en de mogelijke wettelijke kwalificatie van het vermeende strafbare feit, dient te worden verstrekt in voldoende detail, rekening houdend met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt.
62
Om te waarborgen dat de doelstelling van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13 wordt bereikt moet dus alle informatie worden meegedeeld die de gedetineerde nodig heeft om de rechtmatigheid van zijn detentie daadwerkelijk aan te vechten.
63
In het bijzonder moet hem ten eerste een beschrijving worden meegedeeld van de relevante feiten die bekend zijn bij de bevoegde autoriteiten en die betrekking hebben op het strafbare feit waarvan de betrokkene wordt verdacht of beschuldigd. Zoals de advocaat-generaal in punt 58 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet naast de tijd en de plaats van het strafbare feit, indien bekend, de aard van de betrokkenheid van de persoon in kwestie bij dat strafbare feit in deze beschrijving worden opgenomen.
64
Ten tweede moet deze beschrijving de juridische kwalificatie bevatten die de bevoegde autoriteiten voorlopig hebben gegeven aan het strafbare feit waarvan de betrokkene wordt verdacht of beschuldigd, omdat de betrokkene of zijn advocaat aan de hand van deze kwalificatie de redenen voor de detentie beter kan begrijpen en de rechtmatigheid ervan in voorkomend geval doeltreffend kan aanvechten bij de bevoegde rechter.
65
Evenwel zij opgemerkt dat, zoals blijkt uit overweging 28 van richtlijn 2012/13, de mate van gedetailleerdheid van de in de twee bovenstaande punten bedoelde informatie moet worden aangepast aan de fase waarin de strafprocedure zich bevindt, zodat de voortgang van lopende onderzoeken niet wordt geschaad maar wel wordt gewaarborgd dat de aangehouden of gedetineerde persoon voldoende informatie krijgt om hem in staat te stellen de redenen voor zijn aanhouding of detentie te begrijpen en de rechtmatigheid ervan in voorkomend geval doeltreffend te betwisten.
66
De rechtspraak van het EHRM inzake artikel 5 EVRM die in de punten 55 en 56 van dit arrest is aangehaald, bevestigt de aldus uiteengezette uitlegging van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13, aangezien deze rechtspraak vereist dat de redenen voor aanhouding of detentie voldoende volledig worden meegedeeld (EHRM, 12 april 2005, Chamaïev e.a. tegen Georgië en Rusland, CE:ECHR:2005:0412JUD003637802, § 413) en de juridische en feitelijke gronden voor de vrijheidsbeneming omvatten zodat de betrokkene de rechtmatigheid ervan krachtens lid 4 van dat artikel 5 bij een gerecht kan aanvechten (EHRM, 15 december 2016, Khlaifia e.a. tegen Italië, CE:ECHR:2016:1215JUD001648312, § 115).
67
Het EHRM heeft voorts geoordeeld dat in de context van artikel 5, lid 1, onder c), EVRM, de motivering van de beslissing waarbij de detentie wordt bevolen relevant is om vast te stellen of iemands detentie al of niet arbitrair moet worden geacht. Aangaande het eerste deel van deze bepaling, op grond waarvan iemand rechtmatig kan worden gedetineerd wanneer er een redelijke verdenking bestaat dat hij een strafbaar feit heeft begaan, heeft deze rechterlijke instantie geoordeeld dat het niet verenigbaar is met het in artikel 5, lid 1, neergelegde beginsel van bescherming tegen willekeur indien in rechterlijke beslissingen houdende goedkeuring van langdurige detentie iedere motivering ontbreekt. Omgekeerd heeft deze rechterlijke instantie geoordeeld dat de detentie van een verzoeker niet als arbitrair kan worden aangemerkt indien de bevoegde rechter bepaalde gronden heeft aangegeven voor de verdere detentie van de betrokkene, tenzij die gronden zeer beknopt zijn en niet verwijzen naar bepalingen rechtens waarop de litigieuze detentie zou berusten (EHRM, 22 oktober 2018, S., V. en A. tegen Denemarken, CE:ECHR:2018:1022JUD003555312, § 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68
Artikel 5, lid 2, EVRM verplicht de bevoegde autoriteiten echter niet om de betrokkene bij zijn aanhouding een volledige opsomming te geven van alle tegen hem ingebrachte beschuldigingen (EHRM, 19 april 2011, Gasiņš tegen Letland, CE:ECHR:2011:0419JUD006945801, § 53).
69
In casu licht de verwijzende rechter toe dat het detentiebevel krachtens artikel 74, lid 2, punten 2 tot en met 4, van de wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken onder andere de feitelijke en juridische gronden voor de detentie, de identificatiegegevens van de gedetineerde en de datum en het tijdstip waarop de detentie ingaat, moet bevatten.
70
Vastgesteld moet worden dat de gedetineerde met deze elementen in beginsel voldoende kan worden geïnformeerd, aangezien hij zo kan begrijpen waarom hij is gedetineerd en in voorkomend geval de rechtmatigheid van zijn detentie doeltreffend kan aanvechten.
71
Het staat echter aan de nationale rechter om na te gaan of de in elk afzonderlijk geval verstrekte informatie voldoende volledig is volgens de aanwijzingen in de punten 63 tot en met 65 van dit arrest.
72
Uit de inlichtingen van de verwijzende rechter volgt dat het tegen XN uitgevaardigde detentiebevel de redenen rechtens en feitelijk voor zijn detentie als volgt formuleert: ‘artikel 72, lid 1, punt 1, van de wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken’ en ‘verstoring van de openbare orde’. Deze informatie lijkt onvoldoende om de eisen krachtens artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13 te vervullen, omdat XN aan de hand hiervan de rechtmatigheid van dat bevel niet doeltreffend kan aanvechten.
73
Overigens verduidelijkt de verwijzende rechter dat naar Bulgaars recht slechts ‘beklaagden’ de in artikel 7 van richtlijn 2012/13 bedoelde toegang hebben tot de stukken van het dossier. De aangehouden of gedetineerde persoon die niet formeel in staat van beschuldiging is gesteld, heeft dus geen toegang tot de stukken die de bevoegde autoriteiten over zijn zaak in bezit hebben.
74
Wat dat betreft zij eraan herinnerd dat lid 1 van artikel 7 — in aanvulling op de informatieverplichting van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13 — de verplichting oplegt om de stukken die essentieel zijn om de rechtmatigheid van iemands aanhouding of detentie overeenkomstig het nationale recht daadwerkelijk aan te vechten, ter beschikking te stellen van de aangehouden of gedetineerde personen dan wel hun advocaten. Dit artikel 7, lid 1, is van toepassing op alle aangehouden of gedetineerde personen in iedere fase van de strafprocedure, en dus ongeacht de juridische status van die personen naar nationaal recht.
75
Indien de door artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13 vereiste informatie over de redenen voor de detentie onvoldoende in het bevel daartoe is opgenomen en de stukken die essentieel zijn om de rechtmatigheid van de aanhouding of de detentie daadwerkelijk aan te vechten, niet toegankelijk zijn zoals artikel 7, lid 1, van deze richtlijn bepaalt, heeft iemand als XN die is gedetineerd op verdenking van een strafbaar feit onvoldoende informatie om de rechtmatigheid van zijn detentie daadwerkelijk aan te vechten.
