Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/260:260 Stelplicht verzoeker
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/260
260 Stelplicht verzoeker
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS453446:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie de conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007: BB6200, RvdW 2007, 987. Zie ook HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3938, NJ 2008, 608 en JBPr 2009, 12 m.nt. E.F. Groot (Udo/Renault). Zie ook Klaassen 2012, p. 81, die aangeeft dat het stellen van hogere eisen aan het verzoekschrift leidt tot meer profijt van het middel van het voorlopig getuigenverhoor; nr. 416.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het niet onherroepelijk kwijtraken van de mogelijkheid getuigenbewijs te leveren bij het niet bevelen van een voorlopig getuigenverhoor wegens onvoldoende belang, dient naar mijn mening te volgen dat art. 3:303 BW minder terughoudend moet worden toegepast. Uit deze minder terughoudende toetsing van het belangvereiste – en omdat de verzoeker ten slotte het middel van het voorlopig getuigenverhoor wil inzetten – vloeit voort dat het op de weg van de verzoeker ligt, als zijn belang bij het verzoek twijfelachtig is, feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit zijn belang blijkt; de verzoeker moet in staat zijn om met redenen omkleed aan te geven waarom de inzet van het middel van het voorlopig getuigenverhoor niet zinloos is. Hoe minder de verzoeker hiertoe in staat zal zijn, hoe eerder de rechter het verzoek wegens onvoldoende belang zal moeten afwijzen.1