76
Uit een en ander volgt dat artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling vereist dat de redenen voor de detentie die worden meegedeeld aan de personen die ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd, alle gegevens omvatten die nodig zijn om de rechtmatigheid van hun detentie daadwerkelijk te kunnen aanvechten. Deze gegevens moeten, rekening houdend met de fase van de strafprocedure teneinde de voortgang van een lopend onderzoek niet te schaden, een beschrijving omvatten van de relevante feiten die bekend zijn bij de bevoegde autoriteiten, waaronder de tijd en de plaats van de feiten, de aard van de concrete betrokkenheid van deze personen bij het beweerde strafbare feit en de voorlopig gehanteerde juridische kwalificatie.
Kosten
77
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen de toepassing van een nationale regeling volgens welke de redenen voor detentie van personen die ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, met inbegrip van de informatie over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd, mogen worden uiteengezet in andere documenten dan het detentiebevel. Deze bepaling verzet zich er echter tegen dat deze informatie pas aan die personen wordt meegedeeld in het kader van een eventueel beroep in rechte tot betwisting van de rechtmatigheid van de detentie en niet op het moment van vrijheidsbeneming of kort na aanvang daarvan.
- 2)
Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13
moet aldus worden uitgelegd dat
deze bepaling vereist dat de redenen voor de detentie die worden meegedeeld aan de personen die ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd, alle gegevens omvatten die nodig zijn om de rechtmatigheid van hun detentie daadwerkelijk te kunnen aanvechten. Deze gegevens moeten, rekening houdend met de fase van de strafprocedure teneinde de voortgang van een lopend onderzoek niet te schaden, een beschrijving omvatten van de relevante feiten die bekend zijn bij de bevoegde autoriteiten, waaronder de tijd en de plaats van de feiten, de aard van de concrete betrokkenheid van deze personen bij het beweerde strafbare feit en de voorlopig gehanteerde juridische kwalificatie.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑05‑2023
Conclusie 12‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in strafzaken — Recht op informatie in strafprocedures — Richtlijn 2012/13/EU — Recht op informatie over de beschuldiging — Artikel 6, lid 2 — Mededeling aan de verdachte of de beklaagde van de redenen voor een besluit tot vrijheidsbeneming — Termijn — Inhoud
P. Pikamäe
Partij(en)
Zaak C-608/211.
Strafprocedure
tussen
XN
en
Politseyski organ pri 02 RU SDVR
[verzoek van de Sofiyski Rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) om een prejudiciële beslissing]
1.
‘‘Hoe kan ik nu gearresteerd zijn? En ook nog op deze manier?’ ‘Nu begint u dus weer,’ zei de bewaker, terwijl hij een stuk brood in het honingpotje doopte. ‘Op zulke vragen geven wij geen antwoord.’’2. Dit fragment uit de eerste scène van Het proces, de beroemde roman van de Praagse schrijver Franz Kafka, toont ons een samenleving, geregeerd door een fictief rechtssysteem, waarin de autoriteiten een individu zijn persoonlijke vrijheid kunnen ontnemen zonder hem te informeren over de redenen voor een dergelijk besluit. Gedurende het hele verhaal probeert K. de redenen voor zijn aanhouding (en daaropvolgende veroordeling) te achterhalen, doch tevergeefs.
2.
In tegenstelling tot de door Kafka bedachte inquisitoire excessen heeft de wetgever van de Europese Unie het recht van aangehouden of gedetineerde verdachten of beklaagden om in kennis te worden gesteld van de redenen voor hun vrijheidsbeneming gecodificeerd in artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13/EU3.. Met de onderhavige prejudiciële verwijzing verzoekt de Sofiyski Rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) het Hof om die bepaling uit te leggen en aldus duidelijkheid te verschaffen over het tijdstip waarop die redenen moeten worden meegedeeld en over de inhoud van die mededeling.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
3.
Relevant voor de onderhavige zaak zijn de overwegingen 10, 14 en 28 van richtlijn 2012/13, de artikelen 1, 2, 3, 4 en 6 van die richtlijn en artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
B. Bulgaars recht
4.
Artikel 72 van de Zakon za ministerstvoto na vatreshnite raboti (wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken) (DV nr. 53 van 27 juni 2014), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, luidt:
- ‘(1)
Politiediensten kunnen een persoon detineren:
- 1.
ten aanzien van wie er aanwijzingen zijn dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd;
[…]
- (4)
De gedetineerde heeft het recht de rechtmatigheid van de detentie te betwisten bij de Rayonen sad [(rechter in eerste aanleg)] van de plaats waar de betrokken politiedienst is gevestigd. De rechter doet onverwijld uitspraak op de betwisting en tegen zijn beslissing kan overeenkomstig de Administrativnoprotsesualen kodes [(wetboek bestuursprocesrecht) (DV nr. 30 van 11 april 2006)] cassatieberoep worden ingesteld bij de bevoegde Administrativen sad [(bestuursrechter in eerste aanleg)].
- (5)
Vanaf het tijdstip waarop hij in detentie wordt gehouden, heeft de gedetineerde het recht om zich te doen verdedigen, waarbij hij ook moet worden ingelicht over zijn recht om af te zien van rechtsbijstand en de daaraan verbonden gevolgen, alsook over zijn recht om te zwijgen wanneer hij wordt gedetineerd op grond van lid 1, punt 1.
[…]’
5.
Volgens artikel 73 van die wet mag de betrokkene die onder de voorwaarden van artikel 72, lid 1, punten 1 tot en met 4, van die wet werd gedetineerd, niet worden onderworpen aan andere beperkingen dan die van het recht van vrij verkeer. De duur van de detentie mag in dergelijke gevallen maximaal 24 uur bedragen.
6.
Artikel 74 van de wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken bepaalt:
- ‘(1)
Voor de in artikel 72, lid 1, bedoelde personen wordt een schriftelijk bevel (zapoved) tot vrijheidsbeneming uitgevaardigd.
- (2)
Het in lid 1 bedoelde bevel tot vrijheidsbeneming moet de volgende gegevens bevatten:
- 1.
naam, functie en standplaats van de politieambtenaar die het bevel tot vrijheidsbeneming heeft uitgevaardigd;
- 2.
de feitelijke en juridische redenen voor de detentie;
- 3.
identificatiegegevens van de gedetineerde;
- 4.
datum en tijdstip van de detentie;
- 5.
de beperking van de rechten van de betrokkene op grond van artikel 73;
- 6.
zijn recht:
- (a)
om de rechtmatigheid van de detentie in rechte te betwisten;
- (b)
om zich te doen verdedigen vanaf het tijdstip waarop hij wordt gedetineerd;
[…]
- (3)
De gedetineerde vult een verklaring in volgens welke hij zijn rechten kent en voornemens is zijn rechten uit hoofde van lid 2, punt 6, onder b) tot en met f), al dan niet uit te oefenen. Het bevel tot vrijheidsbeneming wordt door de politieambtenaar en de gedetineerde ondertekend.
- (4)
De weigering van of de onmogelijkheid voor de gedetineerde om het bevel tot vrijheidsbeneming te ondertekenen, wordt bevestigd door de handtekening van een getuige.
[…]
- (6)
Een afschrift van het bevel tot vrijheidsbeneming moet tegen ondertekening aan de gedetineerde worden overhandigd.’
7.
Volgens artikel 22 van de Zakon za administrativnite narushenia i nakazania (wet op bestuursrechtelijke overtredingen en sancties) (DV nr. 92 van 28 november 1968) kunnen bestuurlijke dwangmaatregelen worden opgelegd om bestuursrechtelijke overtredingen te voorkomen en te beëindigen, alsmede om de schadelijke gevolgen daarvan te voorkomen en ongedaan te maken.
8.
Artikel 21, lid 1, van het wetboek bestuursprocesrecht, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, luidt als volgt:
‘Een individuele bestuurlijke handeling is de uitdrukkelijke wilsuiting of de door handelen of nalaten tot uitdrukking gebrachte wilsuiting van een bestuurlijke instantie of een andere wettelijk daartoe bevoegde instantie of organisatie van personen die openbare functies uitoefenen en van organisaties die openbare diensten verlenen, waardoor rechten of verplichtingen in het leven worden geroepen, of rechten, vrijheden of rechtmatige belangen van individuele burgers of organisaties rechtstreeks worden geraakt, alsmede de weigering om een dergelijke handeling vast te stellen.’
9.
Artikel 145 van dat wetboek bepaalt:
- ‘(1)
De rechtmatigheid van bestuurlijke handelingen kan in rechte worden betwist.
- (2)
Kunnen worden betwist:
- 1.
de oorspronkelijke individuele bestuurlijke handeling, met inbegrip van de weigering om een dergelijke handeling vast te stellen;
[…]’
10.
Artikel 1 van Ukaz no 904 za borba s drebnoto khuliganstvo (besluit nr. 904 van 28 december 1963 ter bestrijding van lichte gewelddaden), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt:
- ‘(1)
De volgende bestuursrechtelijke sancties worden opgelegd voor lichte gewelddaden wanneer de dader ten minste 16 jaar oud is:
- 1.
vrijheidsbeneming voor maximaal 15 dagen in een subeenheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken;
- 2.
geldboete van 100 tot 500 Bulgaarse lev (BGN) [ongeveer 51 tot 256 EUR)].
- (2)
Onder ‘lichte gewelddaden’ in de zin van het onderhavige besluit wordt onbehoorlijk gedrag verstaan dat tot uiting komt in het gebruik van krachttermen, beledigingen of ander ongepast taalgebruik op een openbare plaats in het bijzin van een groot aantal personen, in een beledigende houding en aanstootgevend gedrag tegenover burgers, overheidsinstanties of het publiek, of tijdens een ruzie, een vechtpartij of andere soortgelijke handelingen die de openbare orde en rust verstoren, maar die wegens het geringe gevaar voor het publiek geen strafbaar feit in de zin van artikel 325 van het strafwetboek vormen.’
C. Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
11.
RK, een politieambtenaar bij het commissariaat van het 2e politiedistrict van de stad Sofia (Bulgarije), heeft op 2 september 2020 een politiebevel uitgevaardigd waarbij bij wijze van bestuurlijke dwangmaatregel de vrijheidsbeneming van XN werd bevolen voor maximaal 24 uur, met ingang van 2 september 2020 om 11.20 uur, op verdenking van een strafbaar feit.
12.
In het betrokken bevel, dat door politieambtenaar RK is ondertekend, worden de redenen voor de detentie van XN als volgt geformuleerd: ‘artikel 72, lid 1, punt 1, [van de wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken]’ en ‘verstoring van de openbare orde’. Op de achterkant van het bevel staat dat XN op 3 september 2020 om 11.10 uur in vrijheid is gesteld, hetgeen door zijn handtekening wordt bevestigd. Onmiddellijk na zijn vrijheidsbeneming onderging XN een lichamelijk onderzoek, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, en werd hem ook een te completeren verklaring overhandigd waarmee hij werd geïnformeerd over zijn rechten uit hoofde van de artikelen 72, 73 en 74 van de wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken.
13.
Op 3 september 2020 heeft XN bij de Sofiyski Rayonen sad, de verwijzende rechter, beroep ingesteld tot betwisting van de rechtmatigheid van het bevel tot vrijheidsbeneming.
14.
In het kader van de instructie van het dossier betreffende dat beroep zijn er schriftelijke politieverslagen van 2, 3 en 4 september 2020 overgelegd, waarin wordt aangevoerd dat XN op 2 september 2020 omstreeks 11.20 uur als deelnemer aan protesten in de stad Sofia voor het gebouw van het Narodno sabranie (Bulgaars parlement) heeft geprobeerd het politiekordon te doorbreken door op de schilden van de politieambtenaren te slaan en te trappen en cynische opmerkingen aan hun adres te maken, met als gevolg dat zijn detentie noodzakelijk werd. Uit de stukken kan niet worden opgemaakt of de schriftelijke politieverslagen van 2 en 3 september 2020 op het tijdstip van de vrijheidsbeneming van XN ter kennisneming aan hem zijn voorgelegd.
15.
In zijn schriftelijke opmerkingen van 2 september 2020 verklaart XN dat hij bij de protesten aanwezig was en, zodra de spanning opliep, door de menigte in de richting van het politiekordon is geduwd en vervolgens door ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken, die onwettig fysiek geweld tegen hem hadden gebruikt, is gedetineerd. Hij ontkent de openbare orde te hebben verstoord.
16.
Aan het dossier zijn medische attesten van 2 september 2020 toegevoegd, waaruit blijkt dat een gespecialiseerde arts na een onderzoek van XN een open wonde aan zijn ooglid en rond zijn oog heeft vastgesteld.
17.
Op 8 september 2020 heeft een politieambtenaar bij het commissariaat van het 2e politiedistrict van Sofia op bevel van het openbaar ministerie te Sofia een proces-verbaal houdende vaststelling van lichte gewelddaden door XN opgemaakt dat hij ter toetsing aan de Sofiyski Rayonen sad heeft voorgelegd en waarin wordt aangevoerd dat XN een bestuursrechtelijke overtreding had begaan in de zin van artikel 1, lid 2, van besluit nr. 904 ter bestrijding van lichte gewelddaden. Bij beslissing van 8 september 2020 is XN door de Sofiyski Rayonen sad onschuldig bevonden en vrijgesproken, omdat de hem ten laste gelegde bestuursrechtelijke overtreding niet kon worden bewezen. Die rechterlijke beslissing is definitief.
18.
De verwijzende rechter verklaart dat hij in het hoofdgeding de rechtmatigheid dient te onderzoeken van het politiebevel waarbij de feitelijke vrijheidsbeneming van XN werd bevolen voor maximaal 24 uur op verdenking van een strafbaar feit.
19.
Hij wijst erop dat een dergelijke vrijheidsbeneming van burgers ten aanzien van wie er aanwijzingen zijn dat zij een strafbaar feit hebben gepleegd, een bestuurlijke dwangmaatregel vormt in de zin van artikel 22 van de wet op bestuursrechtelijke overtredingen en sancties die het karakter van een individuele bestuurlijke handeling heeft en waarmee wordt beoogd te voorkomen dat de betrokkene zich aan strafvervolging onttrekt of een strafbaar feit pleegt.
20.
De verwijzende rechter merkt op dat volgens artikel 74, lid 2, van de wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken de opgave van de feitelijke en juridische redenen voor de detentie het voornaamste bestanddeel van het politiebevel vormt. Deze bepaling wordt door de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije) corrigerend uitgelegd in de zin dat het is toegestaan dat die informatie niet wordt opgenomen in het schriftelijke bevel tot vrijheidsbeneming, maar in andere (vóór of na dat bevel opgestelde) begeleidende documenten, ook al worden deze niet aan de betrokkene overhandigd op het tijdstip dat zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt. Volgens de verwijzende rechter is die rechtspraak, die door de nationale lagere rechters wordt gevolgd, in strijd met artikel 5, lid 1, onder c), van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (EVRM), zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), alsook met artikel 6, lid 2, en artikel 8, lid 1, van richtlijn 2012/13.
21.
Volgens de verwijzende rechter moet er immers mee rekening worden gehouden dat het in artikel 7 van richtlijn 2012/13 vastgestelde recht op toegang tot het dossier van personen met de status van ‘verdachte’ niet in het Bulgaarse recht is omgezet en dus niet aan die personen wordt gewaarborgd. Deze toegang wordt op grond van het wetboek van strafvordering uitsluitend gewaarborgd aan ‘beklaagden’. Derhalve wordt de verdachte van een strafbaar feit bij gebreke van concrete informatie over de feitelijke en juridische redenen voor zijn detentie en gelet op het feit dat hem het recht op toegang tot het dossier — waarin die redenen zijn opgenomen — niet wordt gewaarborgd, de mogelijkheid ontnomen zijn recht van verdediging op passende en doeltreffende wijze te organiseren en de rechtmatigheid van het bevel tot vrijheidsbeneming in rechte te betwisten.
22.
Voorts vraagt de verwijzende rechter zich af welke gegevens dienen te zijn vervat in de informatie over het in artikel 6 van richtlijn 2012/13 bedoelde strafbare feit waarvan een aangehouden persoon wordt verdacht.
23.
Daarop heeft de Sofiyski Rayonen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 8, lid 1, juncto artikel 6, lid 2, van [richtlijn 2012/13] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die op grond van vaste rechtspraak in de betrokken lidstaat van de Unie corrigerend wordt toegepast en die toestaat dat de informatie over de redenen voor aanhouding of detentie van een verdachte, met inbegrip van het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht, niet in het schriftelijke bevel tot vrijheidsbeneming is opgenomen, maar in andere (vóór of na dat bevel opgestelde) begeleidende documenten die niet onmiddellijk aan de verdachte worden overhandigd en waarvan hij later kennis kan nemen indien hij de rechtmatigheid van de detentie in rechte betwist?
- 2)
Moet artikel 6, lid 2, van [richtlijn 2012/13] aldus worden uitgelegd dat de informatie over het strafbare feit waarvan een aangehouden persoon wordt verdacht, gegevens moet bevatten over de tijd en de plaats van het strafbare feit alsook de wijze waarop het is gepleegd, de concrete betrokkenheid van de aangehouden persoon daarbij en de daaruit voortvloeiende strafrechtelijke kwalificatie, teneinde de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van verdediging te waarborgen?’
II. Analyse
A. Toepasselijkheid van richtlijn 2012/13
24.
Vooraf dient te worden beoordeeld of richtlijn 2012/13 in casu van toepassing is.
25.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers dat naar Bulgaars recht detentie op grond van artikel 72, lid 1, punt 1, van de wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken een bestuurlijke dwangmaatregel is die het karakter heeft van een individuele bestuurlijke handeling, hetgeen erop zou kunnen wijzen dat het hoofdgeding als bestuurlijk moet worden aangemerkt en dus buiten de werkingssfeer van richtlijn 2012/13 valt.
26.
Volgens artikel 1 van deze richtlijn legt zij voorschriften vast met betrekking tot het recht op informatie van verdachten of beklaagden over hun rechten in strafprocedures en over de tegen hen ingebrachte beschuldiging. Aangezien ik er niet aan twijfel dat XN bij zijn aanhouding en vrijheidsbeneming ervan in kennis moet zijn gesteld dat de politiediensten hem als verdachte beschouwden4., zal ik mij kort richten op de vraag of de procedure die tot het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing heeft geleid, een ‘strafprocedure’ in de zin van dat artikel is, zodat richtlijn 2012/13 in casu toch van toepassing zou moeten zijn.
27.
Dienaangaande merk ik op dat volgens de verwijzende rechter detentie naar Bulgaars recht is gericht op burgers ten aanzien van wie er aanwijzingen zijn dat zij een strafbaar feit hebben gepleegd. Ofschoon in een strafprocedure de verantwoordelijkheid van de betrokkene afzonderlijk wordt onderzocht, kan vrijheidsbeneming alleen worden bevolen indien er aanwijzingen voor een gepleegd strafbaar feit zijn die het vermoeden wettigen dat de betrokkene waarschijnlijk bij dat feit betrokken was.
28.
Voorts dient te worden vastgesteld dat richtlijn 2012/13 volgens overweging 14 ervan is geënt op de in het Handvest neergelegde rechten, in het bijzonder de artikelen 6, 47 en 48, die op hun beurt zijn gebaseerd op de artikelen 5 en 6 EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM, en dat de term ‘beschuldiging’ in die richtlijn wordt gebruikt om hetzelfde begrip aan te duiden als de term ‘ingestelde vervolging’ van artikel 6, lid 1, EVRM5..
29.
Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen benadrukt, heeft het Hof bij het arrest IS (Onwettigheid van de verwijzingsbeslissing)6. reeds bevestigd dat de door richtlijn 2012/13 verleende rechten van toepassing zijn op een aangehouden of gedetineerde verdachte, waarbij het heeft gewezen op de rechtspraak van het EHRM over de toepasselijkheid van de waarborgen die voortvloeien uit het strafrechtelijke aspect van artikel 6 EVRM, volgens welke van een ‘tegen hem ingestelde vervolging’ sprake is ingeval iemand officieel wordt vervolgd door de bevoegde autoriteiten of wanneer de maatregelen van deze autoriteiten op grond van de verdenkingen die tegen hem bestaan, aanzienlijke gevolgen hebben voor zijn situatie. Zo kan een persoon, zoals XN in casu, die is aangehouden (of gedetineerd) omdat hij ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd, worden beschouwd als iemand ‘tegen wie een vervolging is ingesteld’ en kan deze persoon aanspraak maken op de bescherming van artikel 6 EVRM.7.
30.
Hieruit volgt dat richtlijn 2012/13 op het hoofdgeding van toepassing is.
B. Ten gronde
1. Eerste prejudiciële vraag
31.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, lid 1, juncto artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die in overeenstemming met vaste rechtspraakpraktijk in de betrokken lidstaat wordt toegepast en volgens welke de redenen voor de detentie van een verdachte of een beklaagde niet noodzakelijkerwijs in het schriftelijke bevel tot vrijheidsbeneming dienen te zijn opgenomen, maar ook mogen voorkomen in andere documenten waarvan de betrokkene slechts kennis zal krijgen indien hij beroep bij de rechter instelt tot betwisting van de rechtmatigheid van dat bevel.
32.
Alvorens met mijn analyse te beginnen, wens ik eraan te herinneren dat artikel 8, lid 1, van deze richtlijn vereist dat wanneer informatie wordt verstrekt aan verdachten of beklaagden overeenkomstig de artikelen 3 en 6 ervan, dit wordt geregistreerd volgens de registratieprocedure waarin het recht van de betrokken lidstaat voorziet. Uit het dossier blijkt volgens mij evenwel niet dat de uitlegging van die bepaling voor het antwoord op de onderhavige vraag van belang is. Mijns inziens dient het Hof in zijn te wijzen arrest de vraag dan ook te herformuleren onder uitsluitende verwijzing naar artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13.
33.
Richtlijn 2012/13 beoogt het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten in hun respectieve strafrechtstelsels te vergroten door de vaststelling van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende het recht op informatie in strafprocedures.8. Zoals hierboven is opgemerkt, wordt in artikel 1 van die richtlijn aangegeven dat zij voorschriften vastlegt met betrekking tot het recht op informatie van verdachten of beklaagden over hun rechten in strafprocedures en over de tegen hen ingebrachte beschuldiging.
34.
Zoals het Hof reeds heeft vastgesteld9., blijkt uit artikel 3 juncto artikel 6 van richtlijn 2012/13 dat het in artikel 1 ervan genoemde recht minstens twee afzonderlijke rechten omvat. Ten eerste moeten verdachten en beklaagden overeenkomstig artikel 3 van deze richtlijn informatie krijgen over ten minste bepaalde procedurele rechten, namelijk het recht op toegang tot een advocaat, het recht op kosteloze bijstand en de voorwaarden waaronder deze bijstand kan worden verkregen, het recht op informatie over de beschuldiging, het recht op vertolking en vertaling en het zwijgrecht. Wanneer verdachten of beklaagden worden aangehouden of gedetineerd, zijn de lidstaten op grond van artikel 4 van richtlijn 2012/13 verplicht hun een schriftelijke verklaring te verstrekken waarin ook een aantal aanvullende procedurele rechten wordt vermeld. Ten tweede worden in artikel 6 van deze richtlijn regels vastgesteld betreffende het recht op informatie over de beschuldiging.
35.
Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13, waarop de onderhavige prejudiciële vraag betrekking heeft, betreft de regel dat verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, in kennis worden gesteld van de redenen voor hun aanhouding of detentie, met inbegrip van het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd.
36.
Het specifieke doel van die bepaling is de betrokkenen in staat te stellen de rechtmatigheid van hun vrijheidsbeneming te betwisten en zich aldus te beschermen tegen willekeurige aanhouding of detentie. Dat vloeit voort uit de rechtspraak van het EHRM.
37.
Dienaangaande herinner ik eraan dat aangezien artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13 een voorwaarde regelt voor de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming, de uitlegging ervan noodzakelijkerwijs gebaseerd moet zijn op artikel 6 van het Handvest, betreffende het recht op vrijheid en veiligheid. De daarin neergelegde rechten moeten overeenkomstig de homogeniteitsclausule van artikel 52, lid 3, van het Handvest dezelfde inhoud en reikwijdte krijgen als die welke er door artikel 5 EVRM aan worden toegekend. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is de verplichting van de bevoegde autoriteiten om informatie te verstrekken krachtens artikel 5, lid 2, EVRM10. bedoeld om aangehouden of gedetineerde personen het recht te geven de rechtmatigheid van hun vrijheidsbeneming in rechte te betwisten krachtens lid 4 van die bepaling.11.
38.
Aangaande het tijdstip waarop de informatie over de redenen voor aanhouding of detentie moet worden meegedeeld, is er duidelijk geen enkele aanwijzing terug te vinden in de bewoordingen van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13. Daarom moet worden nagegaan of een dergelijke aanwijzing kan worden afgeleid uit een systematische lezing van die bepaling, rekening houdend met de wijze waarop zij zich verhoudt tot de andere onderdelen van de bij artikel 6 ingestelde rechtsregeling.
39.
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2012/13 bevat de regel dat verdachten en beklaagden onverwijld en zo gedetailleerd als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen, informatie ontvangen over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. In overweging 28 van deze richtlijn wordt gepreciseerd dat die informatie uiterlijk vóór het eerste officiële verhoor door de politie wordt verstrekt. In lid 3 van dat artikel wordt bepaald dat uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging, gedetailleerde informatie wordt verstrekt over de beschuldiging, met inbegrip van de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, alsmede over de aard van de betrokkenheid van de beklaagde, terwijl lid 4 van datzelfde artikel bepaalt dat verdachten of beklaagden onverwijld in kennis worden gesteld van wijzigingen in de verstrekte informatie, indien dit nodig is om een eerlijk verloop van de procedure te waarborgen.
40.
Gelet op het voorwerp van de vraag van de verwijzende rechter zal ik onderzoeken hoe de eerste twee leden van artikel 6 van richtlijn 2012/13 zich tot elkaar verhouden.
41.
Artikel 6, lid 1, bevat een algemene verplichting tot het verstrekken van informatie over het strafbare feit, waaraan onverwijld en zo gedetailleerd als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen moet worden voldaan. Artikel 6, lid 2, legt de bevoegde autoriteiten bij aanhouding of detentie een aanvullende verplichting op die niet beperkt blijft tot het verstrekken van informatie over het strafbare feit, maar zich meer in het algemeen uitstrekt tot de redenen voor aanhouding of detentie.12. Aangezien het tijdscriterium van lid 1 ook geldt bij aanhouding of detentie, is het dus niet verwonderlijk dat in lid 2 niet wordt vermeld op welk tijdstip de daarin opgenomen informatie aan de verdachte of de beklaagde moet worden meegedeeld.
42.
Uit een systematische lezing kan dus enkel worden opgemaakt dat de bevoegde autoriteiten de betrokkene de redenen voor zijn aanhouding of detentie zo snel als noodzakelijk is om hem in staat te stellen desgewenst de rechtmatigheid van zijn vrijheidsbeneming te betwisten moeten meedelen, zodat hij zijn rechten van verdediging daadwerkelijk kan uitoefenen en het eerlijke verloop van de procedure wordt gewaarborgd.
43.
Hetzelfde exegetische resultaat wordt verkregen wanneer rekening wordt gehouden met vaste rechtspraak waarin het Hof op de noodzaak om aan artikel 6 van richtlijn 2012/13 nuttige werking te verlenen wijst door te preciseren dat richtlijn 2012/13 weliswaar niet regelt op welke wijze de informatie over de beschuldiging aan de beklaagde of verdachte moet worden meegedeeld, maar dat de ter zake geldende regeling niet mag afdoen aan de doelstelling die meer bepaald met artikel 6 wordt nagestreefd, namelijk verdachten of beklaagden van een strafbaar feit in staat stellen om hun verdediging voor te bereiden en een eerlijk verloop van de procedure waarborgen.13.
44.
Aangevoerd kan immers worden dat de aangehouden of gedetineerde persoon zijn kansen om de rechtmatigheid van de detentie doeltreffend te betwisten en zo nodig beroep daartoe in te stellen alleen kan beoordelen wanneer die informatie onverwijld, dus op het tijdstip van of kort na zijn vrijheidsbeneming, wordt verstrekt.
45.
Dat doel kan daarentegen niet worden bereikt indien informatie over de redenen voor aanhouding of detentie pas wordt verstrekt nadat de betrokkene een dergelijk beroep heeft ingesteld. Er dient immers te worden vastgesteld dat indien de aangehouden of gedetineerde persoon ter kennisname van de redenen voor een besluit de rechtmatigheid ervan moet betwisten, hij niet de tijd zal hebben gehad om de kans op slagen van zijn beroep te beoordelen noch om in voorkomend geval dat beroep adequaat voor te bereiden. Het volstaat dus niet dat deze redenen kunnen worden afgeleid uit de processtukken.14.
46.
De tot nu toe gegeven uitlegging vindt mijns inziens steun in vaste rechtspraak van het EHRM, ingeluid door het arrest Van der Leer tegen Nederland15., waarin is geoordeeld dat eenieder die het recht heeft op een snelle beslissing op een beroep over de rechtmatigheid van zijn detentie, dit recht slechts daadwerkelijk kan uitoefenen indien hij zo snel mogelijk en naar behoren in kennis wordt gesteld van de redenen waarom hem zijn vrijheid is ontnomen.16.
47.
In het besef dat het precieze tijdstip waarin dat ‘onverwijldheidsvereiste’ resulteert niet in abstracto kan worden vastgesteld, heeft het EHRM verklaard dat de vraag of de betrokken redenen voldoende snel aan de aangehouden of gedetineerde persoon zijn meegedeeld, afhangt van de bijzonderheden van het geval.
48.
Uit deze rechtspraak volgt evenwel dat de politieambtenaar die overgaat tot aanhouding (of vrijheidsbeneming), niet bij de aanhouding zelf de volledige redenen hoeft mee te delen.17. De tijdsbeperking die uit het onverwijldheidsvereiste voortvloeit, wordt geacht te zijn nageleefd wanneer de aangehouden (of gedetineerde) persoon in kennis wordt gesteld van de redenen voor zijn vrijheidsbeneming binnen een termijn van enkele uren18., terwijl tot dusver steeds is vastgesteld dat aan dat vereiste niet wordt voldaan wanneer de betrokkene die informatie ontvangt binnen een termijn van meer dan ongeveer een dag19..
49.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 6, lid 2, juncto artikel 6, lid 1, van richtlijn 2012/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die in overeenstemming met vaste rechtspraakpraktijk in de betrokken lidstaat wordt toegepast en volgens welke de redenen voor de detentie van een verdachte of een beklaagde niet noodzakelijkerwijs in het schriftelijke bevel tot vrijheidsbeneming dienen te zijn opgenomen, maar ook mogen voorkomen in andere documenten waarvan de betrokkene slechts kennis zal krijgen indien hij beroep bij de rechter instelt tot betwisting van de rechtmatigheid van dat bevel. Die redenen moeten hem immers worden meegedeeld zo snel als noodzakelijk is om hem in staat te stellen desgewenst een dergelijk beroep in te stellen en in ieder geval vóór het eerste officiële verhoor door de politie.
2. Tweede prejudiciële vraag
50.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13 aldus moet worden uitgelegd dat de aan de aangehouden of gedetineerde persoon te verstrekken informatie gegevens moet bevatten over de tijd en de plaats van het strafbare feit alsook de wijze waarop het is gepleegd, de concrete betrokkenheid van die persoon daarbij en de daaruit voortvloeiende strafrechtelijke kwalificatie, teneinde deze persoon te waarborgen dat hij zijn vrijheidsbeneming doeltreffend kan betwisten en aldus zijn rechten van verdediging daadwerkelijk kan uitoefenen.
51.
Het Hof wordt met andere woorden gevraagd naar de inhoud en de gedetailleerdheid van de redenen die krachtens artikel 6, lid 2, van richtlijn 2012/13 aan de aangehouden of gedetineerde persoon moeten worden meegedeeld.
52.
Zoals ik hierboven heb uiteengezet, bevat die bepaling een aanvullende informatieverplichting naast de algemene verplichting van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2012/13, en moet zij dus in samenhang met laatstgenoemde bepaling worden gelezen. De onderhavige prejudiciële vraag kan evenwel niet worden beantwoord aan de hand van de bewoordingen van die bepalingen. Daaruit kan immers enkel worden afgeleid dat de redenen ten eerste voldoende gedetailleerd moeten worden meegedeeld en ten tweede ten minste het strafbare feit moeten omvatten waarvan de betrokkene wordt verdacht.
53.
Daarom moet rekening worden gehouden met overweging 28 van richtlijn 2012/13, die mijns inziens bijzonder duidelijk is over de omvang van de in de eerste drie leden van artikel 6 van die richtlijn vervatte verplichtingen om verdachten en beklaagden in kennis te stellen van de tegen hen ingebrachte beschuldiging.
54.
Aangezien ik mij in de volgende punten grotendeels op die overweging zal baseren, moet ik er allereerst op wijzen dat overwegingen weliswaar in de regel geen bindende kracht hebben20., maar dat het Hof vaak erop heeft gesteund om de bepalingen van een Unierechtelijke handeling uit te leggen.
55.
In deze overweging wordt met het oog op een eerlijk verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging gewezen op de noodzaak om met name de omschrijving van het door de verdachte of beklaagde beweerdelijk gepleegde strafbare feit, met inbegrip van, indien bekend, tijd en plaats en de mogelijke wettelijke kwalificatie ervan, te verstrekken in voldoende detail, rekening houdend met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt.
56.
Mijns inziens biedt dat enig houvast over de omvang van de informatieverplichting die krachtens artikel 6 van richtlijn 2012/13 op de bevoegde autoriteiten rust.
57.
Ten eerste omvat de te verstrekken informatie een omschrijving van het vermeende strafbare feit en de mogelijke wettelijke kwalificatie van dat strafbare feit, ongeacht de fase waarin de procedure zich bevindt.
58.
Wat de gevallen van aanhouding of detentie betreft, zij opgemerkt dat elke poging om de elementen die onder ‘omschrijving’ van het strafbare feit vallen uitputtend op te sommen, uiteraard gedoemd is te mislukken wegens de veelheid van situaties die dergelijke vrijheidsbenemende maatregelen kunnen rechtvaardigen. Niettemin kan mijns inziens in alle redelijkheid worden aangenomen dat naast tijd en plaats van het strafbare feit, indien bekend, de aard van de betrokkenheid van de persoon in kwestie bij dat strafbare feit niet uit die omschrijving mag worden weggelaten.21. Voorts moet de verwijzing in de betrokken overweging naar de mogelijke22. wettelijke kwalificatie aldus worden uitgelegd dat de aangehouden of gedetineerde persoon tevens in kennis moet worden gesteld van de voorlopige wettelijke kwalificatie van het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht.
59.
Indien die inhoud niet wordt meegedeeld, kan de nuttige werking van artikel 6, lid 2, juncto artikel 6, lid 1, van richtlijn 2012/13 niet worden gewaarborgd. Mijns inziens kan de betrokkene en/of zijn advocaat immers alleen wanneer de aldus gekarakteriseerde feitelijke en juridische redenen voor aanhouding of detentie worden meegedeeld, begrijpen waarom de betrokkene zijn vrijheid is ontnomen en dus in voorkomend geval zijn recht op betwisting van de rechtmatigheid van de aanhouding of detentie en aldus zijn rechten van verdediging daadwerkelijk uitoefenen.
60.
Ten tweede varieert de mate van gedetailleerdheid van de betrokken informatie naargelang de fase waarin de procedure zich bevindt. Dienaangaande wordt in overweging 28 van richtlijn 2012/13 immers tot uitdrukking gebracht dat een afweging dient te worden gemaakt tussen de imperatieven waarvan sprake is, namelijk een eerlijk verloop van de procedure en de eerbiediging van de rechten van de verdediging enerzijds en de procedurele vereisten anderzijds. Artikel 6 van richtlijn 2012/13 moet derhalve aldus worden opgevat dat het een gradatie in de informatieverplichting instelt, waarbij de gedetailleerdheid die van de bevoegde autoriteit wordt verlangd toeneemt naarmate de fase van de beslissing ten gronde nadert. Artikel 6, lid 1, schrijft voor dat informatie over het strafbare feit moet worden verstrekt, welke in geval van aanhouding of detentie ook alle redenen voor die aanhouding of detentie omvat in de zin van artikel 6, lid 2, terwijl lid 3 van dat artikel gedetailleerde informatie vereist in de fase van de beslissing ten gronde.
61.
Uit overweging 28 volgt eveneens dat bij het verstrekken van de hierboven bedoelde informatie geen lopende onderzoeken mogen worden geschaad, zodat voorafgaand moet worden beoordeeld of de mate van gedetailleerdheid van die informatie adequaat is. Het is immers niet uitgesloten dat de bevoegde autoriteit over informatie beschikt die niet aan de aangehouden of gedetineerde persoon kan worden vrijgegeven zonder de voortgang van dat onderzoek te schaden. Die autoriteit dient dus een juist evenwicht te vinden om dergelijke schade te voorkomen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de betrokkene voldoende informatie krijgt om hem in staat te stellen de redenen voor zijn vrijheidsbeneming te begrijpen en de rechtmatigheid ervan doeltreffend te betwisten.23.
62.
Hieruit volgt ten eerste dat de informatie die wordt voorgeschreven door artikel 6, lid 2, juncto artikel 6, lid 1, van richtlijn 2012/13 niet zo gedetailleerd en volledig is als de door artikel 6, lid 3, vereiste informatie en ten tweede dat zij dezelfde elementen betreft als opgesomd in dat lid 3.
63.
De uitlegging die ik zojuist heb uitgewerkt, vindt mijns inziens ten volle steun in de rechtspraak betreffende artikel 5, lid 2, EVRM.
64.
Ofschoon uit die rechtspraak volgt dat de vraag of een aangehouden of gedetineerde persoon ter betwisting van de rechtmatigheid van zijn vrijheidsbeneming voldoende informatie heeft ontvangen, moet worden beoordeeld in het licht van de bijzondere omstandigheden van het geval, heeft het EHRM bepaalde beginselen vastgelegd die zijn bedoeld als richtsnoer voor die beoordeling.24.
65.
Ten eerste vormt de vermelding van de rechtsgrondslag voor de vrijheidsbeneming op zich geen voldoende informatie voor de toepassing van het recht om te worden geïnformeerd over de redenen voor aanhouding of detentie. Zo is het EHRM in zijn arrest Murray tegen Verenigd Koninkrijk tot de slotsom gekomen dat artikel 5, lid 2, EVRM was geschonden omdat de politieambtenaar die Murray had aangehouden, haar enkel de strafrechtelijke bepaling waarop haar aanhouding was gebaseerd had meegedeeld.25. Evenzo heeft het EHRM in zijn arrest Fox, Campbell en Hartley tegen Verenigd Koninkrijk geoordeeld dat de door de politie aan die verzoekers aanvankelijk verstrekte informatie dat zij op grond van een specifieke strafrechtelijke bepaling waren aangehouden op verdenking van terrorisme26., niet met dat artikel in overeenstemming was.
66.
Ten tweede moet de aangehouden of gedetineerde persoon in een eenvoudige en voor hem begrijpelijke taal in kennis worden gesteld van de feitelijke en juridische redenen voor zijn vrijheidsbeneming, zodat hij de rechtmatigheid ervan in rechte kan betwisten.27. Die redenen moeten naast de voorlopige wettelijke kwalificatie van het vermeende strafbare feit de aard van de betrokkenheid van de aangehouden of gedetineerde persoon omvatten. Nog steeds onder verwijzing naar het arrest Fox, Campbell en Hartley tegen Verenigd Koninkrijk zij er aan herinnerd dat die verzoekers in een latere fase op de hoogte werden gebracht van hun vermeende betrokkenheid bij specifieke strafbare feiten en van hun vermeende lidmaatschap van verboden organisaties, hetgeen in combinatie met de eerder verstrekte informatie volgens het EHRM voldeed aan de vereisten van artikel 5, lid 2, EVRM.28. In zijn arrest Gasiņš tegen Letland heeft het EHRM evenmin schending van die bepaling vastgesteld, aangezien de politie aan de verzoeker had uitgelegd dat hij ervan werd verdacht de moord op J.O. te hebben gepleegd, dat die moord had plaatsgevonden op 20 mei 2000 en dat dit feit strafbaar was op grond van artikel 116 van het Letse strafwetboek.29.
67.
Ten derde zijn de bevoegde autoriteiten niet verplicht om de betrokkene bij zijn aanhouding (of detentie) een volledige lijst van alle tegen hem ingebrachte beschuldigingen te verstrekken30., aangezien een dergelijke mate van gedetailleerdheid van de informatie alleen vereist is op het moment dat de verdachte in kennis wordt gesteld van de tenlasteleggingen tegen hem.31.
68.
Het is in het licht van bovenstaande overwegingen dat de verwijzende rechter artikel 74, lid 2, van de wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken — volgens hetwelk het op grond van artikel 72, lid 1, punt 1, van die wet uitgevaardigde bevel tot vrijheidsbeneming een aantal gegevens moet bevatten, waaronder ‘de feitelijke en juridische redenen voor de detentie’ — dient uit te leggen.
69.
Derhalve geef ik het Hof in overweging om op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 6, lid 2, juncto artikel 6, lid 1, van richtlijn 2012/13 aldus moet worden uitgelegd dat de aangehouden of gedetineerde persoon alle informatie moet krijgen die zonder het lopende onderzoek te schaden noodzakelijk is om hem in staat te stellen zijn vrijheidsbeneming doeltreffend te betwisten en aldus zijn rechten van verdediging daadwerkelijk uit te oefenen. Die informatie moet als reden voor aanhouding of detentie een omschrijving van het strafbare feit waarvan die persoon wordt verdacht bevatten, met inbegrip van, indien bekend, tijd en plaats, alsmede de aard van zijn betrokkenheid daarbij en de wettelijke kwalificatie die de bevoegde autoriteit er voorlopig aan heeft gegeven.
III. Conclusie
70.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Sofiyski Rayonen sad als volgt te beantwoorden:
- ‘1)
Artikel 6, lid 2, juncto artikel 6, lid 1, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een nationale regeling die in overeenstemming met vaste rechtspraakpraktijk in de betrokken lidstaat wordt toegepast en volgens welke de redenen voor de detentie van een verdachte of een beklaagde niet noodzakelijkerwijs in het schriftelijke bevel tot vrijheidsbeneming dienen te zijn opgenomen, maar ook mogen voorkomen in andere documenten waarvan de betrokkene slechts kennis zal krijgen indien hij beroep bij de rechter instelt tot betwisting van de rechtmatigheid van dat bevel. Die redenen moeten hem immers worden meegedeeld zo snel als noodzakelijk is om hem in staat te stellen desgewenst een dergelijk beroep in te stellen en in ieder geval vóór het eerste officiële verhoor door de politie.
- 2)
Artikel 6, lid 2, juncto artikel 6, lid 1, van richtlijn 2012/13
moet aldus worden uitgelegd dat
de aangehouden of gedetineerde persoon alle informatie moet krijgen die zonder het lopende onderzoek te schaden noodzakelijk is om hem in staat te stellen zijn vrijheidsbeneming doeltreffend te betwisten en aldus zijn rechten van verdediging daadwerkelijk uit te oefenen. Die informatie moet als reden voor aanhouding of detentie een omschrijving van het strafbare feit waarvan die persoon wordt verdacht bevatten, met inbegrip van, indien bekend, tijd en plaats, alsmede de aard van zijn betrokkenheid daarbij en de wettelijke kwalificatie die de bevoegde autoriteit er voorlopig aan heeft gegeven.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑01‑2023
Oorspronkelijke taal: Frans.
Kafka, F., Het proces, Singel Uitgeverijen, Amsterdam, 2014.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB 2012, L 142, blz. 1).
Vermeldenswaard is dat het door de verwijzende rechter aangestipte feit dat het begrip ‘verdachte’ in het Bulgaarse recht niet bekend is, hieromtrent geen twijfel kan doen rijzen aangezien het onmiskenbaar om een autonoom Unierechtelijk begrip gaat, dat niet per definitie afhankelijk is van nationale kwalificaties.
Artikel 6, lid 1, eerste volzin, EVRM luidt: ‘Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.’
Arrest van 23 november 2021 (C-564/19, EU:C:2021:949, punt 121).
EHRM, 12 mei 2017, Simeonovi tegen Bulgarije (CE:ECHR:2017:0512JUD002198004, §§ 110–111).
Zie de overwegingen 10 en 14 van die richtlijn.
Zie met name arrest van 13 juni 2019, Moro (C-646/17, EU:C:2019:489, punten 42 en 43).
Die rechtspraak gaat terug tot het arrest van het EHRM van 21 februari 1990, Van der Leer tegen Nederland (CE:ECHR:1990:0221JUD001150985, § 28).
Mijns inziens vindt die uitlegging bovendien steun in de voorbereidende werkzaamheden voor richtlijn 2012/13, aangezien een dergelijke verplichting om aan aangehouden of gedetineerde personen informatie te verstrekken niet voorkwam in de versie van artikel 6 van het Commissievoorstel dat tot die richtlijn heeft geleid en pas later door het Parlement aan de tekst van die bepaling is toegevoegd. Zie voorstel voor een richtlijn …/…/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op informatie in strafprocedures en het verslag over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op informatie in strafprocedures [COM(2010)0392 — C7-0189/2010 — 2010/0215(COD)].
Zie met name arrest van 23 november 2021, IS (Onwettigheid van de verwijzingsbeschikking) (C-564/19, EU:C:2021:949, punt 128 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
De verwijzende rechter verduidelijkt bovendien dat anders dan wordt vereist door artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13, aangehouden of gedetineerde personen geen toegang tot de stukken van het dossier hebben als gevolg van het feit dat het begrip ‘verdachte’ in het Bulgaarse recht niet voorkomt.
EHRM, 21 februari 1990, (CE:ECHR:1990:0221JUD001150985).
EHRM, 12 april 2005, Chamaïev e.a. tegen Georgië en Rusland (CE:ECHR:2005:0412JUD003637802, § 413), en 17 september 2020, Grubnyk tegen Oekraïne (CE:ECHR:2020:0917JUD005844415, §§ 97 en 99).
EHRM, 30 augustus 1990, Fox, Campbell en Hartley tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1990:0830JUD001224486, § 40); 28 oktober 1994, Murray tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1994:1028JUD001431088, § 72), en 15 december 2016, Khlaifia e.a. tegen Italië (CE:ECHR:2016:1215JUD001648312, § 115).
EHRM, 30 augustus 1990, Fox, Campbell en Hartley tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1990:0830JUD001224486, § 42) (termijn van 7 uren), en 28 oktober 1994, Murray tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1994:1028JUD001431088, § 78) (termijn van 1 uur en twintig minuten).
Zie met name EHRM, 12 april 2005, Chamaïev e.a. tegen Georgië en Rusland (CE:ECHR:2005:0412JUD003637802, § 416) (termijn van 4 dagen); 29 januari 2008, Saadi tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2008:0129JUD001322903, § 84) (termijn van 76 uren); 2 oktober 2008, Rusu tegen Oostenrijk (CE:ECHR:2008:1002JUD003408202, § 43) (termijn van 10 dagen); 15 december 2009, Leva tegen Moldavië (CE:ECHR:2009:1215JUD001244405, § 62) (termijn van meer dan 3 dagen), en 12 juni 2012, Kortesis tegen Griekenland (CE:ECHR:2012:0612JUD006059310, § 62) (termijn van 29 uren).
Zie arrest van 25 november 2020, Istituto nazionale della previdenza sociale (Gezinsbijslagen voor langdurig ingezeten onderdanen) (C-303/19, EU:C:2020:958, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Behalve in gevallen waarin die informatie niet uit de feitelijke context kan worden afgeleid. Zie in dat verband EHRM, 17 september 2020, Grubnyk tegen Oekraïne (CE:ECHR:2020:0917JUD005844415, § 98).
Zie in dat verband de Spaanse (‘posible’), de Engelse (‘possible’), de Italiaanse (‘possibile’) en de Estse taalversie (‘võimalik’, hetgeen overeenkomst met het Franse ‘éventuelle’).
Ik herinner eraan dat het EHRM zich bij mijn weten tot dusver alleen heeft uitgesproken over de afweging tussen het recht van een gedetineerde om inzage te krijgen in zijn onderzoeksdossier en de vrijwaring van een belangrijke doelstelling van algemeen belang, zoals de nationale veiligheid, de noodzaak om bepaalde politiemethoden geheim te houden of de bescherming van de grondrechten van derden. Zie met name EHRM, 19 februari 2009, A. e.a. tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2009:0219JUD000345505).
Opgemerkt zij dat de door de verwijzende rechter en de Commissie aangehaalde rechtspraak betreffende artikel 5, lid 1, onder c), EVRM op zijn minst van beperkt belang is om te bepalen welke informatie aan de aangehouden of gedetineerde persoon moet worden verstrekt. Het EHRM heeft in zijn arrest van 11 juni 2009, Petkov en Profirov tegen Bulgarije (CE:ECHR:2009:0611JUD007756801, §§ 46 en 47), verklaard dat volgens dat artikel ‘detentie moet zijn gebaseerd op ‘redelijke gronden’ om aan te nemen dat de betrokkene een strafbaar feit heeft gepleegd. Dergelijke vermoedens mogen niet algemeen en abstract zijn […], hetgeen betekent dat sprake moet zijn van feiten of informatie die een objectieve waarnemer ervan kunnen overtuigen dat de betrokkene een bepaald strafbaar feit kan hebben gepleegd’. Het is duidelijk dat het EHRM zich in dat arrest alleen heeft uitgesproken over de informatie waarover de bevoegde autoriteit moet beschikken om iemand rechtmatig te detineren. Ofschoon hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de aan de aangehouden of gedetineerde persoon verstrekte informatie concreet in plaats van algemeen of abstract dient te zijn, ben ik van mening dat die vaststelling niets toevoegt aan de overwegingen in de volgende punten van de onderhavige conclusie.
EHRM, 28 oktober 1994 (CE:ECHR:1994:1028JUD001431088, § 76).
EHRM, 30 augustus 1990 (CE:ECHR:1990:0830JUD001224486, § 41). Zie ook EHRM, 12 juni 2012, Kortesis tegen Griekenland (CE:ECHR:2012:0612JUD006059310, §§ 61 en 62).
EHRM, 30 augustus 1990, Fox, Campbell en Hartley tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1990:0830JUD001224486, § 40); 28 oktober 1994, Murray tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1994:1028JUD001431088, § 72); 15 december 2016, Khlaifia e.a. tegen Italië (CE:ECHR:2016:1215JUD001648312, § 115), en 25 januari 2018, J.R. e.a. tegen Griekenland (CE:ECHR:2018:0125JUD002269616, §§ 123 en 124).
EHRM, 30 augustus 1990 (CE:ECHR:1990:0830JUD001224486, § 41).
EHRM, 19 april 2011 (CE:ECHR:2011:0419JUD006945801, § 54).
EHRM, 19 april 2011, Gasiņš tegen Letland (CE:ECHR:2011:0419JUD006945801, § 53).